Decreet betreffende de medezeggenschap in het gesubsidieerd onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    23 OKTOBER 1991
  • publicatiedatum
    B.S.14/11/1991
  • datum laatste wijziging
    24/06/2011

COORDINATIE

Decr. 28-4-1993 - B.S. 28-5-1993

Decr. 15-12-1993 - B.S. 1-3-1994

Decr. 5-4-1995 - B.S. 8-6-1995

Decr. 1-12-1998 - B.S. 10-4-1999

Decr. 18-5-1999 - B.S. 31-8-1999

Decr. 2-4-2004 - B.S. 6-8-2004

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Regering bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis, § 2, 2° van de Grondwet.

Art. 2.

Dit decreet is van toepassing op de onderwijsinstellingen van het gewoon en buitengewoon kleuter-, lager, basis- en secundair onderwijs die voltijds onderwijs organiseren en door de Vlaamse Gemeenschap worden gesubsidieerd.

[Hoofdstuk VII van dit decreet is van toepassing op de instellingen van het hoger onderwijs buiten de universiteit die door de Vlaamse Gemeenschap worden gesubsidieerd].

Decr.28-4-1993

HOOFDSTUK II. - De participatieraden

Art. 3.

In iedere onderwijsinstelling wordt een participatieraad opgericht.

Wordt als één onderwijsinstelling beschouwd, het geheel van onderwijsniveaus, onderwijsvormen, cycli, graden, afdelingen, opties, klassen en inplantingspunten afhangend van éénzelfde directie.

Art. 4.

De inrichtende macht kan na overleg met de aan de onderwijsinstellingen verbonden erkende ouderverenigingen en de afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties één participatieraad oprichten per pedagogische entiteit. Onder pedagogische entiteit wordt begrepen het geheel van onderwijsinstellingen die afhangen van eenzelfde inrichtende macht en die in eenzelfde gebouwencomplex zijn gelegen. Deze regeling geldt voor de duur van het mandaat van de participatieraad.

Art. 5.

Na overleg door de inrichtende macht met de aan de onderwijsinstellingen verbonden erkende ouderverenigingen en de afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kan de inrichtende macht één participatieraad oprichten voor maximaal drie onderwijsinstellingen samen, die behoren tot eenzelfde inrichtende macht. Deze regeling geldt voor de duur van het mandaat van de participatieraad.

[Art. 5bis.

Na akkoord van de bestaande participatieraden van haar onderwijsinstellingen binnen de scholengemeenschap kan de inrichtende macht één participatieraad oprichten voor haar onderwijsinstellingen die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Deze regeling geldt voor de duur van het mandaat van de participatieraad.]

Decr.18-5-1999

Art. 6.

De per onderwijsinstelling opgerichte participatieraden kunnen overeenkomen een gemeenschappelijke participatieraad op te richten die bevoegd is voor verscheidene onderwijsinstellingen behorende tot dezelfde inrichtende macht en gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of binnen een afstand van 4 kilometer voor het basisonderwijs en 8 kilometer voor het secundair onderwijs.

Die overeenkomst geldt voor de duur van het mandaat van de samenstellende participatieraden. Zij regelt de vertegenwoordiging van de raden in de gemeenschappelijke participatieraad en duidt aan in welke aangelegenheden deze de betrokken raden vervangt.

De bepalingen van dit decreet met betrekking tot de participatieraad zijn van toepassing op de gemeenschappelijke participatieraad.

Art. 7.

De onderwijsinstellingen met een inrichtende macht waarvan de vertegenwoordigers van de personeelsleden en van de ouders statutair deel uitmaken op basis van de specificiteit van het pedagogisch project, zijn ontslagen van de verplichting tot oprichting van een participatieraad op voorwaarde dat :

1° deze vertegenwoordigers op een democratische wijze door respectievelijk de personeelsleden en de ouders worden verkozen en

2° de samenstelling van de inrichtende macht gelijkaardig is aan die van een participatieraad.

[...]

B.Vl.R. 17-12-2010

HOOFDSTUK III. - De samenstelling

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 8.

De participatieraad is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van :

1° de inrichtende macht;

2° de ouders;

3° het personeel;

4° de lokale gemeenschap.

Art. 9.

Het aantal mandaten per geleding, met een minimum van twee, wordt, [...] na overleg in de participatieraad bepaald.

Decr.5-4-1995

Art. 10.

De inrichtende macht kan het lidmaatschap van de participatieraad afhankelijk maken van het formeel onderschrijven van het pedagogisch project.

Art. 11.

Aan het mandaat in de participatieraad komt een einde wanneer het lid :

- niet opnieuw wordt verkozen;

- niet langer voldoet aan de voorwaarden van de geleding waarvan hij deel uitmaakt;

- ontslag neemt;

- het pedagogisch project van de onderwijsinstelling niet langer onderschrijft;

- in een toestand van onverenigbaarheid komt.

Bij betwisting over één van deze punten, beslist de participatieraad.

De opvolger beëindigt het mandaat van zijn voorganger.

Art. 12.

De leden van de participatieraad zijn gehouden tot discretie over de aangelegenheden die zij in de uitoefening van hun mandaat vernemen.

Afdeling 2. - De vertegenwoordigers van de inrichtende macht

Art. 13.

De inrichtende macht duidt zijn vertegenwoordigers aan. Wanneer de vertegenwoordigers van de inrichtende macht niet in de vergadering aanwezig kunnen zijn, kan de directeur door de inrichtende macht gemandateerd worden om de stellingen van de inrichtende macht aan de participatieraad mede te delen en om namens de inrichtende macht aan de stemmingen deel te nemen.

Afdeling 3. - De vertegenwoordigers van de ouders

Art. 14.

De vertegenwoordigers van de ouders worden gekozen door en onder de ouders van de regelmatig ingeschreven leerlingen van de onderwijsinstellingen die onder de participatieraad ressorteren.

Voor de verkiezing van de vertegenwoordigers van de ouders heeft eenieder die naar Belgisch recht in het bezit is van het ouderlijk gezag over de hiervoor bedoelde leerlingen, of die de voogdij of de pleegvoogdij uitoefent per participatieraad een stem. In geval van pleegvoogdij hebben de ouders geen stemrecht.

Al de hiervoor bedoelde stemgerechtigde personen kunnen zich kandidaat stellen. Al de stemgerechtigde ouders, voogden of pleegouders moeten door de inrichtende macht worden uitgenodigd om zich kandidaat te stellen.

Art. 15.

De kandidaten worden in volgorde van hun stemmenaantal verkozen. Bij gelijk aantal stemmen is de jongste verkozen.

De kandidaten die niet werden verkozen, worden in volgorde van hun stemmenaantal, als opvolger aangewezen.

Art. 16.

Indien er niet meer kandidaten zijn dan er plaatsen te begeven zijn dan zijn de kandidaten van rechtswege verkozen.

Indien de vertegenwoordiging van de ouders wegens gebrek aan kandidaten niet volledig kan worden samengesteld, bestaat de participatieraad ook rechtsgeldig.

Art. 17.

Het mandaat van de vertegenwoordigers van de ouders duurt vier jaar en is hernieuwbaar.

Art. 18.

§ 1. De participatieraad bepaalt het reglement voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van de ouders.

§ 2. De inrichtende macht is verantwoordelijk voor de organisatie van de verkiezingen. De verkiezingen worden georganiseerd in samenwerking met de aan de onderwijsinstelling verbonden erkende oudervereniging.

Afdeling 4. - De vertegenwoordigers van het personeel

Art. 19.

[De vertegenwoordigers van het personeel worden gekozen door en onder de gesubsidieerde personeelsleden van de onderwijsinstellingen die onder de participatieraad ressorteren.

Al de personeelsleden, met uitzondering van de directeur, zijn stemgerechtigd en zijn verkiesbaar.]

Decr.5-4-1995

Art. 20.

[...]

Decr.5-4-1995

Art. 21.

De kandidaten worden in volgorde van hun stemmenaantal verkozen. Bij gelijk aantal stemmen wordt voorrang gegeven aan de kandidaat met de grootste anciënniteit in de betrokken instelling.

De kandidaten die niet werden verkozen, worden in volgorde van hun stemmenaantal, als opvolger aangewezen.

Art. 22.

Het mandaat van de vertegenwoordigers van het personeel, bedoeld in artikel 19, [...] duurt vier jaar en is hernieuwbaar.

Decr.5-4-1995

Art. 23.

De participatieraad bepaalt het reglement voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel.

Art. 24.

De personeelsleden die deel uitmaken van de participatieraad kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsancties oplopen zoals bedoeld in artikel 64 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

Afdeling 5. - De vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap

Art. 25.

De vertegenwoordigers in de participatieraad van de inrichtende macht, van het personeel en van de ouders, coopteren na overleg de vertegenwoordigers uit de lokale gemeenschap binnen een termijn van zestig dagen na de eerste vergadering van de nieuwe samengestelde participatieraad.

Indien om redenen van gebrek aan kandidaten er niet tot coöptatie of tot een volledige coöptatie kan worden overgegaan, is de participatieraad rechtsgeldig samengesteld.

Art. 26.

Het mandaat van de vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap loopt samen met het mandaat van de vertegenwoordigers van de ouders en is hernieuwbaar.

HOOFDSTUK IV. - De werking van de participatieraad

Art. 27.

De participatieraad wordt voorgezeten door de directeur van de instelling. Hij behoort tot geen enkele van de in artikel 8 genoemde geledingen.

Indien de participatieraad bevoegd is voor meerdere onderwijsinstellingen, duidt de inrichtende macht, na overleg in de participatieraad, de voorzitter aan onder de directeurs van de betrokken onderwijsinstellingen.

Wanneer de directeur of de directeurs niet wensen te zetelen als voorzitters wordt na overleg een lid van de participatieraad tot voorzitter aangewezen.

De directeur of de directeurs wonen de vergadering met raadgevende stem bij.

Art. 28.

De inrichtende macht stelt na overleg binnen de participatieraad het reglement van orde op.

Dit reglement van orde bepaalt minimaal :

1° het aantal bijeenkomsten, met een minimum van drie per jaar;

2° de wijze van bijeenroeping;

3° de wijze van mededeling van de documenten;

4° onverminderd de door dit decreet toegekende bevoegdheden, de vaststelling en de omschrijving van de bevoegdheden van de participatieraad bedoeld in artikel 29;

5° de wijze van besluitvorming en de stemming;

6° de wijze waarop de beslissingen die worden genomen in het kader van de participatie worden meegedeeld aan de leden van de participatieraad;

7° het secretariaat van de participatieraad;

8° het aantal mandaten per geleding en desgevallend bij toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 de verdeling ervan over de betrokken onderwijsinstellingen. Indien de participatieraad bevoegd is voor verschillende onderwijsinstellingen, moeten deze onderwijsinstellingen in de geledingen op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd zijn;

9° de wijze van coöptatie in artikel 25;

10° de wijze waarop de leerlingen of hun vertegenwoordigers gehoord worden.

HOOFDSTUK V. - De bevoegdheden

Art. 29.

§ 1. Aan de participatieraad wordt ten minste een adviesbevoegdheid verleend met betrekking tot de algemene organisatie en werking van de school, de planificatie van de school en de algemene criteria inzake begeleiding en evaluatie van de leerlingen.

Onder adviesbevoegdheid wordt begrepen het verlenen en het opstellen van een advies na bespreking van de aangelegenheden in de participatieraad.

§ 2. Aan de participatieraad wordt ten minste een overlegbevoegdheid verleend met betrekking tot :

1° de vaststelling van de criteria voor de aanwending van het lestijdenpakket en de uren-leraar;

2° de vaststelling en de wijziging van het reglement van de school;

3° het door de inrichtende macht georganiseerde leerlingenvervoer;

4° de veiligheid en de gezondheid van de leerlingen.

[5° de vaststelling en de wijziging van het beleidsplan of het beleidscontract dat de samenwerking regelt tussen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding.]

Decr.1-12-1998

Onder overlegbevoegdheid wordt begrepen het nastreven van een consensus over de bedoelde aangelegenheid. Onverminderd de bevoegdheden van de gemeentelijke en provinciale overheden, voert de inrichtende macht het bij consensus genomen besluit uit. Indien geen consensus kan worden bereikt, beslist de inrichtende macht.

§ 3. Aan de participatieraad kunnen daarenboven volgende rechten en bevoegdheden worden toegewezen :

1° [recht op inlichtingen met betrekking tot :

1° de evolutie van het aantal leerlingen en de weerslag ervan op de tewerkstelling en de infrastructuur;

2° de structuur van de scho(o)l(en) inclusief over de fusies, overname, sluiting, uitbreiding, rationalisering of andere belangrijke structuurwijzigingen, waarover de inrichtende macht onderhandelingen voert;

3° de projecten en maatregelen die van aard zijn de omstandigheden en voorwaarden waarin het werk in de school wordt uitgevoerd te wijzigen;

4° het juridisch statuut en de samenstelling van de inrichtende macht;

5° de positie van de scho(o)l(en);

6° het beleid inzake recrutering van leerlingen en informatie aan de ouders;

7° de infrastructuur van de scho(o)l(en);

8° de ontvangen toelagen en andere inkomsten;

9° de jaarrekeningen van het laatste kalenderjaar;

10° de overeenkomsten en akkoorden die fundamentele en duurzame gevolgen hebben voor de toestand van de scho(o)l(en);

11° gebeurtenissen of interne beslissingen die een belangrijke weerslag hebben op het schoolleven;]

Decr.5-4-1995

12° een adviesbevoegdheid in andere aangelegenheden dan die bedoeld in § 1;

13° een overlegbevoegdheid in andere aangelegenheden dan die bedoeld in § 2;

14° in het vrij gesubsidieerd onderwijs ook een instemmingsbevoegdheid;

in dat geval kan de inrichtende macht geen beslissing nemen zonder het akkoord van de participatieraad.

Het informatierecht, toegekend door of krachtens dit decreet, kan, na overleg in de participatieraad, in het reglement van orde in een advies-, overleg- of instemmingsbevoegdheid worden omgezet. De advies- of overlegbevoegdheid, toegekend door of krachtens dit decreet, kan op overeenkomstige wijze in een overleg- of instemmingsbevoegdheid worden omgezet.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de uitoefening van bepaalde bevoegdheden door de inrichtende macht afhankelijk maken van voorafgaand advies van of overleg in de participatieraad.

HOOFDSTUK VI. - De participatiecolleges

Art. 30.

Er wordt voor het gesubsidieerd vrij onderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs telkens één participatiecollege opgericht.

Dit college wordt door de Vlaamse Regering samengesteld uit vertegenwoordigers van de voor het respectieve net, meest representatieve organisaties van inrichtende machten, ouderverenigingen en vakorganisaties.

Het participatiecollege wordt opgericht in de schoot van de Vlaamse onderwijsraad. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van de participatiecolleges.

Art. 31.

Het participatiecollege is bevoegd om :

1° op klacht van een vertegenwoordiger van de personeelsleden of de ouders de gelijkaardigheid vast te stellen bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2;

2° op verzoek van twee of meer geledingen van een participatieraad, bemiddelend op te treden wanneer de werking van die raad grondig is verstoord;

3° op klacht van één van de geledingen van een participatieraad, de inbreuken op de bepalingen van dit decreet vast te stellen.

Art. 32.

De Vlaamse Regering kan na het optreden van of de vaststelling door het participatiecollege, van de inrichtende macht die wetens en willens of door nalatigheid de verplichtingen voortvloeiend uit dit decreet niet naleeft, maximaal 5 % van de werkingstoelagen terugvorderen die voor het voorafgaand schooljaar werden toegekend aan de onderwijsinstelling waar de overtreding werd vastgesteld.

HOOFDSTUK VII. - Afwijkende bepalingen voor het hoger onderwijs buiten de universiteit

Art. 33.

[§ 1. In iedere instelling van het hoger onderwijs buiten de universiteit van het gesubsidieerd vrij onderwijs waar geen ondernemingsraad is opgericht, wordt een overlegcomité opgericht.

§ 2. Het overlegcomité is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van volgende geledingen :

1° de inrichtende macht;

2° het personeel;

en heeft minimum twee mandaten per geleding.

§ 3. De aanduiding van de vertegenwoordiging van de twee geledingen gebeurt zoals omschreven in de artikelen 13, 19 en 20 van dit decreet.

§ 4. De inrichtende macht stelt na overleg in het overlegcomité het reglement van orde op. Dit reglement omvat ten minste de punten vermeld in artikel 28, 1°, 2°, 3° en 5°.

§ 5. Aan het overlegcomité wordt een overlegbevoegdheid verleend met betrekking tot de herstructurering van de instelling. Er wordt eveneens overlegbevoegdheid verleend met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 16, 17 en 20, 21, 22, 23, 24, 25, 30, 39 en 40 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 6. Het participatiecollege voor het gesubsidieerd vrij onderwijs zoals bedoeld in artikel 30 van dit decreet is bevoegd om op klacht van een van de geledingen van een overlegcomité de inbreuken op de bepalingen van dit artikel vast te stellen.]

Decr.28-4-1993

Art. 34.

[§ 1. In iedere instelling van het hoger onderwijs buiten de universiteit van het gesubsidieerd onderwijs wordt een comité opgericht dat de participatie van de studenten verzekert.

§ 2. Het comité is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van volgende geledingen :

1° de inrichtende macht;

2° de studenten;

en telt minimum twee mandaten per geleding.

§ 3. [[De aanduiding van de vertegenwoordiging van de inrichtende macht gebeurt zoals omschreven in het artikel 13 van dit decreet. De vertegenwoordigers van de studenten worden gekozen door en onder de regelmatig ingeschreven studenten. Elke student heeft één stem. De studenten die het eerste jaar met vrucht hebben beëindigd, kunnen zich verkiesbaar stellen. Het mandaat van de verkozenen duurt twee jaar en is niet hernieuwbaar. Een student die afstudeert voor het einde van zijn mandaat, wordt vervangen door de eerste opvolger. Deze beëindigt het mandaat van zijn voorganger. Het reglement voor de verkiezing van de studenten wordt bepaald door de inrichtende macht, na overleg met de bestaande studentenorganisaties verbonden aan de onderwijsinstelling.]]

§ 4. De inrichtende macht stelt na overleg in het comité het reglement van orde op. Dit reglement omvat ten minste de punten vermeld in artikel 28, 1°, 2°, 3° en 5°.

§ 5. Aan het comité wordt een overlegbevoegdheid verleend met betrekking tot de herstructurering van de instelling. Er wordt eveneens overlegbevoegdheid verleend met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 16, 17 en 20, 21, 22, 23, 24, 25, 30, 39 en 40 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.]

Decr. 28-4-1993; [[ ]] Decr. 15-12-1993

[HOOFDSTUK VIIbis - Participatieraad van de scholengemeenschap

(voetnoot 1)

Art. 34bis.

In elke scholengemeenschap zoals bedoeld in [[de codificatie betreffende het secundair onderwijs]], wordt een participatieraad van de scholengemeenschap opgericht.

Art. 34ter.

De participatieraad van de scholengemeenschap, geleid door één inrichtende macht, is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers per geleding, met een minimum van 3.

De participatieraad van een scholengemeenschap geleid door verschillende inrichtende machten omvat een gelijk aantal vertegenwoordigers per geleding. Per inrichtende macht vaardigt elke geleding één vertegenwoordiger af. Hiervan kan in overleg worden afgeweken zonder de pariteit tussen de geledingen op te heffen.

Alle leden van de geledingen van de participatieraad van een scholengemeenschap komen uit de participatieraden van de scholen die tot een scholengemeenschap behoren.

Art. 34quater.

De participatieraad van de scholengemeenschap, geleid door één inrichtende macht, wordt voorgezeten door de coördinerend directeur. Indien er geen coördinerend directeur is, duidt de inrichtende macht een directeur aan, na overleg met de participatieraad om de participatieraad voor te zitten;

De participatieraad van de scholengemeenschap, geleid door verschillende inrichtende machten, wordt voorgezeten door de coördinerend directeur. Indien er geen coördinerend directeur is, duiden de participerende inrichtende machten, na overleg met de participatieraad, een directeur aan om de participatieraad voor te zitten.

De directeurs, zo ze geen afgevaardigde zijn van de inrichtende machten, kunnen de vergadering met raadgevende stem bijwonen.

Art. 34quinquies.

In onderling overleg wordt een reglement van orde bepaald.

Dit reglement van orde bepaalt ten minste :

1° het aantal bijeenkomsten, met een minimum van twee per jaar;

2° de wijze van bijeenroeping, van mededeling van documenten, van besluitvorming en stemming;

3° de wijze waarop de beslissingen die worden genomen in het kader van de participatie van de scholengemeenschap, worden meegedeeld aan de participatieraden van de betrokken onderwijsinstellingen van de scholengemeenschap;

4° de bevoegdheden zoals bepaald in artikel 33quinquies;

5° de wijze waarop de leerlingen gehoord worden.

Art. 34sexies.

De participatieraad van de scholengemeenschap heeft adviesbevoegdheid over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is. Hij heeft overlegbevoegdheid inzake de ordening van een rationeel aanbod en de leerlingenoriëntering en -begeleiding.

Art. 34septies.

Onder overlegbevoegdheid wordt begrepen het nastreven van een consensus over de bedoelde aangelegenheid. Onverminderd de bevoegdheden van de gemeentelijke en provinciale overheden, voert de inrichtende macht het bij consensus genomen besluit uit. Indien geen consensus kan worden bereikt, beslist de inrichtende macht.

Art. 34octies.

Het participatiecollege is bevoegd voor de participatieraad van de scholengemeenschap, zoals bepaald in artikel 31, 2° en 3° van ditzelfde decreet.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

HOOFDSTUK VIII. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen

Art. 35.

§ 1. In afwijking van artikel 9 wordt, voor de eerste samenstelling van de participatieraad, het aantal mandaten met een minimum van twee en rekening gehouden met de bepalingen van artikel 19, § 1 vastgelegd na overleg met de aan de onderwijsinstelling verbonden erkende oudervereniging en de afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties.

§ 2. In afwijking van het artikel 18, § 1 bepaalt de inrichtende macht het reglement van de verkiezingen voor de vertegenwoordigers van de ouders voor de samenstelling van de eerste participatieraad in overleg met de aan de onderwijsinstelling verbonden erkende ouderverenging.

§ 3. In afwijking van artikel 20, § 2, 2° lid wordt voor de eerste samenstelling van de participatieraad het beroep tegen de weigering van een representatieve vakorganisatie om een personeelslid op zijn lijst te nemen, behandeld door een college dat is samengesteld door de vakbondsafgevaardigden van de betrokken onderwijsinstelling en een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van de aan de onderwijsinstelling verbonden erkende oudervereniging.

§ 4. In afwijking van artikel 23 bepaalt de inrichtende macht na overleg met de afvaardiging van de representatieve vakorganisaties, het reglement voor de eerste verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel.

§ 5. In afwijking van artikel 25 geschiedt de in dit artikel bedoelde coöptatie van de eerste participatieraad tegen uiterlijk 31 mei 1992.

Art. 36.

§ 1. In titel VIII van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II worden volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 37.

Dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de hoofdstukken V en VI, die in werking treden op het ogenblik dat de coöptatie, zoals bepaald in artikel 25, gebeurd is en uiterlijk op 31 mei 1992 voor de onderwijsinstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, en op 1 januari 1993 voor de onderwijsinstellingen bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

- (2): Opgeheven voor wat betreft het basis- en secundair onderwijs (Decr. 2-4-2004; Art. 58, 1°).

- (1): Het huidige Hoofdstuk VII werd nog niet opgeheven; daardoor wordt de wijziging in Decr. XI, dd. 18-5-1999, Art. 166 "aangepast".