OPGEHEVEN : Koninklijk besluit tot vaststelling van de elementen en de referentiepunten in de zin van artikel 9bis, § 6, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  • goedkeuringsdatum
    19 APRIL 1999
  • publicatiedatum
    B.S.28/05/1999
  • datum laatste wijziging
    12/07/2005

COORDINATIE

K.B. 20-7-2000 - B.S. 30-8-2000

K.B. 11-12-2001 - B.S. 22-12-2001

opgeheven door K.B. 3-7-2005 - B.S. 8-7-2005

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, inzonderheid op artikel 9bis, § 6, ingevoegd bij de wet van 15 december 1998;

Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 15 februari 1999;

Gelet op het protocol nr. 107/4 van 26 maart 1999 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de wet van 15 december 1998 tot wijziging van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel de bijzondere vakbondsprocedure voor de minimale rechten bedoeld in dit besluit heeft opgeheven en een nieuwe procedure heeft ingesteld; dat die nieuwe procedure slechts kan worden toegepast nadat de Koning de elementen en de referentiepunten van die minimale rechten heeft vastgesteld; dat het bijgevolg noodzakelijk is dat de uitgevaardigde bepalingen onverwijld in werking treden;

Op de voordracht van Onze Eerste Minister en Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

De elementen en de referentiepunten bedoeld in artikel 9bis, § 6, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, worden vastgesteld overeenkomstig de als bijlage gevoegde tabellen.

Art. 2.

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3.

Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Minimaal recht : de maximale arbeidsduur.

Elementen

Referentiepunten

Maximale arbeidsduur.

De gemiddelde effectieve arbeidsduur mag achtendertig uur per week niet overschrijden.

Minimaal recht : het minimale aantal dagen jaarlijks vakantieverlof.

Elementen

Referentiepunten

Minimale aantal dagen.

Vierentwintig werkdagen.

Aantal dagen volgens leeftijd.

Vanaf vijfenveertig jaar : vijfentwintig werkdagen.

Vanaf vijftig jaar : zesentwintig werkdagen.

Vanaf zestig jaar : zevenentwintig werkdagen.

Vanaf eenenzestig jaar : achtentwintig werkdagen.

Vanaf tweeënzestig jaar : negenentwintig werkdagen.

Vanaf drieënzestig jaar : dertig werkdagen.

Vanaf vierenzestig jaar : eenendertig werkdagen.

Administratieve stand.

Het vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Periode waarin het verlof kan genomen worden.

Het vakantieverlof wordt genomen naar keuze van het personeelslid en met inachtneming van de behoeften van de dienst.

Minimale ononderbroken periode.

Indien het vakantieverlof gesplitst wordt, moet het een doorlopende periode van ten minste een week omvatten.

Periodes die recht geven op verlof.

Elke periode van bezoldigde dienstactiviteit in het lopende jaar geeft recht op vakantieverlof in dat jaar.

Minimaal recht : het bevallingsverlof.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

Het bevallingsverlof is een recht krachtens artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Administratieve stand.

Het bevallingsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Bezoldiging.

Het bevallingsverlof is bezoldigd en bestrijkt ten minste vijftien weken.

Wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht, bestrijkt het bevallingsverlof ten minste zeventien weken.

Minimaal recht : de afwezigheid wegens ziekte.

Elementen

Referentiepunten

Gevolgen van de afwezigheid wegens ziekte op statutair en geldelijk vlak.

Tijdens de afwezigheden wegens ziekte behoudt het personeelslid zijn aanspraak op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.

Het personeelslid heeft recht op wedde (100 pct.) gedurende :

1° de periodes van afwezigheid wegens een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte;

2° de periodes van verminderde prestaties wegens ziekte;

3° de eerste driee¨nzestig werkdagen afwezigheid;

4°éénentwintig werkdagen voor elke periode van twaalf maanden bezoldigde beroepsactiviteit (volledige prestaties), met uitzondering van de afwezigheden wegens ziekte. Voor de vaststelling van de activiteitsperiodes kan de overheid prestaties verricht in andere openbare diensten in aanmerking nemen.

Buiten de gevallen vermeld onder het tweede lid, wordt aan het personeelslid een wachtgeld toegekend gelijk aan :

a) 60 pct. van de laatste activiteitswedde. Het bedrag mag in geen geval minder zijn dan de vergoeding van de sociale zekerheid of het pensioen dat het personeelslid zou krijgen;

b) 100 pct. van de laatste activiteitswedde in geval van ernstige of langdurige ziekte, vastgesteld door de geneeskundige dienst aangewezen door de overheid.

Aanrekening van de afwezigheid wegens ziekte.

Wanneer het personeelslid deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend naar rata van het aantal uren of dagen die hadden moeten gepresteerd worden.

Er geschiedt geen aanrekening van de afwezigheid wegens ziekte in geval van :

1° een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, met inbegrip van de periodes van arbeidsongeschiktheid na de datum van consolidering, behalve in het geval van definitieve ongeschiktheid;

2° verwijdering uit een schadelijk arbeidsmilieu met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van artikel 46, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden van de personeelsleden van de rijksbesturen;

3° profylaxeverlof;

4° verminderde prestaties wegens ziekte.

Combinatie van afwezigheid wegens ziekte met andere afwezigheden.

Bij een afwezigheid wegens ziekte tijdens een periode gedurende welke het personeelslid om onverschillig welke reden afwezig is, zal er slechts één aanrekening geschieden, hetzij van afwezigheid wegens ziekte, hetzij van een andere afwezigheid of een ander verlof.

Het personeelslid blijft de wegens zijn deeltijdse arbeid verschuldigde wedde ontvangen.

Mogelijkheid van beroep te-gen de beslis-sing van het controleorgaan om het werk te hervatten.

Tegen een beslissing van de sociaal-medische rijksdienst om het werk te hervatten kan een beroep ingesteld worden.

Definitieve ongeschiktheid.

Een personeelslid kan niet definitief ongeschikt verklaard worden wegens ziekte vooraleer het de gezamenlijke verloven heeft uitgeput waarop de reglementering hem recht geeft.

Minimaal recht : de verminderde prestaties wegens ziekte.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

Een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan slechts toegekend worden na gunstig advies van de bevoegde gezondheidsdienst.

Mogelijkheid van beroep.

Tegen een negatief advies van de sociaal-medische rijksdienst kan een beroep ingesteld worden.

Minimaal recht : de verminderde prestaties.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

De personeelsleden mogen hun ambt uitoefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid.

De personeelsleden die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt en de personeelsleden met ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben, verkrijgen een weddetoeslag.

De overheid kan sommige ambten uitsluiten van de mogelijkheid verminderde prestaties te verrichten voor persoonlijke aangelegenheid.

Termijn waarbinnen de overheid moet beslissen over het verlof of de afwezigheid.

De overheid moet binnen de maand vanaf de ontvangst van de aanvraag beslissen.

Bij gebreke aan beslissing binnen de maand na de aanvraag wordt het verlof of de afwezigheid geacht te zijn toegekend.

In geval van weigering moet de beslissing met redenen omkleed zijn.

Vermindering van de prestaties.

Het personeelslid is gehouden ten minste de helft van de duur der prestaties die hem normaal worden opgelegd, te volbrengen.

Mogelijkheid een einde te maken aan het verlof of de afwezigheid vóór het ver-strijken ervan.

Het personeelslid kan met een opzegging een einde aan de verminderde prestaties maken.

Administratieve stand.

Tijdens de duur van de afwezigheid is het personeelslid in non-activiteit.

Er bestaat ten minste één stelsel van verlof of van afwezigheid dat bepaalt dat het personeelslid vijf jaar in de stand "dienstactiviteit" kan blijven, onverminderd de regeling van de voltijdse loopbaanonderbreking.

Bezoldiging.

Een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties wordt niet bezoldigd.

Minimaal recht : het profylaxeverlof.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

Een profylaxeverlof is voorgeschreven voor het personeelslid dat onder hetzelfde dak woont met een persoon die een besmettelijke ziekte heeft. Het verlof kan niet worden toegekend aan het personeelslid dat zelf een besmettelijke ziekte heeft, noch aan het personeelslid dat in open lucht of afzonderlijk werkt.

Aandoeningen.

De aandoeningen die aanleiding geven tot profylaxeverlof worden vermeld in artikel 239, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Ze worden vastgesteld door de geneesheer van het personeelslid of een geneesheer aangewezen door het bestuur.

Duur.

Het profylaxeverlof begint vanaf het ogenblik dat de zieke persoon de eerste verschijnselen vertoont van de besmettelijke ziekte (en niet vanaf de dag waarop het attest werd opgemaakt).

Het hervatten van het werk kan slechts geschieden met instemming van de geneeskundige dienst of de instelling belast met de controle.

Administratieve stand.

Tijdens een profylaxeverlof bevindt het personeelslid zich in dienstactiviteit.

Minimaal recht : de onderbreking van de beroepsloopbaan.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

Elk personeelslid heeft recht op een volledige loopbaanonderbreking.

De overheid bepaalt evenwel de ambten waarvan de titularissen uitgesloten worden omwille van dienstredenen. In de gevallen waarin de goede werking van de dienst er niet door verstoord wordt, kan de overheid, aan de titularissen van de voornoemde ambten die erom verzoeken, toestaan een loopbaanonderbreking te verkrijgen.

Duur.

Een loopbaanonderbreking, al dan niet in opeenvolgende periodes, mag tweee¨nzeventig maanden niet overschrijden tijdens de loopbaan. Er wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken.

Zij wordt toegestaan voor een periode van minimum drie maanden, behalve als zij gevraagd wordt om palliatieve zorg te verstrekken. In dat geval bedraagt de minimumperiode één maand, verlengbaar met één maand.

Bedrag van de uitkering.

De overheid zal dezelfde bedragen vaststellen als die welke van toepassing zijn op de werknemers van de privé-sector.

De onderbrekingsuitkeringen worden geïndexeerd en zijn gekoppeld aan de spilindex 143,59. De indexering geschiedt vanaf de tweede maand die volgt op het einde van de periode van twee maanden tijdens welke het gemiddelde indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.

Voor de toepassing van deze indexering wordt het indexcijfer der consumptieprijzen van elke maand vervangen door het rekenkundig gemiddelde van het indexcijfer van de betrokken maand en de indexcijfers der drie voorafgaande maanden.

Iedere maal dat het gemiddelde van het volgens het derde lid vervangen indexcijfer van twee opeenvolgende maanden een der spilindexen bereikt of erop teruggebracht wordt, worden de onderbrekingsuitkeringen gekoppeld aan de spilindex 143,59 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n er op toe te passen waarin n de rang van de bereikte spilindex vertegenwoordigt.

Daartoe wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer die zijn rang opgeeft, het nummer 1 duidt de spilindex aan die volgt op de spilindex 143,59.

Voor het berekenen van de coëfficiënt 1,02n worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten naar gelang zij al dan niet 50 pct. van een tienduizendste bereiken.

Wanneer het overeenkomstig de voorgaande bepalingen berekend bedrag een frankgedeelte bevat, wordt het tot de hogere of lagere frank afgerond naar gelang het al dan niet 50 centimes bereikt.

Cumulatie.

Een loopbaanonderbreking kan enkel gecumuleerd worden met een politiek mandaat, met een bijkomende activiteit als loontrekkende die reeds werd uitgeoefend voor de onderbreking of een zelfstandige activiteit gedurende een periode van maximum twaalf maanden.

Administratieve stand.

Gedurende een loopbaanonderbreking bevindt het personeelslid zich in dienstactiviteit.

Einde.

Het personeelslid kan met een opzegging een einde aan de loopbaanonderbreking maken.

Terugvordering van de uitke-ring.

De onderbrekingsuitkeringen die ontvangen werden voor een periode die kleiner is dan de minimumtermijnen door de overheid vastgesteld, dienen te worden terugbetaald, tenzij die periode onmiddellijk volgt op een andere periode van loopbaanonderbreking.

Minimaal recht : de haard- of standplaatstoelage.

Elementen

Referentiepunten

Toekenning.

Beneden bepaalde inkomensgrenzen heeft een personeelslid recht op een haard- of standplaatstoelage als het recht heeft op een bezoldiging.

Het recht op een standplaatstoelage.

De personeelsleden die geen recht hebben op een haardtoelage ontvangen een standplaatstoelage.

Het recht op een haardtoelage.

De gehuwde of samenwonende personeelsleden en de alleenstaande personeelsleden met een of meer kinderen ten laste waarvoor kinderbijslagen betaald worden, hebben recht op een haardtoelage.

De betaling van de haardtoelage.

Voor de gehuwde en samenwonende personeelsleden wordt de haardtoelage betaald aan het personeelslid met de laagste wedde.

Zij wordt nochtans betaald aan degene met de hoogste wedde wanneer één of beide gehuwden of samenwonenden de gewaarborgde bezoldiging ontvangen.

Bedrag.

Het bedrag van de haard- of standplaatstoelage wordt als volgt bepaald :

1° wedden lager dan 15.940,43 EUR

haardtoelage standplaatstoelage

719,89 EUR 359,95 EUR

2° wedden van 15.940,43 EUR tot 18.147,79 EUR

haardtoelage standplaatstoelage

359,95 EUR 179,98 EUR

Om te beletten dat de bezoldiging van het personeelslid met een wedde van meer dan 15.940,43 EUR of van meer dan 18.147,79 EUR lager ligt dan die welke het zou verkrijgen indien zijn wedde gelijk zou zijn aan die bedragen, wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke toelage. De bezoldiging bestaat uit de wedde verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor het overlevingspensioen.

De indexering geschiedt door koppeling aan het spilindexcijfer 138,01.

De toelage wordt terzelfdertijd betaald als de wedde van de maand waarop zij betrekking heeft.

Bijzondere gevallen.

1. Bij onvolledige prestaties of onvolledige maandwedde wordt een proportionele toelage betaald.

2. Er wordt geen toelage betaald voor nevenbetrekkingen.

3. Bij eventuele wijzigingen in de loop van de maand inzake de hoedanigheid van rechthebbende of het bedrag van de wedde, wordt de toelage betaald voor de volle maand volgens het voordeligste stelsel.

Minimaal recht : het gewaarborgd maandelijks minimuminkomen voor volledige prestaties.

Elementen

Referentiepunten

Definities.

Het maandelijks minimuminkomen wordt berekend op basis van de bezoldiging voor volledige prestaties, dit is de wedde vermeerderd met een haard- of standplaatstoelage.

Volledige prestaties zijn de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.

Bedrag.

De jaarlijkse bezoldiging van het personeelslid dat éénentwintig jaar is mag nooit minder bedragen dan 12.125,44 EUR

Het verschil wordt toegekend in de vorm van een weddebijslag.

De indexering geschiedt door koppeling aan het spilindexcijfer 138,01.

Bijzondere gevallen.

Bij onvolledige prestaties wordt een minimuminkomen toegekend naar rata van die prestaties.

Minimaal recht : het vakantiegeld.

Elementen

Referentiepunten

Definities.

Volledige prestaties zijn prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.

Het referentiejaar is het kalenderjaar dat aan het jaar voorafgaat tijdens welke de vakantie moet worden toegestaan.

De jaarwedde is de wedde vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage.

De samenstelling van het vakantiegeld.

Het vakantiegeld bestaat uit een forfaitair gedeelte en een wijzigbaar gedeelte.

Voor volledige prestaties, verricht gedurende het gehele referentiejaar, wordt het vakantiegeld als volgt vastgesteld :

1° voor het forfaitair gedeelte :

716,65 EUR

Met ingang van 1991 wordt dit bedrag, dat afgerond wordt tot op de naasthogere eenheid, elk jaar aangepast door vermenigvuldiging met een coëfficiënt die verkregen wordt door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand januari van het vakantiejaar te delen door het indexcijfer van de maand januari van het referentiejaar.

De voormelde coëfficiënt wordt berekend tot op vier decimalen.

2° voor het veranderlijk gedeelte :

1 pct. van de jaarwedde(n) vermeerderd met de index van de consumptieprijzen, die de wedde(n) bepalen welke verschuldigd is (zijn) voor de maand maart van het vakantiejaar.

Dit percentage wordt berekend op basis van de wedde(n) die zou(den) verschuldigd zijn voor de beschouwde maand, wanneer het personeelslid voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke wedde ontvangen heeft.

Ingeval het personeelslid de jaarwedde niet volledig heeft gekregen, wordt het vakantiegeld pro rata betaald.

Periodes van het referentiejaar die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het vakantiegeld.

Voor de berekening van het vakantiegeld worden de periodes van het referentiejaar in aanmerking genomen gedurende welke het personeelslid :

1° de jaarwedde geheel of gedeeltelijk heeft gekregen;

2° niet in dienst is kunnen treden of zijn dienst onderbroken heeft voor het verrichten van de militaire dienst of van de dienst als gewetensbezwaarde;

3 met ouderschapsverlof was;

4° met verlof was toegekend met het oog op de moederschapsbescherming.

Voor de berekening van het vakantiegeld wordt eveneens de periode van 1 januari van het referentiejaar tot de dag vóór de indiensttreding in aanmerking genomen, mits het personeelslid :

1° minder dan vijfentwintig jaar oud is op het einde van het referentiejaar;

2° uiterlijk in dienst getreden is op de laatste werkdag van de periode van vier maanden volgend op de datum waarop het de onderwijsinstelling heeft verlaten of de datum waarop de leerovereenkomst een einde heeft genomen.

Cumulatie van twee of meer vakantiegelden.

De vakantiegelden kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag overeenkomend met het hoogste vakantiegeld op basis van volledige prestaties.

Voor volledige prestaties verricht tijdens het ganse referentiejaar bij twee of meer overheden heeft het personeelslid recht op het volledige bedrag van het vakantiegeld.

Periode waarin het vakantiegeld betaald wordt.

Het vakantiegeld wordt betaald tussen 1 mei en 30 juni van het vakantiejaar.

Het wordt evenwel betaald in de loop van de maand volgend op de datum dat de tewerkstelling een einde neemt. In dat geval wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met het forfaitaire bedrag, het percentage en de eventuele inhouding die op de beschouwde datum gelden. Het percentage wordt toegepast op de wedde welke het personeelslid op die datum krijgt.

Minimaal recht : de eindejaarstoelage.

Elementen

Referentiepunten

Definities.

De verloning is iedere niet-geïndexeerde wedde of in de plaats gestelde vergoeding.

De bezoldiging bestaat uit de verloning vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage.

De brutobezoldiging is de geïndexeerde bezoldiging.

De verwijzingsperiode is de periode van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar.

Voorwaarden om het volledige bedrag van de toelage te verkrijgen.

Om het volledige bedrag van de eindejaarstoelage te verkrijgen dient het personeelslid, tijdens de hele duur van de verwijzingsperiode, het volledige voordeel van zijn verloning te hebben genoten. Het ouderschapsverlof, de militaire dienst of de dienst als gewetensbezwaarde en het verlof toegekend met het oog op de moederschapsbescherming worden gelijkgesteld met die periode.

Aan het personeelslid dat niet de volledige verloning heeft gekregen, wordt een eindejaarstoelage toegekend verminderd pro rata van de verloning die hij werkelijk heeft ontvangen.

Cumulatie van twee of meer toelagen.

De toelagen kunnen niet gecumuleerd worden boven het bedrag dat overeenstemt met de hoogste toelage op basis van volledige prestaties.

Voor volledige prestaties verricht tijdens de gehele verwijzingsperiode bij twee of meer overheden heeft het personeelslid recht op het volledige bedrag van de eindejaarstoelage.

Samenstelling van de eindejaarstoelage.

Het bedrag van de eindejaarstoelage bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte.

1° het forfaitair gedeelte bedraagt 198,32 EUR

a) met ingang van 1988 wordt het forfaitair gedeelte toegekend tijdens het vorige jaar telkens vermeerderd met een percentage dat afhangt van de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen;

b) de indexcijfers die van kracht zijn in oktober van het vorige jaar en in oktober van het uitbetalingsjaar worden in aanmerking genomen;

c) het percentage wordt berekend tot op vier decimalen.

2° het veranderlijk gedeelte bedraagt 2,5 pct. van de jaarlijkse brutobezoldiging die tot grondslag diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd voor de maand oktober van het aanmerking genomen jaar of die tot grondslag voor de berekening van die bezoldiging zou gediend hebben.