Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur.

  • goedkeuringsdatum
    30 JANUARI 1979
  • publicatiedatum
    B.S.07/02/1979
  • datum laatste wijziging
    24/08/2016

(voetnoot 1) (voetnoot 2)

COORDINATIE

K.B. 7-5-1980 - B.S. 15-5-1980

K.B. 30-4-1981 - B.S. 19-5-1981

K.B. 17-5-1982 - B.S. 22-5-1982

K.B. 23-3-1984 - B.S. 29-3-1984

K.B. 19-4-1985 - B.S. 9-5-1985

K.B. 29-4-1986 - B.S. 30-4-1986

K.B. 4-11-1987 - B.S. 21-11-1987

K.B. 3-12-1987 - B.S. 5-12-1987

K.B. 24-3-1989 - B.S. 6-4-1989

K.B. 21-3-1990 - B.S. 30-3-1990

K.B. 23-4-1991 - B.S. 30-4-1991

K.B. 12-2-1992 - B.S. 3-3-1992

K.B. 5-5-1992 - B.S. 14-5-1992

K.B. 4-3-1993 - B.S. 23-3-1993

K.B. 6-5-1993 - B.S. 4-6-1993

K.B. 28-3-1995 - B.S. 6-4-1995

B.Vl.R. 28-1-1997 - B.S. 15-10-1997

K.B. 9-6-2000 - -B.S. 30-6-2000

K.B. 20-7-2000 - B.S. 30-8-2000

K.B. 7-7-2002 - B.S. 18-7-2002

K.B. 5-8-2006 - B.S. 18-8-2006

B.Vl.R. 28-3-2014 - B.S. 2-7-2014

B.Vl.R. 3-7-2015 - B.S. 16-7-2015

K.B. 3-8-2016 - B.S. 24-8-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 66, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op het akkoord van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 31 december 1977;

Gelet op het advies van de Algemene syndicale raad van advies;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Openbaar Ambt en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

Het personeel van 's lands algemeen bestuur ontvangt ieder jaar een vakantiegeld.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit moeten de hierna volgende termen aldus worden verstaan :

"volledige prestaties" de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt;

"referentiejaar" het kalenderjaar dat aan het jaar voorafgaat tijdens welk de vakantie moet worden toegestaan;

"jaarsalaris" het salaris, het loon of de in de plaats daarvan gestelde vergoeding of toelage, met hierin begrepen de eventuele haardtoelage of de standplaatstoelage.

Voor het personeelslid dat het voordeel geniet van de gewaarborgde bezoldiging bij toepassing van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries is het "jaarsalaris" gelijk aan genoemde gewaarborgde bezoldiging.

Art. 3.

De personeelsleden van het onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding, de hogescholen, de centra voor basiseducatie en de contractuelen in het onderwijs, die betaald worden door de Vlaamse Gemeenschap, en voor wie volgens de geldende berekening van het vakantiegeld tijdens de referteperiode voor de berekening van het vakantiegeld niet uitsluitend prestaties als vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten personeelslid in aanmerking komen, ontvangen een vakantiegeld waarvan het bedrag 92 % bedraagt van een twaalfde van hun geïndexeerd jaarsalaris dat het salaris bepaalt dat verschuldigd is voor de maand maart van het vakantiejaar.

Art. 4.

De personeelsleden van het onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding en de hogescholen, voor wie, volgens de geldende berekening van het vakantiegeld tijdens de referteperiode voor de berekening van het vakantiegeld uitsluitend prestaties als vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten personeelslid in aanmerking komen, ontvangen in 2016 en 2017 een vakantiegeld waarvan het bedrag 70,26 % bedraagt van een twaalfde van hun geïndexeerd jaarsalaris dat het salaris bepaalt dat verschuldigd is voor de maand maart van het vakantiejaar.

Art. 4bis.

[...]

Art. 5.

§ 1. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden in aanmerking genomen de perioden gedurende welke het personeelslid tijdens het referentiejaar :

1° het jaarsalaris geheel of gedeeltelijk heeft genoten;

2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens verplichtingen die op hem rusten krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen;

3° met ouderschapsverlof was;

4° afwezig is geweest als gevolg van een verlof of een arbeidsonderbreking zoals vermeld in de artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 of in artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;

5° met ziekteverlof was.

§ 2. Voor de berekening van het vakantiegeld wordt eveneens in aanmerking genomen de periode gaande van 1 januari van het referentiejaar tot de dag welke de datum voorafgaat waarop het personeelslid die hoedanigheid heeft verkregen, op voorwaarde :

1° minder dan 25 jaar oud te zijn op het einde van het referentiejaar;

2° uiterlijk in dienst te zijn getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op :

a) hetzij de datum waarop het personeelslid de inrichting heeft verlaten waarin het zijn studiën heeft gedaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

b) hetzij de datum waarop de leerovereenkomst een einde heeft genomen.

Het personeelslid moet het bewijs leveren dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet. Bedoeld bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd, getuigen inbegrepen.

Art. 6.

In afwijking van artikel 5 worden voor de berekening van het vakantiegeld niet in aanmerking genomen, de perioden gedurende welke het personeelslid vrijstelling van dienst voor het vervullen van een opdracht heeft gekregen.

Art. 7.

§ 1. Onverminderd artikel 5, § 1, 2° en 3° , en § 2 wordt, wanneer niet tijdens het ganse referentiejaar volledige prestaties werden verricht, het vakantiegeld als volgt vastgesteld :

a) een twaalfde van het jaarbedrag voor elke prestatieperiode die een ganse maand beslaat;

b) een dertigste van het maandbedrag per kalenderdag wanneer de prestaties niet een ganse maand beslaan.

§ 2. De toekenning van een gedeeltelijk salaris wegens het uitoefenen van verminderde prestaties heeft een overeenkomstige vermindering van het vakantiegeld voor gevolg.

Art. 8.

In geval van onvolledige prestaties wordt het vakantiegeld toegekend naar rato van de uren geleverde prestaties op basis van de uurdeler(s) die in de bezoldigingsregeling van toepassing is (zijn); in voorkomend geval is dezelfde verhouding van toepassing op de perioden bedoeld in artikel 5, § 1, 2° , en § 2 van dit besluit.

Art. 9.

Twee of meer vakantiegelden met inbegrip van deze verkregen in toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag overeenkomend met het hoogste vakantiegeld dat bekomen wordt wanneer de vakantiegelden van al de uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties.

Hiervoor wordt het vakantiegeld van één of meerdere ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers.

Indien de inhoudingen of verminderingen moeten of kunnen gebeuren op verscheidene vakantiegelden, wordt eerst het kleinste vakantiegeld ingehouden of verminderd.

Voor de toepassing van de voorgaande leden moet onder het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.

Art. 9bis.

Voor de toepassing van het voorgaande artikel is het personeelslid dat vakantiegelden cumuleert, gehouden het bedrag ervan, evenals eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, mede te delen aan elke personeelsdienst waarvan het afhangt.

Iedere inbreuk op het voorgaande lid kan aanleiding geven tot tuchtstraffen.

Art. 10.

De bedragen welke het personeelslid als vakantiegeld zou hebben ontvangen voor andere prestaties welke gedurende het referentiejaar werden verricht, worden afgetrokken van het bedrag van het vakantiegeld dat toegekend wordt in toepassing van artikel 5, § 2, van dit besluit.

Art. 11.

§ 1. Het vakantiegeld voor een bepaald jaar wordt uitbetaald in de maand mei van dat jaar.

§ 2. In afwijking van de in de vorige paragraaf omschreven regel, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop het personeelslid de leeftijdsgrens bereikt of op de datum van overlijden, van ontslagneming, van afdanking of van afzetting van de belanghebbende.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met [...] het percentage en de eventuele inhouding welke op de beschouwde datum gelden; het percentage wordt toegepast op het jaarsalaris dat als basis dient voor de berekening van het salaris welke het personeelslid op die datum geniet.

Wanneer hij op die datum geen salaris of verminderd salaris geniet wordt het percentage berekend op het salaris of de salarissen die hem dan verschuldigd zouden geweest zijn.

Art. 11bis.

[...]

Art. 12.

Het koninklijk besluit van 24 april 1963 betreffende de toekenning van een vakantiegeld en een gezinsvakantiebijslag aan het personeel van 's lands Algemeen Bestuur, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 maart 1964, 5 januari 1967, 4 januari 1974, 10 januari 1975, 11 februari 1977 en 2 juni 1977, en bij het ministerieel besluit van 11 december 1970, wordt opgeheven.

Voor het jaar 1977 wordt in artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 januari 1974, 10 januari 1975 en 11 februari 1977, het bedrag van 16.500 frank op 17.902 frank gebracht en worden de verwijzingen naar het jaar 1976 vervangen door verwijzingen naar het jaar 1977.

Art. 13.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1978, met uitzondering van artikel 12, tweede lid, dat uitwerking heeft van 1 januari 1977 tot 31 december 1977.

Art. 14.

Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Artikel 10, § 7, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 bepaalt dat de personeelsleden die op grond van dit artikel voor een bijbetrekking in het onderwijs bezoldigd worden, in die hoedanigheid geen aanspraak kunnen maken op een vakantiegeld.

- (2): Wordt opgeheven voor wat de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en hun personeel betreft, met ingang van 1 januari 1996 (B.Vl.R. 28-1-1997; Art. XV.1, 12°)