OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering houdende de samenstelling van raden en afdelingen van de Vlaamse Onderwijsraad.

  • goedkeuringsdatum
    24 JULI 1996
  • publicatiedatum
    B.S.06/12/1996
  • datum laatste wijziging
    05/10/2005

COORDINATIE

opgeheven door B.Vl.R. 16-9-2005 - B.S. 4-10-2005

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, inzonderheid op artikel 153, 2°, gewijzigd bij decreet van 23 oktober 1991 en op de artikelen 154 en 170;

Gelet op het decreet van 12 juni 1991, betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op artikel 62;

Gelet op het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII, inzonderdheid de artikelen 53, 54 en 55;

Gelet op het advies van de Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad van 19 maart 1996;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting gegeven op 23 juli 1996;

Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op art. 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de nieuwe samenstelling van raden en afdelingen van de Vlaamse Onderwijsraad op 1 september 1996 in werking dient te treden;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

§ 1. De raad voor het basisonderwijs bestaat uit 30 werkende en 30 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 8 werkende en 8 plaatsvervangende leden, waarvan 2 namens het gemeenschapsonderwijs, 2 namens het officieel gesubsidieerd onderwijs en 4 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 uit het officieel en 3 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3 ° het bestuurspersoneel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-culturele milieus : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden aangewezen door de Hoge Raad voor Volksontwikkeling;

7° de inspectie : de inspecteur-generaal basisonderwijs of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie basis- en buitengewoon onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende raad.

10° de voorzitter en de ondervoorzitter van de afdeling buitengewoon basisonderwijs met telkens plaatsvervanger.

§ 2. De afdeling voor het buitengewoon basisonderwijs van de raad van het basisonderwijs bestaat uit 22 werkende en 22 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens het officieel onderwijs en 3 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-culturele milieus : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden aangewezen door de Hoge Raad voor Volksontwikkeling;

7° de inspectie : de inspecteur-generaal basisonderwijs of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie basis- en buitengewoon onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende afdeling.

Art. 2.

§ 1. De raad voor het secundair onderwijs bestaat uit 30 werkende en 30 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 8 werkende en 8 plaatsvervangende leden, waarvan 2 namens het gemeenschapsonderwijs, 2 namens het officieel gesubsidieerd onderwijs en 4 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 uit het officieel en 3 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-economische milieus : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden aangeduid door de S.E.R.V.;

7° de inspectie : de inspecteur-generaal secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende raad.

§ 2. De afdeling voor het algemeen secundair onderwijs van de raad voor het secundair onderwijs bestaat uit 22 werkende en 22 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens het officieel onderwijs en 3 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-culturele milieus : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden aangewezen door de Hoge Raad voor Volksontwikkeling;

7° de inspectie : de inspecteur-coördinator voor het ASO of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende afdeling.

§ 3. De afdeling voor het technisch en beroepssecundair onderwijs van de raad voor het secundair onderwijs bestaat uit 30 werkende en 30 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens het officieel onderwijs en 3 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-economische milieus : 10 werkende en 10 plaatsvervangende leden waarvan 5 aangewezen door de werkgeversorganisaties en 5 door de werknemersorganisaties;

7° de inspectie : de inspecteur-coördinator voor het TSO/BSO of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende afdeling.

§ 4. De afdeling voor het kunstsecundair onderwijs van de raad voor het secundair onderwijs bestaat uit 25 werkende en 25 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens het officieel onderwijs en 3 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de sociaal-culturele milieus : 5 werkende en 5 plaatsvervangende leden;

7° de inspectie : de inspecteur-coördinator voor het KSO of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende afdeling.

§ 5. De afdeling voor het buitengewoon secundair onderwijs van de raad voor het secundair onderwijs bestaat uit 22 werkende en 22 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens het officieel onderwijs en 3 namens het vrij onderwijs waarvan 1 de kleinere netten vertegenwoordigt;

2° het personeel : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, waarvan 2 uit het officieel en 2 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden die de schoolteams vertegenwoordigen waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de ouderverenigingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

5° de oudleerlingen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

6° de PMS-sector : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden;

7° de inspectie : de inspecteur-generaal secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

8° de administratie : de directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs of zijn plaatsvervanger;

9° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende afdeling.

Art. 3.

§ 1. De Raad voor het Hoger Onderwijs bestaat uit 26 werkende en 26 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 8 werkende en 8 plaatsvervangende leden waarvan 4 namens de universiteiten en 4 namens de hogescholen. De kandidaat-vertegenwoordigers van de universiteiten worden voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad. De kandidaat-vertegenwoordigers van de hogescholen worden voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en na overleg tussen de Vlaamse Autonome Hogescholen.

2° het personeel : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden waarvan 3 namens de universiteiten en 3 namens de hogescholen, die worden voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° de studenten : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 namens de universiteiten en 3 namens de hogescholen. Ze worden verkozen onder en door de groep van studentenafgevaardigden in de beheersorganen of bij ontstentenis uit de studentenraden van respectievelijk de universiteiten en de hogescholen die dan als kiescollege vergaderen;

4° de sociaal-economische milieus : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden, aangewezen door de SERV;

5° de administratie : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, voorgedragen door de Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek.

§ 2. De raad kan beslissen te vergaderen in twee afzonderlijke deelraden over aangelegenheden die uitsluitend de universiteiten, respectievelijk de hogescholen betreffen.

Art. 4.

De raad voor het volwassenenonderwijs bestaat uit 33 werkende en 33 plaatsvervangende leden :

1° de inrichtende machten : 9 werkende en 9 plaatsvervangende leden, waarvan 4 namens het officieel onderwijs, 4 namens het vrij onderwijs en 1 namens de Federatie van de centra voor basiseducatie;

2° het personeel : 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, waarvan 3 uit het officieel en 3 uit het vrij onderwijs, telkens voorgedragen door de representatieve vakbonden;

3° het bestuurspersoneel : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden waarvan 1 uit het officieel en 1 uit het vrij onderwijs. Deze vertegenwoordigers worden gezamenlijk voorgedragen door de representatieve organisaties van inrichtende machten en door de representatieve vakbonden;

4° de gebruikers : 2 werkende en 2 plaatsvervangende vertegenwoordigers van (oud)deelnemers aan cursussen op basis van een oproep;

5° de sociaal-economische milieus : 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden aangewezen door de SERV;

6° de inspectie : de algemene inspecteur-generaal als werkend lid en een inspecteur volwassenenonderwijs als plaatsvervanger;

7° de administratie : de directeur-generaal van de administratie permanente vorming of zijn plaatsvervanger;

8° externe deskundigen : 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden voorgedragen door de uittredende raad.

9° externe instanties : 1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens de VDAB,

1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens VIZO,

1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens de Hoge Raad voor Volksontwikkeling,

1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens de Federatie Tweede Kansonderwijs Vlaanderen,

1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens het Vlaams Ondersteuningscentrum basiseducatie,

1 werkend en 1 plaatsvervangend lid namens het Vlaams Centrum voor de Integratie van migranten.

Art. 5.

De besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1991 houdende de samenstelling van raden en afdelingen van de Vlaamse Onderwijsraad en van 27 februari 1992 houdende de samenstelling van de Raad voor het Hoger Onderwijs en zijn afdelingen van de Vlaamse Onderwijsraad worden opgeheven.

Art. 6.

Het hoofdstuk II van titel IX van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II treedt in werking op 1 september 1991.

Art. 7.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1996.

Art. 8.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.