OPGEHEVEN : Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de door een onderwijsinrichting geproduceerde voorwerpen of verleende diensten kunnen vervreemd of verhuurd worden.

  • goedkeuringsdatum
    12 FEBRUARI 1976
  • publicatiedatum
    B.S.08/04/1976
  • datum laatste wijziging
    27/11/2001

COORDINATIE

B.Vl.R. 9-1-1991 - B.S. 6-6-1991

opgeheven door Decr. 13-7-2001 - B.S. 27-11-2001

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals ze werd gewijzigd, inzonderheid op artikel 12ter en de artikelen 41 tot 44;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, eerste lid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op voordracht van Onze Ministers van Nationale Opvoeding en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

De bepalingen van dit besluit zijn toepasselijk op onderwijsinrichtingen door de Staat opgericht of gesubsidieerd, die vallen onder de toepassing van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

Art. 2.

§ 1. In deze onderwijsinrichtingen kunnen alleen voorwerpen vervaardigd of verhuurd worden of diensten verleend worden onder de hieronder vermelde voorwaarden :

het werk moet overeenstemmen met de specialiteit van de afdeling waar het zal verwezenlijkt worden;
het moet kunnen ingeschakeld worden in het normale leerplan van deze afdeling en dus didactisch verantwoord zijn;
het mag geen aanleiding geven tot handelsovereenkomsten die concurrerend zijn met de nijverheid of met de ambachten van de streek;
waar serieproductie noodzakelijk is voor de opleiding, moet ze beperkt worden tot het strikte minimum dat hiervoor onontbeerlijk is;
het werk zal moeten uitgevoerd worden in de werkplaatsen, de praktijklokalen of op andere pedagogisch verantwoorde plaatsen tijdens de normale lesuren en onder toezicht van de betrokken leraars.

§ 2. Wanneer betwistingen rijzen over de toepassing van de regels vermeld in § 1, kunnen ze schriftelijk voorgelegd worden aan het bevoegd bestuur van het departement.

In bijzondere gevallen kan de bevoegde Minister het vervreemden of verhuren van voorwerpen of het verlenen van diensten verbieden of doen stopzetten.

Art. 3.

De vervaardigde voorwerpen die slechts een geringe handelswaarde hebben, worden eigendom van de leerling die ze vervaardigd heeft, of worden, indien mogelijk, opnieuw als grondstof gebruikt.

Art. 4.

De vervaardigde voorwerpen die wel een handelswaarde hebben, blijven eigendom van de inrichting of mogen verkocht of verhuurd worden en diensten mogen verleend worden aan onderstaande personen, mits het inachtnemen van volgende voorkeurorde :

de leerlingen die het voorwerp vervaardigden of de diensten verleenden;
de andere leerlingen van de onderwijsinrichting;
het personeel van de onderwijsinrichting met inbegrip van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel;
de inrichtende macht van de inrichting;
de verenigingen die de belangen van de school verdedigen, zoals ouderverenigingen, oud-leerlingenverenigingen, vriendenkringen;
andere in artikel 1 vermelde onderwijsinrichtingen;
andere natuurlijke of rechtspersonen.

Art. 5.

De vervaardigde voorwerpen en de diensten mogen maar afgestaan of verleend worden tegen vergoeding.

Deze zal gelijk zijn aan :

voor de in artikel 4, a genoemde personen : de prijs van de gebruikte grondstoffen;
voor de in artikel 4, b, c, d, e en f, genoemde personen en inrichtingen wat de voorwerpen betreft, tenminste 40 pct. van de normale handelswaarde en wat de diensten betreft, een prijs die de gemaakte onkosten dekt en die tenminste 40 pct. bedraagt van de gewone handelsprijs van de diensten;
voor de in artikel 4, g, genoemde personen : worden de in b hierboven genoemde percentages op 60 pct. gebracht.

De bevoegde Minister kan voor bepaalde afdelingen of studie-inrichtingen afwijkingen toestaan op deze regels.

Art. 6.

De opbrengst van de vervreemding of de verhuring van goederen evenals van de verlening van diensten maakt het voorwerp uit van een boekhoudkundig document en wordt door de onderwijsinrichting aangewend voor de aankoop van grondstoffen. [...]B.Vl.R.9-1-1991

In de onderwijsinrichtingen van het Rijk worden de bedoelde ontvangsten en uitgaven onder een afzonderlijke rubriek opgenomen in de boekhouding en de rekeningen van de intendance-diensten.

Art. 7.

De bevoegde Minister kan beslissen de opbrengst van de vervreemding of de verhuring van goederen of van het verlenen van diensten, in strijd met de bepalingen van dit besluit, af te trekken van de werkings- en uitrustingstoelagen van de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen.

Art. 8.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1976.

Art. 9.

Onze Ministers van Nationale Opvoeding zijn belast, ieder wat hem betreft, met de uitvoering van dit besluit.