Koninklijk besluit houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    01 DECEMBER 1970
  • publicatiedatum
    B.S.31/12/1970
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017
  • erratum
    B.S.1-4-1971

COORDINATIE

K.B. 5-11-1971 - B.S. 31-12-1971

K.B. 28-1-1975 - B.S. 9-10-1975

K.B. 9-7-1976 - B.S. 17-8-1976

K.B. nr. 279, 30-3-1984 - B.S. 6-4-1984

B.Vl.R. 23-2-1994 - B.S. 26-5-1994

B.Vl.R. 30-3-1999 - B.S. 8-5-1999

B.Vl.R. 7-9-2001 - B.S. 18-12-2001

B.Vl.R. 15-10-2004 - B.S. 9-12-2004

B.Vl.R. 29-10-2004 - B.S. 10-1-2005

B.Vl.R. 24-7-2009 - B.S. 13-10-2009

B.Vl.R. 24-7-2009 - B.S. 13-10-2009

B.Vl.R. 21-11-2014 - B.S. 14-1-2015

B.Vl.R. 9-9-2016 - B.S. 13-10-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs ;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, zoals het gewijzigd werd;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 tot vaststelling en indeling van de ambten van het administratief personeel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, zoals het gewijzigd werd;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, zoals het gewijzigd werd;

Gelet op het advies van de Syndicale Raad van Advies;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van het Openbaar Ambt, gegeven op 4 februari 1970;

Gelet op het akkoord van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, gegeven op 28 oktober 1970;

Gelet op de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State, inzonderheid op artikel 2, lid 2;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Ministers van Nationale Opvoeding, van Onze Minister van Franse Cultuur en van Onze Minister van Nederlandse Cultuur,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

De wedden van de leden van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden vastgesteld in de weddenschalen bestaande uit :

- een minimumwedde;

- zogenaamde "weddetrappen", die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen;

- een maximumwedde.

Art. 2.

Wedden en periodieke verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.

De wedde van een personeelslid, titularis van een ambt met volledige prestaties en ten minste eenentwintig jaar oud, ligt nooit beneden het bestaansminimum.

Art. 3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

a) "dienst van de Staat" : elke niet-rechtspersoonlijke dienst behorende onder de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht;

b) "dienst van Afrika" : elke niet-rechtspersoonlijke dienst die onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi behoorde;

c) onder de uitdrukking "andere openbare diensten dan die van de Staat en de diensten van Afrika" wordt verstaan:

1° elke dienst, die onder de uitvoerende macht ressorteert en rechtspersoonlijkheid heeft;

2° elke dienst, die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi en rechtspersoonlijkheid had;

3° elke gemeente- of provinciale dienst;

4° elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang en in de oprichting of bijzondere leiding waarvan de openbare overheid een overwegend aandeel heeft, alsook elke instelling onder koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.

d) "ambt met volledige prestaties" : het ambt dat prestaties behelst waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt, ongeacht of ze in één of meer, bij dit statuut bedoelde rijksonderwijsinrichtingen worden verstrekt.

TITEL II. - Ambten met volledige prestaties

HOOFDSTUK I. - Vaststelling van de weddenschalen

Art. 4.

De weddenschaal voor elk ambt wordt door de Koning vastgesteld met inachtneming van de belangrijkheid van dit ambt.

Voor sommige ambten kan de schaal door een vaste wedde worden vervangen.

Art. 5.

De weddenschalen voor de ambten van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel worden vastgesteld bij een koninklijk besluit genomen op de voordracht van de Ministers van Nationale Opvoeding en van Cultuur, met de instemming van de Minister onder wie het Openbaar Ambt ressorteert.

Art. 6.

Elk ambt te vermelden in het hoger bedoeld koninklijk besluit wordt er ingedeeld bij één van beide onderstaande rubrieken :

1. administratief personeel;

2. meesters-, vak- en dienstpersoneel.

Art. 7.

Elke schaal wordt ingedeeld bij de klasse "18 jaar" of bij de klasse "20 jaar" of bij de klasse "22 jaar".

Art. 8.

De schaal wordt aangeduid door een indicie die de minimumwedde, de maximumwedde, de klasse, het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen aangeeft.

HOOFDSTUK II. - Vaststelling van de wedde

§ A. - Algemene bepalingen

Art. 9.

Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een ambt wordt elke wedde die werd vastgesteld met inachtneming van dit ambt opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd had bestaan.

Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke het personeelslid in zijn ambt genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, blijft hij in dit ambt de hoogste wedde genieten totdat hij een ten minste gelijke wedde bekomt.

Art. 10.

Voor de vaststelling van de wedde gelden alleen de modaliteiten bepaald bij deze regeling en bij het hierboven in artikel 5 bedoeld koninklijk besluit.

Art. 11.

Voor het bepalen van de leeftijd van het personeelslid, met het oog op de vaststelling van zijn wedde, wordt de verjaardag die niet op de eerste ener maand valt, steeds verschoven naar de eerste der volgende maand.

§ B. - Vaststelling van de weddenschalen

Art. 12.

De wedde van elk personeelslid wordt vastgesteld in de schaal verbonden aan zijn ambt.

Art. 13.

De minimumwedde geldt voor het personeelslid dat de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft.

§ C. - In aanmerking komende diensten

Art. 14.

Behoudens strijdige bepaling komen voor de toekenning van de periodieke verhogingen alleen in aanmerking, de werkelijke diensten die het personeelslid vanaf zijn 18e of 20e jaar, of 22e jaar naar gelang van de klasse van zijn schaal, heeft gepresteerd :

1° in de diensten van de Staat of de diensten van Afrika of in de andere openbare diensten, hetzij als beroepsmilitair, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

2° in de onderwijsinstelling van een provincie of gemeente, wanneer die onderwijsinstelling door de Staat is overgenomen, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

3° in de onderwijsinstellingen van de Staat of van de Gemeenschappen, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

4° in de psycho-medisch-sociale centra of centra voor leerlingenbegeleiding of in de vormingscentra van de Staat of van de Gemeenschappen, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

5° in de gesubsidieerde officiële onderwijsinstellingen, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

6° in de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddetoelage bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

7° in de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra of centra voor leerlingenbegeleiding, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

8° in de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra of centra voor leerlingenbegeleiding, als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddetoelage bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties;

9° als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties bij :

a) een Huis van het Nederlands;

b) de sportfederaties : Gemeentelijk en Provinciaal Onderwijs Schoolsportfederatie, Nationaal Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Vlaams Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Rijksonderwijs Organisatie OmniSport en de Vlaamse Studentensportfederatie;

c) de Stichting voor de Vlaamse Schoolsport;

d) het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;

e) de organisatie die in het kader van een overeenkomst gesloten met de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aan de kleuters van binnenschippers onderwijs verschaft dat niet in het reguliere scholenaanbod is opgenomen;

10° voor een personeelslid van een centrum voor leerlingenbegeleiding, de diensten die het personeelslid vóór 1 september 2000 als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt in een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, als vermeld in de wet van 21 maart 1964 op het medisch schooltoezicht, met uitzondering van diensten die als zelfstandige zijn gepresteerd;

11° als titularis van een bezoldigde functie met volledige of onvolledige prestaties in :

a) een Centrum voor Basiseducatie;

b) het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs;

c) het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie;

d) een consortium volwassenenonderwijs;

e) de VZW NT2 Brussel en de VZW Centrum Nederlands voor Migranten;

f) in de vzw Voorrangsbeleid Brussel.

Deze bepalingen gelden niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 14bis.

Voor de toekenning van de periodieke verhogingen komen eveneens in aanmerking, en dit voor een maximumduur van twee jaar, de diensten gepresteerd als tewerkgestelde werkloze in een ambt met volledige of onvolledige prestaties in de diensten, onderwijsinstellingen, psycho-medisch-sociale centra en vormingscentra vermeld in artikel 14 van dit besluit.

In afwijking van het eerste lid geldt voor de personeelsleden zoals bedoeld in artikel 100undecies, § 1 en § 6, voor wat het administratief personeel betreft, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en artikel 84decies, § 1 en § 5, voor wat het administratief personeel betreft, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, een maximumduur van zes jaar, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 betreffende de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden aangeworven als gesubsidieerde contractuelen binnen de bijzondere conventie afgesloten voor de onderwijsinstellingen.

Art. 14ter.

Voor de toekenning van de periodieke verhogingen komen eveneens in aanmerking de volledige of onvolledige diensten gepresteerd in een administratieve functie als gesubsidieerd contractueel personeelslid, als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs zoals bepaald in artikel 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004 houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap, op voorwaarde dat deze diensten werden gepresteerd in een onderwijsinstelling of een centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 14.

Art. 14quater.

Voor de toekenning van de periodieke verhogingen komen eveneens in aanmerking de volledige of onvolledige diensten gepresteerd vóór 1 september 2003 in een administratieve functie als contractueel personeelslid ten laste van het werkingsbudget, zoals bepaald in artikel 154, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, op voorwaarde dat deze diensten werden gepresteerd in een onderwijsinstelling.

Art. 14quinquies.

(voetnoot 3)

De werkelijke diensten die een personeelslid, onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, heeft verstrekt in een lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van diensten verstrekt aan een Europese school, komen eveneens in aanmerking als die diensten kunnen worden gelijkgesteld met of onder vergelijkbare omstandigheden werden gepresteerd als de diensten bedoelde in de artikelen 14, 14bis, 14ter, en 14quater.

Art. 15.

Voor de toepassing van de vorige bepalingen :

1. wordt het personeelslid geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of, bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt;

2. zijn volledig, de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt;

3. worden als beroepsmilitair beschouwd :

a) de beroepsofficieren, de toegevoegde en hulpofficieren;

b) de reserveofficieren die vrijwillige prestaties verrichten, met uitsluiting van oefeningsprestaties;

c) de beroepsonderofficieren, de tijdelijke onderofficieren en de toegevoegde onderofficieren;

d) de militairen met een lagere graad dan die van officier, die dienen op grond van een dienstneming of hernieuwde dienstneming;

e) de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserve-aalmoezeniers, die in vredestijd worden in dienst gehouden om het tijdelijk kader van de aalmoezeniersdienst te vormen;

4. komen, onder de in deze bepalingen vermelde voorwaarden, eveneens in aanmerking de werkelijke diensten verstrekt aan :

1° het internaat, toegevoegd aan een onderwijsinstelling;

2° het autonome internaat, elke vorm van tehuis, het semi-internaat en het internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen. Deze bepaling geldt niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, als vermeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 16.

a) De in aanmerking komende diensten worden berekend per kalendermaand. De diensten die geen volle maand bedragen, worden niet meegeteld.

b) De duur van de in aanmerking komende diensten die het personeelslid vóór 1 september 1966 als interimair of vanaf 1 september 1966 als tijdelijke heeft verricht in het onderwijs, wordt vastgesteld door de Minister, met de instemming van de Minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort.

c) Voor de toepassing van a en b, geldt een maand als vier weken en gelden drie maanden als dertien weken.

Art. 17.

De duur van de in aanmerking komende diensten welke het personeelslid telt mag nooit de werkelijke duur van de door deze diensten gedekte tijdperken overschrijden.

§ D. - Bijzondere en overgangsregeling

Art. 18.

De bijzondere regeling die hierna volgt is van toepassing op elk personeelslid dat, uiterlijk op 1 maart 1953, in een dienst van de Staat of van Afrika was en er zonder onderbreking toe blijft behoren, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair.

Art. 19.

Ten aanzien van het in artikel 18 bedoeld personeelslid komen de bij artikel 14 omschreven diensten in aanmerking als ze, met of zonder onderbreking, verricht werden vanaf de leeftijd van achttien jaar. Komen eveneens in aanmerking, de werkelijke diensten die het personeelslid vanaf de leeftijd van achttien jaar heeft verricht terwijl hij met of zonder onderbreking tot de andere openbare diensten dan die van de Staat en de diensten van Afrika behoorde, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair.

Art. 20.

[....]

Art. 21.

§ 1. De diensten, verricht ingevolge een tijdelijke of interimaire aanstelling of benoeming die nietig werd verklaard bij de besluitwet van 5 mei 1944, artikelen 1, letter C, en 2, worden, naar hun feitelijke aard, in aanmerking genomen, onder de bij deze bezoldigingsregeling gestelde voorwaarden voor het in aanmerking nemen en voor de duur.

In aanmerking worden evenwel niet genomen de diensten, verricht in de volgende twee instellingen :

De Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen;

"Le Service volontaire du Travail pour la Wallonie".

§ 2. Het personeelslid dat zowel voor de maand augustus 1944, krachtens § 1, als voor de maand november 1944, in aanmerking komende diensten heeft, wordt geacht in september en oktober 1944 dezelfde diensten als die van augustus 1944 te hebben verricht.

§ E. - Berekening van de anciënniteit en van de wedde

Art. 22.

Het personeelslid geniet te allen tijde de wedde overeenstemmende met zijn anciënniteit, die het totaal zijner in aanmerking komende diensten uitmaakt.

Art. 23.

Voor de vaststelling van de wedde overeenkomstig de vorige bepaling wordt alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit, d.w.z. die, verkregen op het tijdstip dat het personeelslid het grootste getal jaren in aanmerking komende diensten overeenstemmend met de periodieke verhogingen telt.

Art. 24.

Het vast personeelslid dat werd benoemd tot een selectieambt of een bevorderingsambt, heeft in zijn nieuw ambt nooit een lagere wedde dan hij in zijn vorig ambt zou hebben genoten.

Is de wedde die in het nieuwe ambt werd vastgesteld, lager dan die welke het personeelslid in zijn vorig ambt genoot, dan behoudt hij de hoogste wedde tot wanneer hij een wedde bekomt die ten minste daaraan gelijk is.

Art. 25.

[...]

HOOFDSTUK III. - Uitbetaling van de wedde

Art. 26.

§ 1. Het vast of stagedoend personeelslid wordt maandelijks vooraf betaald.

(voetnoot 1)

Elk ander personeelslid wordt maandelijks na vervallen termijn betaald.

§ 2. De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de wedde.

Wanneer een vast personeelslid op een andere datum dan de eerste ener maand wordt benoemd tot een selectieambt of bevorderingsambt, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.

Bij het overlijden of op pensioen stellen van een vast of stagedoend personeelslid is de wedde voor de lopende maand niet terugvorderbaar.

(voetnoot 2)

§ 3. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt zij in dertigsten verdeeld.

Bedraagt het werkelijk aantal te betalen dagen vijftien of minder, dan is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het werkelijk aantal te betalen dagen.

Bedraagt het werkelijk aantal te betalen dagen meer dan vijftien, dan is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het verschil tussen dertig en het werkelijk aantal niet te betalen dagen.

[Art. 26bis.

Voor de tijdelijke personeelsleden zijn de volgende dagen betaalbaar :

1° alle dagen, gerekend van het begin tot het einde van de tijdelijke aanstelling, met inbegrip, als ze geheel of gedeeltelijk in de duur van de tijdelijke aanstelling begrepen zijn, van :

a) de wettelijke feestdagen;

b) de weekends;

c) de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie;

d) de afwezigheden waarvoor het tijdelijke personeelslid, op grond van een reglementaire bepaling, recht heeft op een salaris of salaristoelage van de Vlaamse Gemeenschap;

2° de wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie tussen twee tijdelijke aanstellingen, als die dag, die periode of de dagen binnen die periode aansluiten op een periode die met dienstactiviteit wordt gelijkgesteld, of op de laatste dag van de tijdelijke aanstelling en als die dag, die periode of de dagen binnen die periode aansluiten op de eerste dag van de erop volgende tijdelijke aanstelling of op een periode die met dienstactiviteit wordt gelijkgesteld.

Voor de dag, de periode of de dagen binnen die periode, vermeld in het eerste lid, 2°, behoudt het tijdelijke personeelslid de bezoldiging die wordt toegekend overeenkomstig de prestaties, verstrekt aan de vooravond van de te bezoldigen dag, periode of dagen binnen die periode, of aan de vooravond van een periode die met dienstactiviteit wordt gelijkgesteld, tot op de vooravond van een nieuwe tijdelijke aanstelling. De toepassing van deze bezoldigingsregel mag echter niet tot gevolg hebben dat een tijdelijk personeelslid niet wordt bezoldigd voor de dagen waarvoor hij effectief is aangesteld.

Als een personeelslid een aanstelling heeft voor een volledig schooljaar en daarnaast een tijdelijke aanstelling voor een deel van hetzelfde schooljaar, geldt het eerste lid, 2°, voor de tijdelijke aanstelling voor het deel van het schooljaar, voor zover de gestelde voorwaarden vervuld zijn.]

Art. 27.

De maandwedde schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Deze wedde wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld.

TITEL III. - Ambten met onvolledige prestaties

Art. 28.

De wedde van het personeelslid dat titularis is van een ambt met onvolledige prestaties is gelijk aan het produkt bekomen door de wedde die hij krachtens de bepalingen van titel II zou genieten bij het thans uitoefenen van hetzelfde ambt met volledige prestaties, te vermenigvuldigen met een breuk, met als teller het aantal uren/week van het ambt met onvolledige prestaties dat uitgeoefend wordt, en als noemer het aantal uren/week van hetzelfde ambt met volledige prestaties.

Art. 29.

De volgens artikel 28 vastgestelde wedde mag nooit hoger zijn dan die welke het personeelslid zou genieten als hij, in zijn best bezoldigd ambt met onvolledige prestaties, volledige prestaties zou verstrekken.

Art. 30.

[...]

Art. 31.

Onze Ministers bepalen, op de datum van indiensttreding van het personeelslid en, nadien, elk jaar, op 1 januari, het aantal uren per week geldend voor het ambt met onvolledige prestaties.

Art. 32.

De regels vervat in de artikelen 26, 26bis en 27 zijn van toepassing op het personeelslid voor wie de bepalingen van deze titel gelden.

TITEL IV. - Slotbepalingen

Art. 33.

Dit besluit is van toepassing wanneer de nieuwe bezoldigingsregeling, in totaal, aan het personeelslid een nettobezoldiging verleent welke hoger ligt dan die welke hij onder de vroegere bezoldigingsregeling genoot.

Voor de toepassing van dit artikel :

1. omvat de bezoldiging vastgesteld krachtens de nieuwe bezoldigingsregeling :

a) de wedde vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit ingevoerde bezoldigingsregeling en met inbegrip, in voorkomend geval van de anciënniteitsbijslagen bepaald bij artikel 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 en toegekend aan het personeel van de Ministeries;

b) eventueel de haard- of standplaatstoelage toegekend aan het personeel van de Ministeries.

2. omvat de bezoldiging vastgesteld overeenkomstig de vroegere bezoldigingsregeling :

a) de wedde vastgesteld overeenkomstig de vroegere bezoldigingsregeling van het personeel der Ministeries, met inbegrip, in voorkomend geval, van de anciënniteitsbijslag bepaald bij artikel 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 en toegekend aan het personeel van de Ministeries;

b) eventueel de haard- of standplaatstoelage toegekend aan het personeel van de Ministeries.

Art. 33bis.

De weddenanciënniteit die op 31 augustus 2000 in aanmerking werd genomen voor het bepalen van de wedde van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, op 1 september 2000 zijn overgedragen vanuit een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, wordt voor toepassing van artikel 192 van voormeld decreet beschouwd als zijnde verworven overeenkomstig de bepaling van dit besluit. Deze weddenanciënniteit blijft behouden bij een eventuele overgang naar een ambt van de categorie van het technisch personeel binnen een centrum voor leerlingenbegeleiding, eveneens overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

Art. 34.

Opgeheven wordt elke bepaling die strijdig is met dit besluit.

Art. 35.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1968.

Art. 36.

Onze Ministers van Nationale Opvoeding, Onze Minister van Franse Cultuur en Onze Minister van Nederlandse Cultuur zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

- (3): Voor de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, treedt dit artikel in werking op 1 januari 2005; voor de onderdanen van landen die na 1 januari 2005 tot de Europese Unie toetreden, treedt dit artikel in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt.Voor de niet in vorige zin bedoelde personeelsleden heeft dit artikel uitwerking met ingang van 1 september 1999; voor de onderdanen van landen die nà 1 september 1999 tot de Europese Unie toetreden, treedt dit artikel in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt.

- (1): Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984 betreffende de betaling na vervallen termijn van de wedde van sommige personeelsleden van de openbare sector (B.S. 6-4-1984) bepaalt dat : "De wedde van de in artikel 1 bedoelde personeelsleden wordt vanaf de maand juli 1984 na vervallen termijn betaald, met name op de laatste werkdag van de maand behalve de betaling van de wedde van de maand december die plaats heeft op de eerste werkdag van de maand januari van het volgend jaar. Dit geldt eveneens voor de toelagen alsook voor alle andere elementen van de bezoldiging die terzelfdertijd als de wedde worden betaald. De betaling van de kinderbijslagen is nochtans niet bedoeld bij dit artikel ."

- (2): Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984 betreffende de betaling na vervallen termijn van de wedde van sommige personeelsleden van de openbare sector (B.S. 6-4-1984) bepaalt dat : "Wanneer het vast of stagedoend personeelslid overlijdt of op pensioen gesteld wordt, wordt naar gelang van het geval, de volle maandwedde betaald aan betrokkene of aan zijn rechthebbenden."