OPGEHEVEN : Koninklijk besluit houdende de samenstelling en de werkings- en procedureregels van de commissies voorzien bij artikel 42 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

  • goedkeuringsdatum
    14 SEPTEMBER 1987
  • publicatiedatum
    B.S.07/11/1987
  • datum laatste wijziging
    27/11/2001

COORDINATIE

B.Vl.R. 17-6-1997 - B.S. 2-8-1997

opgeheven door Decr. 13-7-2001 - B.S. 27-11-2001

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 42;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Ministers van Onderwijs,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Samenstelling

Artikel 1.

Bij de Minister van Onderwijs, respectievelijk "le Ministre de l'Education nationale" is er een commissie die belast is met de opdrachten bepaald in artikel 42 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, de ene ten aanzien van de onderwijsinrichtingen van het Nederlands taalstelsel en van hun personeel, de andere ten aanzien van de onderwijsinrichtingen van het Frans en het Duits taalstelsel en van hun personeel.

Art. 2.

Elk van de in artikel 1 bedoelde commissies is samengesteld uit een voorzitter en zes leden.

Er zijn twee plaatsvervangende leden.

In geval van belet van één der effectieve leden, zullen de plaatsvervangende leden, ieder op hun beurt de plaats innemen van het effectieve lid, de eerste plaatsvervanging zal door het oudste plaatsvervangend lid verzekerd worden.

Art. 3.

De voorzitter en de leden worden door Ons benoemd uit magistraten of wegens hun leeftijd in ruste gesteld magistraten van de rechterlijke orde.

Zij worden benoemd voor een termijn van zes opeenvolgende jaren. Hun mandaat is hernieuwbaar.

De voorzitter of het lid van de commissie die de hoedanigheid van magistraat bepaald in het eerste lid niet meer heeft, houdt op deel uit te maken van de commissie.

In elke vacature dient voorzien te worden. Het nieuw benoemde lid beëindigt het mandaat van zijn voorganger.

HOOFDSTUK II. - Werkings- en procedureregels

Art. 4.

Wanneer de Minister beslist een klacht bij de commissie aanhangig te maken, zendt hij het dossier over aan de voorzitter. Binnen de maand daaropvolgend legt deze de zaak voor aan de commissie.

Art. 5.

De commissie doet het onderzoek van de zaak. Zij kan getuigen horen en voor het opzoeken van de nodige feitelijke of juridische gegevens een beroep doen op de secretaris-generaal of dezes afgevaardigde.

Art. 6.

De bij de zaak betrokken klager, schoolinrichting, leerkrachten en ambtenaren worden ten minste vijf werkdagen vóór de dag waarop de commissie samenkomt, bij aangetekende brief opgeroepen.

De commissie kan nochtans en zonder dat de opgeroepen personen zijn verschenen geldig vergaderen en geldig beslissen.

Art. 7.

§ 1. De zittingen zijn niet openbaar.

§ 2. Elke commissie stelt zijn eigen huishoudelijk reglement op.

Art. 8.

De voorzitter is belast met de handhaving van de orde van de zitting. De commissie houdt geldig zitting wanneer, de voorzitter niet meegeteld, ten minste vier leden aanwezig zijn.

Art. 9.

De partijen mogen zich door een advokaat laten bijstaan.

Art. 10.

De betrokken Minister wijst de ambtenaar van zijn departement aan die met het secretariaat van de commissie belast wordt.

Art. 11.

Het advies van de commissie wordt, met het dossier van de zaak, door de voorzitter aan de bevoegde Minister toegestuurd.

Art. 12.

Indien de voorzitters van de beide commissies het nodig achten, kunnen zij een gemeenschappelijke vergadering beleggen voor de twee commissies. In dit geval neemt de oudste van beide voorzitters, het voorzitterschap waar.

Art. 13.

De leden van de in artikel 1 bedoelde commissies bekomen een vergoeding voor hun reiskosten overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en een verblijfsvergoeding overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van de ministeries.

Zij worden gelijkgesteld met de rangen 15 tot 17.

HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.

Art. 14.

Het koninklijk besluit van 14 juli 1960 houdende de samenstelling, werkings- en procedureregels van de commissie voorzien bij artikel 42 van de wet van 29 mei 1959 wordt opgeheven.

Art. 15.

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 16.

Onze Ministers van Onderwijs zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Opgeheven voor het basisonderwijs. (B.Vl.R. 17-6-1997; Art. 19)