OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering betreffende de beleidsboekhouding, de jaarrekening en het rekeningenstelsel voor de hogescholen en de vzw's sociale voorzieningen.

  • goedkeuringsdatum
    15 NOVEMBER 1995
  • publicatiedatum
    B.S.08/03/1996
  • datum laatste wijziging
    18/04/2008

COORDINATIE

B.Vl.R. 14-12-2001 - B.S. 9-4-2002

opgeheven door B.Vl.R. 21-12-2007 - B.S. 17-4-2008

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 214, 215, 233 en 234, zoals gewijzigd bij decreet van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs-VI, inzonderheid op artikel 90;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 14 november 1995;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op :

1° de hogescholen waarop de artikelen 233 en 234 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap van toepassing zijn en op hun instituten voor laureaatsvorming in de sectoren muziek en beeldende kunst, zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk IV, van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs-VI. Zij worden voor de toepassing van dit besluit "hogescholen" genoemd.

Het betreft meer bepaald :

a) voor de Vlaamse autonome hogescholen : de openbare instelling met rechtspersoonlijkheid;

b) voor de gesubsidieerde vrije hogescholen : de vereniging zonder winstoogmerk;

c) voor de gesubsidieerde officiële hogescholen : de provinciale inrichtende macht.

2° de VZW die door de erkende hogeschool werd opgericht voor het beheer van haar sociale voorzieningen;

3° de VZW die als regionaal netwerk ontstaat uit de samenwerking tussen de VZW's bedoeld in 2°.

De VZW's sociale voorzieningen worden voor de toepassing van dit besluit "VZW Sovo" genoemd. Elk van de bepalingen met inbegrip van de bijlagen van dit besluit zijn van toepassing zowel op de hogescholen als op de VZW's Sovo, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk vermeld.

HOOFDSTUK II. - Boekhouding en jaarrekening

Art. 2.

Elke hogeschool en elke VZW Sovo voeren elk een afzonderlijke, duidelijk van elkaar te onderscheiden, passende volledige boekhouding, rekening houdend met de aard en de omvang van hun activiteiten.

Deze boekhouding omvat alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook.

Art. 3.

Het boekjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december van elk kalenderjaar.

Art. 4.

Elke boekhouding wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden.

Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitst dagboek of in een hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken. Ze worden methodisch ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben.

Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in het ongesplitste hulpdagboek of in de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt ten minste eens per kwartaal een samenvattende boeking verricht in een centraal boek.

De in het vorige lid bedoelde recapitulatie omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke hulpdagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningenstelsel van de hogeschool en VZW Sovo voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de hulpdagboeken, wanneer een boekhouding wordt gevoerd waarbij de aantekening tegelijk in de hulpdagboeken en op de betrokken rekeningen geschiedt.

De rekeningen worden ondergebracht in een voor de hogeschool en VZW Sovo passend rekeningenstelsel, rekening houdend met de aard en de omvang van de activiteiten.

Het rekeningenstelsel van de hogeschool en VZW Sovo moet worden ingericht en genummerd overeenkomstig de minimumindeling van het rekeningenstelsel, zoals weergegeven in hoofdstuk III van de bijlage bij dit besluit. Dit rekeningenstelsel wordt voortdurend ter beschikking gehouden van eventuele belanghebbenden.

De rekeningen opgenomen in de minimumindeling van het rekeningenstelsel die voor een hogeschool en VZW Sovo niet dienstig zijn, moeten niet in hun rekeningenstelsel voorkomen.

Art. 5.

De kosten en opbrengsten van de hogescholen en VZW Sovo worden geboekt enerzijds op grond van hun aard, en anderzijds analytisch, op grond van de kostenplaatsen waarop ze betrekking hebben.

Het analytisch rekeningenstelsel dient aangepast te zijn aan de aard en de omvang van de hogeschoolactiviteiten en activiteiten van de VZW Sovo.

Art. 6.

Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.

Voor verrichtingen van verkoop en dienstverlening in het klein waarvoor geen factuur vereist is, kan de boeking geschieden door middel van een dagelijkse, gezamenlijke inschrijving.

De verantwoordingsstukken worden methodisch opgeborgen en tien jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.

Art. 7.

Elke hogeschool en VZW Sovo verricht omzichtig en te goeder trouw, op het einde van elk semester, de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen om de inventarisatie op te maken van alle bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op de activiteiten, alsook van het eigen vermogen.

Deze inventaris wordt ingericht overeenkomstig het rekeningenstelsel van de hogeschool en VZW Sovo.

Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze op het einde van ieder boekjaar samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening. Voor de andere semestriële afsluiting volstaat een balans en resultatenrekening volgens het schema van de jaarrekening, zoals opgenomen in hoofdstuk I, afdeling I en II van de bijlage bij dit besluit.

De jaarrekening en de inventarisstukken waarop zij steunt, worden overgeschreven in een inventarisboek; de stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in dat boek samengevat en erbij gevoegd.

Art. 8.

§ 1. De boeken worden per blad genummerd; ze vormen elk in hun soort een doorlopende reeks; ze dragen de vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam van de hogeschool en VZW Sovo.

§ 2. De boeken worden op zodanige wijze gehouden dat de materiële continuïteit ervan, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen zijn verzekerd.

§ 3. Het ongesplitste dagboek en het centraal boek bedoeld in artikel 4, evenals het inventarisboek bedoeld in artikel 7, derde lid, worden vóór hun ingebruikname in de gewone vorm en zonder kosten geviseerd en geparafeerd door de bedrijfsrevisor die belast is met de controle van de boekhouding en de jaarrekening van de instelling. Wanneer deze boeken niet de vorm hebben van ingebonden of ingenaaide registers, moet elk blad waarop vooraf het bladnummer, de naam van de hogeschool en VZW Sovo en de soort van het boek zijn vermeld, door de bedrijfsrevisor worden geparafeerd.

In dit geval wordt het visum op het eerste blad aangebracht. De losse bladen worden na gebruik gebundeld.

§ 4. Als het ongesplitste hulpdagboek of de bijzondere hulpdagboeken geviseerd, en in voorkomend geval, geparafeerd zijn op de wijze bepaald in paragraaf 3, moeten de in dit hulpdagboek of in deze hulpdagboeken geregistreerde gezamenlijke mutaties niet worden overgeschreven in een centraal boek, zoals bepaald bij artikel 4, leden 3 en 4.

§ 5. Het ongesplitste hulpdagboek en de bijzondere hulpdagboeken bedoeld in artikel 4 mogen in de vorm van registers, op losse bladen of op enig ander geschikt materiaal gehouden worden. Als dat materiaal evenwel geen zekerheid geeft omtrent de onuitwisbaarheid van de opgenomen gegevens, moeten deze ook in een rechtstreeks leesbaar document worden vastgelegd.

§ 6. Van het ongesplitste dagboek, het centraal boek bedoeld in artikel 4, alsmede het inventarisboek bedoeld in artikel 7 moet het origineel worden bewaard. Van de andere boeken mag het origineel of een afschrift worden bewaard.

Art. 9.

§ 1. De boeken worden naar tijdsorde bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.

§ 2. De hogeschool en VZW Sovo moeten hun boeken bewaren gedurende tien jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.

HOOFDSTUK III. - Vorm en inhoud van de jaarrekening

Afdeling I. - Algemene principes

Art. 10.

De bij artikel 7, tweede lid, van dit besluit bedoelde jaarrekening omvat de balans, de resultatenrekening en de toelichting. Deze documenten vormen één geheel.

Alle posten van de jaarrekening worden [in euro] uitgedrukt.

B.Vl.R.14-12-2001

Art. 11.

De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de hogeschool en de VZW Sovo.

Zij moet duidelijk worden opgesteld en stelselmatig weergeven : enerzijds, de aard en het bedrag, op de dag waarop het boekjaar wordt afgesloten, van de bezittingen en rechten van de hogeschool en de VZW Sovo, van de schulden en verplichtingen evenals van de eigen middelen, en anderzijds, voor het op die dag afgesloten boekjaar, de aard en het bedrag van de kosten en de opbrengsten.

Art. 12.

De jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Wanneer de toepassing van de bepalingen van dit besluit niet volstaat om te voldoen aan het bepaalde in artikel 11, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt in de toelichting.

Art. 13.

Het rekeningenstelsel van de hogeschool en VZW Sovo moet zodanig worden opgevat of aangepast dat de balans en de resultatenrekening zonder toevoeging of weglating voortvloeien uit de balans van de desbetreffende rekeningen, opgemaakt na het in overeenstemming brengen bedoeld in artikel 7, tweede lid.

De beginbalans van een boekjaar moet, onverminderd de toepassing van artikel 18, tweede lid, overeenstemmen met de eindbalans van het voorafgaande boekjaar.

Art. 14.

Compensatie tussen tegoeden en schulden, tussen rechten en verplichtingen en tussen kosten en opbrengsten is verboden, behalve in de gevallen voorzien door dit besluit.

Afdeling II. - Structuur van de jaarrekening

Art. 15.

§ 1. De balans, de resultatenrekening en de toelichting worden opgesteld overeenkomstig de schema's opgenomen in hoofdstuk I, afdelingen I, II en IV van de bijlage bij dit besluit.

De toelichting bevat de in hoofdstuk I, Afdeling III van de bijlage bij dit besluit bepaalde gegevens en staten.

De posten van de in het eerste lid bedoelde balans en resultatenrekening, alsmede de vermeldingen in de in deze paragraaf bedoelde toelichting, mogen worden weggelaten wanneer zij niet dienstig zijn voor het betrokken boekjaar; wanneer voor deze posten en vermeldingen het bedrag van het voorafgaande boekjaar moet worden vermeld, dan mogen ze slechts worden weggelaten wanneer ze ook voor dat boekjaar niet dienstig zijn.

§ 2. De inhoud van de posten in de jaarrekening wordt, waar nodig, nader bepaald in hoofdstuk II van de bijlage bij dit besluit.

Voor de toepassing van dit besluit zijn rubrieken de posten van de balans en de resultatenrekening aangeduid met een Romeins cijfer of een hoofdletter, en onderrubrieken de posten aangeduid met een Arabisch cijfer.

Art. 16.

Kunnen actief- en passiefbestanddelen tot meer dan één rubriek of onderrubriek van de balans behoren, of opbrengsten dan wel kosten tot meer dan één rubriek of onderrubriek van de resultatenrekening, dan worden ze ingeschreven onder die post welke ten opzichte van de bepalingen van artikel 11 het meest is aangewezen.

Art. 17.

De hogeschool en VZW Sovo mogen in de toelichting de rubrieken en onderrubrieken, die verplicht moeten worden vermeld, verder indelen.

Art. 18.

De voorstelling van de jaarrekening moet identiek zijn van het ene jaar tot het andere.

Ze wordt echter gewijzigd wanneer onder meer ingevolge een belangrijke wijziging in de structuur van het vermogen, van de opbrengsten en van de kosten van de hogeschool en de VZW Sovo ze niet meer beantwoordt aan het voorschrift van artikel 11. Deze wijzigingen worden vermeld en verantwoord in de toelichting die behoort tot het boekjaar waarin ze werden ingevoerd.

Afdeling III. - Bijzondere bepalingen m.b.t. de jaarrekening

Art. 19.

De balans wordt opgesteld na toewijzing van het saldo van de resultatenrekening en van het overgedragen resultaat.

Bij elke rubriek en onderrubriek van de balans en van de resultatenrekening wordt het bedrag van de overeenkomstige post van het voorafgaande boekjaar vermeld.

Wanneer de bedragen van het boekjaar niet vergelijkbaar zijn met die van het voorafgaande boekjaar, mogen de bedragen van het voorafgaande boekjaar worden aangepast met het oog op hun vergelijkbaarheid; in dat geval worden deze aanpassingen, behalve indien zij onbelangrijk zijn, in de toelichting vermeld en onder verwijzing naar de betrokken rubrieken toegelicht. Worden de bedragen van het voorafgaande boekjaar niet aangepast, dan moet de toelichting de nodige gegevens bevatten om een vergelijking mogelijk te maken.

Art. 20.

Onder afschrijvingen verstaat men de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot de oprichtingskosten en tot immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is,teneinde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop zij worden aangegaan.

Onder waardeverminderingen verstaat men correcties, andere dan die vermeld in het vorige lid, op de aanschaffingswaarde van de actiefbestanddelen, om rekening te houden met al dan niet als definitief aan te merken ontwaardingen bij het afsluiten van het boekjaar.

De gecumuleerde afschrijvingen en waardeverminderingen worden afgetrokken van de actiefposten waarop ze betrekking hebben.

Art. 21.

De voorzieningen voor risico's en kosten beogen naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten te dekken, die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat.

Voorzieningen mogen niet worden gebruikt voor waardecorrecties op activa.

Art. 22.

In de toelichting worden per soort vermeld de rechten en verplichtingen die niet in de balans voorkomen en die het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de hogeschool en VZW Sovo aanmerkelijk kunnen beïnvloeden.

Belangrijke rechten en verplichtingen, die niet kunnen worden becijferd, worden op passende wijze vermeld in de toelichting.

HOOFDSTUK IV. - Waarderingsregels

Afdeling I. - Algemene principes

Art. 23.

Elke hogeschool en VZW Sovo bepaalt de regels die, met nakoming van de bepalingen van dit hoofdstuk, doch rekening houdend met hun eigen kenmerken, gelden voor de waardering van de inventaris bedoeld in artikel 7, eerste lid en, onder meer, voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten evenals voor de herwaarderingen.

Deze regels worden bepaald door het bestuursorgaan van de hogeschool en VZW Sovo en vastgelegd in het inventarisboek bedoeld in artikel 7, derde lid. Ze worden samengevat in de toelichting; overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 11 moet deze samenvatting voldoende nauwkeurig zijn zodat inzicht wordt verkregen in de toegepaste waarderingsmethoden.

Onverminderd de toepassing van artikel 46 wordt er bij de vaststelling en toepassing van de waarderingsregels van uitgegaan dat de hogeschool en VZW Sovo hun activiteiten zullen voortzetten.

Art. 24.

Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een in dit hoofdstuk bedoelde waarderingsregel niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 11, moet daarvan worden afgeweken teneinde te voldoen aan de in artikel 11 bedoelde verplichting.

Dergelijke afwijking wordt in de toelichting vermeld en verantwoord.

De geraamde invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de hogeschool en VZW Sovo wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening over het boekjaar waarin de afwijkende waarderingsregel voor het eerst wordt toegepast.

Art. 25.

De waarderingsregels bedoeld in artikel 23, eerste lid moeten van het ene boekjaar op het andere identiek blijven en stelselmatig worden toegepast.

Ze worden evenwel gewijzigd wanneer, onder meer uit hoofde van belangrijke veranderingen in de activiteiten van de hogeschool en VZW Sovo, in de structuur van het vermogen of in de economische dan wel technologische omstandigheden, de vroeger gevolgde waarderingsregels niet langer aan het voorschrift van artikel 11 beantwoorden.

Het tweede en het derde lid van artikel 24 zijn van toepassing op deze wijzigingen.

Art. 26.

Elk bestanddeel van de balans wordt afzonderlijk gewaardeerd.

De afschrijvingen, waardeverminderingen en herwaarderingen zijn specifiek voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben. Voor actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken mogen echter globale afschrijvingen, waardeverminderingen of herwaarderingen geacteerd worden.

De voorzieningen voor risico's en kosten worden geïndividualiseerd naar gelang van de risico's en kosten met dezelfde aard die ze moeten dekken.

Onder de risico's en kosten met dezelfde aard moeten de soorten van risico's en kosten worden verstaan die bij wijze van voorbeeld in artikel 27, vijfde lid zijn vermeld.

Art. 27.

De waarderingen, de afschrijvingen, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

De afschrijvingen, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten moeten stelselmatig worden gevormd volgens de door de hogeschool en VZW Sovo overeenkomstig artikel 23 vastgelegde methoden. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar.

Er moet rekening worden gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico's, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de hogeschool en VZW Sovo wordt opgesteld. In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria, de waardering van de voorzienbare risico's, de mogelijke verliezen en de ontwaardingen onvermijdelijk aleatoir is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting, wanneer de betrokken bedragen rekening houdend met de doelstelling van artikel 11 belangrijk zijn.

Er moet rekening worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of geïnd, behalve indien de effectieve inning van deze opbrengsten onzeker is. Ten laste van het boekjaar moeten inzonderheid worden geboekt : de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend boekjaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het boekjaar of tijdens vorige boekjaren zijn verricht. Wanneer de opbrengsten of de kosten in belangrijke mate worden beïnvloed door opbrengsten of kosten die aan een ander boekjaar moeten worden toegerekend, wordt daarvan melding gemaakt in de toelichting.

Voorzieningen moeten, onder meer, gevormd worden met het oog op :

1° de verplichtingen die op de hogeschool en VZW Sovo rusten inzake rust- en overlevingspensioenen, brugpensioenen, ziekteverloven, terbeschikkingstellingen en andere gelijkaardige verplichtingen;

2° de kosten van grote herstellings- of onderhoudswerken;

3° de verlies- of kostenrisico's die voortvloeien uit persoonlijke of zakelijke zekerheden, verstrekt tot waarborg van schulden of verbintenissen, uit verbintenissen tot aan- of verkoop van vaste activa, uit de uitvoering van gedane of ontvangen bestellingen, uit termijnposities of -overeenkomsten in deviezen, uit technische waarborgen verbonden aan reeds door de hogeschool verrichte verkopen of diensten, uit hangende geschillen.

De waardeverminderingen die in toepassing van de artikelen 38, § 3, 39, § 3, en 41, tweede, derde en vierde lid, werden toegepast, evenals de voorzieningen voor risico's en kosten, mogen niet worden gehandhaafd in die mate waarin ze op het einde van het boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens een actuele beoordeling, conform de normen waarvan sprake in het eerste lid, van de minderwaarden, risico's en kosten waarvoor ze werden gevormd.

Art. 28.

De meer- of minderwaarde die wordt vastgesteld bij de overdracht van een afschrijfbaar materieel vast actief met afsluiting door de cedent van een leasingovereenkomst die op datzelfde goed slaat, wordt opgenomen in de overlopende rekeningen en wordt elk jaar in resultaat genomen naar verhouding van de afschrijving van dit geleaste vast actief voor het betrokken boekjaar.

Afdeling II. - Aanschaffingswaarde

Art. 29.

Onverminderd de toepassing van de artikelen 24, 36, 37 en 44, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan : hetzij de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 30, hetzij de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 31, hetzij de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 32.

Art. 30.

De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet-terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten.

De aanschaffingsprijs van een door ruil verkregen actiefbestanddeel is de marktwaarde van het (de) in ruil hiervoor overgedragen actiefbestandeel(-delen); is deze waarde moeilijk vast te stellen, dan is de aanschaffingsprijs de marktwaarde van het door ruil verkregen actiefbestanddeel. Deze waarden worden geschat op de datum van de ruil.

Art. 31.

De vervaardigingsprijs omvat naast de aanschaffingskosten der grondstoffen, verbruiksgoederen en hulpstoffen, de productiekosten die rechtstreeks aan het individuele product of aan de productengroep toerekenbaar zijn evenals het evenredig deel van de productiekosten die slechts onrechtstreeks aan het individuele product of aan de productengroep toerekenbaar zijn, voor zover deze kosten op de normale productieperiode betrekking hebben. Het staat de hogeschool echter vrij deze onrechtstreekse productiekosten niet geheel of gedeeltelijk in de vervaardigingsprijs op te nemen; in geval van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt zulks in de toelichting vermeld.

In de aanschaffingswaarde van immateriële en materiële vaste activa mag de rente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor hun financiering worden opgenomen, doch slechts voor zover zij betrekking heeft op de periode welke de bedrijfsklaarheid van deze vaste activa voorafgaat. Desgevallend wordt hiervan melding gemaakt in de waarderingsregels bij de toelichting.

Art. 32.

De inbrengwaarde stemt overeen met de bedongen waarde van de inbreng.

In geval van bestemming voor of inbreng in een hogeschool of VZW Sovo moet onder inbrengwaarde worden verstaan de waarde van de goederen bij de inbreng of de bestemming. De inbrengwaarde mag niet hoger zijn dan de prijs die op het ogenblik van de inbreng of de bestemming voor de aankoop van de betrokken goederen op de markt zou moeten worden betaald.

In de waarderingsregels dient omstandig te worden toegelicht hoe de inbrengwaarde werd vastgesteld.

De belastingen en kosten met betrekking tot de inbreng zijn niet begrepen in de inbrengwaarde; indien zij niet volledig ten laste worden gebracht van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan de inbreng is geschied, worden ze opgenomen in de rubriek "Oprichtingskosten".

Afdeling III. - Bijzondere regels

Art. 33.

De oprichtingskosten worden slechts op het actief geboekt voor zover ze niet ten laste worden genomen gedurende het boekjaar waarin ze werden besteed.

Kosten die worden gemaakt in het kader van een herstructurering worden alleen dan onder de activa opgenomen, wanneer het gaat om welbepaalde kosten die verband houden met een ingrijpende wijziging in de structuur of de organisatie van de hogeschool en die kosten ertoe strekken een gunstige en duurzame invloed te hebben op de resultaten van de hogeschool.

In de toelichting moet worden verantwoord dat aan deze voorwaarden is voldaan. De herstructureringskosten die het karakter hebben van werkingskosten of van uitzonderlijke kosten worden geactiveerd door ze op zichtbare wijze in mindering te brengen van het totaal bedrag respectievelijk van de werkingskosten en van de uitzonderlijke kosten.

Art. 34.

Andere dan van derden verworven immateriële vaste activa worden slechts tegen vervaardigingsprijs op het actief geboekt voor zover die niet hoger is dan een voorzichtige raming van de gebruikswaarde of van het toekomstig rendement voor de hogeschool van deze vaste activa.

Art. 35.

§ 1. De gebruiksrechten betreffende materiële vaste activa waarover de hogeschool of VZW Sovo beschikken op grond van leasing of gelijkaardige overeenkomsten worden onverminderd de toepassing van de bepalingen van de artikelen 20 en 38, § 2 onder de activa opgenomen voor het gedeelte van de volgens de overeenkomst te storten termijnen, dat strekt tot de wedersamenstelling van de kapitaalwaarde van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft.

De overeenkomstige verplichtingen aan de passiefzijde worden ieder jaar gewaardeerd ten belope van het gedeelte der in de volgende boekjaren te storten termijnen, dat strekt tot de wedersamenstelling van de kapitaalwaarde van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft.

§ 2. Wat de goederen betreft die worden verkregen tegen betaling van een lijfrente :

1° wordt onder aanschaffingswaarde verstaan het kapitaal dat op het ogenblik van de aanschaffing nodig is om de rente te betalen, in voorkomend geval verhoogd met het bedrag dat bij de aanschaffing werd betaald en met de kosten;

2° wordt een voorziening gevormd ten belope van het bedrag van het hiervoorgenoemde kapitaal; deze voorziening wordt jaarlijks aangepast.

Art. 36.

§ 1. De grond- en hulpstoffen, het gereed product en de handelsgoederen worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de marktwaarde op balansdatum als die lager is.

De waardering tegen de lagere marktwaarde, met toepassing van het eerste lid, mag niet worden gehandhaafd indien achteraf de marktwaarde hoger is dan de lagere waarde waartegen de voorraad werd gewaardeerd.

§ 2. De goederen in bewerking en opdrachten in uitvoering worden, onverminderd de toepassing van artikel 41, eerste en derde lid, gewaardeerd tegen vervaardigingsprijs.

Art. 37.

§ 1. Vorderingen worden in de balans opgenomen voor hun nominale waarde, onverminderd de toepassing van paragrafen 2 en 3 van dit artikel en van artikel 41.

§ 2. Bij de boeking van een vordering in de balans voor haar nominale waarde worden in voorkomend geval in de overlopende rekeningen van het passief geboekt en pro rata temporis in resultaat genomen op grond van de samengestelde interesten :

1° de rente die op basis van de overeenkomst tussen partijen in de nominale waarde van de vordering begrepen is;

2° het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de nominale waarde van de vordering;

3° het disconto op renteloze of abnormaal laag rentende vorderingen wanneer deze vorderingen :

a) terugbetaalbaar zijn na meer dan één jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop zij in het vermogen van de hogeschool of de VZW Sovo zijn opgenomen, en;

b) betrekking hebben hetzij op als opbrengst geboekte bedragen in de resultatenrekening, hetzij op de prijs van de overdracht van vaste activa of van een activiteitsbranche.

Het in sub 3° bedoelde disconto wordt berekend op basis van de voor dergelijke vorderingen geldende marktrente op het ogenblik waarop de vordering werd opgenomen in het vermogen van de hogeschool of de VZW Sovo.

Bij de vorderingen die in termijnen worden betaald of afbetaald en waarvan de rente of het lastenpercentage gedurende de gehele contractduur wordt toegepast op het oorspronkelijke bedrag van de financiering of van de lening, worden de respectieve bedragen van de gelopen rente en het lastenpercentage die in resultaat moeten worden genomen en van de niet gelopen rente en het lastenpercentage die moeten worden overgedragen naar een volgend boekjaar bepaald door toepassing van de reële rente op het bij het begin van elke periode uitstaande saldo; deze reële rente wordt berekend met inachtneming van de spreiding en de periodiciteit van de betalingen. Een andere methode mag slechts worden toegepast op voorwaarde dat zij, per boekjaar, een gelijkwaardig resultaat oplevert.

Het bedrag van de rente of het lastenpercentage mag niet worden gecompenseerd met de kosten en provisies in verband met deze verrichtingen.

§ 3. De vastrentende effecten worden gewaardeerd op grond van hun aanschaffingswaarde. Wanneer evenwel hun actuariële rendement berekend bij de aankoop, met inachtneming van hun terugbetalingswaarde op vervaldag verschilt van hun nominale rendement, wordt het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde pro rata temporis voor de resterende looptijd van de effecten in resultaat genomen als bestanddeel van de renteopbrengst van deze effecten en, naar gelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde van de effecten.

De inresultaatneming van dit verschil geschiedt op geactualiseerde basis, uitgaande van het actuariële rendement bij aankoop.

Er bestaat echter de mogelijkheid om :

1° het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde op lineaire basis pro rata temporis in resultaat te nemen;

2° de vastrentende effecten voor hun aanschaffingswaarde in de balans te behouden wanneer de weerslag van de inresultaatneming van het actuariële rendement van de effecten ten opzichte van de inresultaatneming van het louter nominale rendement, te verwaarlozen zou zijn.

Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op effecten met een rendement dat, volgens de uitgiftevoorwaarden, uitsluitend voorkomt uit het verschil tussen de uitgifteprijs en de terugbetalingswaarde.

§ 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de schulden van overeenstemmende aard en looptijd.

Art. 38.

§ 1. Voor de oprichtingskosten worden passende afschrijvingen geboekt, per jaarlijkse tranches van ten minste twintig percent van de werkelijk uitgegeven bedragen.

§ 2. Voor materiële en immateriële vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt overgegaan tot lineaire afschrijvingen volgens een overeenkomstig artikel 23 opgesteld plan. De normaal gangbare lineaire percentages zijn de volgende :

Software : 33 %

Gebouwen : 3 %

Overige zakelijke rechten op onroerende goederen : 3 %

Onroerende goederen door bestemming : 5 %

Inrichting van de gebouwen : 3 %

Machines, installaties : 10 - 20 %

Meubilair en materieel : 10 %

Rollend materieel : 20 %

Informatica-materieel en -meubilair : 20 - 33 %

In geval van afwijking van deze percentages, om rekening te houden met een andere waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, wordt dit verantwoord in de toelichting.

Afschrijving van intercalaire interesten vangt aan op de datum waarop de gebouwen waarop deze interesten betrekking hebben, bedrijfsklaar worden. De intercalaire interesten worden afgeschreven overeenkomstig het regime toepasbaar op de gebouwen.

De afschrijvingen voor de vaste activa in leasing worden gespreid over dezelfde duur als deze die toegepast wordt voor een overeenkomstig materieel vast activum in eigendom. De afschrijvingen voor de inrichting van gehuurde gebouwen worden gespreid over de tijdsduur van het huurcontract.

Voor de immateriële en materiële vaste activa wordt overgegaan tot aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen wanneer, ingevolge hun technische ontaarding of wegens de wijziging van economische of technologische omstandigheden, hun boekhoudkundige waarde hoger is dan hun gebruikswaarde voor de hogeschool en VZW Sovo.

De afschrijvingen op immateriële en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur mogen slechts worden teruggenomen, wanneer blijkt dat het daarvoren toegepaste afschrijvingsplan wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad.

De aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen die niet langer verantwoord blijken, moeten worden teruggenomen ten belope van het surplus ten opzichte van de overeenkomstig het eerste lid geplande afschrijvingen.

Wordt in uitzonderlijke gevallen de afschrijving van kosten voor onderzoek en ontwikkeling over meer dan vijf jaar gespreid, dan moet dit worden verantwoord in de toelichting.

§ 3. Voor materiële en immateriële vaste activa waarvan de gebruiksduur niet is beperkt, wordt slechts tot waardeverminderingen overgegaan ingeval van duurzame minderwaarde of ontwaarding.

Art. 39.

§ 1. De niet opgevraagde bedragen op deelnemingen en aandelen worden vermeld in de toelichting per onderrubriek waarin de nog vol te storten deelnemingen en aandelen zijn opgenomen.

§ 2. De aanschaffingswaarde van deelnemingen of aandelen ontvangen als vergoeding voor inbrengen die niet bestaan in contanten of die voortkomen uit de omzetting van vorderingen, stemt overeen met de conventionele waarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de omgezette vorderingen. Als evenwel die conventionele waarde lager is dan de marktwaarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de omgezette vorderingen, dan stemt de aanschaffingswaarde overeen met de hogere marktwaarde.

In afwijking van het eerste lid worden de deelnemingen en aandelen van een vennootschap die de hogeschool ontvangt bij fusie of splitsing als bedoeld in artikel 36bis, 36ter of 36quater van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, in ruil voor de aandelen die zij in de overgenomen of gesplitste vennootschap bezat, bij die fusie of splitsing in haar boekhouding opgenomen tegen de waarde waarvoor de aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap hierin op die datum stonden geboekt. Ingeval bij fusie of splitsing een opleg in geld is verkregen, wordt het bedrag hiervan afgetrokken van de boekwaarde - en bij voorrang van de aanschaffingswaarde - van de aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap, inzover die opleg wordt onttrokken aan het kapitaal of de uitgiftepremie; in de overige gevallen wordt dat bedrag in resultaat genomen. Bij inbreng van een bedrijfsafdeling of een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 36quinquies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, worden de als tegenprestatie ontvangen deelnemingen of aandelen bij de inbreng in de boekhouding van de inbrenger opgenomen tegen de nettowaarde waarvoor de ingebrachte goederen hierin op die datum voorkwamen.

§ 3. Voor de deelnemingen en de aandelen die in de rubriek "financiële vaste activa" zijn opgenomen wordt tot waardevermindering overgegaan ingeval van duurzame minderwaarde of ontwaarding, verantwoord door de toestand, de rendabiliteit of de vooruitzichten van de vennootschap waarin de deelnemingen of de aandelen worden aangehouden.

Op de vorderingen, inclusief de vastrentende effecten, die in de financiële vaste activa zijn opgenomen, worden waardeverminderingen toegepast, zo er voor het geheel of een gedeelte van de vordering onzekerheid bestaat over de betaling hiervan op de vervaldag.

§ 4. De bijkomende kosten met betrekking tot het aanschaffen van financiële vaste activa en van geldbeleggingen mogen ten laste worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan ze werden aangegaan.

Art. 40.

Voor de buiten gebruik gestelde of niet meer duurzaam tot de activiteit van de hogeschool en VZW Sovo bijdragende materiële vaste activa, wordt in voorkomend geval tot een uitzonderlijke afschrijving overgegaan om rekening te houden met de waarschijnlijke realisatiewaarde ervan.

Art. 41.

Ten aanzien van de goederen in bewerking en de opdrachten in uitvoering worden waardeverminderingen toegepast, indien de vervaardigingsprijs, vermeerderd met het geraamde bedrag van de nog te maken kosten, naar gelang het geval hoger is dan de netto-verkoopprijs op de datum van de jaarafsluiting of dan de in de overeenkomst bedongen prijs.

Op de activa behorende tot de posten VIII en IX worden waardeverminderingen toegepast wanneer de realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan de aanschaffingswaarde.

Er worden aanvullende waardeverminderingen geboekt op de activa bedoeld in artikel 36 en in het eerste en tweede lid van onderhavig artikel, om rekening te houden hetzij met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde, hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten en diensten of van de activiteiten.

Op de vorderingen opgenomen onder de posten V en VII worden waardeverminderingen toegepast, zo er voor het geheel of een gedeelte van de vordering onzekerheid bestaat over de betaling hiervan op de vervaldag. Op deze vorderingen mogen eveneens waardeverminderingen worden toegepast wanneer hun realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan hun boekwaarde vastgesteld overeenkomstig artikel 37.

Art. 42.

In afwijking van de artikelen 26, 29, 36 en 41 mogen het klein materieel evenals de grond- en hulpstoffen die bestendig worden hernieuwd en waarvan de aanschaffingswaarde te verwaarlozen is in verhouding tot het balanstotaal, op het actief worden opgenomen voor een vast bedrag indien de hoeveelheid, de waarde en de samenstelling ervan niet aanmerkelijk veranderen van het ene boekjaar tot het andere. In dit geval wordt de prijs voor de hernieuwing van deze bestanddelen opgenomen onder de werkingskosten.

Art. 43.

De aanschaffingswaarde van activa met identieke technische of juridische kenmerken wordt bepaald hetzij door individualisering van de prijs van elk bestanddeel, hetzij volgens de methode van gewogen gemiddelde prijzen, volgens de methode "FIFO" (eerst in - eerst uit) of volgens de methode "LIFO" (laatst in - eerst uit).

Indien de methode wordt gewijzigd, mag de aanschaffingswaarde van de goederen die geacht worden eerst te zijn ingekomen, niet lager zijn dan de waarde waarvoor ze, voor toepassing van de desbetreffende waardeverminderingen, voorkwamen in de inventaris bij het afsluiten van het boekjaar tevoren.

Wanneer, inzonderheid bij toepassing van de LIFOmethode, de boekwaarde van de voorraden aanzienlijk verschilt van de waarde berekend op basis van de marktwaarde op balansdatum, moet het totale bedrag van dit verschil, per voorraad post die in de balans voorkomt, in de toelichting worden vermeld.

Art. 44.

De hogescholen en VZW Sovo mogen de materiële vaste activa, de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen of bepaalde soorten hiervoorgenoemde vaste activa herwaarderen, wanneer de waarde van deze activa, bepaald in functie van hun nut voor de hogeschool of VZW Sovo op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Wanneer de betrokken activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de activiteiten van de hogeschool of VZW Sovo of van een afdeling daarvan mogen zij slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de resultaten van de hogeschool, VZW Sovo of een afdeling ervan.

De geherwaardeerde waarde die voor deze vaste activa in aanmerking wordt genomen, wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast.

Heeft de herwaardering betrekking op materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur, dan wordt op basis van de geherwaardeerde waarde afgeschreven volgens een overeenkomstig artikel 23 opgemaakt plan dat ertoe strekt de toerekening van de geherwaardeerde waarde te spreiden over de vermoedelijke residuele gebruiksduur van de betrokken activa.

De geboekte meerwaarden worden rechtstreeks toegerekend aan rubriek III van het passief "Herwaarderingsmeerwaarden" en daar behouden zolang de goederen waarop zij betrekking hebben, niet werden gerealiseerd. Deze meerwaarden mogen nochtans bij latere minderwaarde worden afgeboekt tot het beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde.

Art. 45.

De methoden en grondslagen voor de omrekening van in vreemde valuta uitgedrukte bezittingen, schulden en verplichtingen, worden in de toelichting vermeld bij de in artikel 23 bedoelde waarderingsregels. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de wisselresultaten en de resultaten uit de omrekening van vreemde valuta in de jaarrekening worden verwerkt.

Art. 46.

Indien de hogeschool en VZW Sovo besluiten hun activiteiten stop te zetten of indien, in tegenstelling met het bepaalde in artikel 23, derde lid, er niet meer kan van worden uitgegaan dat de hogeschool en VZW Sovo hun activiteiten zullen voortzetten, worden de waarderingsregels dienovereenkomstig aangepast en geldt in het bijzonder het volgende :

1° de oprichtingskosten moeten volledig worden afgeschreven;

2° voor de vaste en de vlottende activa moet zo nodig tot aanvullende afschrijvingen of waardeverminderingen worden overgegaan om de boekwaarde terug te brengen tot de vermoedelijke realisatiewaarde;

3° een voorziening moet worden gevormd voor de kosten die verbonden zijn aan de beëindiging van de werkzaamheden.

Ingeval een afdeling van de hogeschool wordt gesloten, zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op de activa, de passiva en de verplichtingen die betrekking hebben op die afdeling.

HOOFDSTUK V. - De toelichting

Art. 47.

De toelichting dient te worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen opgenomen in afdeling III van hoofdstuk I van de bijlage bij dit besluit.

Voor het opmaken van de toelichting dienen de standaardschema's opgenomen in afdeling IV van hoofdstuk I van de bijlage bij dit besluit te worden gebruikt.

HOOFDSTUK VI. - Beginbalans

Art. 48.

Iedere hogeschool en VZW Sovo moeten een beginbalans opstellen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit; ze wordt opgemaakt volgens het schema zoals bepaald voor de balans in hoofdstuk I, afdeling I van de bijlage bij dit besluit. Deze beginbalans geeft de toestand weer van de hogeschool of VZW Sovo bij het begin van het boekjaar 1996; het betreft de financiële situatie op 1 januari 1996.

Voor de waardering van de verschillende posten van de beginbalans kan de inbrengwaarde worden weerhouden, zoals nader omschreven in artikel 32 van dit besluit. In de waarderingsregels dient omstandig te worden toegelicht hoe de inbrengwaarde werd bepaald.

Elke hogeschool en VZW Sovo legt ten laatste op 31 mei 1996 hun beginbalans, na certificatie door de bedrijfsrevisor, voor aan de bevoegde commissaris van de Vlaamse regering.

HOOFDSTUK VII. - Slot- en overgangsbepalingen

Art. 49.

De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs kan de richtlijnen vaststellen met betrekking tot de toepassing van dit besluit.

Art. 50.

De eerste jaarrekening met betrekking tot het boekjaar dat afsluit op 31 december 1996 dient wat betreft de resultatenrekening geen vergelijkende cijfers van het vorige boekjaar te bevatten.

Art. 51.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996, behalve artikel 5 dat in werking treedt op 1 januari 1999.

De minister kan, wegens bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden, een hogeschool of VZW Sovo gedurende één jaar vrijstellen van de toepassing van de bepalingen van dit besluit.

Art. 52.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): De bijlagen bij dit besluit zijn gepubliceerd in bijvoegsel tot het Belgisch Staatsblad van 8 maart 1996.