OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering houdende samenstelling en werking van de participatiecolleges zoals bedoeld in hoofdstuk VI van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de medezeggingschap in het gesubsidieerd onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    23 JULI 1992
  • publicatiedatum
    B.S.18/09/1992
  • datum laatste wijziging
    01/04/2005

COORDINATIE

opgeheven door Decr. 2-4-2004 - B.S. 6-8-2004

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de medezeggingschap in het gesubsidieerd onderwijs, inzonderheid Hoofdstuk VI - De participatiecolleges, inzonderheid op artikel 30, lid 2 en lid 3;

Gelet op het advies van de Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 18 februari 1992;

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister bevoegd voor begroting, gegeven op 9 juli 1992;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat het aangewezen is onverwijld over te gaan tot de oprichting van de participatiecolleges vermits deze noodzakelijk zijn voor het verder operationaliseren van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de medezeggingschap in het gesubsidieerd onderwijs;

Overwegende dat de participatieraden immers uiterlijk op 31 mei 1992 dienden opgericht en in werking gesteld;

Overwegende dat de participatiecolleges een essentiële rol te vervullen hebben in de goede werking van de participatieraden;

Op voorstel van de Gemeenschapsminister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Samenstelling van de participatiecolleges

Artikel 1.

Het participatiecollege voor het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van volgende geledingen :

1° de inrichtende machten : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden;

2° de vakorganisaties : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden;

3° de ouderverenigingen : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden.

Art. 2.

Het participatiecollege voor het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van volgende geledingen :

1° de inrichtende machten : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden;

2° de vakorganisaties : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden;

3° de ouderverenigingen : 2 effectieve en 2 plaatsvervangende leden.

Art. 3.

§ 1. De leden van de participatiecolleges worden door de Vlaamse Regering benoemd op voordracht van de meest representatieve organisaties van inrichtende machten, vakorganisaties en ouderverenigingen.

§ 2. Zij worden benoemd voor een periode van vier jaar, die hernieuwbaar is.

Art. 4.

§ 1. Het mandaat van lid van een participatiecollege is onverenigbaar met dit van lid van een participatieraad.

§ 2. Een lid dat ontslag neemt, de hoedanigheid verliest op grond waarvan het werd benoemd of zich in een toestand van onverenigbaarheid bevindt, houdt van rechtswege op deel uit te maken van het participatiecollege.

§ 3. Ieder lid dat wordt benoemd ter vervanging van een ander lid, voleindigt het mandaat van zijn voorganger.

HOOFDSTUK II. - Werking van de participatiecolleges

Art. 5.

De participatiecolleges hebben hun zetel in de schoot van de Vlaamse Onderwijsraad.

Art. 6.

§ 1. Onder de effectieve leden van een participatiecollege wordt een voorzitter verkozen. Onthoudingen, ongeldige en blanco-stemmen worden niet meegeteld. Zo geen van de kandidaten een eenvoudige meerderheid behaalt, wordt een tweede stembeurt georganiseerd tussen de kandidaten met de twee hoogste aantal stemmen. Bij staking van stemmen is de oudste kandidaat voorzitter. De stemprocedure wordt geleid door het oudste lid.

§ 2. Onder de personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vlaamse Onderwijsraad, duidt de algemeen secretaris een secretaris aan voor ieder college. Het participatiecollege legt de taak van de secretaris vast.

§ 3. De voorzitter stelt de agenda vast en bepaalt de datum van de vergaderingen. Hij leidt de debatten, ondertekent de documenten uitgaande van het college en vertegenwoordigt het college naar buiten uit. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt het oudste aanwezige lid in de functie waar.

Art. 7.

§ 1. Met in achtname van de regels in dit besluit vermeld, stelt elk participatiecollege een regelement van orde op.

§ 2. De leden van de participatiecolleges evenals de raadgevers en de vertegenwoordigers zoals bedoeld in artikel 9 van dit besluit, zijn gehouden tot discretie omtrent de feiten en bevindingen waarvan ze in hun mandaat kennis krijgen.

§ 3. Een klacht zoals bedoeld in artikel 31 van het decreet van 23 oktober 1991, wordt aanhangig gemaakt bij aangetekend schrijven gericht aan de voorzitter van het bevoegde participatiecollege en wordt op een datum binnen de 30 kalenderdagen na ontvangst op de agenda geplaatst.

Een klacht dient omstandig gedocumenteerd met onder andere de preciese aanduiding van de inbreuk, de samenstelling van de participatieraad met de woonplaats van de leden en in voorkomend geval het reglement van orde van de participatieraad.

De leden van de participatieraad waarop de klacht betrekking heeft, worden onmiddellijk op de hoogte gebracht van de agendering en hebben het recht, op hun verzoek, door het participatiecollege bij de behandeling van de klacht gehoord te worden.

In elk geval wordt bij het bericht van agendering een gelijkvormig afschrift gevoegd van de klacht met de begeleidende documenten.

§ 4. De leden van het participatiecollege worden schriftelijk door de voorzitter uitgenodigd. De uitnodiging vergezeld van de voorbereidende stukken, dient tenminste vijf werkdagen vóór de vergadering hen toegestuurd en vermeldt de agenda. Het effectief lid dat verhinderd is, verwittigt onmiddellijk de voorzitter.

§ 5. Binnen het participatiecollege wordt de consensus nagestreefd. Bij gebreke aan consensus wordt beslist bij geheime stemming en eenvoudige meerderheid. Bij staking van stemmen wordt de klacht verworpen.

Om geldig te stemmen moet minstens één lid van elke geleding aanwezig zijn. Als op de eerste vergadering niet geldig kan worden gestemd, roept de Voorzitter een nieuwe vergadering bijeen met dezelfde agenda conform de procedure sub § 4. Deze vergadering kan beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden.

In elk geval worden de onthoudingen, de ongeldige en blanco-stemmen niet meegeteld.

Art. 8.

§ 1. Het participatiecollege dat inbreuken vaststelt van de inrichtende macht op de verplichtingen van het decreet van 23 oktober 1991, zoals bedoeld in artikel 32 van voornoemd decreet, stelt de Gemeenschapsminister bevoegd voor Onderwijs hiervan in kennis binnen de tien kalenderdagen volgend op de vaststelling. De vaststelling van het participatiecollege dient met redenen omkleed en afdoende gemotiveerd te zijn. De beslissing van vaststelling en motivering dienen in één akte overlegd en evenzeer ter kennis gebracht aan alle leden van de in het geding zijnde participatieraad binnen dezelfde termijn.

§ 2. De notulen van elke vergadering, met onder andere de genomen beslissingen en hun motivering, dienen aan alle effectieve en plaatsvervangende leden van het participatiecollege evenals aan de permanent waarnemer, binnen een termijn van tien kalenderdagen volgend op de vergadering, toegestuurd.

Evenzeer dienen ze binnen dezelfde termijn aan de Gemeenschapsminister voor Onderwijs of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar medegedeeld.

Art. 9.

§ 1. Elke geleding van een participatiecollege kan zich laten bijstaan door een raadgever in functie van de te behandelen agendapunten. Wie rechtstreeks betrokken is bij een instelling of lid is van de participatieraad, waarop een geschil betrekking heeft, kan niet als raadgever optreden voor de agendapunten waar deze instelling of participatieraad bij betrokken is.

§ 2. In geval een agendapunt aan de orde is waarin een inrichtende macht of vakorganisatie betrokken is die niet vertegenwoordigd is door een effectief lid van het participatiecollege, is de beraadslaging slechts geldig voorzover een vertegenwoordiger zonder stemrecht hieraan heeft deelgenomen die wel de betrokken inrichtende macht of vakorganisatie als representatieve organisatie vertegenwoordigt maar niet betrokken is bij de instelling of lid is van de participatieraad waarop het geschil betrekking heeft.

Onder representatieve organisatie wordt verstaan de organisaties die deel uitmaken van de Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad.

HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 10.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 15 juli 1992.

Art. 11.

De Gemeenschapsminister bevoegd voor Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.