Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    07/10/1997
  • publicatiedatum
    B.S. 19/11/1997 (pagina 30679)
  • bron

    Numac : 1997036332
  • datum laatste wijziging
    15/05/2018

HOOFDSTUK I DEFINITIES

ART. 1.

§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs of als een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs:
1° de tijd gedurende welke een persoon buiten het onderwijs diensten heeft verstrekt als werknemer of als zelfstandige;
2° de tijd gedurende welke een persoon in het onderwijs diensten heeft verstrekt, uitgezonderd de diensten gepresteerd in door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel.

§ 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de personen werkzaam in een familiezaak en de zelfstandige helpers gelijkgesteld met zelfstandigen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling.

§ 3. In dit besluit wordt verstaan onder zomervakantie : de vakantie die begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus.

§ 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "leerovereenkomst": de leerovereenkomst, bedoeld in de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst en in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd Vlaams agentschap voor Ondernemingsvorming, Syntra Vlaanderen.

HOOFDSTUK II TOEPASSINGSGEBIED

ART. 2.

§ 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van de volgende instellingen die gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap en die een van de ambten uitoefenen, vermeld in paragraaf 2 :
1° de instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en voor buitengewoon secundair onderwijs;
2° de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3° de centra voor volwassenenonderwijs.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, oefenen een van de volgende ambten uit :
1°leraar, belast met praktische en/of technische vakken;
2° leraar beroepsgerichte vorming;
3° leraar, belast met kunstvakken, specialiteiten hedendaagse dans, klassieke dans en samenspel;
4° leraar secundair volwassenenonderwijs, belast met een of meer modules, als vermeld in bijlage III bij dit besluit;
5° technisch adviseur;
6° technisch adviseur-coördinator.

HOOFDSTUK III ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR NUTTIGE ERVARING

ART. 3.

De tijd gedurende welke diensten werden gepresteerd, kan als nuttige ervaring worden erkend indien die diensten verstrekt werden als:

1° personeelslid van de Europese Unie, van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, van de Belgische staat, van de gemeenschappen en/of de gewesten of van een andere openbare dienst als titularis van een bezoldigd ambt;

2° bezoldigd werknemer onderworpen aan de R.S.Z.-regeling;

3° zelfstandige onderworpen aan de R.S.Z.-regeling;

4° beroepsmilitair.

Kan eveneens als nuttige ervaring worden erkend de tijd gedurende welke diensten verstrekt werden als:

1° stagiair in het raam van de stage van de jongeren;

2° werknemer in het bijzonder tijdelijk kader;

3° werknemer in het derde arbeidscircuit;

4° gesubsidieerd contractueel;

5° tewerkgestelde werkloze;

ongeacht de onderneming, dienst of instelling van tewerkstelling.

ART. 4.

Voor het bepalen van de tijd die als nuttige ervaring wordt erkend, wordt eveneens rekening gehouden met de periodes van:
- ziekteverlof;
- bedreiging door beroepsziekte;
- beroepsziekte;
- ongevallen op weg naar en van het werk;
- arbeidsongeval;
- bevallingsverlof;
- moederschapsbescherming.

ART. 5.

§ 1. ....

§ 2. Diensten verstrekt buiten het onderwijs tijdens een onderbreking van de beroepsloopbaan in het onderwijs kunnen onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 3 en 4 als nuttige ervaring worden erkend.

ART. 6.

De diensten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 3, 4 en 5 kunnen slechts als nuttige ervaring erkend worden indien ze wekelijkse prestaties omvatten die ten minste de helft bedragen van een functie met volledige prestaties.

De in het vorige lid bedoelde onvolledige diensten worden als voltijds beschouwd.

Diensten kunnen als nuttige ervaring worden erkend ongeacht de leeftijd van het betrokken personeelslid waarop ze gepresteerd werden.

De in aanmerking komende diensten worden berekend per dag en geteld van datum tot datum. De som van het aantal dagen wordt gedeeld door dertig. Het quotiënt van deze deling vormt het aantal maanden die als nuttige ervaring kunnen worden erkend.

Hierbij vormen twaalf maanden één jaar. Het resterend aantal dagen wordt desgevallend overgedragen naar een volgende periode.

ART. 7.

De diensten die als nuttige ervaring erkend worden, gelden als bekwaamheidsbewijs of als een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs voor een vak, een specialiteit, een module of een ambt in het onderwijs.

Voor een ambt in het volwassenenonderwijs waarvoor de bekwaamheidsbewijzen op het niveau van een opleiding zijn vastgelegd, kunnen de diensten die als nuttige ervaring erkend worden slechts als bekwaamheidsbewijs gelden als deze diensten voor alle modules van die opleiding erkend worden.

ART. 8.

De volgende diensten kunnen niet erkend worden als nuttige ervaring voor een bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs:
1° diensten buiten het onderwijs:
a) als werknemer niet onderworpen aan de R.S.Z.-regeling;
b) als zelfstandige niet onderworpen aan de R.S.Z.-regeling;
c) als student;
d) onder leerovereenkomst;
e) als praktijkstages die een onderdeel zijn van een opleiding en die leiden tot het behalen van een studiebewijs;
f) indien deze diensten wekelijkse prestaties omvatten die minder dan de helft bedragen van een functie met volledige prestaties;
g) ...;
h) als lesgever;
i) op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 1999 betreffende de tewerkstelling buiten het onderwijs of de psycho-medisch-sociale centra;
2° diensten in het onderwijs:
a) in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
b) indien deze diensten wekelijkse prestaties omvatten die minder dan de helft bedragen van een ambt met volledige prestaties;
c) tegelijkertijd met een ander ambt met volledige prestaties in het onderwijs.

Kunnen evenmin erkend worden als nuttige ervaring voor een bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs, de periodes:
1° van nascholing, bijscholing, navorming of bedrijfsstage;
2° gedurende welke een persoon is vrijgesteld van stempelcontrole;
3° van militaire dienst of burgerdienst;
4° van volledige loopbaanonderbreking en zorgkrediet voor diensten buiten het onderwijs, behoudens als betrokkene gedurende deze periode activiteiten uitoefent als zelfstandige of als werknemer;
5° van opzegging indien tijdens deze periode geen effectieve diensten verstrekt werden.

HOOFDSTUK IV BEWIJZEN VAN DE VERSTREKTE DIENSTEN

ART. 9.

§ 1. Een personeelslid dat diensten wenst te laten erkennen als nuttige ervaring voor een bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs moet daartoe de volgende documenten indienen:
1° indien de diensten verstrekt werden als werknemer: een attest(en) van diensten gepresteerd als werknemer, waarvan het model als bijlage I bij dit besluit is gevoegd;
2° indien de diensten verstrekt werden als zelfstandige: een verklaring betreffende de diensten verstrekt als zelfstandige, waarvan het model als bijlage II van dit besluit is gevoegd. Bij deze verklaring moet een getuigschrift van inschrijving in het handelsregister of van inschrijving bij een sociale kas voor zelfstandigen gevoegd worden.

§ 2. Indien een personeelslid de in § 1 bedoelde documenten niet kan overleggen, mag hij de gepresteerde diensten bewijzen met een attest van de gemeentelijke administraties of met een attest van de ontvanger van de directe belastingen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel mag het personeelslid de gepresteerde diensten bewijzen door alle rechtsmiddelen.

HOOFDSTUK V PROCEDURE VOOR ERKENNING ALS NUTTIGE ERVARING

ART. 10.

§ 1. Uiterlijk bij de indiensttreding van een personeelslid in een instelling en een ambt vermeld in artikel 2 moet de inrichtende macht of haar afgevaardigde nagaan of het personeelslid diensten heeft gepresteerd die als nuttige ervaring voor een bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van een bekwaamheidsbewijs in aanmerking zouden kunnen komen.

Het personeelslid dat dergelijke diensten heeft verstrekt, bezorgt aan de inrichtende macht of haar afgevaardigde de documenten, voorgeschreven in artikel 9.

§ 2. Indien een personeelslid fungeert in een instelling en een ambt vermeld in artikel 2 en diensten heeft gepresteerd die het wenst te laten erkennen als nuttige ervaring voor zijn bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van zijn bekwaamheidsbewijs, bezorgt het aan de inrichtende macht of haar afgevaardigde de documenten, voorgeschreven in artikel 9.

§ 3. De inrichtende macht of haar afgevaardigde zendt de documenten die haar door het personeelslid werden bezorgd, onverwijld naar de bevoegde administratie bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming die de dossiers beheert van de personeelsleden van de instelling. Bij de toezending van de documenten vermeldt de inrichtende macht of haar afgevaardigde voor welke vakken, specialiteiten, modules het personeelslid de erkenning als nuttige ervaring wenst aan te vragen.

ART. 11.

De bevoegde administratie onderzoekt of de toegezonden documenten in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit besluit.

In dat geval worden de documenten onverwijld voorgelegd aan de onderwijsinspectie opgericht bij het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

ART. 12.

§ 1. De bevoegde inspectie adviseert over de relatie tussen de gepresteerde diensten en het vak, de specialiteit, de module of het ambt door het personeelslid uitgeoefend in het onderwijs.

Het gemotiveerde advies betreft het al of niet erkennen van een bepaalde periode als nuttige ervaring voor het bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van het bekwaamheidsbewijs.

§ 2. Indien de inspectie een ongunstig advies uitbrengt, wordt dit gemotiveerde advies door de bevoegde administratie:
1° schriftelijk meegedeeld aan de inrichtende macht of haar afgevaardigde,
2° bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.

ART. 13.

§ 1. Het betrokken personeelslid kan binnen zestig dagen na het versturen van het aangetekend schrijven, de herziening vragen van het uitgebrachte advies. Deze herzieningsaanvraag moet alle bijkomende elementen bevatten over de inhoud van de taken die het heeft uitgeoefend tijdens de dienstperiodes waarvan de erkenning als nuttige ervaring wordt gevraagd of de argumenten waarop wordt gesteund om de herziening aan te vragen. De aanvraag tot herziening moet aangetekend worden toegezonden aan de bevoegde administratie. Het betrokken personeelslid wordt gehoord indien het daarom uitdrukkelijk verzoekt in de aanvraag tot herziening.

De herzieningsaanvraag is slechts geldig als ze gemotiveerd is. Enkel als de betrokkene nieuwe argumenten en/of fouten kan aantonen, is de herziening mogelijk.

§ 2. Indien binnen de voormelde termijn geen aanvraag tot herziening bij de bevoegde administratie wordt ingediend, wordt het advies van de inspectie gehandhaafd.

§ 3. Indien binnen de voormelde termijn wel een vraag tot herziening bij de bevoegde administratie toekomt, legt deze de aanvraag voor aan inspecteur-generaal die na intern overleg hetzij het eerste advies bevestigt, hetzij het advies geheel of gedeeltelijk wijzigt.

ART. 14.

Nadat het gemotiveerde advies definitief is geworden beslist de bevoegde ambtenaar of de diensten al dan niet erkend worden als nuttige ervaring voor het bekwaamheidsbewijs of een onderdeel van het bekwaamheidsbewijs.

ART. 15.

De beslissing van de bevoegde ambtenaar wordt toegezonden aan de inrichtende macht of haar afgevaardigde en aan het betrokken personeelslid.

ART. 16.

De diensten die als nuttige ervaring voor het bekwaamheidsbewijs of voor een onderdeel ervan werden erkend, blijven voor het betrokken personeelslid als dusdanig verworven in de volgende gevallen:

1° bij overgang van een wervingsambt naar een selectie- of bevorderingsambt of van een selectieambt naar een bevorderingsambt, voor zover in het selectie- of bevorderingsambt waarnaar overgegaan wordt nuttige ervaring dienstig is voor het bekwaamheidsbewijs;

2° bij overgang naar een andere opdracht zonder dat de specialiteit van de opdracht wijzigt;

[3° bij overgang van een ambt, vak of specialiteit naar een ambt, vak of specialiteit dat daarmee ambtshalve geconcordeerd is. (ing. B.V.R. 23 september 2005, art. 19, I: 1 september 1997) ]

ART. 17.

De diensten die als nuttige ervaring werden erkend, moeten opnieuw worden onderzocht overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 10 tot 15 bij iedere verandering van specialiteit van de uitgeoefende opdracht(en) in het onderwijs.

Overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 10 tot 15 moeten, ook bij overgang van een ambt waarvoor de nuttige ervaring niet dienstig is voor het bekwaamheidsbewijs naar een ambt waarvoor de nuttige ervaring wel dienstig is voor het bekwaamheidsbewijs, de diensten worden onderzocht die voor erkenning als nuttige ervaring in aanmerking zouden kunnen komen.

HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN

ART. 18.

§ 1. (niet opgenomen) (Heft op:

1° artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar;

2° artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officile inrichtingen voor normaalonderwijs;

3° artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;

4° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs.

§ 2. (niet opgenomen) (Heft op wat de instellingen en de personeelsleden betreft, waarop dit besluit van toepassing is:

1° artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie;

2° artikel 4 van het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs, die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten;

3° het ministerieel besluit van 12 april 1969 houdende de regelen tot staving van de nuttige ervaring bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat alsmede de internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen)

ART. 19.

§ 1. De diensten die door een rechtsgeldige schriftelijke verklaring van de overheid werden erkend als nuttige ervaring voor een vak, een specialiteit of een ambt blijven hiervoor als dusdanig behouden.

§ 2. De diensten die vóór 1 februari 1997 feitelijk opgenomen werden als nuttige ervaring voor het bekwaamheidsbewijs of voor een onderdeel ervan, worden als dusdanig erkend voor een vak, een specialiteit of een ambt.

Deze erkenning geldt slechts voor het vak, de specialiteit of het ambt door het personeelslid effectief uitgeoefend op 1 februari 1996 of op 1 februari 1997 of waarvan het titularis was op één van beide data.

§ 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de diensten die niet als nuttige ervaring werden erkend voor een vak, een specialiteit of een ambt door een rechtsgeldige verklaring van de overheid, na advies van de bevoegde inspectie.

ART. 20.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.

ART. 21.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlagen

BIJLAGE Bijlage I

niet opgenomen

stelt formulier vast

BIJLAGE Bijlage II

niet opgenomen

stelt formulier vast

BIJLAGE Bijlage III