Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    15 APRIL 1958
  • publicatiedatum
    B.S.20/04/1958
  • datum laatste wijziging
    23/10/2009

(voetnoot 1)

(voetnoot 2)

(voetnoot 3)

COORDINATIE

K.B. 7-2-1966 - B.S. 10-3-1966

K.B. 22-10-1971 - B.S. 14-3-1972

K.B. 4-3-1977 - B.S. 8-6-1977

K.B. nr. 161, 30-12-1982 - B.S. 15-1-1983

Decr. 13-7-1994 - B.S. 31-8-1994

B.Vl.R. 9-5-1996 - B.S. 25-7-1996

B.Vl.R. 14-12-2001 - B.S. 9-4-2002

B.Vl.R. 11-1-2002 - B.S. 21-2-2002

B.Vl.R. 4-9-2009 - B.S. 23-10-2009

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.

Gelet op de wet van 15 november 1919 betreffende het landbouwonderwijs, inzonderheid op de artikelen 3 en 6;

Gelet op de wet tot regeling van het lager onderwijs, herdrukt op 25 oktober 1921, inzonderheid op artikel 23bis, dat in deze wet werd ingevoegd bij de wet van 15 mei 1929, en op artikel 39, vierde lid;

Gelet op de wetten tot regeling van het middelbaar onderwijs, gecoördineerd de 31 december 1949, inzonderheid op de artikelen 11 en 33;

Gelet op de wet van 23 juli 1952 tot regeling van het normaalonderwijs, inzonderheid op de artikelen 4, § 1, 6 en 20, gewijzigd bij de wet van 27 juli 1955;

Gelet op de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de rijksuniversiteiten, inzonderheid op artikel 50;

Gelet op de wet van 29 juli 1953 tot regeling van het technisch onderwijs, inzonderheid op artikel 16, gewijzigd bij de wet van 27 juli 1955, en op artikel 60;

Gelet op de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs, inzonderheid op artikel 8;

Gelet op de wet van 27 juli 1955 houdende regelen inzake inrichting van het onderwijs van de Staat, de provincie en de gemeenten, en inzake subsidiëring door de Staat van inrichtingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

Gelet op het advies van het subcomité "Onderwijzend Personeel" van de Departementale Syndicale Raad van Advies;

Gelet op het akkoord van Onze Eerste Minister;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Openbaar Onderwijs en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

Een toelage voor overwerk wordt toegekend aan het lid van het onderwijzend of daarmee gelijkgesteld personeel, dat overuren heeft gepresteerd in een school waar het belast is met de uitoefening van een geheel of gedeeltelijk hoofdambt dat volledige prestaties behelst in de zin van artikel 4, § 2 incluis, en van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Er wordt geen rekening gehouden met opdrachten gepresteerd in hogescholen vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

Deze bepaling wordt toegepast zonder afbreuk te doen aan artikel 40 van vorengenoemd koninklijk besluit van 15 april 1958.

Art. 2.

Voor de toepassing van artikel 1, is het aantal voor een week in aanmerking te nemen overuren gelijk aan het verschil tussen het totaal der tijdens die week gepresteerde en niet door de wedde bezoldigde uren, en een zodanig aantal van deze uren dat de som van hun betrekkelijke waarden de eenheid bereikt. Om het aantal van de af te trekken uren te vormen worden altijd eerst die gekozen welke in de best bezoldigde ambten werden gepresteerd.

Voor de toepassing van het eerst lid, wordt de betrekkelijke waarde van een af te trekken uur voorgesteld door een breuk die tot teller het getal 1 heeft en tot noemer een getal dat, volgens het minimumaantal uren prestaties die het ambt omvat waarin het af te trekken uur gepresteerd werd, verandert als volgt :

Minimumaantal uren

Noemer

8

3

16

2

18,19,20 of 21

2

21 (technische vakken en beroepspraktijk)

3

24

4

25

4

[29]

[1]

30

3

32

4

Art. 3.

In afwijking van artikel 2 :

1° is ten aanzien van de onderwijzer-klassetitularis die fungeert in de voorbereidende afdeling van een inrichting voor middelbaar onderwijs, in de lagere oefenschool verbonden aan een normaalschool of in een internaat voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben, het aantal der voor een week in aanmerking te nemen overuren gelijk aan het totaal aantal uren, die gedurende die week in dezelfde inrichting gepresteerd werden, hetzij in het lager onderwijs boven het vijf en twintigste uur, de uren aldus in de klas van belanghebbende gepresteerd niet meegerekend, hetzij in een onderwijs van een ander niveau boven de lesuren voorkomend op de lesrooster van zijn klas;

2° wordt de noemer 3 vervangen door de noemer 2 ten aanzien van het personeelslid bedoeld in artikel 34 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 en wiens ambt met volledige prestaties uitgeoefend wordt in een lagere normaalschool en een middelbare normaalschool;

3° tijdens het schooljaar 2001-2002 is in het gewoon voltijds en deeltijds beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4 voor de leraars die in de 2e, 3e en/of 4e graad uitsluitend belast zijn met praktische vakken en/of hiermee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn en waarvoor een ambt met volledige prestaties 30 lesuren bedraagt, het aantal voor een week in aanmerking te nemen overuren gelijk aan het aantal lesuren dat zij gedurende die week presteren boven het minimumaantal lesuren dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties;

[...]

Art. 4.

Het bedrag van de toelage voor overwerk is voor een ambt gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag van het overuur te vermenigvuldigen met het aantal der in dit ambt gepresteerde overuren.

Wanneer het personeelslid overuren heeft gepresteerd in verscheidene ambten, wordt de in de eerste alinea bedoelde vermenigvuldiging gedaan voor ieder ambt. De som der aldus bekomen produkten is de toelage voor overwerk.

Elke dag afwezigheid van het personeelslid, die door zijn schuld veroorzaakt is of die het gevolg is van een reglementair verlof, geeft aanleiding tot het verlies van één zevende van de toelage voor overwerk die voor de betrokken week verschuldigd zou zijn indien tijdens de duur ervan volledige prestaties waren verstrekt.

Indien de toepassing van deze bepaling een vermindering van meer dan vier zevende tot gevolg heeft, is echter geen enkele toelage voor overwerk voor die week verschuldigd.

Voor de toepassing van het vorig lid worden de dagen die niet gepresteerd werden in de onderwijsinrichting door het personeelslid dat op regelmatige wijze deelneemt aan reglementair ingestelde of met het akkoord van de Minister georganiseerde examencommissies, comités, commissies, raden, raden van beroep, werkgroepen, colloquia of studiedagen, niet als dagen afwezigheid beschouwd.

Art. 5.

Voor een ambt is het bedrag van het overuur gelijk aan de uitkomst welke verkregen wordt door de minimumwedde van de schaal die het personeelslid zou genieten indien het dat ambt als hoofdambt en met volledige prestaties zou uitoefenen, te delen door een getal dat, volgens het minimumaantal uren prestaties die het hoofdambt met volledige prestaties omvat, verandert als volgt :

Minimumaantal lesuren

Deler

8

360

16

720

18,19,20 of 21

1.000

24 of 25

1.200

30

1.400

32

1.480

36

1.600

Art. 6.

De toelage wordt na vervallen termijn [...] betaald voor elk der hierna vermelde periodes :

a) van de hervatting der lessen tot 31 december;

b) van 1 januari tot de aanvang van de Paasvakantie;

c) van de Paasvakantie tot het einde van het schooljaar.

Voor bedoelde toelage geldt dezelfde mobiliteitsregeling als voor de wedden van het personeel der ministeries.

Art. 7.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1952.

Voor de periode van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1952 echter vindt het toepassing op het personeelslid aan wie het nieuw bezoldigingsstelsel bij toepassing van artikel 47 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, een hogere netto-bezoldiging verzekert dan het onder het vorig stelsel genoot.

Art. 8.

Onze Minister van Openbaar Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Voor het verlenen van een wedde, weddetoelage of toelage voor prestaties die als overwerk dienen te worden beschouwd : zie artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan (B.S. 29-7-1982). Voor het hoger onderwijs met volledig leerplan : zie opheffingsbepalingen van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. (B.S. 31-8-1994)

- (2): Houdt op van toepassing te zijn op het hoger onderwijs met volledig leerplan (Decr. 13-7-1994; Art. 366, 1°)

- (3): Opgeheven, voor zover het betrekking heeft op de hogescholen (B.Vl.R. 9-5-1996; Art. 2, 22° )