Koninklijk besluit tot vaststelling van de weddenschalen van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en de Minister van Franse Cultuur, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    09 NOVEMBER 1978
  • publicatiedatum
    B.S.13/04/1979
  • datum laatste wijziging
    20/02/2004

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 11-1-2002)

(voetnoot 1)

COORDINATIE

K.B. 8-5-1987 - B.S. 18-6-1987

Decr. 13-7-1994 - B.S. 31-8-1994

B.Vl.R. 24-5-1995 - B.S. 21-9-1995

B.Vl.R. 31-1-1996 - B.S. 20-3-1996

B.Vl.R. 11-1-2002 - B.S. 26-3-2002

B.Vl.R. 21-11-2003 - B.S. 11-2-2004

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs, zoals ze werd gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zoals het werd gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 mei 1958 tot vaststelling van de schalen verbonden aan de graden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zoals het werd gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 september 1970 houdende vaststelling van de schalen verbonden aan de graden van het directie- en onderwijzend personeel in de Koninklijke Muziekconservatoria;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1975 houdende vaststelling van de schalen en de enige bedragen, verbonden aan de graden van het onderwijzend personeel van de rijksinrichtingen voor het onderwijs in de bouwkunst en de beeldende kunsten;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 april 1975 houdende vaststelling van de schalen en de enige bedragen verbonden aan de graden van het onderwijzend personeel van de rijksinrichtingen voor het onderwijs in de bouwkunst en de beeldende kunsten;

Gelet op het advies van de Syndicale Raad van advies;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Openbaar Ambt, gegeven op 31 juli 1978;

Gelet op het akkoord van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 31 juli 1978;

Op de voordracht van Onze Minister van Nederlandse Cultuur en van Onze Minister van Franse Cultuur,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

[De salarisschalen zijn met ingang van 1 december 2001, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs. Elke salarisschaal wordt in dit besluit aangeduid door een kengetal dat boven de salarisschaal is geplaatst.

De tabel in artikel 7 van vermeld besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 bepaalt de overeenstemming tussen de kengetallen van de salarisschalen die voorkomen in de hierna volgende artikelen en de kengetallen vervat in genoemd besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003.]

B.Vl.R. 21-11-2003

TITEL I DE WEDDENSCHALEN

Art. 2.

De weddenschaal van elk der ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel der rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs, wordt als volgt vastgesteld :

HOOFDSTUK 1. - Bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair kunstonderwijs van de lagere graad

Leraar algemene vakken, bijzondere vakken of technische vakken :

21 uren per week :

ten minste houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de eerste graad :

216

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

148

Leraar belast met de artistieke vakken :

21 uren per week :

ten minste houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad, aangevuld met een jaar nuttige ervaring, of van een diploma van artistiek hoger onderwijs van het korte type, aangevuld met een jaar nuttige ervaring :

216

ten minste houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad of van een diploma van artistiek hoger onderwijs van het korte type :

148

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

148

HOOFDSTUK II. - Bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair kunstonderwijs van de hogere graad

Directeur :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad of van het diploma van architect :

471

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad of van het diploma van technisch ingenieur :

425

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

255

Leraar algemene vakken, bijzondere vakken of technische vakken :

19 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

415

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad, van het diploma van technisch ingenieur of van het diploma van architect :

340

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

245

Leraar belast met de artistieke vakken :

19 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad, aangevuld met een jaar nuttige ervaring, of van het diploma van architect, aangevuld met een jaar nuttige ervaring :

415

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad of van het diploma van architect :

340

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad, aangevuld met een jaar nuttige ervaring, of van het diploma van technisch ingenieur, aangevuld met een jaar nuttige ervaring :

340

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad of van het diploma van technisch ingenieur :

245

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

245

Overgangsstelsel : ten laatste op 31 maart 1972 vastbenoemd of toegelaten tot de stage in een niet-uitsluitend ambt : 12 uren per week : 609

Leraar zedenleer :

19 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

415

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de tweede graad :

340

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

245

Godsdienstleraar :

19 uren per week :

die de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst bezit:

495

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

415

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de tweede graad :

340

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

245

Assistent :

24 uren per week :

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring, of van het diploma van architect, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring :

550

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad of van het diploma van architect :

535

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring of van het diploma van technisch ingenieur, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring :

535

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad of van het diploma van technisch ingenieur :

533

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

533

Wanneer de wekelijkse prestaties geen vierentwintig uren bedragen, wordt het bedrag per wekelijks uur prestatie bepaald op 1/24 van de wedde.

HOOFDSTUK III. - Bestuurs- en onderwijzend personeel van het hoger kunstonderwijs

Directeur van de inrichtingen voor onderwijs in de bouwkunst, de plastische kunsten en de muziek :

622

In de schaal 623 wordt evenwel vastgesteld de wedde van de directeur van een rijksinrichting voor onderwijs in de bouwkunst, de plastische kunsten en de muziek die bij zijn indiensttreding minder dan zes aanrekenbare dienstjaren kan doen gelden dewelke een virtuele waarde van 53 826 F vertegenwoordigen. Deze diensten komen niet in aanmerking voor de vaststelling van de weddeanciënniteit in deze schaal.

Voor de periodieke verhogingen in de schalen 622 en 623 tellen de in aanmerking komende diensten enkel mee vanaf de leeftijd van 25 jaar.

Directeur van de inrichtingen voor onderwijs in de dramatische kunst :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

475

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad

429

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

265

Leraar artistieke vakken (niet-uitsluitend ambt) :

1. Onderwijs in de bouwkunst en de plastische kunsten :

uren per week :

615

Overgangsstelsel : ten laatste op 31 maart 1972 vastbenoemd of toegelaten tot de stage in het ambt van leraar dag- en avondonderwijs :

22 uren per week :

621

2. Muziekonderwijs :

6 uren per week :

leraar eerste reeks :

610

leraar tweede reeks :

606

Overgangsstelsel : De personeelsleden die, uiterlijk op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, aangewezen of benoemd zijn als adjunct-leraar eerste of tweede reeks, genieten respectievelijk de schalen 602 en 601.

Werkleider :

30 uren per week :

580

Begeleider :

muziekonderwijs (niet-uitsluitend ambt) :

12 uren per week :

607

onderwijs in de dramatische kunst :

18 uren per week :

614

Wanneer de wekelijkse prestaties geen 12 of 18 uur bereiken, volgens het geval, wordt het bedrag van het wekelijks lesuur op 1/12 of 1/18 van de wedde vastgesteld.

Assistent :

20 uren per week :

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring, of van het diploma van architect, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring :

550

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad of van het diploma van architect :

535

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring, of van het diploma van technisch ingenieur, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring :

535

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad of van het diploma van technisch ingenieur :

533

houder van andere bekwaamheidsbewijzen :

533

Als de wekelijkse prestaties geen twintig uren bereiken, wordt het bedrag van het wekelijks lesuur op 1/20 van de wedde vastgesteld.

HOOFDSTUK IV. - Opvoedend hulppersoneel

Conservator van het instrumentenmuseum :

36 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

471

Adjunct-conservator van het instrumentenmuseum :

36 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad :

418

Bibliothecaris :

36 uren per week :

houder van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad, aangevuld met het officieel getuigschrift van bekwaamheid tot het houden van een openbare bibliotheek :

415

Overgangsstelsel : die op 31 maart 1972 bezoldigd werd in de weddenschaal 164 182-264 689 :

415

Studiemeester-opvoeder :

36 uren per week :

houder van het diploma van onderwijzer, van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs of van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs :

143

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs, van sociaal adviseur, van maatschappelijk assistent, van kandidaat uitgereikt door een Belgische universiteit :

143

houder van een diploma van secundair onderwijs van de hogere graad :

020

Overgangsstelsel :

houder van het diploma van onderwijzer, in dit ambt benoemd of tot de stage toegelaten op 31 maart 1972 :

144

houder van het diploma van onderwijzer, tijdelijk aangesteld op 31 maart 1972, bekomt voor de periode van 1 april 1972 tot 30 juni 1972 :

144

toegelaten tot de stage op 1 september 1972 :

144

die op 31 maart 1972 bezoldigd werd in de weddenschaal 97 400-173 900

104

Studiemeester-opvoeder in een internaat :

36 uren per week :

houder van het diploma van onderwijzer, van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs of van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs :

150

houder van een diploma van hoger kunstonderwijs, van sociaal adviseur, van maatschappelijk assistent, van kandidaat uitgereikt door een Belgische universiteit :

150

houder van een diploma van secundair onderwijs van de hogere graad :

030

Overgangsstelsel :

houder van het diploma van onderwijzer, in dit ambt benoemd of tot de stage toegelaten op 31 maart 1972 :

152

houder van het diploma van onderwijzer, tijdelijk aangesteld op 31 maart 1972, bekomt voor de periode van 1 april 1972 tot 30 juni 1972 :

152

toegelaten tot de stage op 1 september 1972 :

152

die op 31 maart 1972 bezoldigd werd in de weddenschaal 109 400-185 900 :

105

HOOFDSTUK V. - Personeel van de inspectiedienst

Inspecteur artistieke vakken in de inrichtingen voor kustonderwijs :

secundair en hoger kunstonderwijs :

475

Overgangsstelsel :

secundair kunstonderwijs (niet-uitsluitend ambt) :

465

onderwijs in de bouwkunst en de plastische kunsten (niet-uitsluitend ambt) :

620

In de schaal 620a wordt evenwel vastgesteld de wedde van de inspecteur die bij zijn indiensttreding minder dan zes aanrekenbare dienstjaren kan doen gelden dewelke een virtuele waarde van 43 751 F vertegenwoordigen. Deze diensten komen niet in aanmerking voor de vaststelling van de wedde-anciënniteit in deze schaal;

muziekonderwijs (niet-uitsluitend ambt) :

617

De alinea's b en c hiervoren worden van ambtswege toegepast op de inspecteur in dienst op 31 maart 1972, die reeds een zelfstandig beroep uitoefent of die, als lid van het onderwijzend personeel, in het kunstonderwijs titularis is van een niet-uitsluitend ambt. De organieke regeling wordt van ambtswege toegepast met ingang van de eerste van de maand volgend op het stopzetten van hetzij het zelfstandig beroep, hetzij het niet-uitsluitend ambt in het onderwijs.

TITEL IIBIJZONDERE EN OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 3.

Voor de toepassing van dit besluit zijn de hiervoor vermelde bekwaamheidsbewijzen en diplomaÂ's die welke uitgereikt zijn in de specialiteit van het vak dat moet onderwezen worden of van het mandaat dat moet worden uitgeoefend, of de bekwaamheidsbewijzen die aanvaard zijn voor de toegang tot deze graad.

Art. 4.

Voor de toepassing van dit besluit bepalen Onze Minister van Nederlandse Cultuur en Onze Minister van Franse Cultuur, rekening houdende in voorkomend geval met de aard van het onderwijs, de duur ervan en de omvang van het leerplan, het niveau van de diploma's, getuigschriften en andere bekwaamheidsbewijzen die niet opgenomen zijn in artikel 2 en het bekwaamheidsbewijs waarmee zij ze gelijkstellen.

Art. 5.

De nuttige ervaring, bedoeld in voorgaande bepalingen, wordt aangetoond op de wijze bepaald bij het ministerieel besluit genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.

Art. 6.

Het vastbenoemd, stagedoend of tijdelijk personeelslid behoudt de nettobezoldiging die hij op 31 maart 1972 genoot, zolang deze hoger blijft dan die waarop hij ingevolge de artikelen 1 en 2 van dit besluit recht heeft.

Art. 7.

De leraar die op 31 maart 1972 tot de stage was toegelaten of vastbenoemd was in een ambt in het hoger secundair kunstonderwijs en bezoldigd werd voor 12 lesuren per week, volgens de schaal III/131 222-193 022, kan per 1 april 1972 hetzij de organieke regeling, hetzij de schaal 609 (rubriek B van de tabellen gevoegd bij dit besluit) kiezen. Kiest hij laatstgenoemde schaal, dan kan hij nog de toepassing van de organieke regeling aanvragen uiterlijk binnen het jaar volgend op de datum waarop hij de maximumwedde in schaal 609 bereikt of, zo hij dat maximum op 31 maart 1972 bereikt had, binnen het jaar volgend op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 8.

De leraar artistieke vakken, die uiterlijk op 30 september 1973 tot de stage toegelaten of vast benoemd was en die houder is van het bekwaamheidsbewijs vermeld in kolom 1 van de onderstaande tabel, bekomt de daarnaast, in kolom 2 vermelde schaal.

Hoger secundair kunstonderwijs :

Kolom 1

Kolom 2

Bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad of diploma van architect.

415

Diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad of diploma van technisch ingenieur.

340

Art. 9.

In het secundair kunstonderwijs is het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, toepasselijk op elk lid van het onderwijzend personeel dat titularis is van een hoofdambt met volledige prestaties, en dat in het belang van het onderwijs ertoe kan gehouden worden een niet-bezoldigde bijkomende prestatie van ten hoogste drie uren per week te leveren.

Art. 10.

[...]

Art. 11.

De bij dit besluit gevoegde tabel I wordt vervangen :

1° met ingang van 1 januari 1974 door de bij dit besluit gevoegde tabel II;

2° met ingang van 1 juli 1974 door de bij dit besluit gevoegde tabel III.

In hoofdstuk III van dit besluit wordt onder de rubriek "Directeur van de inrichtingen voor onderwijs in de bouwkunst, de plastische kunsten en de muziek" het bedrag van 53 826 F vervangen door :

147.612 F : met ingang van 1 januari 1990;

152.040 F : met ingang van 1 november 1990;

154.914 F : met ingang van 1 november 1991;

156.301 F : met ingang van 1 november 1992;

157.864 F : met ingang van 1 november 1993

157.864 F : met ingang van 1 november 1994;

159.442 F : met ingang van 1 augustus 1995.

In hoofdstuk V van dit besluit wordt het bedrag van 43.751 F vervangen door :

45 500 F : met ingang van 1 januari 1974;

46 376 F : met ingang van 1 juli 1974.

Art. 12.

Dit besluit heeft uitwerking op 1 april 1972, behalve het artikel 11, dat uitwerking heeft op de data erin vermeld.

Art. 13.

Onze Minister van Nederlandse Cultuur en Onze Minister van Franse Cultuur zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Houdt op van toepassing te zijn op het hoger onderwijs met volledig leerplan (Decr. 13-7-1994; Art. 366, 13°)