OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering betreffende de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en de vzw's sociale voorzieningen in de Vlaamse Gemeenschap.

  • goedkeuringsdatum
    15 NOVEMBER 1995
  • publicatiedatum
    B.S.08/03/1996
  • datum laatste wijziging
    10/03/2008

COORDINATIE

B.Vl.R. 14-12-2001 - B.S. 9-4-2002

B.Vl.R. 28-6-2002 - B.S. 25-10-2002

opgeheven door B.Vl.R. 21-12-2007 - B.S. 10-3-2008

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 213, 225, 226, 230 en 231, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs-VI, inzonderheid op artikel 90;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 14 november 1995;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Begroting

Artikel 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de jaarbegroting van de hogescholen en de VZW's sociale voorzieningen, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 november 1995 betreffende de beleidsboekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel voor de hogescholen en de VZW's sociale voorzieningen, en op hun meerjarenbegroting voor de volgende vijf begrotingsjaren, tenzij anders vermeld.

Art. 2.

De begrote resultatenrekening en de geprojecteerde balans worden opgemaakt op basis van de schema's van de jaarrekening voorzien in het besluit van de Vlaamse regering van 15 november 1995 betreffende de beleidsboekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel van de hogescholen en VZW's sociale voorzieningen

Er dient geen begrote toelichting te worden opgesteld.

Art. 3.

De begroting van de geplande investeringen en de geplande financieringswijzen van deze investeringen betreft een opsomming en weergave van alle investeringen van het begrotingsjaar. Als investering dient aangemerkt elke vervanging of uitbreiding van de immateriële, materiële en financiële vaste activa. Per investering dienen minimaal volgende inlichtingen te worden verstrekt :

1° de beschrijving;

2° de aanschaffingswaarde zoals gedefinieerd in artikel 29, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 november 1995 betreffende de beleidsboekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel voor de hogescholen en de VZW's sociale voorzieningen;

3° de vermoedelijke nuttige gebruiksduur en het afschrijvingspercentage;

4° de geplande financieringswijze, met een onderscheid tussen :

- eigen middelen;

- vreemde middelen;

- subsidies.

In geval van financiering met vreemde middelen worden minimaal vermeld :

1° de aard en het bedrag van de financiering;

2° de looptijd;

3° de periodiciteit van de interestbetalingen en het aflossingsschema;

4° het interestpercentage;

5° de jaarlijkse interestlast.

In geval van subsidiëring worden minimaal vermeld het bedrag en de modaliteiten van de subsidie.

Alle verstrekte en ontvangen waarborgen dienen te worden meegedeeld.

Art. 4.

De liquiditeitenbegroting wordt opgemaakt volgens het hiernavolgende model :

(+)

(-)

Resultaat van het boekjaar

+

Afschrijvingen

+

Overige niet-kaskosten

(+)

(-)

Cashflow van het boekjaar

(1)

(+)

(-)

Mutatie in de werkingsmiddelen

(2)

(-)

Investeringen

(+)

Desinvesteringen

(+)

(-)

Netto-investeringen

(3)

(+)

Nieuwe leningen

(-)

Aflossingen

(+)

(-)

Netto-ontleningen

(4)

(+)

(-)

Overige

(5)

(+)

(-)

Netto-cashflow van het boekjaar

(1)+(2)+(3)+(4)+(5)

(+)

(-)

Gepland beginsaldo liquiditeiten

(+)

(-)

Gepland eindsaldo liquiditeiten

De begrotingspost "mutatie in de werkingsmiddelen", alsook de post "overige" indien het een belangrijk bedrag betreft, dienen apart te worden gedetailleerd en toegelicht.

Onder niet-kaskosten wordt verstaan, kosten die geen uitgaven impliceren.

Art. 5.

De begrote resultatenrekening en de liquiditeitsbegroting van de jaarbegroting worden op semesterbasis opgesteld en opgesplitst in twee delen respectievelijk met betrekking tot de periode van 1 januari tot 30 juni en de periode van 1 juli tot 31 december van het begrotingsjaar.

De geprojecteerde balans en de begroting van de geplande investeringen en financieringswijzen worden op jaarbasis opgemaakt.

Art. 6.

Alle begrotingsposten worden [in euro] uitgedrukt.

B.Vl.R.14-12-2001

Art. 7.

De jaarbegroting en meerjarenbegroting worden opgemaakt op basis van dezelfde waarderingsregels die vastgelegd werden voor het opstellen van de jaarrekening.

Art. 8.

Bij de jaarbegroting en meerjarenbegroting wordt een commentaar gevoegd die de diverse rubrieken en de gebruikte parameters en hypothesen omstandig toelicht. Een ratio-analyse, vergezeld van commentaar, dient een inzicht te verschaffen in de begrote financiële positie op het vlak van liquiditeit, solvabiliteit en de resultaten.

HOOFDSTUK II. - Personeelsformatie

Art. 9.

[De hogescholen voegen bij de begroting de personeelsformatie, bedoeld in artikel 230 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De formatiedocumenten, waarvan de modellen als bijlagen I en II bij dit besluit zijn gevoegd, bevatten :

1° de formatie van het onderwijzend personeel en het administratief en technisch personeel;

2° de begrote bezetting der titularissen;

3° de begrote tewerkstelling in het desbetreffende begrotingsjaar.]

B.Vl.R.28-6-2002

[Art. 9bis.

Met de formatie wordt bedoeld het geheel van de in voltijdse equivalenten uitgedrukte betrekkingen waarmee de behoefte aan personeel op middellange termijn wordt uitgedrukt om de taakstelling van de hogeschool naar behoren (doeltreffend en doelmatig) te vervullen. Het betreft hier met name de beleidsvisie van de hogeschool op haar ideaal personeelsbestand voor de eerstvolgende vijf jaren. Ze dient hierbij rekening te houden met haar budgettaire mogelijkheden, de decretale procentnormen zoals bedoeld in de artikelen 104, 122, § 2, en 231 van het decreet van 13 juli 1994 en de voorziene personeelsverschuivingen. De hogeschool kan haar formatie bijsturen in functie van fluctuaties inzake studentenaantallen. De hogeschool vermeldt via de formatie in een bijkomende toelichting hoe ze in voorkomend geval de historisch ontstane afwijkingen op de voormelde decretale procentnormen zal wegwerken en verantwoordt omstandig alle overige afwijkingen.

Met de begrote bezetting door titularissen wordt bedoeld : de in voltijdse equivalenten uitgedrukte bezetting door titularissen van de betrekkingen voorzien als formatieplaatsen, gedurende het begrotingsjaar. De titularissen die om welke reden ook afwezig zijn, worden hier eveneens vermeld. Indien de begrote bezetting in de loop van het begrotingsjaar wegens bijkomende personeelsbehoeften overschreden wordt, kan de hogeschool putten uit de reserve die vermeld wordt in het vakje ad hoc van de modellen, mits zij dit verantwoordt.

Met de begrote tewerkstelling wordt bedoeld : het begrote aantal door de hogescholen betaalde personeel op jaarbasis. Indien de begrote tewerkstelling wordt overschreden in de loop van het begrotingsjaar, kan de hogeschool putten uit de reserve die vermeld wordt in het vakje ad hoc van de modellen mits zij dit verantwoordt.

Zowel voor de begrote bezetting als voor de begrote tewerkstelling wordt rekening gehouden met de duur en de omvang van de opdrachten.

Bij de bepaling van het aantal voltijdse equivalenten per ambt of graad kan bij de begrote bezetting en begrote tewerkstelling een ambt of graad steeds door een lager ambt of lagere graad worden ingevuld.]

B.Vl.R.28-6-2002

[Art. 9ter.

Naast de formatiedocumenten voegen de hogescholen bij hun begroting eveneens een document dat de begrote bezetting bevat van de titularissen buiten formatie en de begrote tewerkstelling van de overige personeelsleden buiten formatie in voltijdse equivalenten, namelijk :

1° de benoemde personeelsleden die op persoonlijke titel een ambt hebben in de categorie van het administratief personeel of in de categorie van het opvoedend hulppersoneel;

2° de gastprofessoren en de andere contractuele personeelsleden.

De begrote bezetting bevat eveneens de centraal betaalde personeelsleden in voltijdse equivalenten die financieel niet ten laste komen van de werkingsuitkering van de hogeschool.

Het model van dit document is als bijlage III bij dit besluit gevoegd.]

B.Vl.R.28-6-2002

Art. 10.

Bij de jaarbegroting wordt een staat gevoegd met een uitsplitsing van de begrote bezoldigingskosten, volgens het model dat als bijlage IV bij dit besluit is gevoegd. Het totaal van deze staat stemt overeen met de post "II.C. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen" van de begrote resultatenrekening. Voormelde staat wordt vergezeld van een ratio-analyse, die de begrote bezoldigingskosten en het personeelsbeleid omstandig analyseert en toelicht.

[Art. 10bis.

§ 1. De berekening van de procentnormen zoals bedoeld in artikel 232 van hetzelfde decreet gebeurt op de wijze zoals hieronder beschreven in § 2 en § 3.

§ 2. Het bedrag van de geraamde bezoldigingskosten wordt in de teller gezet en is gelijk aan het totaal geraamd bedrag betaald door het departement Onderwijs, zoals bedoeld in de artikelen 143 en 159 van hetzelfde decreet, verminderd met :

1° de geraamde personeelskosten die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel;

2° de geraamde salariskosten van de benoemde personeelsleden met bevallingsverlof en met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij;

3° de geraamde personeelskosten van de personeelsleden die ingevolge een samenwerkingsakkoord voor hun volledige opdracht of een gedeelte daarvan ter beschikking zijn gesteld bij een ander organisme en waarvoor een terugbetaling van de overeenstemmende loonkost gebeurt;

4° de geraamde kostprijs van de arbeidsongevallen waarvoor er een terugbetaling van de loonkost is;

5° de geraamde toelage zoals bedoeld in artikel 195ter , § 3, van hetzelfde decreet voor de bedoelde personeelsleden tot en met augustus 2002.

§ 3. Het bedrag van de geraamde totale werkingsuitkering wordt in de noemer gezet en is gelijk aan de som van :

- het historisch forfait van de hogeschool zoals berekend in artikel 194 van hetzelfde decreet (HF);

- het deel van de werkingsuitkeringen van de hogeschool dat varieert met de studentenpopulatie, uitgedrukt in aantal financierbare studenten, zoals berekend in artikel 195 van hetzelfde decreet (BFS);

- het bedrag per onderwijsbelastingseenheid van de hogeschool voor het betrokken begrotingsjaar zoals berekend in artikel 193 van hetzelfde decreet (BOBE).

Aan dit bedrag dienen te worden toegevoegd :

1° de geraamde extra-werkingsuitkeringen;

2° de geraamde uitkering voortgezette opleidingen tot en met het begrotingsjaar 1998;

3° de geraamde uitkering voortgezette lerarenopleiding;

4° de geraamde uitkering initiële lerarenopleiding van academisch niveau;

5° de geraamde bijzondere werkingsmiddelen.

§ 4. De aldus bekomen personeelsratio vermenigvuldigd met 100 geeft als resultaat de voormelde procentnorm die als bijlage IV dient te worden bijgevoegd.]

B.Vl.R.28-6-2002

HOOFDSTUK III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 11 en 12.

[...]

B.Vl.R.28-6-2002

Art. 13.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.

Art. 14.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): De bijlagen bij dit besluit verschenen in het Belgisch Staatsblad dd. 25-10-2002.