Decreet betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen

  • goedkeuringsdatum
    20 JUNI 1996
  • publicatiedatum
    B.S.09/08/1996
  • datum laatste wijziging
    01/09/2016

(opschrift gewijzigd bij Decr. 2-4-2004)

COORDINATIE

Decr. 18-5-1999 - B.S. 31-8-1999

Decr. 2-4-2004 - B.S. 6-8-2004

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

[HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

[[Voor de toepassing van dit decreet worden de volgende begrippen gebruikt :

1° expertisecentrum : het expertisecentrum zoals bedoeld in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad dat de uitbouw van een rationeel vormingsaanbod coördineert gericht op de implementatie van de regelgeving van titel II van voornoemd decreet;

2° ouderraad : een ouderraad zoals bedoeld in hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad;

3° ouderwerking : elke vorm van niet-formele ouderparticipatie op school;

4° Vlor : de Vlaamse Onderwijsraad.]]²

HOOFDSTUK II. - Oprichting en opdracht

Art. 3.

[[Een ouderkoepelvereniging is een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de statuten ten minste volgende doelstellingen omvatten :

1° ouders, ouderwerkingen en ouderraden ondersteunen en begeleiden;

2° ouders, ouderwerkingen en ouderraden informeren en sensibiliseren;

3° de belangen van ouders behartigen in de Vlor en, mits operationeel, in het expertisecentrum;

4° op verzoek van de Vlaamse overheid meewerken aan de totstandkoming van het onderwijsbeleid.]]²

HOOFDSTUK III. - Subsidiëring

Art. 4.

[[ § 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering driejaarlijks een subsidieenveloppe aan elke ouderkoepelvereniging waarmee zij een beheersovereenkomst heeft afgesloten. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste :

1° de doelstellingen en bijhorende resultaatsindicatoren;

2° de planning, rapportering en opvolging van de werkzaamheden, gebaseerd op het in paragraaf 2 gestelde;

3° de aanwending van de subsidie, gebaseerd op het in paragraaf 3 gestelde.

§ 2. De planning omvat een driejarig werkingsprogramma met overeenstemmende begroting en, jaarlijks, een actieplan met overeenstemmende begroting. Het driejarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereenkomst en bevat driejarige streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren. Het jaarlijks op te stellen actieplan is maximaal afgestemd op de inhoud van het driejarig werkingsprogramma, vermeldt concrete acties en bevat jaarlijkse streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren.

De jaarlijkse rapportering over de werking en realisatie van de strategische en operationele doelstellingen gebeurt aan de hand van een inhoudelijk verslag en van een financieel verslag. Het inhoudelijk verslag is maximaal afgestemd op de inhoud van het jaaractieplan en bevat een duidelijk overzicht van de gerealiseerde acties en de tussentijds gerealiseerde streefwaarden gekoppeld aan de resultaatsindicatoren. Het financieel verslag betreft alle inkomsten en alle uitgaven.

De periodieke opvolging van de werking gebeurt door een stuurgroep, opgericht door het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

§ 3. De subsidie kan worden aangewend voor het dekken van enerzijds exploitatie- en werkingskosten en anderzijds voor personeelskosten. Van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidie, van personeelsleden.]]²

Art. 5.

[[De beschikbare begrotingskredieten worden als volgt verdeeld over de ouderkoepelverenigingen :

1° een vast bedrag van 16% van de beschikbare kredieten wordt als sokkel gelijkmatig verdeeld;

2° het resterende bedrag wordt lineair verdeeld naar rato van het aantal regelmatige leerlingen in het basis- en het secundair onderwijs dat het onderwijsnet waartoe de ouderkoepelvereniging behoort en die geteld worden op 1 februari van het jaar dat voorafgaat aan de driejarige subsidieperiode.

Voor de toepassing van deze bepaling zijn "onderwijsnetten" : het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs.]]²

[[Art. 5/1.

[[[...]]] ]]¹

Art. 6.

De subsidie omvat middelen voor personeels- en werkingsuitgaven.

Art. 7.

[[De jaarlijkse subsidie wordt uitbetaald in twee schijven :

1° 80% na de goedkeuring van de planning van de werkzaamheden en de begroting voor het betreffende werkingsjaar en uiterlijk 1 maart van dat werkingsjaar;

2° 20% na de goedkeuring van de rapportering van de werkzaamheden en het financieel verslag betreffende het werkingsjaar.]]²

HOOFDSTUK IV. - Toezicht

Art. 8.

[[...]]²

HOOFDSTUK V. - Inwerkingtreding

Art. 9.

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2005.]

Decr. 2-4-2004; [[ ]]¹ Decr. 9-7-2010; [[ ]]² Decr. 17-6-2016; [[[ ]]] Decr. 17-6-2016