Koninklijk besluit betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen.

  • goedkeuringsdatum
    31 MEI 1933
  • publicatiedatum
    B.S.01/06/1933
  • datum laatste wijziging
    01/07/2010

(opschrift gewijzigd bij Wet 7-6-1994)

COORDINATIE

Wet 7-6-1994 - B.S. 8-7-1994

Wet 6-6-2010 - B.S. 1-7-2010

Albert, Koning der Belgen,

Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, Heil.

Gelet op de wet van 17 mei 1933, waarbij aan de regering bevoegdheid wordt toegekend om haar toe te laten zekere maatregelen te treffen met het oog op het financieel herstel en het verwezenlijken van het begrotingsevenwicht;

Op de in Raad overlegde voordracht van Onze Ministers,

Wij hebben besloten en Wij besluiten :

Artikel 1.

Elke verklaring afgelegd in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat, een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, van de Europese Gemeenschap of een andere internationale instelling is, of geheel of gedeeltelijk bestaat uit openbare gelden, moet oprecht en volledig zijn.

Hij die weet of moest weten dat hij geen recht meer heeft op het gehele bedrag van een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in het eerste lid, is verplicht dit te verklaren.

Art. 2.

§ 1. Hij die geen verklaring, bedoeld in artikel 1, tweede lid, heeft afgelegd en die een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in artikel 1, of een gedeelte daarvan, aanvaardt of behoudt, wetende dat hij daarop geen of slechts gedeeltelijk recht heeft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van zesentwintig frank tot vijftienduizend frank.

§ 2. Hij die wetens en willens een onjuiste of onvolledige verklaring aflegt in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in artikel 1, wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank.

§ 3. Hij die een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in artikel 1, aanwendt voor andere doeleinden dan die waarvoor ze werd bekomen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een geldboete van zesentwintig frank tot vijfenzeventigduizend frank.

§ 4. Hij die, ten gevo1ge van een verklaring, bedoeld in § 2, een subsidie, vergoeding of toelage, bedoeld in artikel 1, ontvangt of behoudt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en een geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank.

§ 5. De straffen gesteld in de vorige paragrafen worden verdubbeld indien een overtreding van één van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak van een vonnis of een arrest houdende veroordeling wegens één van die strafbare feiten dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Art. 2bis.

De natuurlijke en rechtspersonen die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerlijk verantwoordelijk zijn voor de schadevergoeding, de intresten en de kosten, zijn eveneens verantwoordelijk voor de betaling van de geldboeten.

Art. 3.

De teruggave van de ten onrechte betaalde sommen wordt ambtshalve gelast door de rechtbank bij welke de vervolging aanhangig is gemaakt.

[ [[...]] ]

W. 14-3-1960; [[ ]] W. 6-6-2010

Art. 4.

Al de bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn op de door de vorige artikelen voorziene misdrijven toepasselijk.

De bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek wordt evenwel altijd uitgesproken.