Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

  • goedkeuringsdatum
    01 DECEMBER 1993
  • publicatiedatum
    B.S.21/12/1993
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

COORDINATIE

Decr. 8-7-1996 - B.S. 5-9-1996

B.M. 9-3-1999 - B.S. 8-4-1999

Decr. 13-4-1999 - B.S. 5-5-1999

Decr. 13-7-2001 - B.S. 27-11-2001

Decr. 7-7-2006 - B.S. 31-8-2006

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 1-6-2012 - B.S. 22-6-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 27-1-2015

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

[Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.]

Decr.13-4-1999

Art. 2.

Voor de onderwijsinstellingen die door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden, wordt in dit decreet verstaan onder "levensbeschouwelijke vakken" :

1° de vakken die betrekking hebben op het onderricht in een erkende godsdienst, de op die godsdienst berustende zedenleer of de niet-confessionele zedenleer, bedoeld in [artikel 96 en artikel 97 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs] [of bedoeld in de artikelen 41en 42 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997]¹ en in het gewoon en buitengewoon lager en secundair onderwijs worden georganiseerd;

2° de vakken die voorkomen in de goedgekeurde lessentabellen onder een benaming, vermeld in 1° en die georganiseerd worden in het pedagogisch hoger onderwijs, [en de opleidingsonderdelen die voorkomen onder een benaming vermeld in 1° en die georganiseerd worden in de lerarenopleidingen van de hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap]¹.

[ ]¹ Decr. 13-4-1999; [ ] B.Vl.R. 17-12-2010

TITEL II. - Inspectie en begeleiding

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 3.

De inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken kunnen niet gescheiden worden en moeten in eenzelfde ambt geïntegreerd zijn.

Art. 4.

De Vlaamse regering stelt de personeelsformatie vast voor de inspectie en de begeleiding van iedere erkende godsdienst en voor de inspectie en de begeleiding van de niet-confessionele zedenleer.

[De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om artikel 1 van het besluit van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, gewijzigd door het decreet van 18 december 2009 en gewijzigd door artikel 46 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 en de besluiten van 23 april 2004 en 12 oktober 2012, te vervangen teneinde de personeelsformatie opnieuw vast te stellen.

De Vlaamse Regering werkt de nieuwe personeelsformatie uit op basis van algemene, objectieve criteria, waarbij ze in ieder geval rekening houdt met de volgende principes :

1° de personeelsformatie en de aanstelling en vaste benoeming wordt toegekend a rato van eenheden die overeenkomen met 1/10de van een voltijdse aanstelling of vaste benoeming, of met een veelvoud ervan;

2° wijzigingen in de personeelsformatie kunnen slechts doorgevoerd worden voor zover de aangepaste personeelsformatie geen terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking tot gevolg heeft.]

Decr. 19-12-2014

Art. 5.

Per erkende godsdienst en voor de niet-confessionele gemeenschap wordt slechts één instantie of één vereniging erkend door de Vlaamse regering voor het uitvoeren van de in dit decreet vermelde opdrachten.

De aanvragen tot erkenning worden vanaf 1 november 1993 voorgelegd aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering deelt haar beslissing mee binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar en kan hernieuwd worden.

(voetnoot 1)

Elke beslissing tot afwijzing van een erkenning of tot intrekking wordt door de Vlaamse regering omstandig gemotiveerd.

Bij afwijzing van een erkenning of intrekking van een erkenning kan de instantie van de godsdienst of de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bezwaar aantekenen bij de Vlaamse regering binnen de dertig dagen na ontvangst van de beslissing.

De Vlaamse regering deelt haar beslissing mee binnen de dertig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift.

Art. 6.

§ 1. De erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bepalen de werking van de inspectie en de begeleiding van de betrokken godsdiensten en van de niet-confessionele zedenleer.

§ 2. Onder werking wordt verstaan :

- het voorstellen van de ambtsgebieden van de leden van de inspectie en begeleiding, genoemd in artikel 10;

- het bepalen van het onderwijsniveau en de onderwijsvorm waarop de leden van de inspectie en begeleiding hun inspectie- en begeleidingsopdrachten uitvoeren, rekening houdend met de vastgestelde personeelsformatie, bedoeld in artikel 4 van dit decreet;

- het bepalen van de wijze waarop de inspectie- en begeleidingsopdrachten worden uitgevoerd;

- het bepalen van de beroepsbekwaamheid en van de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leden van de inspectie en begeleiding;

- het organiseren van bijscholing voor de leden van de inspectie en begeleiding;

- het opstellen van leerplannen.

§ 3. De voorstellen betreffende de ambtsgebieden worden meegedeeld aan de [inspecteur-generaal, bedoeld in artikel 61, 3°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs], die ze ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse regering.

Decr. 8-5-2009

§ 4. De in § 1 bedoelde erkende instanties en vereniging kunnen, ter aanvulling van de personeelsleden bedoeld in artikel 10, de in artikel 8 vermelde opdrachten toewijzen aan de door hen aangeduide personen. Ze oefenen hun opdrachten uit onder de bevoegdheid van de leden van de inspectie en begeleiding, bedoeld in artikel 10. De namen van deze personen worden medegedeeld aan de Vlaamse regering.

De Vlaamse regering bepaalt, op voorstel van de bevoegde instanties van de erkende godsdiensten en op voorstel van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, per erkende godsdienst en voor de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap het maximum aantal personen dat aan de personeelsformatie kan toegevoegd worden.

[De erkende instanties en verenigingen staan in voor de terugbetaling van de reis-, verblijfs- en werkingskosten van deze personen.]

De bepalingen van Titel II, hoofdstuk II, afdeling 1 en afdeling 3, onderafdeling B van dit decreet en van § 2 van dit artikel zijn van toepassing op de personen welke met toepassing van het bepaalde in het eerste lid ter aanvulling van de personen bedoeld in artikel 10 zijn aangewezen.

Decr. 22-6-2007

Art. 7.

De administratieve leiding van de inspecteurs-adviseurs wordt waargenomen door de [inspecteur-generaal, bedoeld in artikel 61, 3°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs].

Decr. 8-5-2009

Art. 8.

§ 1. De leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken zijn, ieder voor wat zijn vak betreft, in het gewoon en buitengewoon lager en secundair onderwijs, [in de lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen]¹ en in het pedagogisch hoger onderwijs bevoegd voor :

1° de controle op de naleving van het lesrooster en de verklaringen betreffende de keuze voor een godsdienst of de niet-confessionele zedenleer, bedoeld in [artikel 96 tot en met artikel 99 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]³ [of bedoeld in het artikel 29 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997]¹;

2° de controle van de leermiddelen;

3° de controle van de bewoonbaarheid, de didactische bruikbaarheid en de hygiëne van de lokalen;

4° het uitbrengen van beleidsadviezen;

5° het controleren van de uitvoering van de leerplannen en de controle van het peil der studiën;

6° de externe ondersteuning en de beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leerkrachten en het stimuleren van initiatieven ter verbetering van de beroepskwaliteit;

7° het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van het betrokken vakgebied en het bewaken en het stimuleren van het aan de levensbeschouwing aangepast opvoedingsproject binnen het vakgebied;

8° alle andere opdrachten die worden toegekend door of krachtens wetten en decreten.

§ 2. De leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken sturen de beoordelingen van de leerkrachten naar de inrichtende macht en naar de erkende instantie van de godsdienst of naar de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap.

§ 3. De leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken delen de resultaten van de in § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 8° vermelde opdrachten mee aan de [inspecteur-generaal]².

De financiering van de instellingen van het Gemeenschapsonderwijs en de subsidiëring van de gesubsidieerde officiële instellingen is afhankelijk van de controle vermeld in § 1, 1°, onverminderd de gevolgen van de controles van de voorwaarden vermeld in § 1, 2°, 3°, op de opname in de toelageregeling, vermeld in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving voor de gesubsidieerde officiële instellingen [of vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997]¹.

[ ]¹ Decr. 13-4-1999; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ B.Vl.R. 17-12-2010

HOOFDSTUK II. - Regeling van de rechtspositie

Afdeling 1. - Plichten en onverenigbaarheden

Art. 9.

§ 1. [Artikel 51 tot en met artikel 57 en artikel 59 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de tijdelijke en vastbenoemde leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

§ 2. In afwijking van [artikel 58] van hetzelfde decreet is een opdracht in een onderwijsinstelling of een centrum verenigbaar met het uitoefenen van een deeltijdse betrekking als lid van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, indien de opdracht wordt uitgeoefend in een onderwijsinstelling of een centrum gelegen buiten het ambtsgebied waar de inspectie- en begeleidingsopdracht wordt uitgeoefend.

Indien aan een levenbeschouwelijk vak slechts een deeltijdse betrekking in de personeelsinformatie toegewezen is, mag het toegewezen ambtsgebied waar de inspectie- en begeleidingsopdrachten uitgeoefend worden, de school of het centrum omvatten waar het lid van de inspectie tijdelijk aangesteld is of vast benoemd is.

§ 3. Het uitoefenen van een ambt als lid van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken is onverenigbaar met het uitoefenen van een ambt als lid van de onderwijsinpectie van de Vlaamse Gemeenschap of als lid van de pedagogische begeleidingsdiensten, bedoeld in de artikelen 4 en 87 van hetzelfde decreet.

§ 4. Elk mandaat bij een erkende instantie van een erkende godsdienst of bij de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De leden van de inspectie en de begeleiding kunnen enkel een raadgevende functie uitoefenen bij de erkende instantie of de erkende vereniging.

§ 5. Bovendien staan de in § 1 genoemde personeelsleden garant voor een positieve instelling ten opzichte van de andere levensbeschouwingen en bevorderen zij de samenwerking met de inspecteurs-adviseur van de andere levensbeschouwelijke vakken.

Decr. 8-5-2009

Afdeling 2. - Vaststelling van de ambten

Art. 10.

§ 1.[De ambten die de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken mogen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld :

- inspecteur-adviseur;

- inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs;

- inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs;

- inspecteur-adviseur coördinator;

- inspecteur-adviseur voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs en de lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen;

- inspecteur-adviseur voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs en de lerarenopleidingen georganiseerd door de hogescholen.]

§ 2. Deze ambten kunnen deeltijds of voltijds uitgeoefend worden.

Decr. 21-12-2012

Afdeling 3. - Werving

Onderafdeling A. - Algemene bepalingen

Art. 11.

§ 1. De ambten van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken worden uitgeoefend door personeelsleden die vast benoemd zijn.

§ 2. In afwijking van vorige paragraaf kan, onder de voorwaarden bepaald in artikel 15, een ambt van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken eveneens tijdelijk uitgeoefend worden indien een ambt vacant is of als het vast benoemd personeelslid afwezig is. Indien de tijdelijke uitoefening van het ambt van de inspectie en de begeleiding gebeurt door een vast benoemd personeelslid van het onderwijs is de toestemming van de inrichtende macht vereist. Hij blijft titularis van het ambt waarin hij vast benoemd is en behoudt de voordelen van zijn benoeming. Het personeelslid kan worden vervangen voor de duur van de tijdelijke aanstelling.

Art. 12.

De personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken worden door de Vlaamse regering vast benoemd of tijdelijk aangesteld, op de voordracht van al naar het geval de erkende instantie van de erkende godsdienst of de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap.

Een vaste benoeming is enkel mogelijk indien een betrekking vacant is.

Onderafdeling B. - Toegang tot de ambten van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

Art. 13.

[Niemand kan in vast verband worden benoemd in één van de ambten bedoeld in artikel 10, § 1, dan wanneer hij ten tijde van de benoeming voldoet aan de volgende voorwaarden :

1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt door een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;

3° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;

4° [[voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 50 van het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs;]]

5° - hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de betreffende godsdienst in het basisonderwijs of secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;

- hetzij houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel, voor het onderwijzen van de niet-confessionele zedenleer in het basisonderwijs, zoals bepaald in het besluit van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs, of in het secundair onderwijs, zoals bepaald in het besluit van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;

- hetzij houder zijn van een minimaal vereist bekwaamheidsbewijs voor het onderwijzen van het opleidingsonderdeel godsdienst of niet-confessionele zedenleer in de hogescholen, zoals bedoeld in artikel 128 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 8-5-2009

Art. 14.

De vacature voor de betrekkingen vermeld in artikel 10, de toelatingsvoorwaarden, de vorm en de termijn die voor de kandidaturen opgelegd zijn, worden op voorstel van de erkende instantie van de erkende godsdiensten of op voorstel van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap door de Vlaamse regering in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De kandidaturen moeten binnen de vastgestelde termijn aangetekend verstuurd worden naar het adres, vermeld in de vacatures. Deze termijn bedraagt ten minste twintig dagen, te rekenen vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling 4. - Tijdelijke uitoefening van de ambten, bedoeld in artikel 10

Art. 15.

§ 1. Een personeelslid kan door de Vlaamse regering als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in één van de ambten vermeld in artikel 10, indien het ambt vacant is of indien de titularis van het ambt meer dan 30 kalenderdagen afwezig is.

§ 2. Om als tijdelijk personeelslid te worden aangesteld moet het personeelslid voldoen aan de voorwaarden van artikelen 12 en 13.

[Gedurende de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001 kan een personeelslid worden aangesteld in het ambt van inspecteur-adviseur islamitische godsdienst wanneer hij houder is van

1° een basisdiploma van ten minste HSO en van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, zoals omschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, of

2° een diploma van onderwijzer

en aan alle andere gestelde voorwaarden van artikel 12 en 13 voldoet. In afwijking van artikel 13, 5°, kan dit personeelslid vast benoemd worden.]

Decr.13-7-2001

Afdeling 5. - De preventieve schorsing

Art. 16.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de preventieve schorsing. De preventieve schorsing is enkel mogelijk indien het belang van de dienst zulks vereist. De preventieve schorsing is een administratieve maatregel uitgesproken door de Vlaamse regering en mag behoudens strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten niet meer dan één jaar bedragen. Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van de verdediging.

Afdeling 6. - Tuchtregeling

Onderafdeling A. - Tuchtstraffen

Art. 17.

Als de personeelsleden falen bij de uitoefening van hun taken, zoals vermeld in artikel 8 van dit decreet, of als ze verzaken aan hun plichten, zoals vermeld in artikel 9 van dit decreet, kan een tuchtstraf opgelegd worden. Alle tuchtstraffen worden door de Vlaamse regering uitgesproken. In beroep worden ze eveneens opgelegd door de Vlaamse regering nadat de door haar voorziene procedure is gevolgd.

Art. 18.

§ 1. De tuchtstraffen op grond van tekortkomingen bij het nakomen van de plichten en de taken vermeld in artikel 8, 1°, 2°, 3°, 4° en 8°, worden voorgesteld door de [inspecteur-generaal]. De [inspecteur-generaal] geeft hiervan melding aan de erkende instantie van de betrokken godsdienst of aan de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap.

§ 2. De tuchtstraffen op grond van de tekortkomingen bij het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 8, 5°, 6° en 7° worden, op voorstel al naar gelang het geval van de erkende instantie van de erkende godsdienst of van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, door de [inspecteur-generaal] aan de Vlaamse regering voorgesteld.

Decr. 8-5-2009

Art. 19.

[Artikel 125 en artikel 127 tot en met artikel 136 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

Decr. 8-5-2009

Onderafdeling B. - De raad van beroep

Art. 20.

§ 1. De Vlaamse regering stelt de raad van beroep als volgt samen :

1° een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, magistraat of emeritus magistraat;

2° vier leden van wie twee leden rechtstreeks worden aangewezen door de Vlaamse regering. Ze worden gekozen uit leden van de inspectie en begeleiding van het betrokken levensbeschouwelijk vak of bij afwezigheid hiervan uit een lijst die voorgelegd wordt door de erkende instantie van de erkende gosdienst of door de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap.

De twee andere leden worden voorgedragen door de erkende instantie van de betreffende godsdienst of door de voorzitter van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap;

3° onder de voorwaarden vermeld in 2° wordt een plaatsvervanger aangeduid.

§ 2. De Vlaamse regering wijst een secretaris en een plaatsvervangende secretaris aan onder de personeelsleden van [het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming]² die behoren tot [niveau A]¹. De secretaris is niet stemgerechtigd.

[ ]¹ Decr. 13-4-1999; [ ]² Decr. 22-6-2007

Afdeling 7. - Administratieve standen

Art. 21.

[§ 1. Artikel 139 tot en met artikel 148 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met dien verstande dat de vastbenoemde leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wel ter beschikking kunnen worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

§ 2. Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, kan zijn aanspraak laten gelden op een ander ambt en gedurende twee jaar op verhoging van zijn salaris.

§ 3. De vastbenoemde leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken kunnen ter beschikking gesteld worden wegens volledige ontstentenis van betrekking als gevolg van :

1° de vaststelling of een wijziging van de personeelsformatie;

2° een wijziging in de onderwijsorganisatie;

3° een beslissing van de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het personeelslid definitief ongeschikt verklaard wordt om op normale en regelmatige wijze zijn ambt uit te oefenen, maar geschikt bevonden wordt om tewerkgesteld te worden onder bepaalde voorwaarden.

§ 4. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt opgelegd overeenkomstig de door de Vlaamse Regering te bepalen regels en mits de door haar vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

§ 5. De personeelsleden, vermeld in § 3, die ter beschikking worden gesteld wegens volledige ontstentenis van betrekking, krijgen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden een wachtgeld.]

Decr. 8-5-2009

Afdeling 8. - Definitieve ambtsneerlegging

Art. 22.

§ 1. [ [[Artikel 149 en artikel 152]] van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met dien verstande dat de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken niet kunnen worden ontslagen als gevolg van een evaluatie met eindconclusie onvoldoende.

Voor zover niet anders is bepaald, worden de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld ambtshalve en zonder opzegging uit hun ambt ontslagen :

1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;

2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid;

3° door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;

4° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid vast wordt benoemd in deze betrekking;

5° door afschaffing van de betrekking.]¹

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, worden de tijdelijk aangestelde of de vast benoemde personeelsleden ambtshalve en zonder opzegging verwijderd uit het ambt vanaf het ogenblik waarop de betrokken bevoegde instantie van de erkende godsdienst een einde maakt aan hun mandaat als lid van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Bij een vast benoemd personeelslid is de opzeggingstermijn gelijk aan de periode die nodig is om in aanmerking te komen voor de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkering. Tijdens die opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht tijdelijk te zijn aangesteld en geniet het personeelslid de bruto-activiteitswedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd is. Gedurende de opzeggingstermijn kan het personeelslid door de Vlaamse regering met een andere opdracht belast worden en kan het in zijn ambt worden vervangen.

[§ 3. De artikelen 150 en 151 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 150, tweede lid, en aan artikel 151, tweede lid, een bijkomende voorwaarde geldt : de verlenging van de aanstelling of het mandaat mag niet tot gevolg hebben dat een personeelslid ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat perso- neelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.]²

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Afdeling 9. - Bezoldingsregeling

Art. 23.

De Vlaamse regering bepaalt het geldelijk statuut van de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. In afwachting van dat statuut blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing.

Art. 24.

De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de forfaitaire vergoeding die aan de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt toegekend voor de reis-, verblijfs- en werkingskosten die verbonden zijn aan de uitoefening van hun ambt.

Afdeling 10. - Overdracht van personeelsleden naar de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

Art. 25.

§ 1. De vastbenoemde leden van de inspectiedienst [...], worden op 1 januari 1994 ambtshalve overgedragen naar de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken in dezelfde administratieve toestand als die waarin zij zich bevinden op 31 december 1993, in een overeenstemmend ambt. De Vlaamse regering bepaalt wat als "overeenstemmend ambt" wordt beschouwd.

§ 2. Ze behouden de wedde-, dienst- en ambtsanciënniteit die zij verkregen zouden hebben indien zij in hun vorige dienst van herkomst hun ambt hadden blijven uitoefenen.

§ 3. Indien de Vlaamse regering de erkenning van een bevoegde instantie van een erkende godsdienst of van een vereniging van de niet-confessionele gemeenschap goedkeurt na 1 januari 1994, vervullen de in § 1 bedoelde personeelsleden, vanaf 1 januari 1994 tot de datum van de erkenning, de in artikel 8 vermelde opdrachten onder de bevoegdheid van de Vlaamse regering.

B.Vl.R. 28-10-2016

Afdeling 11. - Vakantie- en prestatieregeling

Art. 26.

De vakantie- en prestatieregeling wordt door de Vlaamse regering bepaald.

HOOFDSTUK III. - Financiering

Art. 27.

§ 1. Naast de wedde en weddetoelagen die aan de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken uitbetaald worden, wordt in de begroting van de Vlaamse regering jaarlijks een krediet ingeschreven voor de organisatie en de werking van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Dit krediet wordt berekend door het aantal betrekkingen van de personeelsformatie, beschreven in artikel 4, te vermenigvuldigen [met [[3.571,10 euro]] per aangeduide persoon bedoeld in artikel 4. Vanaf [[2016]] wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex].

§ 2. Het in § 1 vermelde krediet wordt toegekend aan de verenigingen zonder winstoogmerk die door de bevoegde instanties van de erkende godsdiensten en door de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap erkend worden.

§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van het krediet betreft. De controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending.

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 19-12-2014

TITEL III. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen

Art. 28.

In het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 29.

Artikel 6 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals vervangen bij het decreet van 17 juli 1991, wordt vervangen als volgt : ...

HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen

Art. 30.

De artikelen 9, vierde tot zevende lid, en 10, § 2, van dezelfde wet van 29 mei 1959, gewijzigd bij het decreet van 17 juli 1991, worden opgeheven.

HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 31.

In afwijking van [artikel 59 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende kwaliteit van onderwijs]¹ en in afwijking van artikel 9, § 2, van dit decreet, mogen de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken die voor hun benoeming als vast benoemd lid behoorden tot de inspectiedienst [...]² en die een mandaat in een inrichtende macht of een opdracht in een onderwijsinstelling of een centrum uitoefenden buiten hun inspectieopdracht, dit mandaat of die activiteit verder waarnemen, doch beperkt tot de aard en de omvang ervan op de dag vóór hun aanstelling als lid van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² B.Vl.R. 28-10-2016

HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling

Art. 32.

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 1994, met uitzondering van artikel 5, dat in werking treedt op 1 november 1993.

- (1): De hierna vermelde vereniging en instanties worden, in uitvoering van artikel 5 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, erkend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 1999 : 1° de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, genaamd Raad voor Inspectie en Begeleiding Niet-confessionele Zedenleer zetel : Brand Whitlocklaan 50, bus 2, 1200 Brussel; 2° de Erkende Instantie van de Orthodoxe Godsdienst zetel : Charbolaan 71, 1040 Brussel; 3° de Erkende Instantie van de Rooms-Katholieke Godsdienst zetel : Wollemarkt 15, 2800 Mechelen; 4° de Erkende Instantie van de Israëlitische Godsdienst zetel : Jozef Dupontstraat 2, 1000 Brussel; 5° de erkende instantie van de protestantse godsdienst, genaamd Comité Inspectie/Begeleiding Protestants Godsdienstonderwijs zetel : Bureau voor het protestants godsdienstonderwijs, Marsveldstraat 5, 1050 Brussel I (B.M. 9-3-1999, B.S. 8-4-1999)