Koninklijk besluit houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    15 APRIL 1958
  • publicatiedatum
    B.S.20/04/1958
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

COORDINATIE

K.B. 15-4-1961 - B.S. 31-5-1961

K.B. 21-6-1962 - B.S. 26-6-1962

K.B. 14-11-1963 - B.S. 25-12-1963

K.B. 14-11-1963 - B.S. 9-1-1964

K.B. 10-3-1965 - B.S. 17-3-1965

K.B. 14-2-1966 - B.S. 2-4-1966

K.B. 30-11-1966 - B.S. 10-1-1967

K.B. 15-3-1967 - B.S. 14-4-1967

K.B. 24-3-1967 - B.S. 8-4-1967

K.B. 7-9-1969 - B.S. 16-12-1969

K.B. 15-12-1969 - B.S. 28-1-1970

K.B. 22-1-1970 - B.S. 4-2-1970

K.B. 6-4-1970 - B.S. 9-5-1970

K.B. 1-6-1970 - B.S. 5-9-1970

K.B. 20-7-1970 - B.S. 5-9-1970

K.B. 22-10-1971 - B.S. 14-3-1972

K.B. 29-10-1971 - B.S. 11-3-1972

K.B. 9-12-1971 - B.S. 11-3-1972

Wet 8-2-1974 - B.S. 28-5-1974

K.B. 18-2-1974 - B.S. 5-4-1974

K.B. 15-1-1975 - B.S. 1-5-1975

K.B. 10-6-1976 - B.S. 6-7-1976

K.B. 9-7-1976 - B.S. 17-8-1976

K.B. 13-12-1976 - B.S. 5-1-1977

K.B. 15-4-1977 - B.S. 30-4-1977

K.B. 18-4-1977 - B.S. 5-5-1977

K.B. 15-12-1978 - B.S. 28-12-1978

K.B. 8-3-1979 - B.S. 22-6-1979

K.B. 6-2-1980 - B.S. 31-5-1980

K.B. nr. 63, 20-7-1982 - B.S. 29-7-1982

K.B. nr. 161, 30-12-1982 - B.S. 15-1-1983

K.B. nr. 269, 31-12-1983 - B.S. 18-1-1984

K.B. nr. 270, 31-12-1983 - B.S. 18-1-1984

K.B. nr. 279, 30-3-1984 - B.S. 6-4-1984

Wet 1-8-1985 - B.S. 6-8-1985

K.B. 14-10-1985 - B.S. 30-11-1985

Wet 27-2-1986 - B.S. 12-4-1986

B.Vl.R. 24-7-1991 - B.S. 8-11-1991

B.Vl.R. 19-12-1991 - B.S. 11-3-1992

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 6-10-1993

B.Vl.R. 22-12-1993- B.S. 30-3-1993

B.Vl.R. 25-1-1995 - B.S. 23-6-1995

B.Vl.R. 24-6-1997 - B.S. 6-9-1997

B.Vl.R. 7-10-1997 - B.S. 19-11-1997

B.Vl.R. 7-9-2001 - B.S. 18-12-2001

B.Vl.R. 14-12-2001 - B.S. 26-3-2002

B.Vl.R. 19-7-2002 - B.S. 20-9-2002

B.Vl.R. 26-9-2003 - B.S. 28-10-2003

B.Vl.R. 15-10-2004 - B.S. 10-12-2004

B.Vl.R. 29-10-2004 - B.S. 10-1-2005

B.Vl.R. 29-5-2009 - B.S. 24-9-2009

B.Vl.R. 24-7-2009 - B.S. 13-10-2009

B.Vl.R. 4-9-2009 - B.S. 23-10-2009

B.Vl.R. 12-3-2010 - B.S. 15-4-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

B.Vl.R. 7-10-2011 - B.S. 25-11-2011

B.Vl.R. 12-9-2014 - B.S. 3-11-2014

B.Vl.R. 21-11-2014 - B.S. 14-1-2015

B.Vl.R. 9-9-2016 - B.S. 13-10-2016

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.

Gelet op de wet van 15 november 1919 betreffende het landbouwonderwijs, inzonderheid op de artikelen 3 en 6;

Gelet op de wet tot regeling van het lager onderwijs, herdrukt op 25 oktober 1921, inzonderheid op artikel 23bis, dat in deze wet werd ingevoegd bij de wet van 15 mei 1929, en op artikel 39, vierde alinea;

Gelet op de wetten tot regeling van het middelbaar onderwijs, gecoördineerd de 31 december 1949, inzonderheid op de artikelen 11 en 33;

Gelet op de wet van 23 juli 1952, tot regeling van het normaalonderwijs, inzonderheid op de artikelen 4, § 1, 6 en 20, gewijzigd bij de wet van 27 juli 1955;

Gelet op de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de rijksuniversiteiten, inzonderheid op artikel 50;

Gelet op de wet van 29 juli 1953 tot regeling van het technisch onderwijs, inzonderheid op artikel 16, gewijzigd bij de wet van 27 juli 1955, en op artikel 60;

Gelet op de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs, inzonderheid op artikel 8;

Gelet op de wet van 27 juli 1955 houdende regelen inzake inrichting van het onderwijs van de Staat, de provincies en de gemeenten, en inzake subsidiëring door de Staat van inrichtingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 februari 1953 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 november 1953 en 26 april 1956;

Overwegende dat voor het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs een bezoldigingsregeling moet worden bepaald die in één tekst alle algemene regelen voor de vaststelling der wedden bevat; dat het derhalve met het oog op een goede coördinatie raadzaam is de vroegere ter zake geldende reglementen uitdrukkelijk op te heffen;

Gelet op het advies van het subcomité "Onderwijzend Personeel" van de Departementale Syndicale Raad van Advies;

Gelet op het akkoord van Onze Eerste Minister;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Openbaar Onderwijs en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

TITEL I. - Terminologie

Artikel 1.

De wedden van de personeelsleden onderworpen aan de bepalingen van dit besluit worden vastgesteld in de weddenschalen bestaande uit :

een minimumwedde;

zogenaamde "weddetrappen" die het resultaat zijn van de tweejaarlijkse verhogingen;

een maximumwedde.

Art. 2.

Wedden en tweejaarlijkse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden dat met hun jaarbedrag overeenstemt.

De wedde ligt nooit beneden het bestaansminimum.

Art. 3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

Dienst van de Staat : elke niet-rechtspersoonlijke dienst behorende onder de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht.

Onder "dienst van Afrika" wordt verstaan elke niet-rechtspersoonlijke dienst die onder het gouvernement van Belgisch Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi behoorde.

De uitdrukking "andere diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika" bedoelt :

1° elke rechtspersoonlijke dienst behorende onder de uitvoerende macht;

2° elke rechtspersoonlijke dienst die behoorde onder het gouvernement van Belgisch Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi;

3° elke gemeente- of provinciedienst;

4° elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.

Art. 4.

(voetnoot 4)

§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder ambt met volledige prestaties, het ambt dat prestaties behelst waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt.

Zijn onder meer volledig de prestaties van hem die, als lid van het rijkspersoneel, aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen, ten minste het minimumaantal lesuren geeft dat voor zijn ambt is vastgesteld bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit.

§ 2. Voor de toepassing van de artikelen 5 en 16, zijn eveneens volledig de prestaties van hem die, als lid van het rijkspersoneel, aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen, in totaal ten minste zoveel lesuren geeft dat de som der betrekkelijke waarden van deze uren de eenheid bereikt.

Ten aanzien van een ambt wordt de betrekkelijke waarde van één lesuur voorgesteld door een breuk die tot teller het getal 1 heeft en tot noemer het minimumaantal lesuren, dat voor dit ambt is vastgesteld bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit.

Art. 5.

(voetnoot 4)

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° bijbetrekking : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat :

a) al een ambt met volledige prestaties uitoefent in één of verscheidene andere bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen, met uitzondering van de hogescholen, vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

b) eveneens een ambt met volledige prestaties uitoefent in een instelling van het deeltijds kunstonderwijs en/of in een centrum voor volwassenenonderwijs;

c) een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent, waarvoor het een volledige salaris geniet, waarvan het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn salarisschaal;

2° hoofdambt : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat zich niet in een van de gevallen vermeld in punt 1°, a), b) of c) bevindt;

3° niet-uitsluitend ambt : het ambt dat in één of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de staat uitgeoefend wordt door de leraar die belast is met de artistieke vakken, en door de begeleider. Bij overgangsmaatregel wordt het ambt van inspecteur artistieke vakken in het kunstonderwijs ook als niet-uitsluitend ambt beschouwd.

TITEL II. - Hoofdambten met volledige prestaties

HOOFDSTUK I. - Organiek stelsel

Afdeling I. - Vaststelling van de schalen

Art. 6.

De schaal voor iedere graad wordt door de Koning vastgesteld met inachtneming van de belangrijkheid van het ambt dat normaal overeenstemt met de waarde van elk der diploma's of bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot die graad.

Voor sommige graden kan de schaal door een vaste wedde vervangen worden.

Art. 7.

De schalen voor de graden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs worden vastgesteld bij koninklijk besluit, genomen op de voordracht van de Minister van Openbaar Onderwijs in overleg met de Eerste Minister.

Art. 8.

[....]

Art. 9.

Elke schaal is ingedeeld hetzij in de klasse "20 jaar", hetzij in de klasse "21 jaar", hetzij in de klasse "22 jaar", hetzij in de klasse "23 jaar", hetzij in de klasse "24 jaar".

Art. 10.

De schaal wordt aangeduid door een indicie die de minimumwedde, de maximumwedde, de klasse, alsmede het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen er van aangeeft.

Afdeling II. - Vaststelling van de wedde

A. Algemene bepalingen

Art. 11.

Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad wordt elke wedde die werd vastgesteld met inachtneming van die graad opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd had bestaan.

Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke het personeelslid in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, blijft het in die graad de hoogste wedde genieten totdat het een ten minste gelijke wedde bekomt.

Art. 12.

Alleen die wijzen van weddevaststelling zijn geldig welke bij dit besluit, alsmede bij het in artikel 7 bedoelde koninklijk besluit omschreven zijn.

Art. 13.

Voor het bepalen van de leeftijd van het personeelslid, met het oog op de vaststelling van zijn wedde, wordt de verjaardag die niet op de eerste ener maand valt, steeds verschoven naar de eerste der volgende maand.

B. Vaststelling van de schaal

Art. 14.

De wedde van elk personeelslid wordt vastgesteld in de schaal van zijn graad, met inachtneming van het diploma of bekwaamheidsbewijs dat het bezit.

Art. 15.

De minimumwedde geldt voor het personeelslid dat de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, welke ook de klasse van zijn weddenschaal zij.

C. In aanmerking komende diensten

a) Inaanmerkingneming

Art. 16.

§ 1. In aanmerking komen, met ingang van zijn 20e, 21e, 22e, 23e of 24e jaar, naargelang van de klasse van zijn weddenschaal :

A. Onbeperkt :

a) de werkelijke diensten welke het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt :

aan een school van de Staat, van de Kolonie, van een provincie, een gemeente of een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur;

aan een door de Staat of door de Kolonie gesubsidieerde of geïnspecteerde school;

aan een Belgische school in het buitenland of aan een school van de geallieerden gedurende het tijdperk van 1 augustus 1914 tot 31 januari 1919 of van 10 mei 1940 tot 30 september 1945;

hetzij in een Belgische universiteit of in een krachtens de wet op het toekennen van de academische graden ermede gelijkgestelde inrichting en dit ongeacht de financieringsbron, hetzij in een van de wetenschappelijke inrichtingen, waarvan de lijst door de Minister van Openbaar Onderwijs wordt vastgesteld, mits er behoord te hebben tot het onderwijzend of wetenschappelijk personeel.

De bepalingen van het eerste lid zijn onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de werkelijke diensten verstrekt aan :

1° het internaat, toegevoegd aan een onderwijsinstelling;

2° het autonome internaat, elke vorm van tehuis, het semi-internaat en het internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen. Deze bepaling geldt niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

b) de werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 januari 1951 als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een door een privaat persoon tot stand gebrachte inrichting voor middelbaar onderwijs welke, bij het einde van het schooljaar waarin de diensten werden verstrekt, behoorlijk gehomologeerde of aanvaarde eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs heeft uitgereikt dan wel aanvullende getuigschriften die betrekking hebben op de drie jaren middelbare studiën van de lagere graad en die de nodige waarborgen bieden met het oog op latere homologatie of aanvaarding van de eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs;

c) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft verstrekt :

als toevallig waarnemer of als tijdelijke aan een school van de Staat, van een provincie, een gemeente of een aan een provincie of gemeente ondergeschikt bestuur of aan een door de Staat gesubsidieerde school;

als waarnemer aan een provinciale of gemeentelijke, een aangenomen of aanneembare lagere school of bewaarschool.

De bepalingen van het eerste lid zijn onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de werkelijke diensten verstrekt aan :

1° het internaat, toegevoegd aan een onderwijsinstelling;

2° het autonome internaat, elke vorm van tehuis, het semi-internaat en het internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen. Deze bepaling geldt niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

d) de tijd, door het personeelslid in het buitenland doorgebracht als verkrijger van een reisbeurs of van een stipendium toegekend door de regering, door de universitaire stichting of door een door België erkende internationale culturele instelling;

e) de tijd gedurende welke het personeelslid, zelfs zonder wedde, in disponibiliteit is geweest om een opdracht te vervullen in het belang van het onderwijs of van de wetenschap;

f) de tijd gedurende welke het personeelslid titularis is geweest van een ambt met volledige prestaties van aspirant, van gecommitteerd navorser, van gekwalificeerd navorser, van medewerker, van assistent, van opdrachtgelastigde of als mandaathouder :

bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;

bij een der instellingen voor wetenschappelijk onderzoek waarvan de lijst wordt vastgesteld door de Minister van Openbaar Onderwijs;

bij een rijksmuseum.

g) De werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 januari 1961, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt hetzij in een in België gevestigde hiervoren niet bedoelde lagere of bewaarschool, ingericht door een private persoon, hetzij in een in België of in het buitenland gevestigde inrichting voor zwakke of pretuberculeuze kinderen, op voorwaarde dat deze school of inrichting, op het ogenblik dat de diensten werden verstrekt, voldoende waarborgen bood op het gebied van organisatie en onderwijs en bijaldien het personeelslid houder is van het vereiste diploma voor een overeenstemmende functie uitgeoefend in een school onderworpen aan het stelsel van de organieke wet op het lager onderwijs.

h) De werkelijke diensten welke het personeelslid als titularis van een bezoldigd technisch ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een dienst voor studie- en beroepsoriëntering, een psycho-medisch-sociaal centrum of een centrum voor leerlingenbegeleiding van de Staat, van een provincie, van een gemeente of gesubsidieerd door de Staat.

i) De werkelijke diensten welke het personeelslid, vóór 1 september 1952, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt in een door een private persoon tot stand gebrachte inrichting voor normaalonderwijs, voor bewaarschoolonderwijzeressen of voor middelbaar normaalonderwijs, die op het einde van het schooljaar tijdens hetwelk de diensten werden gepresteerd, diploma's heeft uitgereikt onder de controle van een door de Staat samengestelde examencommissie.

j) de mobilisatietijd bij het Belgisch leger tussen 26 augustus 1939 en 28 mei 194O;

k) de tijd tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945 gedurende welke het personeelslid :

1° gemobiliseerd werd bij de Belgische strijdkrachten in Groot-Brittannië of bij de expeditiekorpsen van de gewapende macht;

2° krijgsgevangene was;

3° als politieke gevangene geïnterneerd of opgesloten was;

4° tot inlichtings- of actieagent of tot helper van de inlichtings- en actiediensten werd benoemd;

5° lid van de gewapende of burgerlijke weerstand of van de weerstand door de sluikpers was;

6° werkweigeraar in de zin van de besluitwet van 24 december 1946 was;

7° weggevoerde was voor de verplichte arbeid.

l) de werkelijke diensten die het personeelslid in een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt bij een representatieve vereniging van inrichtende machten als :

1° gesubsidieerde contractueel binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen, afgesloten tussen de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling en de Gemeenschapsminister van Onderwijs, overeenkomstig artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 1990 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;

2° werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen, afgesloten tussen de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling en de Gemeenschapsminister van Onderwijs of binnen de onderwijsprojecten, afgesloten tussen de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Begroting en de Minister van Onderwijs;

m) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft gepresteerd:

1° in een dienst van de Staat of de diensten van Afrika;

2° in een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat of de diensten van Afrika, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair.

Voor de toepassing van de vorige alinea worden als beroepsmilitairen beschouwd :

1. de officieren van het actieve kader, de toegevoegde en hulpofficieren;

2. de reserveofficieren die vrijwillige prestaties leveren met uitzondering van oefenprestaties;

3. de beroepsonderofficieren, de tijdelijke en de toegevoegde onderofficieren;

4. de militairen van de graad lager dan officier, die dienen op grond van een dienstverbintenis of hernieuwde dienstverbintenis;

5. de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserve-aalmoezeniers die in vredestijd in dienst worden gehouden om het tijdelijk kader van aalmoezeniers te vormen.

n) de tijd begrepen ofwel tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945, ofwel tussen de datum van verwerving van het vereiste bekwaamheidsbewijs en 8 mei 1945, en verloren door de personeelsleden, gedomicilieerd in het gedeelte van het Belgisch grondgebied, door de Duitse overheid wederrechtelijk geannexeerd, zoals het werd bepaald door artikel 1 van de wet van 27 juli 1953, of naar bezet België geëmigreerd tussen deze twee data, door het feit dat zij de nazi-autoriteiten niet gediend hebben en dat zij de eed van trouw aan het Duitse regime niet afgelegd hebben.

o) de tijd begrepen ofwel tussen 10 mei 1940 en 30 juni 1949, ofwel tussen de datum van verwerving van het vereiste bekwaamheidsbewijs, indien deze datum na 10 mei 1940 valt, en 30 juni 1949, en gewijd aan het onderwijs onder dwang van de nazi-autoriteiten of verloren wegens hun gedwongen inlijving in het Duitse leger en wegens hun gevangenschap als krijgsgevangene van een van de geallieerde naties, voor de personeelsleden gedomicilieerd in het gedeelte van het onder n bedoeld grondgebied en vast benoemd ten laatste op datum van 1 oktober 1963.

p) de tijd vóór 1 juli 1949 voor de personeelsleden gedomicilieerd in het gedeelte van het onder n bedoeld grondgebied en vast benoemd ten laatste op datum van 1 oktober 1963, voor de periode gedurende dewelke zij in de privé-sector werden bezoldigd, ofwel als loontrekkende, ofwel als bediende krachtens de besluitwet van 28 december 1944 aan de sociale zekerheid onderworpen.

q) de werkelijke diensten welke het personeelslid sinds 1 mei 1958 heeft verstrekt in een bezoldigd niet-uitsluitend ambt met volledige prestaties aan een onderwijsinstelling van de Staat of van een Gemeenschap op voorwaarde dat ze niet meer verstrekt worden.

r) voor het personeelslid dat het ambt van arts of van directeur uitoefent in een centrum voor leerlingenbegeleiding : de diensten die het personeelslid sedert 1 september 1985 heeft gepresteerd in de hoedanigheid van zelfstandige arts of van contractuele arts van een psycho-medisch-sociaal centrum, van een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht of van een centrum voor leerlingenbegeleiding. Als de diensten gepresteerd werden in de hoedanigheid van zelfstandige arts, worden zij slechts voor de helft in aanmerking genomen, tenzij betrokkene kan aantonen dat de diensten ten minste een volume omvatten dat overeenstemt met de helft van een voltijdse functie als arts. De diensten gepresteerd in de hoedanigheid van zelfstandige arts, kunnen slechts voor maximum 10 jaar in aanmerking worden genomen.

s) de werkelijke diensten die een personeelslid heeft verstrekt in het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde onderwijs met beperkt leerplan als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties dat beschouwd wordt als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, indien het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.

Vanaf 1 september 2011 gelden deze bepalingen ook voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

t) de werkelijke diensten die een personeelslid vanaf 1 januari 2003 heeft verstrekt in een kinderdagverblijf van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel zoals bepaald in de artikelen 22 tot 30 van het decreet 14 februari 2003 betreffende het onderwijs-XIV als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties.

u ) de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt bij :

1) een Huis van het Nederlands;

2) de sportfederaties : Gemeentelijk en Provinciaal Onderwijs Schoolsportfederatie, Nationaal Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Vlaams Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Rijksonderwijs Organisatie Omni-Sport en de Vlaamse Studentensportfederatie;

3) de Stichting voor de Vlaamse Schoolsport;

4) het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;

5) de organisatie die in het kader van een overeenkomst gesloten met de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, aan de kleuters van binnenschippers onderwijs verschaft dat niet in het reguliere scholenaanbod is opgenomen.

v) voor een ander personeelslid van een centrum voor leerlingenbegeleiding dan een personeelslid als vermeld in r), de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties vóór 1 september 2000 heeft verstrekt in een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, als vermeld in de wet van 21 maart 1964 op het medisch schooltoezicht, met uitzondering van diensten die als zelfstandige zijn gepresteerd.

w) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met volledige prestaties in :

1° een Centrum voor Basiseducatie;

2° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs;

3° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie;

4° een consortium volwassenenonderwijs;

5° de VZW NT2 Brussel en de VZW Centrum Nederlands voor Migranten.

Deze bepalingen gelden niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

x) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met volledige prestaties in diensten met onderwijsbehoeften zoals vermeld in artikel IV.2 tot en met IV.18 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

y) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met volledige prestaties in de vzw Voorrangsbeleid Brussel.

B. Eveneens onbeperkt :

a) De tijd die het personeelslid heeft doorgebracht als titularis van een ambt met onvolledige prestaties in een school van de Staat, van de Kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur, of in een door de Staat of door de Kolonie geïnspecteerde of gesubsidieerde school , of in een Belgische universiteit of in een krachtens de wet op het toekennen van de academische graden ermee gelijkgestelde inrichting en dit ongeacht de financieringsbron, mits er behoord te hebben tot het onderwijzend of wetenschappelijk personeel, alsook de werkelijke diensten die een personeelslid heeft verstrekt in het door de Vlaamse Gemeenschap gefinanciërde of gesubsidieerde onderwijs met beperkt leerplan als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties dat beschouwd wordt als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, indien het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.

De bepalingen van het eerste lid zijn onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de werkelijke diensten verstrekt aan :

1° het internaat, toegevoegd aan een onderwijsinstelling;

2° het autonome internaat, elke vorm van tehuis, het semi-internaat en het internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen.

b) de tijd gedurende welke het personeelslid titularis is geweest van een ambt met onvolledige prestaties van aspirant, van gecommitteerd navorser, van gekwalificeerd navorser, van medewerker, van assistent, van opdrachtgelastigde of als mandaathouder :

bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;

bij een der instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, vermeld op de lijst waarvan in dit artikel sprake is onder A, f).

bij een rijksmuseum.

c) de tijd die een personeelslid als titularis van een ambt met onvolledige prestaties doorgebracht heeft vóór 1 januari 1951, aan een door een private persoon georganiseerde inrichting voor middelbaar onderwijs, die op het einde van het schooljaar waarin de diensten verstrekt werden, behoorlijk gehomologeerde of aanvaarde eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs heeft uitgereikt, dan wel aanvullende getuigschriften die betrekking hebben op de drie jaren middelbaar onderwijs van de lagere graad en die de vereiste waarborgen bieden met het oog op latere homologatie of aanvaarding van de eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs.

d) de werkelijke diensten die het personeelslid verstrekt heeft vóór 1 september 1952, als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties aan een door een private persoon georganiseerde inrichting voor normaalonderwijs voor kleuteronderwijzeressen of middelbaar normaalonderwijs, die op het einde van het schooljaar waarin deze diensten verstrekt werden, diploma's uitgereikt heeft onder het toezicht van een door de Staat samengestelde commissie.

e) alleen voor de berekening op een tijdstip vóór 1 september 2006 van de geldelijke anciënniteit in een ambt van beheerder,van studiemeester-opvoeder, opvoeder of van studiemeester-opvoeder internaat, de diensten gepresteerd door de leden van het opvoedend hulppersoneel in een gesubsidieerd vrij internaat, voor zover hun weddenschaal ten minste gelijk was aan die van de studiemeester-opvoeder en voor zover zij bij hun indiensttreding voldeden aan de voorwaarden van artikel V.46 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs en van artikel 18, 1° tot 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

f) de werkelijke diensten welke het personeelslid als titularis van een bezoldigd technisch ambt met onvolledige prestaties heeft verstrekt in een dienst voor studie- en beroepsoriëntering, een psycho-medisch-sociaal centrum of een centrum voor leerlingenbegeleiding van de Staat, van een provincie, van een gemeente of gesubsidieerd door de Staat.

g) de werkelijke diensten die het personeelslid in een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties heeft verstrekt bij een representatieve vereniging van inrichtende machten als :

1° gesubsidieerde contractueel binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen, afgesloten tussen de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling en de Gemeenschapsminister van Onderwijs, overeenkomstig artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 1990 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;

2° werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen, afgesloten tussen de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling en de Gemeenschapsminister van Onderwijs of binnen de onderwijsprojecten, afgesloten tussen de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Begroting en de Minister van Onderwijs;

h) de werkelijke diensten welke het personeelslid sinds 1 mei 1958 heeft verstrekt in een bezoldigd niet-uitsluitend ambt met onvolledige prestaties aan een onderwijsinstelling van de Staat of van een Gemeenschap op voorwaarde dat ze niet meer verstrekt worden.

i) de werkelijke diensten die een personeelslid vanaf 1 januari 2003 heeft verstrekt in een kinderdagverblijf van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel zoals bepaald in artikel IV.19 tot en met IV.25 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties.

j ) de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties heeft verstrekt bij :

1) een Huis van het Nederlands;

2) de sportfederaties : Gemeentelijk en Provinciaal Onderwijs Schoolsportfederatie, Nationaal Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Vlaams Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Rijksonderwijs Organisatie Omni-Sport en de Vlaamse Studentensportfederatie;

3) de Stichting voor de Vlaamse Schoolsport;

4) het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;

5) de organisatie die in het kader van een overeenkomst, gesloten met de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aan de kleuters van binnenschippers onderwijs verschaft dat niet in het reguliere scholenaanbod is opgenomen;

k) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft gepresteerd :

1° in een dienst van de Staat of de diensten van Afrika;

2° in een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat of de diensten van Afrika, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair.

l) voor een ander personeelslid van een centrum voor leerlingenbegeleiding dan een personeelslid als vermeld in A, r), de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties vóór 1 september 2000 heeft verstrekt in een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, als vermeld in de wet van 21 maart 1964 op het medisch schooltoezicht, met uitzondering van diensten die als zelfstandige zijn gepresteerd.

Voor de toepassing van de vorige alinea worden als beroepsmilitairen beschouwd :

1° de officieren van het actieve kader, de toegevoegde en hulpofficieren;

2° de reserveofficieren die vrijwillige prestaties leveren met uitzondering van oefenprestaties;

3° de beroepsonderofficieren, de tijdelijke en de toegevoegde onderofficieren;

4° de militairen van de graad lager dan officier, die dienen op grond van een dienstverbintenis of hernieuwde dienstverbintenis;

5° de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserve-aalmoezeniers die in vredestijd in dienst worden gehouden om het tijdelijk kader van aalmoezeniers te vormen.

m) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met onvolledige prestaties in :

1° een Centrum voor Basiseducatie;

2° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs;

3° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie;

4° een consortium volwassenenonderwijs;

5° de VZW NT2 Brussel en de VZW Centrum Nederlands voor Migranten.

Deze bepalingen gelden niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

n) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met onvolledige prestaties in diensten met onderwijsbehoeften, zoals vermeld in artikel IV.2 tot en met IV.18 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

o) de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verstrekt in een bezoldigde functie met onvolledige prestaties in de vzw Voorrangsbeleid Brussel.

C. Met beperking tot 2 jaar :

de diensten verricht als tewerkgestelde werkloze in een ambt zoals bedoeld in litt. A, a), c), f), h), m), en in litt. B, a), b), e), f) en k) van dit artikel.

In afwijking van het eerste lid geldt voor de personeelsleden zoals bedoeld in artikel 100undecies § 2 en § 6 voor wat het technisch personeel betreft, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en artikel 84decies § 2 en § 5 voor wat het technisch personeel betreft, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, een maximumtermijn van zes jaar, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 betreffende de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden aangeworven als gesubsidieerde contractuelen binnen de bijzondere conventie afgesloten voor de onderwijsinstellingen.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel, wordt het personeelslid ondersteld werkelijke dienst te verstrekken, zolang het zich in een administratieve toestand bevindt ingevolge waarvan het, op grond van zijn statuut, zijn activiteitswedde of, bij ontstentenis daarvan, het recht op bevordering tot een hogere wedde behoudt.

§ 3. De werkelijke diensten die een personeelslid, onderdaan van een lid-Staat van de Europese Unie, heeft verstrekt of de tijd die het heeft doorgebracht in een lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van diensten verstrekt aan een Europese school, komen eveneens in aanmerking als die diensten of tijd kunnen worden gelijkgesteld met of onder vergelijkbare omstandigheden werden gepresteerd als de tijd of werkelijke diensten, bedoeld in de § 1 en § 2.

(voetnoot 5)

Art. 16bis.

Voor de toepassing van artikel 16 mag de inaanmerkingneming van de diensten bewezen worden door alle rechtsmiddelen.

Art. 17.

§ 1. Voor de titularissen van de in § 2 vermelde ambten komt eveneens de tijd in aanmerking gedurende welke het personeelslid diensten heeft verstrekt als werknemer of als zelfstandige, voor zover die als nuttige ervaring worden erkend.

§ 2. De ambten, bedoeld in § 1 zijn :

1° leraar belast met praktische en/of technische vakken;

2° leraar belast met kunstvakken, specialiteiten hedendaagse dans, klassiek ballet, klassieke dans en samenspel;

3° leraar technische vakken en praktijkleraar in het onderwijs voor sociale promotie of in een centrum voor volwassenenonderwijs;

4° een van de onderstaande ambten in een instelling waaraan een afdeling voor technisch en/of beroepssecundair onderwijs verbonden is of waar de onderwijsvormen technisch secundair en/of beroepssecundair onderwijs bestaan of waar in het hoger beroepsonderwijs de opleiding verpleegkunde bestaat :

a) coördinator in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

b) directeur;

c) onderdirecteur of adjunct-directeur;

d) werkplaatsleider of technisch adviseur-coördinator;

e) werkmeester of technisch adviseur;

5° een van de onderstaande ambten in een instelling met uitsluitend een eerste graad waaraan een technisch georiënteerde basisoptie en/of een beroepsvoorbereidend leerjaar bestaat :

a) directeur;

b) onderdirecteur of adjunct-directeur;

c) werkplaatsleider of technisch adviseur-coördinator;

d) werkmeester of technisch adviseur;

6° een van de onderstaande ambten in een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, met inbegrip van de instellingen waar uitsluitend de opleidingsvorm 4 wordt georganiseerd met afdelingen voor technisch en/of beroepssecundair onderwijs :

a) directeur;

b) onderdirecteur of adjunct-directeur;

c) werkplaatsleider of technisch adviseur-coördinator;

d) werkmeester of technisch adviseur;

e) leraar beroepsgerichte vorming;

7° leraar secundair volwassenenonderwijs, tewerkgesteld in een opleiding waarvoor de Vlaamse Regering een opleidingsprofiel heeft goedgekeurd en belast met een of meerdere modules als vermeld in bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs;

8° lector, belast met een opdracht in een of meerdere studiegebieden van het hoger beroepsonderwijs aangeboden door de centra voor volwassenenonderwijs;

9° een van de onderstaande ambten in een centrum voor volwassenenonderwijs waar een of meerdere modules, vermeld in bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, georganiseerd worden of waar een of meerdere studiegebieden van het hoger beroepsonderwijs aangeboden door de centra voor volwassenenonderwijs worden georganiseerd :

a) directeur;

b) adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs;

c) adjunct-directeur hoger beroepsonderwijs en specifieke lerarenopleiding;

d) technisch adviseur;

e) technisch adviseur-coördinator.

§ 3. De perioden die als nuttige ervaring worden erkend, komen in aanmerking, vanaf de leeftijd van 21, 22, 23 of 24 jaar, naargelang van de klasse van de weddenschaal van het betrokken personeelslid.

§ 4. De duur van de perioden die in aanmerking genomen worden, mag nooit meer dan tien jaar bedragen.

§ 5. De nuttige ervaring wordt erkend overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken I, III, IV, V en Vl van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs.

De erkenning van nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs, verleend overeenkomstig het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997, geldt eveneens als erkenning van nuttige ervaring voor de toepassing van dit artikel.

§ 6. Voor de inspecteur secundair onderwijs die vóór zijn benoeming tot dit ambt inspecteur technische vakken en beroepspraktijk of inspecteur beroepsgerichte vorming was en voor de inspecteur-generaal secundair onderwijs die vóór zijn benoeming tot dit ambt inspecteur technische vakken en beroepspraktijk was, komt verder de tijd in aanmerking gedurende welke hij diensten heeft verstrekt als werknemer of als zelfstandige, voor zover die als nuttige ervaring waren erkend.

De perioden die als nuttige ervaring waren erkend, komen in aanmerking vanaf de leeftijd van 24 jaar. De duur van de perioden die in aanmerking genomen worden, mag nooit meer dan tien jaar bedragen.

§ 7. Voor het lid van de pedagogische begeleidingsdienst dat vóór zijn benoeming tot dit ambt inspecteur technische vakken en beroepspraktijk of inspecteur beroepsgerichte vorming was, komt verder de tijd in aanmerking gedurende welke hij diensten heeft verstrekt als werknemer of als zelfstandige, voor zover deze als nuttige ervaring waren erkend.

De perioden die als nuttige ervaring waren erkend, komen in aanmerking vanaf de leeftijd van 24 jaar. De duur van de perioden die in aanmerking genomen worden, mag nooit meer dan tien jaar bedragen.

§ 8. Voor het lid van de inspectiediensten en het lid van de pedagogische begeleidingsdiensten, aangesteld of benoemd in dit ambt na 1 september 1991, komt vanaf zijn aanstelling of zijn benoeming verder de tijd in aanmerking gedurende welke hij diensten heeft verstrekt als werknemer of als zelfstandige die als nuttige ervaring werden erkend voor het ambt uitgeoefend vóór zijn aanstelling of benoeming tot lid van vermelde diensten.

In afwijking van het voorgaande lid kunnen de periodes die als nuttige ervaring werden erkend, slechts in aanmerking komen vanaf de leeftijd van 24 jaar.

Art. 18.

§ 1. In afwijking van artikel 16 en 17 worden nooit de diensten meegeteld die het personeelslid heeft verstrekt :

1° als titularis van een bijbetrekking;

2° a) vóór het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging minder bedroeg dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;

b) vanaf het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het personeelslid verkregen zou hebben, als het zijn ambt met volledige prestaties had uitgeoefend, maar berekend op het minimum van de salarisschaal, gelijk is aan of lager is dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;

3° als titularis van een ambt, uitgeoefend aan een school of instelling voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

Voorzover ze niet meer worden verstrekt, komen de werkelijke diensten niettemin in aanmerking die het personeelslid heeft verstrekt in een door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, of in een door de Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, als titularis van een bezoldigd ambt dat beschouwd zou zijn geworden als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, als het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.

Als de in het vorige lid bedoelde diensten verstrekt werden in een ambt met onvolledige prestaties, worden ze slechts in aanmerking genomen voor hun betrekkelijke duur. Die betrekkelijke duur wordt bepaald door een breuk, die tot teller heeft de werkelijke duur van de diensten, uitgedrukt in wekelijkse lesuren over het jaar, en tot noemer het minimumaantal lesuren dat voor dit ambt is vastgesteld.

Als de in de voorgaande leden bedoelde diensten verstrekt werden in een leergang met beperkt leerplan die niet gedurende veertig weken was opengesteld, wordt de duur of, in voorkomend geval, de betrekkelijke duur van die diensten verminderd. Wanneer de lessen een normale duur hebben, bedraagt de vermindering :

a) 10 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 36 tot 39 weken was opengesteld;

b) 20 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 32 tot 35 weken was opengesteld;

c) 30 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 28 tot 31 weken was opengesteld;

d) 40 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 24 tot 27 weken was opengesteld;

e) 50 procent als de leergang of de afdeling van de leergang minder dan 24 weken was opengesteld.

Het aantal weken dat in aanmerking moet worden genomen om het percentage van de bovenbedoelde vermindering te bepalen wanneer de lessen geen normale duur hebben, wordt vastgesteld door middel van de volgende formule : werkelijk aantal weken gedurende welke de leergang of de afdeling van de leergang was opengesteld, vermenigvuldigd met de duur van de lessen in minuten, gedeeld door vijftig;

4° in de periodes, bedoeld in littera j, k, l, n, o, p van artikel 16 :

a) wanneer die perioden reeds in aanmerking zijn genomen voor de vaststelling van de wedde van het personeelslid;

b) wanneer het personeelslid in de periode vóór 1 september 1955 niet ten minste één maand dienst heeft die op grond van zijn bezoldigingsregeling in aanmerking komt voor de vaststelling van zijn salaris in de schaal die hem toegekend is;

5° in een niet-uitsluitend ambt als de diensten als bijbetrekking beschouwd geweest zouden zijn, gesteld dat het begrip "niet-uitsluitend ambt" niet had bestaan.

§ 2. De bepalingen van § 1, 3°, treden in werking op 1 september 2000 voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van :

1° de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

2° de niet onder 1° bedoelde personeelsleden voor wie deze bezoldigingsregeling geldt, uitsluitend voor het in aanmerking nemen van de diensten die vóór 1 september 2000 werden gepresteerd. Voor deze personeelsleden houden de bepalingen van § 1, 3°, op van kracht te zijn op 31 augustus 2002.

§ 3 De bepalingen van paragraaf 1, 3°, houden op 1 september 2011 op uitwerking te hebben voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 19.

§ 1. De diensten, verstrekt ingevolge een tijdelijke of interimaire aanstelling of benoeming die nietig werd verklaard bij de besluitwet van 5 mei 1944, artikelen 1, letter C, en 2, worden in aanmerking genomen naar hun feitelijke aard en onder de voorwaarden gesteld bij de onderhavige bezoldigingsregeling.

Met ingang van 1 maart 1954 worden evenwel niet meer in aanmerking genomen de diensten, verstrekt in de volgende twee instellingen :

Le Service volontaire du travail pour la Wallonie;

De Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen.

§ 2. Het personeelslid dat, zowel voor de maand augustus 1944, krachtens § 1, als voor de maand november 1944, in aanmerking komende diensten heeft, wordt geacht in september en oktober 1944 in aanmerking komende diensten van dezelfde belangrijkheid als die van augustus 1944 te hebben verstrekt.

b) Duur

Art. 20.

De in aanmerking komende diensten worden berekend per kalendermaand; diegene welke geen volle maand bedragen worden niet medegeteld.

De duur der in aanmerking komende diensten welke het personeelslid als waarnemer gepresteerd heeft in één der toestanden bedoeld in artikel 16, § 1, A, c, wordt evenwel door de Minister van Openbaar Onderwijs vastgesteld.

Voor de toepassing van dit artikel, worden als interimaire diensten beschouwd al de in aanmerking komende diensten, verstrekt gedurende de maand waarin het personeelslid voor het eerst is aangesteld in een andere hoedanigheid dan die van waarnemer.

Art. 21.

De duur van de in aanmerking komende diensten welke het personeelslid telt, mag nooit meer bedragen dan twaalf maanden voor een kalenderjaar.

c) Belangrijkheid

Art. 22 t.e.m. 24.

[....]

Art. 25.

Voor de vaststelling van het belang van de in aanmerking komende diensten, wordt elke verandering van diploma, bekwaamheidsbewijs of schaal die zich op een andere dag dan de eerste ener maand voordoet, verschoven naar de eerste der volgende maand.

D. Berekening van de wedde

Art. 26.

§ 1. Het personeelslid geniet te allen tijde de wedde overeenstemmend met zijn anciënniteit, die het totaal van zijn in aanmerking komende diensten uitmaakt.

§ 2. [....]

§ 3. [....]

Art. 27.

Voor de vaststelling van de wedde overeenkomstig artikel 26, wordt alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit, d.w.z. die, verkregen op het tijdstip dat het personeelslid het grootste getal jaren in aanmerking komende diensten overeenstemmend met de periodieke verhogingen telt.

Art. 28.

Voor de toepassing van de artikelen 26 en 27, telt elk geheel van twaalf maanden in aanmerking komende diensten voor één jaar.

Art. 29.

[....]

Art. 30.

Het personeelslid geniet nooit een hogere wedde dan de maximumwedde uit zijn schaal.

Afdeling III. - Uitbetaling der wedde

Art. 31.

§ 1. Wordt maandelijks en vooruit betaald, het vast personeelslid, het voorlopig, in stagedienst of op termijn benoemd personeelslid, alsmede het waarnemend personeelslid dat zijn ambt permanent uitoefent.

(voetnoot 1)

§ 2. De maandwedde is gelijk aan 1/12de van de wedde.

Wanneer een in § 1 bedoeld personeelslid op een andere datum dan de eerste ener maand een nieuwe benoeming of aanstelling bekomt, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.

Bij het overlijden of op pensioen stellen van een in § 1 bedoeld personeelslid, is de wedde voor de lopende maand niet terugvorderbaar.

(voetnoot 2)

§ 3. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt zij in dertigsten verdeeld overeenkomstig de regelen die in het geval gelden voor het personeel der ministeries.

Art. 32.

(voetnoot 6)

§ 1. Wordt maandelijks, na vervallen termijn, betaald het waarnemend personeelslid dat zijn ambt niet permanent uitoefent.

Zijn betaalbaar, al de dagen gerekend van het begin tot het einde van het interim, met inbegrip, voor zover zij in de duur van het interim opgenomen zijn, van de ontspanningsverloven alsmede van de Kerst- en Paasvakantie. Het aantal te betalen dagen mag nochtans voor een kalenderjaar niet meer dan driehonderd bedragen.

§ 2. Het dagloon is gelijk aan 1/300ste van de wedde.

(voetnoot 3)

Art. 33.

Voor de wedde van het personeelslid op wie dit besluit van toepassing is, geldt dezelfde mobiliteitsregeling als voor de wedden van het personeel der ministeries.

HOOFDSTUK II. - Overgangsstelsel

Art. 34.

Het bijzonder stelsel ingevoerd bij de artikelen 35 en 38 geldt voor elk personeelslid dat, uiterlijk sedert 1 maart 1953, steeds heeft behoord tot een dienst van de Staat, een dienst van Afrika, een onderwijsinrichting tot stand gebracht door een provincie, een gemeente, een bestuur ondergeschikt aan een provincie of een gemeente, een vereniging van gemeenten en door andere publiekrechtelijke personen, tot een gesubsidieerde onderwijsinrichting tot stand gebracht door een private persoon,

hetzij als lid van het onderwijzend, wetenschappelijk of daarmee gelijkgesteld personeel, dat vast, voorlopig, in stagedienst of op termijn is benoemd, ofwel dat als waarnemer zijn ambt permanent uitoefent;

hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige presaties;

hetzij als beroepsmilitair.

Dit bijzonder stelsel geldt eveneens voor het lid van het technisch personeel van een psycho-medisch-sociaal-centrum van de Staat dat uiterlijk sedert 1 maart 1953, steeds heeft behoord :

hetzij tot een van de in vorige alinea's vermelde diensten en inrichtingen als titularis van de in deze alinea's bedoelde ambten;

hetzij tot een dienst voor studie- en beroepsoriëntering of een psycho-medisch-sociaal-centrum van een provincie, van een gemeente of gesubsidieerd door de Staat, als titularis van een bezoldigd technisch ambt met volledige prestaties.

Art. 35.

De in artikel 16, § 1, vermelde diensten komen voor het in artikel 34 bedoeld personeelslid in aanmerking vanaf de leeftijd van :

1° 18 jaar indien zijn weddenschaal :

a) tot de klasse "20 jaar" of tot de klasse "21 jaar" behoort;

b) overgaat van de klasse "21 jaar" naar de klasse "22 jaar";

2° 20 jaar indien zijn weddenschaal tot de klasse "22 jaar" of tot de klasse "23 jaar" behoort;

3° 23 jaar indien zijn weddenschaal tot de klasse "24 jaar" behoort.

De beperking tot tien jaar waarvan sprake in B van hetzelfde artikel is niet op hem van toepassing.

Art. 36.

[....]

Art. 37.

Deze bepalingen gelden voor elk personeelslid, op 31 maart 1972 benoemd in een ambt van het paramedisch personeel, dat uit dien hoofde op deze datum de weddenschaal II/114.742 -211.108 genoot en dat sedert dezelfde datum steeds heeft behoord tot een door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling.

Voor de vaststelling van de wedde van het in lid 1 vermeld personeelslid komen de in artikel 16, § 1, bedoelde diensten in aanmerking vanaf de leeftijd van 21 jaar.

De artikelen 16, § 2, en 17bis tot 21 gelden eveneens voor de toepassing van deze bepalingen.

Art. 38.

Het gestelde in de artikelen 16, § 2, en 18 tot 21 gelden voor de toepassing van artikel 35.

Art. 39.

[....]

Art. 40.

Wanneer het in artikel 34 bedoelde personeelslid aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen reeds een ambt met volledige prestaties uitoefent, is, in afwijking van artikel 5, letter a), elk ander ambt dat het, zelfs aan een van deze scholen, in vast dienstverband uitoefent, een bijbetrekking.

Art. 40bis.

§ 1. De personeelsleden die op 29 juni 1959 in dienst waren of zich in een van de toestanden, bepaald in § 3, bevonden en die sedertdien zonder onderbreking in dienst gebleven zijn in het onderwijs, kunnen op die datum de diensten valideren die in aanmerking genomen worden krachtens de vroegere reglementsbepalingen die op hen toepasselijk zijn ingeval die anciënniteit groter is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 1958, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 juni 1962.

§ 2. In afwijking van artikel 16 van dit besluit behouden de in § 1 bedoelde personeelsleden na 29 juni 1959 het voordeel van de leeftijdsgrens zoals ze vastgesteld is in de vroegere reglementsbepalingen die op hen van toepassing waren.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel worden niet als dienstonderbreking beschouwd :

1° de afwezigheid tijdens welke het personeelslid aanspraak kan maken op zijn loon of op een pensioen, dat tijdelijk wordt toegekend of dat in aanmerking komt voor de verhoging in wedde of voor de toekenning en de berekening van het pensioen;

2° de perioden van schoolvakantie en ontspanningsverlof en de dagen waarop de lessen geschorst zijn;

3° de tijd tijdens welke het personeelslid zijn legerdienst vervult of wederopgeroepen is;

4° elke schorsing van de ambtsuitoefening, die in één of verschillende malen niet meer dan zes werkdagen bedraagt;

5° elke andere afwezigheid die, in één of verschillende malen, niet meer dan twee jaar bedraagt en tijdens welke de uitwerking van de aanwervingsakte of van het aanwervingscontract geschorst werd krachtens een beslissing van het inrichtend bestuur, aan de Minister van Nationale Opvoeding betekend binnen de maand volgend op het begin van de afwezigheid.

TITEL III. - Hoofdambten met onvolledige prestaties

Art. 41.

(voetnoot 4)

§ 1. De wedde van de titularis van een hoofdambt met onvolledige prestaties is gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar te vermenigvuldigen met het aantal wekelijkse lesuren dat voornoemd ambt gedurende het schooljaar behelst.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de prestaties in een hogeschool, vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, is het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar gelijk aan de uitkomst welke verkregen wordt, door de wedde die overeenkomstig de bepalingen van titel II het personeelslid bij het thans uitoefenen van hetzelfde ambt met volledige prestaties zou genieten, te delen door een getal dat, volgens het minimum aantal lesuren dat dit ambt met volledige prestaties behelst, verandert als volgt :

Minimum aantal lesuren

Deler

8

8

16

16

18,19,20

20

21

21 (4)

22

22 (sec. onderwijs)

25

25

30

30

32

32

34

34

36

36

§ 3. De wedde van de directeur wiens betrekking in stand wordt gehouden overeenkomstig artikel 3, laatste lid, van het koninklijk besluit van 12 januari 1966 houdende vaststelling van de voorwaarden vereist voor het bepalen van het aantal betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch onderwijs is gelijk aan zoveel keren 1/10de van de wedde verbonden aan zijn ambt als de schoolbevolking tienden bereikt van het minimum vastgesteld in bovengenoemd artikel 3.

Art. 42.

§ 1. Wanneer het personeelslid titularis is van verscheidene hoofdambten met onvolledige prestaties, wordt de vermenigvuldiging, waarvan sprake in artikel 41, § 1, gedaan voor elk ambt. De aldus bekomen som der produkten is de wedde van het personeelslid.

§ 2. Bereikt het totaal van de betrekkelijke waarde der in verscheidene hoofdambten met onvolledige prestaties verstrekte lesuren, overeenkomstig artikel 4, § 2, de eenheid, dan wordt in afwijking van voorgaande § 1, de wedde van het personeelslid vastgesteld met inachtneming van onderstaande modaliteiten :

1° voor elk ambt met onvolledige prestaties wordt de bij artikel 41, § 2, bepaalde deler vervangen door het minimum aantal lesuren, vastgesteld voor het overeenstemmende ambt met volledige prestaties;

2° telt enkel mede het kleinste geheel getal lesuren dat nodig is opdat de som van de betrekkelijke waarden van deze uren de eenheid zou bereiken; onder de door het personeelslid gepresteerde uren worden altijd eerst die gekozen welke in de best bezoldigde ambten zijn gepresteerd geworden.

Art. 42bis.

Wanneer de directeur bedoeld in artikel 41, § 3, van dit besluit in dezelfde inrichting eveneens titularis van een hoofdambt van leraar met onvolledige dienstprestaties is, wordt de wedde verbonden aan dit ambt berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 41, § 1.

De aldus berekende wedde is evenwel beperkt tot het verschil tussen de wedde verbonden aan het ambt van directeur en die welke het personeelslid bekomt ter toepassing van artikel 41, § 3.

Art. 43.

De volgens artikel 42, § 2, vastgestelde wedde mag nooit hoger zijn dan die welke het personeelslid zou genieten als het, in zijn best bezoldigd ambt met onvolledige prestaties, volledige prestaties zou leveren.

Art. 44.

Het gestelde in artikel 31 tot 33 geldt voor het personeelslid op wie deze titel III van toepassing is.

TITEL IIIbis - Bijbetrekkingen

Art. 44bis.

(voetnoot 4)

§ 1. De titularis van een bijbetrekking in het Rijksonderwijs en die tevens een loopbaanbetrekking uitoefent, beide door de Staat bezoldigd, geniet een wedde die vastgesteld is op 50 ten honderd van de wedde die hij zou ontvangen indien hij zijn betrekking als hoofdambt uitoefende, op voorwaarde dat de normale werktijden van beide ambten samenvallen.

Het bestaan van laatstgenoemde voorwaarde wordt, in twijfelachtige gevallen vastgesteld door de Minister van het departement op welks begroting de wedde voor de loopbaanbetrekking is uitgetrokken.

§ 2. De wedde die de titularis van een bijbetrekking in het rijksonderwijs, die deel uitmaakt van het personeel van andere openbare diensten dan de diensten van de Staat of van het personeel van een gesubsidieerde privé-inrichting die een weddetoelage geniet ten laste van de Openbare Schatkist, wordt, wanneer de normale werktijden van beide ambten samenvallen, vastgesteld op 50 ten honderd van de wedde die hij zou bekomen indien hij eerstgenoemde betrekking als hoofdambt uitoefende.

§ 3. Hij die titularis is van een bijbetrekking met volledige prestaties in het rijksonderwijs, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, en die tevens lid is van het rijkspersoneel, van een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat, ongeacht of de normale werktijden al dan niet samenvallen, geniet een wedde die vastgesteld is op 50 ten honderd van de wedde die hij zou bekomen indien hij zijn ambt als hoofdambt uitoefende.

Art. 44ter.

§ 1. De wedde van de titularis van een bijbetrekking in het Rijksonderwijs, andere dan die bedoeld in artikel 44bis, is gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar te vermenigvuldigen met het aantal wekelijkse lesuren dat voornoemd ambt gedurende het schooljaar behelst.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 :

1° is het bedrag per wekelijks lesuur over het jaar gelijk aan de uitkomst welke verkregen wordt door de minimumwedde van de schaal die het personeelslid zou genieten indien hij dat zelfde ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, te delen door een getal dat, volgens het minimumaantal lesuren dat het hoofdambt met volledige prestaties behelst, verandert als volgt :

Minimumaantal lesuren

Deler

8

12

16

18

18,19,20 of 21

25

22

25 (secundair onderwijs)

25

30

30

35

32

37

34

40

36

42

2° wordt het aantal lesuren dat in aanmerking dient genomen voor de berekening van de aan de bijbetrekking verbonden wedde altijd beperkt tot het minimumaantal lesuren vastgesteld voor de overeenkomstige hoofdbetrekking met volledige prestaties.

Art. 44quater.

De wedde van het lid van het wetenschappelijk personeel dat zijn ambt als bijbetrekking uitoefent, wordt vastgesteld op 50 pct. van de wedde die het zou bekomen indien het zijn ambt als hoofdambt uitoefende.

Art. 44quinquies.

De bepalingen van de artikelen 44bis, 44ter en 44quater gelden onverminderd het bepaalde in de wet van 20 maart 1958 betreffende de cumulatie van pensioenenen en wedden en de regeling inzake rustpensioenen voor verschillende ambten.

Art. 44sexies.

Het bepaalde in de artikelen 31 tot 33 geldt voor het personeelslid dat een bijfunctie uitoefent.

TITEL IIIter. - Niet-uitsluitend ambt

Art. 44septies.

(voetnoot 4)

Voor de berekening van de wedde van het personeelslid, titularis van een niet-uitsluitend ambt, zijn alleen de artikelen 1, 2, 6 tot 13, 15, 19, 20, eerste lid, 21, 25, 26, § 1, 27, 28 en 30 tot 33, van dit besluit van toepassing.

Komen alleen in aanmerking, vanaf de leeftijd van 21 of 23 jaar, naargelang de klasse van zijn schaal, de werkelijke diensten welke het personeelslid, titularis van een niet-uitsluitend ambt, verstrekt heeft in een rijksinrichting voor kunstonderwijs met volledig leerplan. Voor de leraars die verbonden zijn aan een rijksinrichting voor het onderwijs in de bouwkunst of aan een rijksinrichting voor hoger onderwijs in de plastische kunsten, in dienst in die hoedanigheid op 31 maart 1972, worden eveneens in aanmerking genomen die diensten die, vóór hun indiensttreding in het kunstonderwijs van de Staat, verstrekt werden als titularis van een hoofdambt met volledige of onvolledige prestaties in een school met volledig leerplan van de Staat, van de kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur of in een door de Staat of door de kolonie gesubsidieerde of geïnspecteerde school met volledig leerplan; in dit geval zijn eveneens de artikelen 16 en 17bis van dit besluit op hen van toepassing.

TITEL IV. - Slotbepalingen

Art. 45.

(voetnoot 4)

De Minister van Openbaar Onderwijs regelt, op advies van een bijzondere commissie van ambtenaren, de gevallen die een zodanig bijzonder aspect vertonen, dat in de geest van de nieuwe bezoldigingsregeling, een minder letterlijke toepassing van de regelen verantwoord is.

Van het bepaalde in de artikelen 14 en 21 mag evenwel niet worden afgeweken.

De ambtenaren van de diensten van de Eerste Minister die zullen moeten deel uitmaken van de bijzondere commissie worden aangeduid door de Minister van Openbaar Onderwijs, in overleg met de Eerste Minister.

Art. 46.

Van 1 mei 1958 tot op de datum van bekendmaking van het in artikel 7 bedoeld koninklijk besluit waarbij de schaal voor zijn graad wordt vastgesteld, behoudt het personeelslid voorlopig de wedde die het genoot op 30 april 1958.

Art. 47.

Voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952 is deze bezoldigingsregeling van toepassing wanneer, ingevolge het nieuwe weddenstelsel, het personeelslid, in totaal, een netto-bezoldiging verkrijgt die hoger is dan die welke het onder het vorige weddenstelsel genoot.

Voor ieder der maanden begrepen tussen 1 september 1952 en 30 april 1958 is deze bezoldigingsregeling van toepassing wanneer het personeelslid ingevolge het nieuwe weddenstelsel een hogere netto-bezoldiging verkrijgt dan die welke het onder het vorige weddenstelsel genoot.

Voor de toepassing van dit artikel :

1. omvat de krachtens de nieuwe bezoldigingsregeling toegekende bezoldiging :

a) voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952 :

1° de wedde vastgesteld overeenkomstig de door dit besluit ingevoerde bezoldigingsregeling, eventueel met inbegrip van de anciënniteitsbijslag bepaald bij artikel 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 zoals hij toepasselijk is op het personeel der ministeries onder de gelding van de bezoldigingsregeling van 16 februari 1953;

2° eventueel, de haard- of standplaatstoelage, zoals zij toepasselijk is op het personeel der ministeries onder de gelding van de bezoldigingsregeling van 16 februari 1953;

3° eventueel, de toelage voor overwerk zoals zij wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

b) voor het tijdperk van 1 september 1952 tot 30 april 1958 : de wedde en eventueel de haard- of standplaatstoelage zoals bedoeld onder 1, a), 1° en 2° ;

2. omvat de krachtens de vorige bezoldigingsregeling toegekende bezoldiging :

a) voor het tijdperk van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952:

1° de wedde berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen, of het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der onderwijsinspecties die van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangen, eventueel met inbegrip van de overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 april 1952 vastgestelde anciënniteitsbijslag;

2° eventueel de haard- of standplaatstoelage vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Regent van 16 maart 1950 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan zekere categorieën van het door de Staat bezoldigde personeel;

3° eventueel, de toelage voor overwerk, vastgesteld overeenkomstig de regelen toegepast onder de gelding van het koninklijk besluit van 1 december 1953;

b) voor het tijdperk van 1 september 1952 tot 30 april 1958 : de wedde en toelage zoals bedoeld onder 2, a), 1° en 2° .

3. zijn de regels vastgesteld bij de artikelen 44bis tot 44quinquies van toepassing voor de periode van 1 januari 1951 tot 30 april 1958 indien ingevolge die regels aan het personeelslid een hogere netto-bezoldiging wordt toegekend dan die welke hij genoot onder het vroegere stelsel, voor de bijbetrekking waarvan hij titularis was.

Voor iedere maand begrepen tussen 1 juli 1962 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing wanneer de nieuwe bezoldigingsregeling aan het personeelslid een nettobezoldiging verleent welke hoger ligt dan die welke hij onder de vroegere bezoldigingsregeling genoot.

4. de regels, vastgesteld bij artikel 44septies, zijn toepasselijk voor de periode van 1 januari 1951 tot 31 maart 1972, wanneer zij aan het personeelslid een netto-inkomen waarborgen dat hoger is dan datgene dat hij genoot voor hetzelfde ambt onder het vroeger stelsel.

Art. 47bis.

De weddenanciënniteit die op 31 augustus 2000 in aanmerking werd genomen voor het bepalen van de wedde van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, op 1 september 2000 zijn overgedragen vanuit een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, wordt voor toepassing van artikel 192 van voormeld decreet beschouwd als zijnde verworven overeenkomstig de bepaling van dit besluit. Deze weddenanciënniteit blijft behouden bij een eventuele overgang naar een ambt van de categorie van het administratief personeel binnen een centrum voor leerlingenbegeleiding, eveneens overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

Art. 48.

Opgeheven worden :

1° het koninklijk besluit van 25 april 1929 houdende coördinatie van de bepalingen betreffende de vaststelling van de wedden der leden van het onderwijzend en administratief personeel der rijksinrichtingen voor middelbaar onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Regent van 25 oktober 1946, 23 oktober 1947, 15 mei en 9 juni 1949 en bij de koninklijke besluiten van 20 december en 22 december 1952 en 1 maart 1954;

2° het koninklijk besluit van 25 april 1929 houdende coördinatie van de bepalingen betreffende de vaststelling van de wedden der leden van het administratief en onderwijzend personeel der rijksinrichtingen voor normaalonderwijs;

3° het besluit van de Regent van 20 november 1945 betreffende de vaststelling van de wedde van zekere leden van het personeel der rijksuniversiteiten;

4° het besluit van de Regent van 7 november 1946 tot vaststelling van de bezoldiging van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Regent van 10 januari en 4 oktober 1949, 6 maart 1950 en de koninklijke besluiten van 13 november 195O, 14 maart, 16 oktober, 23 november 1951 en 6 maart 1953;

5° het besluit van de Regent van 22 oktober 1947 betreffende de weddenschaal van het personeel der rijkslagere en rijksmiddelbare normaalscholen;

6° het besluit van de Regent van 1 april 1948 betreffende de wedde der bewaarschoolonderwijzeressen bij het rijksmiddelbaar onderwijs;

7° het koninklijk besluit van 6 maart 1951 betreffende het in aanmerking nemen, voor de vaststelling van de wedden van sommige categorieën van het rijkspersoneel, van de diensten gepresteerd ingevolge een nietig verklaarde benoeming;

8° het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel der van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangende inrichtingen;

9° het koninklijk besluit van 1 december 1953 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der onderwijsinspecties die van het Ministerie van Openbaar Onderwijs afhangen;

10° al de besluiten die van kracht waren voor deze bezoldigingsregeling, voor zover zij, ten aanzien van de personeelsleden op wie deze bezoldigingsregeling van toepassing is, weddenschalen of wijzen van weddebepaling vaststellen.

Art. 49.

Dit besluit treedt op 1 mei 1958 in werking.

Art. 50.

Onze Minister van Openbaar Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."

- (5): Voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, treedt paragraaf 3 in werking op 1 januari 2005; voor de onderdanen van landen die na 1 januari 2005 tot de Europese Unie toetreden, treedt artikel 2 in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt. Voor de niet in vorige zin bedoelde personeelsleden heeft paragraaf 3 uitwerking met ingang van 1 september 1999; voor de onderdanen van landen die na 1 september 1999 tot de Europese Unie toetreden, treedt paragraaf 3 in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt.

- (1): Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984 betreffende de betaling na vervallen termijn van de wedde van sommige personeelsleden van de openbare sector (B.S. 6-4-1984) bepaalt echter dat : "De wedde van de in artikel 1 bedoelde personeelsleden wordt vanaf de maand juli 1984 na vervallen termijn betaald, met name op de laatste werkdag van de maand behalve de betaling van de wedde van de maand december die plaats heeft op de eerste werkdag van de maand januari van het volgend jaar. Dit geldt eveneens voor de toelagen alsook voor alle andere elementen van de bezoldiging die terzelfdertijd als de wedde worden betaald. De betaling van de kinderbijslagen is nochtans niet bedoeld bij dit artikel".

- (2): Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit van 30 maart 1984 bepaalt echter dat : "Wanneer het vast of stagedoend personeelslid overlijdt of op pensioen gesteld wordt, wordt naar gelang van het geval, de volle maandwedde betaald aan betrokkene of aan zijn rechthebbenden."

- (6): Art. 32 houdt op van toepassing te zijn op de tijdelijke leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, vanaf 1 september 1996 (B.Vl.R. 24-6-1997; Art. 8 en 9)

- (3): Art. 32, § 1, tweede lid en § 2 zijn impliciet opgeheven bij art. 7 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982.

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."

- (4): NVDR : Art. 332 van het hogescholendecreet dd. 13-7-1994 luidt als volgt : "In afwachting van de door de Vlaamse regering vastgestelde bezoldigingsregeling, zoals bepaald in artikel 135, blijft het K.B. 15-4-1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar onderwijs van kracht met uitzondering van de artikelen 4, 5, 16, § 1, B, 17 en 41 tot en met 49."