Koninklijk Besluit houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    15/04/1958
  • publicatiedatum
    B.S. 20/04/1958 (pagina 2932)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    09/08/2018

TITEL I. Terminologie

ART. 1.

[De wedden van de personeelsleden onderworpen aan de bepalingen van dit besluit worden vastgesteld in de weddeschalen bestaande uit:
een minimumwedde;
zogenaamde "weddetrappen" die het resultaat zijn van de tweejaarlijkse verhogingen.
een maximumwedde. (verv. KB 24 maart 1967, art. 1, I: 1 mei 1967)]

ART. 2.

[Wedden en tweejaarlijkse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt. (verv. KB 24 maart 1967, art. 1, I: 1 mei 1967)]

 

De wedde ligt nooit beneden het bestaansminimum.

ART. 3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:


Dienst van de Staat
: elke nietrechtspersoonlijke dienst behorende onder de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht.


[
Onder "Dienst van Afrika" wordt verstaan elke niet-rechtspersoonlijke dienst die onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouverment van Ruanda-Urundi behoorde. (verv. KB 24 maart 1967, art. 3, I: 1 mei 1967)]

[
De uitdrukking "andere diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika" bedoelt :
1° elke rechtspersoonlijke dienst behorende onder de uitvoerende macht;
2° elke rechtspersoonlijke dienst die behoorde onder het gouvernement van Belgisch Kongo, of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi;
3° elke gemeente- of provinciedienst;
4° elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden. (ing. KB 29 oktober 1971, art. 1, I: 1 januari 1971)]

 

ART. 4.

§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder ambt met volledige prestaties, het ambt dat prestaties behelst waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt.

 

Zij onder meer volledig de prestaties van hem die, als lid van het rijkspersoneel, aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen, ten minste het minimumaantal lesuren geeft dat voor zijn ambt is vastgesteld bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit.

 

§ 2. Voor de toepassing van de artikelen 5 en 16, zijn eveneens volledig de prestaties van hem die, als lid van het rijkspersoneel, aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen, in totaal ten minste zoveel lesuren geeft dat de som der betrekkelijke waarden van deze uren de eenheid bereikt.

 

Ten aanzien van een ambt wordt de betrekkelijke waarde van één lesuur voorgesteld door een breuk die tot teller het getal 1 heeft en tot noemer het minimumaantal lesuren, dat voor dit ambt is vastgestelde bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit.

ART. 5.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :


Bijbetrekking
: het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid :


a) dat reeds een ambt met volledige prestaties uitoefent aan een of verscheidene andere bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen;


[
b) dat reeds een zelfstandig beroep uitoefent. (verv. KB 10 maart 1965, art. 1, I: 1 mei 1958)]

 

[c) dat uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, brutoinkomsten heeft waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de brutobezoldiging die het zou verkrijgen, indien het zijn ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, maar berekend op het minimum van de weddeschaal; (verv. KB nr. 63 van 20 juli 1982, art. 4, gewijzigd bij KB nr. 161 van 30 december 1982, art. 3, §1, I: schooljaar 1982-1983)]

[
Onder "andere bezigheid" bedoeld onder c) wordt verstaan een andere bezigheid dan :
1° een zelfstandig beroep;
2° prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend.

d) dat eveneens een ambt met volledige prestaties uitoefent in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. (ing. KB nr. 63 van 20 juli 1982, art. 4, I: schooljaar 1982-1983)]

[
e) dat een wedde of een rustpensioen geniet uit hoofde van een betrekking uitgeoefend in de privé-sector of in de overheidssector, waarvan de normale uurregeling van die aard is dat zij een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt, behalve indien het bedrag ervan lager is dan het minimum van de laagste weddeschaal verbonden aan het ambt van studiemeester-opvoerder.

f) dat een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent waarvoor het een volledige wedde geniet, waarvan het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn weddeschaal. (ing. KB nr. 161 van 30 december 1982, art. 3, §2, I: schooljaar 1982-1983)]


Hoofdambt
: het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat zich niet in een van de onder [voormelde a), b), c), d), en f) (verv. KB nr. 161 van 30 december 1982, art. 3, §2, I: schooljaar 1982-1983)] bedoelde toestanden bevindt.

[Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed. (ing. KB 15 december 1978, art. 1, I: 1 mei 1958)]

[
De uitdrukking "niet-uitsluitend ambt" duidt het ambt aan dat in één of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de Staat uitgeoefend wordt door de leraar, belast met de artistieke vakken en de begeleider.

Bij overgangsmaatregel wordt het ambt van inspecteur artistieke vakken in het kunstonderwijs eveneens als niet-uitsluitend ambt beschouwd. (ing. KB 6 februari 1980, art. 1, I: 1 april 1972)]

ART. 5bis.

[Voor de toepassing van artikel 5, b), kan elk aan dat besluit onderworpen personeelslid dat een zefstandig beroep uitoefent, aan de Minister die met de uitvoering van dit besluit belast is en onder wije de onderwijsinrichting ressorteert waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vragen dat vastgesteld wordt dat het zefstandig beroep dat hij uitoefent geen beroepsactiviteit in beslag neemt. Het niet indienen van zodanige aanvraag betekent automatisch een bezoldiging in bijambt.

De Minister beslist ieder jaar na advies van een commissie waarvan de bevoegdheid en de werking bepaald worden volgens door Ons vastgelegde regels. De commissie stelt een omstandig gemotiveerd ontwerp-advies op dat aan de betrokkene voorgelegd wordt; deze kan binnen de dertig dagen na ontvangst een bezwaarschrift indienen bij voormelde commissie.  De Minister neemt een gemotiveerde beslissing op basis van het eindadvies van de commissie en het eventueel ingediende bezwaarschrift.

Om advies uit te brengen over het verzoek van een personeelslid, worden de aard en de duur van de dienstprestaties die het zelfstandig beroep omvat, de werktijden alsmede de inkomsten voortspruitend uit zijn beroep door de gemengde commissie in aanmerking genomen. De adviezen hebben slechts betrekking op activiteiten als zelfstandige, uitgeoefend door het personeelslid na 1 januari 1974, behalve in het geval van artikel 5, tweede lid. (ing. W 8 februari 1974, art. 2, gewijzigd bij W 27 februari 1986, art. 2, I: 1 januari 1974; wijzigingsbepaling opgeheven bij Decr. 31 juli 1990, art. 193, I: 1 september 1992))]

TITEL II. Hoofdambten met volledige prestaties

HOOFDSTUK I. Organiek stelsel

AFDELING I. Vaststelling van de schalen

ART. 6.

De schaal voor iedere graad wordt door de Koning vastgesteld met inachtneming van de belangrijkheid van het ambt dat normaal overeenstemt met de waarde van elk der diploma’s of bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot die graad.

 

Voor sommige graden kan de schaal door een vaste wedde vervangen worden.

ART. 7.

De schalen voor de graden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs worden vastgesteld bij koninklijk besluit, genomen op de voordracht van de Minister van Openbaar Onderwijs in overleg met de Eerste-Minister.

ART. 8.

[... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 1, I: 1 april 1972)]

ART. 9.

[Elke schaal is ingedeeld hetzij in de klasse "20 jaar", hetzij in de klasse “21 jaar”, hetzij in de klasse "22 jaar", hetzij in de klasse “23 jaar”, hetzij in de klasse “24 jaar”. (verv. KB 18 februari 1974, art. 2, I: 1 april 1972)]

ART. 10.

[De schaal wordt aangeduid door een inidicie die de minimumwedde, de maximumwedde, de klasse, alsmede het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen er van aangeeft. (verv. KB 18 februari 1974, art. 3, I: 1 april 1972)]

AFDELING II. Vaststelling van de wedde

A. Algemene bepalingen

ART. 11.

Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad wordt elke wedde die werd vastgesteld met inachtneming van die graad opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd had bestaan.

 

Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke het personeelslid in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, blijft het in die graad de hoogste wedde genieten totdat het een ten minste gelijke wedde bekomt.

ART. 12.

Alleen die wijzen van weddevaststelling zijn geldig welke bij dit besluit, alsmede bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit omschreven zijn.

ART. 13.

Voor het bepalen van de leeftijd van het personeelslid, met het oog op de vaststelling van zijn wedde, wordt de verjaardag die niet op de eerste ener maand valt, steeds verschoven naar de eerste der volgende maand.

B. Vaststelling van de schaal

ART. 14.

De wedde van elk personeelslid wordt vastgesteld in de schaal van zijn graad, met inachtneming van het diploma of bekwaamheidsbewijs dat het bezit.

ART. 15.

[De minimumwedde geldt voor het personeelslid dat de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, welke ook de klasse van zijn weddeschaal zij.

Ten aanzien van een personeelslid dat geen 18 jaar oud is, wordt op de minimumwedde een vast bedrag van 12 000 frank gekort. (verv. KB 18 februari 1974, art. 4, I: 1 april 1972)]

[C. In aanmerking komende diensten (verv. KB 24 maart 1967, art. 7, I: 1 mei 1967)]

1° In aanmerking komende diensten

a) Inaanmerkingneming

ART. 16.

§ 1. [In aanmerking komen, met ingang van zijn 20e, 21e, 22e, 23e of 24e jaar, naargelang van de klasse van zijn weddeschaal. (verv. KB 18 februari 1974, art. 5, I: 1 april 1972)]

A. Onbeperkt:

a) de werkelijke diensten welke het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt:

aan een school van de Staat, van de Kolonie, van een provincie, een gemeente of een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur;

[aan een door de Staat of door de Kolonie gesubsidieerde of geïnspecteerde school (verv. KB 30 november 1966, art. 1, I: 1 mei 1958)];

aan een Belgische school in het buitenland of aan een school van de geallieerden, gedurende het tijdperk van 1 augustus 1914 tot 31 januari 1919 of van 10 mei 1940 tot 30 september 1945;

hetzij in een Belgische universiteit of in een krachtens de wet op het toekennen van de academische graden ermede gelijkgestelde inrichting, hetzij in een van de wetenschappelijke inrichtingen waarvan de lijst door de Minister van Openbaar Onderwijs wordt vastgesteld, mits er behoord te hebben tot het onderwijzend of wetenschappelijk personeel;

b) de werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 januari 1951 als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een door een privaat persoon tot stand gebrachte inrichting voor middelbaar onderwijs welke, bij het einde van het schooljaar waarin de diensten werden verstrekt, behoorlijk gehomologeerde of aanvaarde eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs heeft uitgereikt dan wel aanvullende getuigschriften die betrekking hebben op de drie jaren middelbare studiën van de lagere graad en die de nodige waarborgen bieden met het oog op latere homologatie of aanvaarding van de eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs;

c) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft verstrekt:

[als toevallig waarnemer of als tijdelijke aan een school van de Staat, van een provincie, een gemeente of een aan een provincie of gemeente ondergeschikt bestuur of aan een door de Staat gesubsidieerde school (verv. KB 22 januari 1970, art. 1, I: 1 maart 1970)].

als waarnemer aan een provinciale of gemeentelijke, een aangenomen of aanneembare lagere school of bewaarschool;

d) de tijd, door het personeelslid in het buitenland doorgebracht als verkrijger van een reisbeurs of van een stipendium toegekent door de regering, door de universitaire stichting of door een door België erkende internationale culturele instelling;

e) de tijd gedurende welke het personeelslid, zelfs  zonder wedde, in disponibiliteit is geweest om een opdracht te vervullen in het belang van het onderwijs of van de wetenschap;

f) de tijd gedurende welke het personeelslid titularis is geweest van een ambt met volledige prestaties van aspirant, van gecommitteerd navorser, van gekwalificeerd navorser, van medewerker, van assistent of van opdrachtgelastigde:

bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;

bij een der instellingen voor wetenschappelijk onderzoek waarvan de lijst wordt vastgesteld door de Minister van Openbaar Onderwijs;

bij een rijksmuseum.

[g) De werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 januari 1961, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt hetzij in een in België gevestigde hiervoren niet bedoelde lagere of bewaarschool, ingericht door een private persoon, hetzij in een in België of in het buitenland gevestigde inrichting voor zwakke of pretuberculeuze kinderen, op voorwaarde dat deze school of inrichting, op het ogenblik dat de diensten werden verstrekt, voldoende waarborgen bood op het gebied van organisatie en onderwijs en bijaldien het personeelslid houder is van het vereiste diploma voor een overeenstemmende functie uitgeoefend in een school onderworpen aan het stelsel van de organieke wet op het lager onderwijs.

h) De werkelijke diensten welke het personeelslid als titularis van een bezoldigd technisch ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een dienst voor studie- en beroepsoriëntering of een psycho-medisch-sociaal centrum van de Staat, van een provincie, van een gemeente of gesubsidieerd door de Staat.

i) De werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 september 1952, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een door een private persoon tot stand gebrachte inrichting voor normaalonderwijs, voor bewaarschoolonderwijzeressen of voor middelbaar normaalonderwijs, die op het einde van het schooljaar tijdens hetwelk de diensten werden gepresteerd, diploma's heeft uitgereikt onder de controle van een door de Staat samengestelde examencommissie. (ing. KB 21 juni 1962, art. 1,  I: 1 september 1958)]

[j) de mobilisatietijd bij het Belgisch leger tussen 26 augustus 1939 en 28 mei 1940;

[k) de tijd tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945 gedurende welke het personeelslid :
1° gemobiliseerd werd bij de Belgische strijdkrachten in Groot-Brittanië of bij de expeditiekorpsen van de gewapende macht;
2° krijgsgevangene was;
3° als politieke gevangene geïnterneerd of opgesloten was; (ing. KB 8 maart 1979, art. 1, I: 1 juli 1976)]
[4° tot inlichtings- of actieagent of tot helper van de inlichtings- en actiediensten werd benoemd; (ing. KB 8 maart 1979, art. 1, I: 1 januari 1974)]
[5° lid van de gewapende of burgerlijke weerstand ov van de weerstand door de sluikpers was;
6° werkweigeraar in de zin van de besluitwet van 24 december 1946 was;
7° weggevoerd was voor de verplichte arbeid. (ing. KB 8 maart 1979, art. 1, I: 1 juli 1976)]

l) [... (opgeh. KB 8 maart 1979, art. 2, I: 1 juli 1976)]

[m) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft gepresteerd :
1° in een dienst van de Staat of de diensten van Afrika;
2° in een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat of de diensten van Afrika; hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair.

Voor de toepassing van de vorige alinea worden als beroepsmilitairen beschouwd :
1. de officieren van het actieve kader, de toegevoegde en hulpofficieren;
2. de reserveofficieren die vrijwillige prestaties leveren met uitzondering van oefenprestaties;
3. de beroepsonderofficieren, de tijdelijke en de toegevoegde onderofficieren.
4. de militairen van de graad lager dan officier, die dienen op grond van een dienstverbintenis of hernieuwde dienstverbintenis (ing. KB 29 oktober 1971, art. 2, gewijzigd bij KB 15 januari 1975, art. 1, I: 1 januari 1971)] [... (geschr. KB 9 juli 1976, art. 1, I: 1 januari 1974)]
[5. de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserveaalmoezeniers die in vredestijd in dienst worden gehouden om het tijdelijk kader van aalmoezeniers te vormen. (ing. KB 29 oktober 1971, art. 2, gewijzigd bij KB 15 januari 1975, art. 1, I: 1 januari 1971)]

[n) De tijd begrepen ofwel tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945, ofwel tussen de datum van vewerving van het vereiste bekwaamheidsbewijs en 8 mei 1945, en verloren door de personeelsleden, gedomicilieerd in het gedeelte van het Belgisch grondgebied, door de Duitse overheid wederrechtelijk geannexeerd, zoals het werd bepaald door artikel 1 van de wet van 27 juli 1953, of naar bezet België geëmigreerd tussen deze twee data, door het feit dat zij de nazi-autoriteiten niet gediend hebben en dat zij de eed van trouw aan het Duitse regime niet afgelegd hebben. (verv. KB 10 juni 1976, art. 1, I: 1 januari 1971)]

[
o) de tijd begrepen ofwel tussen 10 mei 1940 en 30 juni 1949, ofwel tussen de datum van verwerving van het vereiste bekwaamheidsbewijs, indien deze datum na 10 mei 1940 valt, en 30 juni 1949, gewijd aan het onderwijs onder dwang van de nazi-autoriteiten of verloren wegens hun gedwongen inlijving in het Duitse leger en wegens hun gevangenschap als krijgsgevangene van een van de geallieerde naties, voor de personeelsleden gedomicilieerd in het gedeelte van het onder n bedoeld grondgebied en vast benoemd ten laatste op datum van 1 oktober 1963.

p) de tijd vóór 1 juli 1949 voor de personeelsleden gedomicilieerd in het gedeelte van het onder n bedoeld grondgebied en vast benoemd ten laatste op datum van 1 oktober 1963, voor de periode gedurende dewelke zij in de privé-sector werden bezoldigd, ofwel als loontrekkende, ofwel als bediende krachtens de besluit-wet van 28 december 1944 aan de sociale zekerheid onderworpen. (ing. KB 10 juni 1976, art. 2, I: 1 januari 1971)]

B. Met beperking tot tien jaar:

[a) De tijd die het personeelslid heeft doorgebracht als titularis van een ambt met onvolledige prestaties in een school van de Staat, van de Kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur of in een door de Staat of door de Kolonie geïnspecteerde of gesubsidieerde school.

De beperking tot tien jaar geldt evenwel niet ten aanzien van het personeelslid dat de verbintenis had aangegaan een ambt met volledige prestaties in het rijksonderwijs te aanvaarden, maar dat om redenen onafhankelijk van zijn wil, zulk een ambt niet heeft kunnen bekomen vóór  het verstrijken van een termijn van tien jaar.

Deze beperking van tien jaar geldt evenmin ten aanzien van het personeelslid wanneer de betrekkelijke duur van dergelijke diensten tien jaar overschrijdt. De betrekkelijke duur van diensten met onvolledige prestaties wordt voorgesteld door een breuk die tot teller heeft de werkelijke duur der diensten uitgedrukt per wekelijks lesuur voor het jaar en tot noemer het minimumaantal lesuren dat voor dit ambt is vastgesteld bij het artikel 7 bedoeld koninklijk besluit. (verv. KB 21 juni 1962, art. 2, gewijzigd bij KB 30 november 1966, art. 2, I: 1 september 1958)

b) de tijd gedurende welke het personeelslid titularis is geweest van een ambt met onvolledige prestatie van aspirant, van gecommitteerd navorser, van gekwalificeerd navorser, van medewerker, van assistent of van opdrachtgelastigde:

bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;

bij een der instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, vermeld op de lijst waarvan in dit artikel sprake is onder A, f);

bij een rijksmuseum.

[c) de tijd die een personeelslid als titularis van een ambt met onvolledige prestaties doorgebracht heeft vóór 1 januari 1951, aan een door een private persoon georganiseerde inrichting voor middelbaar onderwijs, die op het einde van het schooljaar waarin de diensten verstrekt werden, behoorlijk gehomologeerde of aanvaarde eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs heeft uitgereikt, dan wel aanvullende getuigschriften die betrekking hebben op de drie jaar middelbaar onderwijs van de lagere graad en die de vereiste waarborgen bieden met het oog op latere homologatie of aanvaarding van de eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs.

d) de werkelijke diensten die het personeelslid verstrekt heeft vóór 1 september 1952, als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties aan een door een private persoon georganiseerde inrichting voor normaalonderwijs voor kleuteronderwijzeressen of middelbaar normaalonderwijs, die op het einde van het schooljaar waarin deze diensten verstrekt werden, diploma's uitgereikt heeft onder het toezicht van een door de Staat samengestelde commissie. (ing. KB 22 januari 1970, art. 2, I: 1 maart 1970)]

C. [... (opgeh. KB 29 oktober 1971, art. 7, I: 1 januari 1971)]

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel, wordt het personeelslid ondersteld werkelijke dienst te verstrekken, zolang het zich in een administratieve toestand bevindt ingevolge waarvan het, op grond van zijn statuut, zijn activiteitswedde of, bij ontstentenis daarvan, het recht op bevordering tot een hogere wedde behoudt.

ART. 17.

[§ 1. Voor de directeur, de onderdirecteur, het hoofd van een studiebureau, de werkplaatsleider, de werkmeester, de assistent, de monitor, en het lid van het onderwijzend personeel dat belast is met technische of praktische vakken, hetzij in het technisch en landbouwonderwijs, hetzij in het toegepast onderwijs, alsmede voor het personeelslid dat les geeft in de handenarbeid in het lager onderwijs, geldt eveneens als in aanmerking komende dienst, de tijd, die hij (verv. KB 22 januari 1970, art. 3, I: 1 maart 1970)] [vanaf van de leeftijd van 21, 22, 23 of 24 jaar (verv. KB 18 februari 1974, art. 6, I: 1 april 1972)], [volgens de bepalingen van artikel 15, in een onderneming heeft doorgebracht en gedurende welke hij, naar de mening van de Minister van Nationale Opvoeding, een voor zijn ambtsbediening nuttige ervaring heeft opgedaan. Die tijd mag nooit meer dan zes jaar bedragen. (verv. KB 22 januari 1970, art. 3, I: 1 maart 1970)]

§ 2. Voor het lid der inspectie van het technisch en landbouwonderwijs of der inspectie van het toegepast middelbaar onderwijs geldt eveneens als in aanmerking komende dienst de tijd, die het [vanaf de leeftijd van 24 jaar (verv. KB 18 februari 1974, art. 6, I: 1 april 1972)] doorgebracht heeft in een onderneming en gedurende welke het, naar de mening van de Minister van Openbaar Onderwijs, een voor zijn ambtsbediening nuttige ervaring heeft opgedaan. Die tijd mag nooit meer dan tien jaar bedragen.

[Voor de leden van de inspectie van het technisch onderwijs die op 1 juli 1956 deze hoedanigheid bezaten en sedertdien zonder onderbreking hun functie hebben uitgeoefend, wordt deze tijd op vijftien jaar gebracht. (ing. KB 14 november 1963, art. 1, I: 1 mei 1958)]

[
§ 3. De diensten die eventueel, krachtens de bepalingen van  § 1, in aanmerking worden genomen, blijven dit ingeval de technische leergangen, opnieuw ingedeeld worden bij de algemene of bij de bijzondere vakken. (ing. KB 18 april 1977, art. 1, I: 1 september 1975)]

ART. 17bis.

[Voor de toepassing van de artikelen 16 en 17 mag de in aanmerkingneming der diensten bewezen worden door alle rechtsmiddelen. (ing. KB 21 juni 1962, art. 4, I: 1 september 1958)]

ART. 18.

In afwijking van de artikelen 16 en 17, worden nooit medegeteld de diensten welke het personeelslid heeft verstrekt:

a) als titularis van een bijbetrekking;

[
b) als titularis van een ambt dat gelijktijdig met een zelfstandig beroep wordt uitgeoefend. (verv. KB 10 maart 1965, art. 2, I: 1 mei 1958)]

[c) - vóór het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de bruto-bezoldiging minder bedroeg dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;
- van het schooljaar 1982-1983 af, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het zou verkregen hebben, indien het zijn ambt met volledige prestaties had uitgeoefend, maar berekend op het minimum van de weddeschaal, gelijk is aan of lager dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de de Openbare Schatkist; (verv. KB nr. 161 van 30 december 1982, art. 4, I: schooljaar 1982-1983)]

d) als titularis van een ambt uitgeoefend aan een avondschool of bij een instelling met beperkt leerplan.

[Niettemin komen in aanmerking voor zover ze niet meer verstrekt worden, de werkelijke diensten die het personeelslid verstrekt heeft in een door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan als titularis van een bezoldigd ambt dat beschouwd zou geworden zijn als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, indien het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.

Indien de in het vorig lid bedoelde diensten, verstrekt werden in een ambt met onvolledige prestaties, worden ze slechts in aanmerking genomen voor hun betrekkelijke duur. Deze betrekkelijke duur wordt bepaald door een breuk, die tot teller heeft de werkelijke duur van de diensten uitgedrukt in wekelijkse lesuren over het jaar en tot noemer het minimumaantal lesuren dat voor dit ambt is vastgesteld.

Indien de in de voorgaande leden bedoelde diensten verstrekt werden in een leergang met beperkt leerplan die niet gedurende veertig weken opengesteld was, wordt de duur of, in voorkomend geval de betrekkelijke duur van die diensten verminderd :
met 10 pct. indien de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 36 tot 39 weken opengesteld was;
met 20 pct. indien de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 32 tot 35 weken opengesteld was;
met 30 pct. indien de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 28 tot 31 weken opengesteld was;
met 40 pct. indien de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 24 tot 27 weken opengesteld was;
met 50 pct. indien de leergang of de afdeling van de leergang minder dan 24 weken opengesteld was;
wanneer de lessen een normale duur hebben.

Het aantal weken dat in aanmerking moet worden genomen om het bedrag van de bovenbedoelde vermindering te bepalen wanneer de lessen geen normale duur hebben, wordt vastgesteld door middel van de volgende formule:
Werkelijk aantal weken gedurende welke de leergang of de afdeling van de leergang opengesteld was
x duur van de lessen in minuten (verv. KB 18 april 1977, art. 2, I: 1 september 1975)]
               50

[Worden eveneens niet in aanmerking genomen, de periodes bedoeld in littera j, k, l, n, o, p, van artikel 16 (verv. KB 10 juni 1976, art. 3, I: 1 januari 1971)] :
[a) wanneer die perioden reeds in aanmerking zijn genomen voor de vaststelling van de wedde van het personeelslid;
b) wanneer het personeelslid in de periode vóór 1 september 1955 niet ten minste één maand dienst heeft die op grond van zijn bezoldigingsregeling in aanmerking komt voor de vaststelling van zijn wedde in de schaal die hem toegekend is. (ing. KB 15 maart 1967, art. 2, gewijzigd bij KB 1 juni 1970, art. 2, I: 1 maart 1968)]

ART. 19.

§ 1. De diensten, verstrekt ingevolge een tijdelijke of interimaire aanstelling of benoeming die nietig werd verklaard bij de besluitwet van 5 mei 1944, artikelen 1, letter C, en 2, worden in aanmerking genomen naar hun feitelijke aard en onder de voorwaarden gesteld bij de onderhavige bezoldigingsregeling.

 

Met ingang van 1 maart 1954 worden evenwel niet meer in aanmerking genomen de diensten, verstrekt in de volgende twee instellingen:

Le service volontaire due travail pour la Wallonie;

De Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen.

 

§ 2. Het personeelslid dat, zowel voor de maand augustus 1944 krachtens § 1, als voor de maand november 1944, in aanmerking komende diensten heeft, wordt geacht in september en oktober 1944 in aanmerking komende diensten van dezelfde belangrijkheid als die van augustus 1944 te hebben verstrekt. 

b) Duur

ART. 20.

De in aanmerking komende diensten worden berekend per kalendermaand; diegene welke geen volle maand bedragen worden niet medegeteld.

 

De duur der in aanmerking komende diensten welke het personeelslid als waarnemer gepresteerd heeft in één der toestanden bedoeld in artikel 16, § 1, A, c, wordt evenwel door de Minister van Openbaar Onderwijs vastgesteld.

 

Voor de toepassing van dit artikel, worden als interimaire diensten beschouwd al de in aanmerking komende diensten, verstrekt gedurende de maand waarin het personeelslid voor het eerst is aangesteld in een andere hoedanigheid dan die van waarnemer. 

ART. 21.

De duur van de in aanmerking komende diensten welk het personeelslid telt, mag nooit meer dan twaalf maanden voor een kalenderjaar.

c) Belangrijkheid

ART. 22.

[... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 7, I: 1 april 1972)]

ART. 23.

[... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 7, I: 1 april 1972)]

ART. 23bis.

[... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 7, I: 1 april 1972)]

ART. 24.

[... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 7, I: 1 april 1972)]

ART. 25.

[Voor de vaststelling van het belang van de in aanmerking komende diensten (verv. KB 18 februari 1974, art. 8, I: 1 april 1972)], wordt elke verandering van diploma, bekwaamheidsbewijs of schaal dat zich op een andere dag dan de eerste ener maand voordoet, verschoven naar de eerste der volgende maand.

[D. Berekening van de wedde (verv. KB 24 maart 1967, art. 9, I: 1 mei 1967)]

ART. 26.

[§ 1. Het personeelslid geniet te allen tijde de wedde overeenstemmend met zijn anciënniteit, die het totaal van zijn in aanmerking komende diensten uitmaakt. (verv. KB 24 maart 1967, art. 10, I: 1 mei 1967)]

§ 2. [... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 9, I: 1 april 1972)]

§ 3.  [... (opgeh. KB 18 februari 1974, art. 7, I: 1 april 1972)]

ART. 27.

[Voor de vaststelling van de wedde overeenkomstig artikel 26, wordt alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit, d.w.z. die, verkregen op het tijdstip dat het personeelslid het grootste (verv. KB 24 maart 1967, art. 10, I: 1 mei 1967)] [getal jaren in aanmerking komende diensten overeenstemmend met de periodieke verhogingen  (verv. KB 18 februari 1974, art. 10, I: 1 april 1972)] telt.

ART. 28.

Voor de toepassing van de artikelen 26 en 27, telt elk geheel van twaalf maanden in aanmerking komende diensten voor één jaar.

ART. 29.

[... (opgeh. KB 24 maart 1967, art. 16, I: 1 mei 1967)]

ART. 30.

[Het personeelslid geniet nooit een hogere wedde dan de maximumwedde uit zijn schaal. (verv. KB 24 maart 1967, art. 11, I: 1 mei 1967)]

AFDELING III. Uitbetaling van de wedde

ART. 31.

§ 1. Wordt maandelijks en vooruit betaald, het vast personeelslid, het voorlopig, in stadedienst of op termijn benoemd personeelslid, alsmede het waarnemend personeelslid dat zijn ambt permanent uitoefent.

 

§ 2. De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de wedde.

 

Wanneer een in § 1 bedoeld personeelslid op een andere datum dan de eerste ener maand een nieuwe benoeming of aanstelling bekomt, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.

 

Bij het overlijden of op pensioen stellen van een in § 1 bedoeld personeelslid, is de wedde voor de lopende maand niet terugvorderbaar.

 

§ 3. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt zij in dertigsten verdeeld overeenkomstig de regelen die in dit geval gelden voor het personeel der ministeries. 

ART. 32.

§ 1. Wordt maandelijks, na vervallen termijn, betaald het waarnemend personeelslid dat zijn ambt niet permanent uitoefent.

 

Zijn betaalbaar, al de dagen gerekend van het begin tot het einde van het interim, met inbegrip, voor zover zij in de duur van het interim opgenomen zijn, van de ontspanningsverloven alsmede van de Kerst- en Paasvakantie. Het aantal te betalen dagen mag nochtans voor een kalenderjaar niet meer dan driehonderd bedragen.

 

§ 2. Het dagloon is gelijk aan 1/300e van de wedde.

ART. 33.

Voor de wedde van het personeelslid op wie dit besluit van toepassing is, geldt dezelfde mobiliteitsregeling als voor de wedden van het personeel der ministeries.

HOOFDSTUK II. Overgangsstelsel

ART. 34.

[Het bijzonder stelsel ingevoerd bij (verv. KB 21 juni 1962, art. 5, I: 1 september 1958)[de artikelen 35 en 38 (verv. KB 29 oktober 1971, art. 4, I: 1 januari 1971)], [geldt voor elk personeelslid dat, uiterlijk sedert 1 maart 1953, steeds heeft behoord tot een dienst van de Staat, een dienst (verv. KB 21 juni 1962, art. 5, I: 1 september 1958)[van Afrika (verv. KB 24 maart 1967, art. 12, I: 1 mei 1967)], [een onderwijsinrichting tot stand gebracht door een provincie, een gemeente, een bestuur ondergeschikt aan een provincie of een gemeente, een vereniging van gemeenten en door andere publiekrechtelijke personen, tot een gesubsidieerde onderwijsinrichting tot stand gebracht door een private persoon,

hetzij als lid van het onderwijzend, wetenschappelijk of daarmee gelijkgesteld personeel, dat vast, voorlopig, in stagedienst of op termijn is benoemd, ofwel dat als waarnemer zijn ambt permanent uitoefent;

hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties;

hetzij als beroepsmilitair. (verv. KB 21 juni 1962, art. 5, I: 1 september 1958)]

[Dit bijzonder stelsel geldt eveneens voor het lid van het technisch personeel van een psycho-medisch-sociaal centrum van de Staat dat uiterlijk sedert 1 maart 1953, steeds heeft behoord:

hetzij tot een van de in vorige alinea's vermelde diensten en inrichtingen als titularis van de in deze alinea's bedoelde ambten;

hetzij tot een dienst voor studie- en beroepsoriëntering of een psycho-medisch-sociaal centrum van een provincie, van een gemeente of gesubsidieerd door de Staat, als titularis van een bezoldigd technisch ambt met volledige prestaties. (ing. KB 6 april 1970, art. 1, I: 1 januari 1970)]

ART. 35.

[De in artikel 16, § 1, vermelde diensten komen voor het in artikel 34, bedoeld personeelslid in aanmerking vanaf de leeftijd van 18 jaar indien zijn weddeschaal tot de klasse "20 jaar" of tot de klasse "21 jaar" behoort, vanaf de leeftijd van 20 jaar iniden zijn weddeschaal tot de klasse "22 jaar" of tot "23 jaar" behoort en vanaf de leeftijd van 23 jaar, indien zijn weddeschaal tot de klasse "24 jaar" behoort; de beperking tot tien jaar waarvan sprake in B van hetzelfde artikel is niet op hem toepasselijk. (verv. KB 18 februari 1974, art. 11, I: 1 april 1972)] 

ART. 36.

[... (opgeh. KB 29 oktober 1971, art. 7, I: 1 januari 1971)]

ART. 37.

[... (opgeh. KB 29 oktober 1971, art. 7, I: 1 januari 1971)]

ART. 38.

Het gestelde in de artikelen 16, § 2, en 18 tot 21 gelden voor de toepassing van [artikel 35 (verv. KB 29 oktober 1971, art. 6, I: 1 januari 1971)].

ART. 39.

[... (opgeh. KB 29 oktober 1971, art. 7, I: 1 januari 1971)]

ART. 40.

Wanneer het in artikel 34 bedoelde personeelslid aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen reeds een ambt met volledige prestaties uitoefent, is, in afwijking van artikel 5, letter a), elk ander ambt dat het, zelfs aan een van deze scholen, in vast dienstverband uitoefent, een bijbetrekking.

ART. 40bis.

[§ 1. De personeelsleden die op 29 juni 1959 in dienst waren of zich in een van de toestanden, bepaald in § 3, bevonden en die sedertdien zonder onderbreking in dienst gebleven zijn in het onderwijs, kunnen op die datum de diensten valideren die in aanmerking genomen worden krachtens de vroegere reglementsbepalingen die op hen toepasselijk zijn ingeval die anciënniteit groter is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 1958 gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 juni 1962.

§ 2. In afwijking van artikel 16 van dit besluit behouden de in § 1 bedoelde personeelsleden na 29 juni 1959 het voordeel van de leeftijdsgrens zoals ze vastgesteld is in de vroegere reglementsbepalingen die op hen van toepassing waren.

Voor de toepassing van dit artikel worden niet als dienstonderbreking beschouwd :
1° de afwezigheid tijdens welke het personeelslid aanspraak kan maken op zijn loon of op een pensioen, dat tijdelijk wordt toegekend of dat in aanmerking komt voor de verhoging in wedde of voor de toekenning en de berekening van het pensioen;
2° de perioden van schoolvakantie en ontspanningsverlof en de dagen waarop de lessen geschorst zijn;
3° de tijd tijdens welke het personeelslid zijn legerdienst vervult of wederopgeroepen is:
4° elke schorsing van de ambtsuitoefening, die in één of verschillende malen niet meer dan zes werkdagen bedraagt;
5° elke andere afwezigheid die, in één of verschillende malen, niet meer dan twee jaar bedraagt en tijdens welke de uitwerking van de aanwervingsakte of van het aanwervingscontract geschorst werd krachtens een beslissing van het inrichtend bestuur, aan de Minister van Nationale Opvoeding betekend binnen de maand volgend op het beging an de afwezigheid. (verv. KB 15 april 1977, art. 1, I: 1 september 1958)] 

TITEL III. Hoofdambten met onvolledige prestaties

ART. 41.

§ 1. De wedde van de titularis van een hoofdambt met onvolledige prestaties is gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar te vermeningvuldigen met het aantala wekelijkse lesuren dat voornoemd ambt gedurende het schooljaar behelst.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, is het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar gelijk aan de uitkomst welke verkregen wordt, door de wedde die overeenkomstig de bepalingen van titel II het personeelslid bij het thans uitoefenen van hetzelfde ambt met volledige prestaties zou genieten, te delen door een aantal dat, volgens het minimumaantal lesuren dat dit ambt met volledige prestaties behelst, verandert zoals volgt:

Minimumaantal lesuren

Deler

8

8

16

16

18, 19, 20 of 21

20

25

25

[30

30
(ing. KB 22 oktober 1971, art. 1, I: 1 september 1970)

[32

32
(ing. KB 15 december 1969, art. 1, I: 1 september 1969)]

[34

34
(ing. KB 14 februari 1966, art. 1, I: 1 september 1964)]

36

36



[§ 3. De wedde van de directeur wiens betrekking in stand wordt gehouden overeenkomstig artikel 3, laatste lid van het koninklijk besluit van 12 januari 1966 houdende vaststelling van de voorwaarden vereist voor het bepalen van het aantal betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch onderwijs is gelijk aan zoveel keren 1/10e van de wedde verbonden aan zijn ambt als de schoolbevolking tienden bereikt van het minimum vastgesteld in bovengenoemd artikel 3. (ing. KB 13 december 1976, art. 1, I: 1 september 1965)]

ART. 42.

§ 1. Wanneer het personeelslid titularis is van verscheidene hoofdambten met onvolledige prestaties, wordt de vermenigvuldiging, waarvan sprake in artikel 41, § 1, gedaan voor elk ambt. De aldus bekomen som der produkten is de wedde van het eprsoneelslid.

 

§ 2. Bereikt het totaal van de betrekkelijke waarde der in verscheidene hoofdambten met onvolledige prestaties verstrekte lesuren, overeenkomstig artikel 4, § 2, de eenheid, dan wordt, in afwijking van voorgaande § 1, de wedde van het personeelslid vastgesteld met inachtneming van onderstaande modaliteiten:

1° voor elk ambt met onvolledige prestaties wordt de bij artikel 41, §2, bepaalde deler vervangen door het minimumaantal lesuren, vastgesteld voor het overeenstemmende ambt met volledige prestaties;

2° telt enkel mede het kleinste geheel getal lesuren dat nodig is opdat de som van de betrekkelijke waarden van deze uren de eenheid zou bereiken; onder de door het personeelslid gepresteerd uren worden altijd eerst die gekozen welke in de best bezoldigde ambten zijn gepresteerd geworden.  

ART. 42bis.

[Wanneer de directeur bedoeld in artikel 41, § 3, van dit besluit in dezelfde inrichting eveneens titularis van een hoofdambt van leraar met onvolledige dienstprestaties is, wordt de wedde verbonden aan dit ambt berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 41, § 1.

De aldus berekende wedde is evenwel beperkt tot het verschil tussen de wedde verbonden aan het ambt van directeur en die welke het personeelslid bekomt ter toepassing van artikel 41, § 3. (ing. KB 13 december 1976, art. 2, I: 1 september 1965)]

ART. 43.

De volgens artikel 42, § 2, vastgestelde wedde mag nooit hoger zijn dan die welke het personeelslid zou genieten als het, in zijn best bezoldigd ambt met onvolledige prestaties, volledige prestaties zou leveren.

ART. 44.

Het gestelde in artikel 31 tot 33 geldt voor het personeelslid op wie deze titel III van toepassing is.

[TITEL IIIbis. Bijbetrekkingen (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958]]

ART. 44bis.

[§ 1. De titularis van een bijbetrekking in het Rijksonderwijs en die tevens een loopbaan betrekking uitoefent, beide door de Staat bezoldigd, geniet een wedde die vastgesteld is op 50 t.h. van de wedde die hij zou ontvangen indien hij zijn betrekking als hoofdambt uitoefende, op voorwaarde dat de normale werkijden van beide ambten samenvallen.

Het bestaan van laatstgenoemde voorwaarde wordt, in twijfelachtige gevallen vastgesteld door de Minister van het departement op welks begroting de wedde voor de loopbaanbetrekking is uitgetrokken.

§ 2. De wedde die de titularis van een bijbetrekking in het rijksonderwijs, die deel uitmaakt van het personeel van andere openbare diensten dan de diensten van de Staat of van het personeel van een gesubsidieerde privé-inrichting die een weddetoelage geniet ten laste van de Openbare Schatkist wordt, wanneer de normale werktijden van beide ambten samenvallen, vastgesteld op 50 pct. van de wedde die hij zou bekomen indien hij eerstgenoemde betrekking als hoofdambt uitoefende.

§ 3. Hij die titularis is van een bijbetrekking met volledige prestaties in het rijksonderwijs, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, en die tevens lid is van het rijkspersoneel, van een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat, ongeacht of de normale werktijden al dan niet samenvallen, geniet een wedde die vastgesteld is op 50 pct. van de wedde die hij zou bekomen indien hij zijn ambt als hoofdambt uitoefende. (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

ART. 44ter.

[§ 1. De wedde van de titularis van een bijbetrekking, in het Rijksonderwijs, andere dan die bedoeld in artikel 44bis, is gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar te vermnigvuldigen met het aantal wekelijkse lesuren dat voornoemd ambt gedurende het schooljaar behelst.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 :
1° is het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar gelijk aan de uitkomst welke verkregen wordt door de minimumwedde van de schaal die het personeelslid zou genieten indien hij dat zelfde ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, te delen door een getal dat, volgens het minimum aantal lesuren dat het hoofdambt met volledige prestaties behelst, verandert als volgt :

Minimum aantal lesuren

Deler

8

12

16

18

18, 19, 20 of 21

25

25

30
(ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

[30

35
(ing. KB 22 oktober 1971, art. 4, I: 1 september 1970)]

[32

37
(ing. KB 22 oktober 1971, art. 3, I: 1 september 1969)]

[34

40
(ing. KB 22 oktober 1971, art. 2, I: 1 september 1964)]

[36

42

2° wordt het aantal lesuren dat in aanmerking dient genomen voor de berekening van de aan de bijbetrekking verbonden wedde altijd beperkt tot het minimumaantal lesuren vastgesteld voor de overeenkomstige hoofdbetrekking met volledige prestaties. (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

ART. 44quater.

[De wedde van het lid van het wetenschappelijk personeel dat zijn ambt als bijbetrekking uitoefent, wordt vastgesteld op 50 pct. van de wedde die het zou bekomen indien het zijn ambt als hoofdambt uitoefende. (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

ART. 44quinquies.

[De bepalingen van de artikelen 44bis, 44ter en 44quater gelden onverminderd het bepaalde in de wet van 20 maart 1958 betreffende de cumulatie van pensioenen en wedden en de regeling inzake rustpensioenen voor verschillende ambten. (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

ART. 44sexies.

[Het bepaalde in de artikelen 31 tot 33 geldt voor het personeelslid dat een bijfunctie uitoefent. (ing. KB 10 maart 1965, art. 3, I: 1 mei 1958)]

[TITEL IIIter. Niet-uitsluitend ambt (ing. KB 6 februari 1980, art. 2, I: 1 april 1972)]

ART. 44septies.

[Voor de berekening van de wedde van het personeelslid, titularis van een niet-uitsluitend ambt, zijn alleen de artikelen 1, 2, 6 tot 13, 15, 19, 20, eerste lid, 21, 25, 26, § 1, 27, 28 en 30 tot 33 van dit besluit van toepassing.

Komen alleen in aanmerking, vanaf de leeftijd van 21 of 23 jaar, naargelang de klasse van zijn schaal, de werkelijke diensten welke het personeelslid, titularis van een niet-uitsluitend ambt, verstrekt heeft in een rijksinrichting voor kunstonderwijs met volledig leerplan.  Voor de leraars die verbonden zijn aan een rijksinrichting voor het onderwijs in de bouwkunst of aan een rijksinrichting voor hoger onderwijs in de plastische kunsten, in dienst in die hoedanigheid op 31 maart 1972, worden eveneens in aanmerking genomen die diensten die, vóór hun indiensttreding in het kunstonderwijs van de Staat, verstrekt werden als titularis van een hoofdambt met volledige of onvolledige prestaties in een school met volledig leerplan van de Staat, van de kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur of in een door de Staat of door de kolonie gesubsidieerde of geïnspecteerde school met volledig leerplan; in dit geval zijn eveneens de artikelen 16 en 17bis van dit besluit op hen van toepassing. (ing. KB 6 februari 1980, art. 2, I: 1 april 1972)]

TITEL IV. Slotbepalingen

ART. 45.

De Minister van Openbaar Onderwijs regelt, op advies van een bijzondere comissie van ambtenaren, de gevallen die een zodanig bijzonder aspect vertonen, dat in de geest van de nieuwe bezoldigingsregeling, een minder letterlijke toepassing van de regelen verantwoord is.

 

Van het bepaalde in de artikelen 14 en 21 mag evenwel niet worden afgeweken.

 

De ambtenaren van de diensten van de Eerste-Minister die zullen moeten deel uitmaken van de bijzondere commissie worden aangeduid door de Minister van Openbaar Onderwijs, in overleg met de Eerste-Minister.

ART. 46.

Van 1 mei 1958 tot op de datum van bekendmaking van het in artikel 7 bedoeld koninklijk besluit waarbij de schaal voor zijn graad wordt vastgesteld, behoudt het personeelslid voorlopig de wedde die het genoot op 30 april 1958.

ART. 47.

Voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952 is deze bezoldigingsregeling van toepassing wanneer, ingevolge het nieuwe weddenstelsel, het personeelslid, in totaal, een netto-bezoldiging verkrijgt die hoger is dan die welke het onder het vorige weddenstelsel genoot.

Voor ieder der maanden begrepen tussen 1 september 1952 en 30 april 1958 is deze bezoldigingsregeling van toepassing wanneer het personeelslid ingevolge het nieuwe weddenstelsel een hogere netto-bezoldiging verkrijgt dan die welke onder het vorige weddenstelsel genoot.

Voor de toepassing van dit artikel:

1. omvat de krachtens de nieuwe bezoldigingsregeling toegekende bezoldiging:
a) voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952:
1° de wedde vastgesteld overeenkomstig de door dit besluit ingevoerde bezoldigingsregeling, eventueel met inbegrip van de anciënniteitsbijslag bepaald bij artikel 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947, zoals hij toepasselijk is op het personeel der ministeries onder de gelding van de bezoldigingsregelig van 16 februari 1953;
2° eventueel, de haard- of standplaatstoelage, zoals zij toepasselijk is op het personeel der ministeries onder de gelding van de bezoldigingsregeling van 16 februari 1953;
3° eventueel, de toelage voor overwerk zoals zij wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende  toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
b) voor het tijdperk van 1 september 1952 tot 30 april 1958:
de wedde en eventueel de haard- of standplaatstoelage zoals bedoeld onder 1, a), 1° en 2°;

2. omvat de krachtens de vorige bezoldigingsregeling toegekend bezoldiging:
a) voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952:
1° de wedde berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen, of het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der onderwijsinspecties die van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangen, eventueel met inbegrip van de overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 april 1952 vastgestelde anciënniteitsbijslag;
2° eventueel de haard- of standplaatstoelage vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Regent van 16 maart 1950 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan zekere categorieën van het door de Staat bezoldigde personeel;
3° eventueel, de toelage voor overwerk, vastgesteld overeenkomstig de regelen toegepast onder de gelding van het koninklijk besluit van 1 december 1953;
b) voor het tijdperk van 1 september 1952 tot 30 april 1958:
de wedde en toelage zoals bedoeld onder 2, a), 1° en 2°. 

[3. zijn de regels vastgesteld bij de artikelen 44bis tot 44quinquies van toepassing voor de periode van 1 januari 1951 tot 30 april 1958 indien ingevolge die regels aan het personeelslid een hoger netto-bezoldiging wordt toegekend dan die welke hij genoot onder het vroegere stelsel voor de bijbetrekking waarvan hij titularis was. (ing. KB 10 maart 1965, art. 4, I: 1 mei 1958)]

[
Voor iedere maand begrepen tussen 1 juli 1962 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing wanneer de nieuwe bezoldigingsregeling aan het personeelslid een nettobezoldiging verleent welke hoger ligt dan die welke hij onder de vroegere bezoldigingsregeling genoot. (ing. KB 24 maart 1967, art. 15, I: 1 mei 1967)]

[4. De regels vastgesteld bij artikel 44septies, zijn toepasselijk voor de periode van 1 januari 1951 tot 31 maart 1972, wanneer zij aan het personeelslid een netto-inkomen waarborgen dat hoger is dan datgene dat hij genoot voor hetzelfde ambt onder het vroeger stelsel. (ing. KB 6 februari 1980, art. 3, I: 1 april 1972)]

ART. 48.

Opgeheven worden:

1° het koninklijk besluit van 25 april 1929 houdende coördinatie van de bepalingen betreffende de vaststelling van de wedden der leden van het onderwijzend en administratief personeel der rijksinrichtingen voor middelbaar onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Regent van 25 october 1946, 23 october 1947, 15 mei en 9 juni 1949 en bij de koninklijke besluiten van 20 december en 22 december 1952 en 1 maart 1954;

2° het koninklijk besluit van 25 april 1929 houdende coördinatie van de bepalingen betreffende de vaststelling van de wedden der leden van het administratief en onderwijzend persoeel der rijksinrichtingen voor normaalonderwijs;

3° het besluit van de Regent van 20 november 1945 betreffende de vaststelling van de wedde van zekere leden van het personeel der rijksuniversiteiten;

4° het besluit van de Regent van 7 november 1946 tot vaststelling van de bezoldiging van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Regent van 10 januari en 4 october 1949, 6 maart 1950 en de koninklijke besluiten van 13 november 1950, 14 maart, 16 october, 23 november 1951 en 6 maart 1953;

5° het besluit van de Regent van 22 october 1947 betreffende de weddeschaal van het personeel der rijkslagere en rijksmiddelbare normaalscholen;

6° het besluit van de Regent van 1 april 1948 betreffende de wedde der bewaarschoolonderwijzeressen bij het rijksmiddelbaar onderwijs;

7° het koninklijk besluit van 6 maart 1951 betreffende het in aanmerking nemen, voor de vaststelling van de wedden van sommige categorieën van het rijkspersoneel, van de diensten gepresteerd ingevolge een nietig verklaarde benoeming;

8° het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen;

9° het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der onderwijsinspecties die van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangen;

10° al de besluiten die van kracht waren vóór deze bezoldigingsregeling, voor zover zij, ten aanzien van de personeelsleden op wie deze bezoldigingsregeling van toepassing is, weddeschalen of wijzen van weddebepaling vaststellen;

ART. 49.

Dit besluit treedt op 1 mei 1958 in werking.

ART. 50.

Onze Minister van Openbaar Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.