Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

  • goedkeuringsdatum
    03 JULI 1967
  • publicatiedatum
    B.S.10/08/1967
  • datum laatste wijziging
    22/12/2016

(opschrift gewijzigd bij Wet 19-10-1998)

COORDINATIE

K.B. 13-8-1971 - B.S. 25-9-1971

K.B. 25-8-1971 - B.S. 4-9-1971

K.B. 8-11-1971 - B.S. 18-11-1971

Wet 12-6-1972 - B.S. 2-9-1972

Wet 13-7-1973 - B.S. 8-8-1973

K.B. 16-5-1977 - B.S. 20-7-1977

K.B. nr. 280, 30-3-1984 - B.S. 6-4-1984

K.B. nr. 419, 16-7-1986 - B.S. 30-7-1986

K.B. 28-6-1990 - B.S. 4-8-1990

Wet 31-7-1991 - B.S. 7-9-1991

Wet 26-6-1992 - B.S. 30-6-1992

Wet 30-3-1994 - B.S. 31-3-1994

Wet 21-12-1994 - B.S. 23-12-1994

Wet 20-12-1995 - B.S. 23-12-1995

Wet 29-4-1996 - B.S. 30-4-1996; err.B.S. 20-8-1996

K.B. 3-4-1997 - B.S. 30-4-1997

Wet 20-5-1997 - B.S. 8-7-1997

K.B. 8-8-1997 - B.S. 27-8-1997

Wet 19-10-1998 - B.S. 25-11-1998

Wet 22-3-1999 - B.S. 30-4-1999

K.B. 20-7-2000 - B.S. 30-8-2000

Wet 27-12-2000 - B.S. 6-1-2001; err. B.S. 6-4-2001

Wet 19-1-2001 - B.S. 21-2-2001

Arr. nr. 142/2001, 6-11-2001 - B.S. 11-12-2001

Arr. nr. 40/2002, 20-2-2002 - B.S. 26-3-2002

Arr. nr. 82/2002, 8-5-2002 - B.S. 13-8-2002

Wet 21-6-2002 - B.S. 22-10-2002

Wet 2-8-2002 - B.S. 29-8-2002

Arr. nr. 176/2002, 5-12-2002 - B.S. 21-2-2003

Wet 24-12-2002 - B.S. 31-12-2002

K.B. 6-5-2003 - B.S. 13-5-2003

Programmawet 22-12-2003 - B.S. 31-12-2003

K.B. 27-5-2004 - B.S. 24-6-2004

Wet 27-12-2006 - B.S. 28-12-2006

Wet 11-5-2007 - B.S. 26-6-2007

Wet 17-5-2007 - B.S. 14-6-2007

Wet 30-12-2009 - B.S. 31-12-2009

Arr. nr. 190/2009, 26-11-2009 - B.S. 16-2-2010

Wet 29-3-2012 - B.S. 30-3-2012

Wet 31-7-2013 - B.S. 20-9-2013

Wet 25-4-2014 - B.S. 6-6-2014

Wet 11-12-2016 - B.S. 22-12-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Doel en werkingssfeer van de wet

Artikel 1.

[De bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en ten gevolge van beroepsziekten wordt door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en binnen de perken die Hij bepaalt, toepasselijk verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, die behoren tot :

1° de federale besturen en andere rijksdiensten, met inbegrip van de rechterlijke macht;

2° [[ [[[de publiekrechtelijke rechtspersonen en de instellingen van openbaar nut]]]4 die onder het gezag, de controle of het toezicht van de Staat vallen, alsook de autonome overheidsbedrijven die zijn ondergebracht in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [[[, enkel wat het personeel betreft dat niet met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen,]]]¹ en de openbare instellingen van sociale zekerheid die vermeld zijn in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke persioenstelsels [[[en de naamloze vennootschap van privaatrecht Brussels International Airport Company of zijn rechtsopvolgers, uitsluitend voor wat betreft de personeelsleden bedoeld bij artikel 1,15 ° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties;]]]³ ]]²

3° de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de besturen en andere diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;

4° de besturen en andere diensten van de Colleges van de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;

5° de onderwijsinrichtingen georganiseerd door of namens de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies;

6° de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen;

7° [[de gesubsidieerde psychisch-medisch-sociale centra, de gesubsidieerde diensten voor school- en beroepsoriëntering en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;]]6

8° [[de publiekrechtelijke rechtspersonen en de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van een Gemeenschap, een Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie of de Franse Gemeenschapscommissie vallen;]]6

9° de provincies, de gemeenten, de intercommunales en de inrichtingen die aan de provincies en de gemeenten ondergeschikt zijn, de agglomeraties en federaties en gemeenten;

[[10° [[[de federale politie en de algemene inspectie van de federale politie en de lokale politie inclusief de in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bedoelde militairen, zolang zij tot het administratief en logistiek korps behoren;]]]² ]]³

[[11° de korpsen van de lokale politie inclusief de in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bedoelde militairen, zolang zij tot het administratief en logistiek korps behoren.]]4

[[12° [[[de hulpverleningszones, met inbegrip van de vrijwillige leden van het operationeel personeel. Voor laatstgenoemden gelden echter alleen de bepalingen betreffende de beroepsziekten;]]]5 ]]5

[[13° de Vlaamse bestuursrechtscolleges.]]8

In afwijking van het eerste lid, blijven voor de militairen en daarmee gelijkgestelden de op 5 oktober 1948 gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen, gelden.

[[De in het vorige lid bepaalde afwijking is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationeel korps van de rijkswacht die gedetacheerd zijn bij de diensten enquêtes van de vaste comités van toezicht van de politie- en inlichtingendiensten.]]¹

Echter, voor de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten waarvan zij het slachtoffer zijn tijdens de periode van hun beziging, worden de [[militairen die gebezigd worden overeenkomstig de wet van 20 mei 1994 betreffende de beziging van militairen buiten de Krijgsmacht en overeenkomstig Titel V, Afdeling 2, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht]]7 voor de toepassing van deze wet, evenwel gelijkgesteld met de leden van het vast benoemd personeel van het bestuur, de dienst of de instelling waarbij zij gebezigd worden.]

W. 20-12-1995; [[ ]]¹ W. 19-10-1998; [[ ]]² W. 22-3-1999; [[ ]]³ W. 27-12-2000; [[ ]]4 W. 22-12-2003; [[ ]]5 W. 27-12-2006; [[ ]]6 W. 17-5-2006; [[ ]]7 W. 11-12-2016; W. 31-7-2013; [[[ ]]]¹ W. 2-8-2002; [[[ ]]]² W. 22-12-2003; [[[ ]]]³ K.B. 27-5-2004; [[[ ]]]4 W. 17-5-2007; [[[ ]]]5 W. 25-4-2014

[Voor de toepassing van het eerste lid, dienen onder "tijdelijk personeel" eveneens te worden verstaan de personeelsleden die onder statuut geplaatst maar die niet vastbenoemd zijn.]

W. 22-3-1999

[Behalve andersluidende bepaling, wordt het vastbenoemde personeelslid dat gemachtigd is om voltijdse prestaties te verrichten bij één van de in dit artikel bedoelde overheidsdiensten, andere dan diegene waartoe hij behoort, voor de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten waarvan hij/zij het slachtoffer wordt tijdens deze prestaties, gelijkgesteld met het vastbenoemd personeel van de overheidsdienst waarbij het deze prestaties verricht. Het slachtoffer kan, in dit geval, de toepassing van artikel 14, § 1, 5°, inroepen tegen de overheidsdienst waarbij het zijn prestaties verricht.

Voor de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten waarvan zij het slachtoffer zijn tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling, worden de bij de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever [[en bij Titel V,Afdeling 3, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht]] ter beschikking gestelde militairen, voor de toepassing van deze wet, gelijkgesteld met de leden van het vast benoemd personeel van het bestuur, de dienst, de instelling of de rechtspersoon waarbij zij ter beschikking worden gesteld.]

W. 17-5-2007; [[ ]] W. 31-7-2013

Art. 1bis.

[Volgens de in artikel 1 vastgestelde modaliteiten wordt deze wet toepasselijk gemaakt op :

1° de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, anglicaanse, israëlitische erediensten, de imams van de islamitische eredienst, de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad, de aalmoezeniers en morele consulenten;

2° de personeelsleden van de door de Gemeenschappen gesubsidieerde universitaire instellingen, waarvan de regeling inzake rustpensioen ten laste van de Schatkist is, voor zover deze instellingen erom verzoeken;

3° de personeelsleden van de internationale instellingen met Belgische deelname, die door het Ministerie van Defensie beheerd worden.]

W. 17-5-2007

Art. 2.

[Onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt.

Het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen. [[Het ongeval veroorzaakt door terrorisme, zoals bepaald in de wet van 1 april 2007 betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme, en overkomen tijdens de uitoefening van het ambt, wordt geacht te zijn overkomen door de uitoefening van het ambt.]]²

Worden eveneens beschouwd als arbeidsongevallen :

1° het ongeval overkomen op de weg naar en van het werk dat aan de vereisten voldoet om dit karakter te hebben in de zin van artikel 8 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;

2° het ongeval dat een personeelslid als bedoeld in artikel 1 buiten de uitoefening van zijn dienst is overkomen maar dat veroorzaakt is door een derde [[wegens het door dit personeelslid uitgeoefend ambt]]¹.

Wanneer de getroffene of zijn rechthebbende, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt.

[[Het personeelslid bedoeld in artikel 1 wordt geacht zich te bevinden op de plaats waar hij zijn ambt uitoefent wanneer hij :

1° bij gelegenheid een opdracht in het buitenland volbrengt in het kader van zijn ambt;

2° een activiteit uitoefent als vakbondsafgevaardigde of vertegenwoordiger van het personeel, zelfs buiten het Belgisch grondgebied, waarvoor hij verlof of een dienstvrijstelling kreeg;

3° deelneemt aan de werkzaamheden van de onderhandelings- of overlegorganen terwijl hij :

a) krachtens de arbeidsregeling die hem is opgelegd niet verplicht is te werken;

b) vooraf vakantieverlof heeft gekregen;

c) niet verplicht is te werken omdat hij zijn ambt uitoefent met verminderde prestaties, om welke reden ook, behalve voor verminderde prestaties wegens ziekte;

4° uitdrukkelijk vergunning krijgt om deel te nemen aan beroepsvormingsactiviteiten, zelfs indien het niet verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die hem is opgelegd;

5° deelneemt aan activiteiten voor vakbondsopleiding waarvoor hij verlof of een dienstvrijstelling heeft gekregen;

6° deelneemt aan een vergelijkend examen, een selectie, een examen, een competentiemeting of ieder andere proef, voor zover die deelname is vastgelegd in de bepalingen die op hem van toepassing zijn, terwijl hij krachtens de arbeidsregeling die hem is opgelegd niet verplicht is te werken of met verlof is of een dienstvrijstelling kreeg.]]¹ ]

W. 13-7-1973; [[ ]]¹ W. 17-5-2007; [[ ]]² W. 11-12-2016

[Onder beroepsziekten worden verstaan de ziekten die als zodanig zijn aangemerkt ter uitvoering van de artikelen 30 en 30bis van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970.]

W. 17-5-2007

[Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1° wettelijke samenwoning : de samenwoning van twee partners die overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst hebben opgesteld waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben;

2° wettelijk samenwonende partner : de persoon die wettelijk samenwoont met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben.]

W. 11-5-2007

[Art. 2bis.

Wanneer de overheid die door de Koning aangewezen is om de aangiften van ongeval te ontvangen, weigert het geval ten laste te nemen van een personeelslid dat niet de hoedanigheid van vastbenoemde ambtenaar heeft, of wanneer zij oordeelt dat er twijfel bestaat inzake de toepassing van de wet op het ongeval van dit personeelslid, verwittigt zij binnen de dertig dagen na ontvangst van de aangifte, het slachtoffer of zijn rechthebbende en de verzekeringsinstelling waarbij het slachtoffer aangesloten of ingeschreven is overeenkomstig de wetgeving op de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.

Deze kennisgeving, die vergezeld gaat van een afschrift van de aangifte, wordt beschouwd als een aangifte van arbeidsongeschiktheid die binnen de gestelde tijd bij de verzekeringsinstelling is ingediend.

De vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid die door de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit zijn vastgesteld, zijn door de overheid die nalaat binnen de in het eerste lid bedoelde termijn te verwittigen, verschuldigd van het begin van de ongeschiktheid tot en met de dag van de aangifte, aan het personeelslid dat, behalve de vormvereiste van de aangifte, alle voorwaarden vervult om ze te verkrijgen.

De voormelde vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid worden aan het slachtoffer uitbetaald door de verzekeringsinstelling van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit en door haar rechtstreeks van de overheid teruggevorderd.]

W.19-10-1998

[Art. 2ter.

De verzekeringscontracten die zijn afgesloten om de in artikel 1bis bedoelde personen te dekken, worden van rechtswege ontbonden uiterlijk binnen de twaalf maanden na de datum waarop deze wet ten opzicht van deze van kracht wordt.]

W.19-10-1998

HOOFDSTUK II. - Vergoedingen

Eerste Afdeling. - Diverse vergoedingen

Art. 3.

[Volgens de in artikel 1 bepaalde regelen :

1° heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht op :

a) een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie;

b) een rente in geval van blijvende [[arbeidsongeschiktheid]]²;

[[c) een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn;]]³ (voetnoot 8)

2° hebben de rechthebbenden van een overleden [[slachtoffer]]² recht op :

a) een vergoeding wegens begrafeniskosten;

b) [[een rente van overlevende echtgenoot, van overlevende wettelijk samenwonende partner, wees of rechthebbende in een andere hoedanigheid;]]4

[[c) een overlijdensbijslag na de herzieningstermijn;]]³ (voetnoot 8)

3° [[hebben het slachtoffer, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de kinderen en de ouders recht op schadeloosstelling van de verplaatsing- en overnachtingkosten die het gevolg zijn van het ongeval of de beroepsziekte;]]4

[[4° heeft het personeelslid dat door een beroepsziekte [[[bedreigd of aangetast]]] wordt en dat daardoor tijdelijk ophoudt zijn ambt uit te oefenen, recht op een vergoeding.]]¹

De vergoedingen van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie, alsook de begrafeniskosten worden uitgekeerd aan hen die deze kosten ten laste hebben genomen.]

W. 13-7-1973; [[ ]]¹ W. 20-5-1997; [[ ]]² W. 19-10-1998; [[ ]]³ W. 17-5-2007; [[ ]]4 W. 11-5-2007; [[[ ]]] W. 19-10-1998

[Als door een beroepsziekte bedreigd, wordt beschouwd het personeelslid bij wie men een gepredisponeerdheid tot de beroepsziekte of het verschijnen van de eerste symptomen ervan vaststelt.]

W. 20-5-1997

[Art. 3bis.

Onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, [[gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk]], het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld.]

W. 13-7-1973; [[ ]] W.19-10-1998

[Onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling, genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, het voordeel van de bepalingen die door de wetgeving op de schadevergoeding voor beroepsziekten zijn vastgesteld gedurende de periode van tijdelijke volledige ongeschiktheid, wanneer zij, door een beroepsziekte [[bedreigd of aangetast]]¹, tijdelijk hun ambt stopzetten en niet voor andere opdrachten zijn kunnen ingezet worden. [[Voor de zwangere werkneemster wordt de toepassing van de bepalingen die in geval van tijdelijke volledige ongeschiktheid bepaald zijn, beperkt tot de periode tussen het begin van de zwangerschap en het begin van de zes weken die aan de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaan of van de acht weken wanneer een meerlinggeboorte is voorzien.]]² ] (voetnoot 6)

W. 20-5-1997; [[ ]]¹ W. 19-10-1998; [[ ]]² W. 17-5-2007

[De vergoeding voor tijdelijke ongeschiktheid wordt op dezelfde tijdstippen betaald als de gewone wedde of het gewone loon.]

W. 17-5-2007

[Art. 3ter.

[[Het slachtoffer]] heeft recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese en orthopedische toestellen waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Zo [[het slachtoffer]] ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde schade een tijdelijke arbeidsongeschiktheid oploopt, heeft hij tijdens de periode die voor het herstellen of het vervangen van die prothese en orthopedische toestellen nodig is, recht op de vergoedingen verleend overeenkomstig artikel 3bis.]

W. 13-7-1973; [[ ]] 19-10-1998

[Afdeling 1bis. - Diverse voordelen

Art. 3quater.

De Koning bepaalt de voordelen die aan de in de artikelen 1 en 1bis bedoelde personeelsleden toegekend mogen worden om de preventie van de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk of van de beroepsziekten, te verzekeren.]

W.19-10-1998

Afdeling 2. - Renten

A. Renten in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid

Art. 4.

[§ 1. De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid.

Overschrijdt de jaarlijkse bezoldiging [[24.332,08 EUR]]² (voetnoot 9) , dan wordt zij slechts tot dat bedrag in aanmerking genomen voor de berekenning van de rente. [[Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont.]]¹

Naar aanleiding van een algemene herwaardering van de wedden in de overheidssector en in de mate van die herwaardering kan de Koning dit bedrag wijzigen.

§ 2. Als de toestand van het slachtoffer absoluut de geregelde hulp van een derde vereist, kan het aanspraak maken op een bijkomende vergoeding die vastgesteld wordt volgens de noodzaak van deze hulp, berekend op basis van het gewaarborgd maandloon of van het gemiddelde maandelijks minimuminkomen dat gewaarborgd wordt volgens de bezoldigingsregeling die op het slachtoffer toepasselijk is in de dienst waar het aangeworven of in dienst genomen is. Het jaarlijks bedrag van deze bijkomende vergoeding mag niet meer bedragen dan de bovenvermelde vergoeding vermenigvuldigd met 12.

In geval van opname van het slachtoffer ten laste van de verzekeraar in een ziekenhuis of een verplegings- en rustinstelling, wordt de vergoeding voor hulp door een derde, zoals bedoeld in het vorige lid, opgeschort vanaf de 91ste dag van ononderbroken opname.

Onverminderd artikel 19 stelt de Koning de wijze vast waarop de arbeidsongeschiktheid wordt bepaald.]

W. 19-10-1998; [[ ]]¹ W. 24-12-2002; [[ ]]² W. 17-5-2007

[[§ 3.]]¹ De renten voortspruitend uit ongevallen die zich hebben voorgedaan vanaf 1 april 1984, en vastgesteld overeenkomstig § 1, worden verminderd met 50 pct. voor de [[arbeidsongeschiktheden]]² van minder dan 5 pct. en met 25 pct. voor de [[arbeidsongeschiktheden]]² die ten minste gelijk zijn aan 5 pct. maar minder bedragen dan 10 pct.]

(voetnoot 1) K.B. nr. 419, 16-7-1986; [[ ]]¹ W. 19-10-1998; [[ ]]² W. 17-5-2007

[Art. 4bis.

Wanneer [[het slachtoffer]] een rust- of overlevingspensioen geniet dat slechts wordt uitbetaald op voorwaarde dat de wettelijk vastgestelde perken van toegelaten arbeid niet worden overschreden, wordt de basisbezoldiging vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van de toegelaten arbeid.]

(voetnoot 2) K.B. nr. 280, 30-3-1984; [[ ]] W. 19-10-1998

Art. 5.

[Onverminderd de bepalingen van de artikelen 6 en 7, kunnen de in artikel 3, eerste lid, 1°, b, bedoelde rente en de in artikel 3, eerste lid, 1°, c, bedoelde bijslag wegens verergering van de blijvende ongeschiktheid worden gecumuleerd met de bezoldiging en met het rustpensioen, toegekend krachtens de wets- en reglementsbepalingen eigen aan de overheidsdiensten.]

W. 17-5-2007

Art. 6.

§ 1. [Zolang het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, mogen de rente bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, b, en de bijslag bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, c, niet hoger liggen dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan de rente werd vastgesteld.]

W. 17-5-2007

sect; 2. [ [[Het slachtoffer]] die ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen maar die andere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, kan volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder te werk gesteld worden in een betrekking welke met zulk een ambt overeenkomt.

Het wedertewerkgestelde [[slachtoffer]] behoudt het voordeel van de bezoldigingsregeling welke hij genoot toen het ongeval zich voordeed of de beroepsziekte werd vastgesteld.]

[ ] W. 20-12-1995; [[ ]] W. 19-10-1998

[§ 3. Indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, heeft het tijdens deze afwezigheidsperiode recht op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling.]

W. 19-10-1998

Art. 7.

[§ 1. Indien het slachtoffer zijn ambt neerlegt en een in artikel 5 bedoeld rustpensioen verkrijgt, kunnen de in artikel 3, eerste lid, 1°, b, bedoelde rente en de in artikel 3, eerste lid, 1°, c, bedoelde bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid met het pensioen slechts worden gecumuleerd tot 100 % van de laatste bezoldiging, nadat deze in voorkomend geval is aangepast volgens de voor rust- en overlevingspensioenen geldende regelen.

Dat maximum kan tot méér dan 100 %, echter niet tot méér dan 150 %, worden opgevoerd voor slachtoffers wier toestand volstrekt de geregelde hulp van een ander persoon vergt.

De rente of de bijslag wegens verergering worden in voorkomend geval tot het passend bedrag verminderd.

§ 2. Het slachtoffer dat zijn ambt neerlegt zonder recht op een in artikel 5 bedoeld rustpensioen te hebben, geniet de totale rente en de totale bijslag wegens verergering.]

W. 17-5-2007

B. Renten in geval van overlijden

Art. 8.

[Indien het ongeval of de beroepsziekte het overlijden van [[het slachtoffer]]¹ tot gevolg heeft gehad, wordt een rente gelijk aan 30 pct. van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging toegekend :

1° [[aan de echtenoot die op het tijdstip van het ongeval of van de vaststelling van de beroepsziekte noch uit de echt noch van tafel en bed is gescheiden of aan de partner die op het tijdstip van het ongeval of van de vaststelling van de beroepsziekte wettelijk met hem samenwoont;]]²

2° [[aan de echtgenoot die op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer noch uit de echt noch van tafel en bed is gescheiden of aan de partner die op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer wettelijk met hem samenwoont, op voorwaarde dat :

a) het huwelijk of de wettelijke samenwoning na het ongeval of na de vaststelling van de beroepsziekte ten minste één jaar voor het overlijden gesloten werd of,

b) uit het huwelijk of de wettelijke samenwoning een kind geboren is of,

c) bij het overlijden een kind ten laste was waarvoor één van de echtgenoten of één van de wettelijk samenwonenden partners kinderbijslag ontving.]]²

De overlevende die uit de echt of van tafel en bed gescheiden is en die een wettelijk of conventioneel onderhoudsgeld ontving ten laste van [[het slachtoffer]]¹ [[alsook de langstlevende van een ontbonden wettelijke samenwoning, die een conventioneel onderhoudsgeld ten laste van het slachtoffer genoot]]² heeft eveneens recht op de rente bedoeld in het eerste lid, zonder dat die rente meer mag bedragen dan het onderhoudsgeld.]

W. 13-7-1973; [[ ]]¹ W. 19-10-1998; [[ ]]² W. 11-5-2007

Art. 9.

[§ 1. [[De kinderen die halve wezen zijn, hebben recht op een tijdelijke rente indien het ongeval of de beroepsziekte het overlijden van [[[het slachtoffer]]]¹ tot gevolg heeft gehad. De tijdelijke rente is voor ieder kind gelijk aan 15% van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging zonder dat het totaal 45% van die bezoldiging mag overschrijden. Dit, indien de kinderen :

1. [[[...]]]² kinderen zijn, geboren of verwerkt vóór het overlijden van [[[het slachtoffer]]]¹;

2. [[[kinderen van de overlevende echtgenoot of van de wettelijk samenwonende partner zijn, geboren of verwekt vóór het overlijden van het slachtoffer;]]]³

3. [[[...]]]²

4. niet-erkende kinderen zijn, die een pensioen hebben verkregen in toepassing van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek.]]¹

§ 2. De in § 1 bedoelde kinderen, die wees zijn van vader en moeder, en de [[...]]¹ kinderen niet erkend door de ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte overleden moeder, ontvangen een rente die voor ieder kind gelijk is aan 20 pct. der in artikel 4 bepaalde bezoldiging zonder dat het totaal 60 pct. van die bezoldiging mag overschrijden.

§ 3. [[De rente die bij toepassing van § 1 wordt toegekend aan de kinderen van de overlevende echtgenoot of van de overlevende wettelijk samenwonende partner wordt verminderd met het bedrag van de rente die aan voornoemde kinderen wegens een ander dodelijk arbeidsongeval of een andere beroepsziekte werd toegekend.]]³

De zodanig verminderde rente en de andere rente mogen samen evenwel niet lager zijn dan het bedrag van de rente toegekend aan de kinderen van [[het slachtoffer]]².

§ 4. De kinderen die [[...]]4 door één persoon zijn geadopteerd ontvangen een rente die voor ieder kind gelijk is aan 20 pct. van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging van de overleden adoptant zonder dat het totaal 60 pct. van die bezoldiging mag overschrijden.

De kinderen die door twee personen zijn geadopteerd ontvangen voor ieder kind, een rente gelijk aan :

a) 15 pct. van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging zo één van de adoptanten de andere overleeft, zonder dat het totaal 45 pct. van die bezoldiging mag overschrijden;

b) 20 pct. van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging zo één van de adoptanten vóóroverleden is, zonder dat het totaal 60 pct. van die bezoldiging mag overschrijden.

De geadopteerden die overeenkomstig de bepalingen van [[artikel 353-15]]4 van het Burgerlijk Wetboek rechten kunnen doen gelden in hun oorspronkelijke familie en in hun adoptieve familie, mogen de rechten, waarop zij in elke van deze families aanspraak kunnen maken, niet samenvoegen. Zij mogen echter kiezen tussen de rente waarop zij recht hebben in hun oorspronkelijke of in hun adoptieve familie. De geadopteerden kunnen steeds op hun keuze terugkomen wanneer zich in hun oorspronkelijke of in hun adoptieve familie een nieuw ongeval met dodelijke afloop voordoet.

[[Zo de belangen van de geadopteerde kinderen samenvallen met die van in § 1 bedoelde kinderen mag de rente toegekend aan de geadopteerden niet hoger zijn dan deze toegekend aan de andere kinderen.]]¹

[[De bepalingen van deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op de gewone adoptie.]]4

§ 5. Indien er meer dan drie kinderen zijn, wordt het bedrag van 15 pct. of van 20 pct. voor ieder kind verminderd door het te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan 3 en de noemer gelijk aan het aantal kinderen.

De maximumbedragen van 45 pct. en van 60 pct. blijven toepasselijk op al de kinderen zolang hun aantal niet beneden drie daalt. Blijven er niet meer dan twee kinderen over dan heeft ieder recht op een rente van 15 pct. of 20 pct.

§ 6. De kinderen hebben recht op de rente zolang zij gerechtigd zijn op kinderbijslag en alleszins tot hun 18 jaar.

De rente is verschuldigd tot op het einde van de maand waarin het recht vervalt.]

W. 13-7-1973; [[ ]]¹ W. 20-12-1995; [[ ]]² W. 19-10-1998; [[ ]]³ W. 11-5-2007; [[ ]]4 W. 30-12-2009; [[[ ]]]¹ W. 19-10-1998; [[[ ]]]² W. 17-5-2007; [[[ ]]]³ W. 11-5-2007

§ 7. [[...]] ]

W. 19-10-1998; [[ ]] W. 17-5-2007

Art. 10.

Indien het ongeval of de beroepsziekte het overlijden van [het slachtoffer]² tot gevolg heeft gehad, kan aan andere rechthebbenden dan de in de artikelen 8 en 9 genoemden een lijfrente of een tijdelijke rente worden toegekend [onder de voorwaarden bepaald in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.]¹

[ ]¹ K.B. 25-8-1971; [ ]² W. 19-10-1998

[Art. 10bis.

[[Zo de afstamming vastgesteld of de adoptie toegekend wordt na het overlijden van de getroffene en indien deze afstamming of adoptie een invloed heeft op de rechten van andere rechthebbenden, heeft ze pas uitwerking voor de toepassing van de artikelen 8 tot 10 vanaf de dag waarop de in kracht van gewijsde gegane beslissing die de afstamming vaststelt of de adoptie toekent, wordt betekend aan de overheid belast met de renten, overeenkomstig artikel 16.]]

Indien de rechten van andere rechthebbenden door een beslissing van de overheid of een gerechtelijke beslissing werden vastgesteld, wordt de wijziging van deze rechten door een nieuwe beslissing van de overheid of door een nieuwe gerechtelijke beslissing vastgelegd.]

W. 17-5-2007; [[ ]] W. 30-12-2009

Art. 11.

[De krachtens deze wet toegekende renten van overlevende echtgenoot, van overlevende wettelijk samenwonende partner en van wees en de overlijdensbijslag kunnen gecumuleerd worden met de weduwen- en wezenpensioenen, toegekend krachtens de wets- en reglementsbepalingen eigen aan de overheidsdiensten.]

W. 11-5-2007

C. Regelen gemeen aan beide soorten van renten

Art. 12.

[§ 1. Op aanvraag [[van het slachtoffer, van de overlevende echtgenoot of van de overlevende wettelijk samenwonende partner]]³, wordt ten hoogste een derde van de waarde van de rente in kapitaal omgezet.

Het eerste lid is niet van toepassing inzake beroepsziekten of wanneer de graad van blijvende [[arbeidsongeschiktheid]]1 geen [[16 pct.]]² (voetnoot 7) bereikt.

§ 2. De in § 1 bedoelde omzetting in kapitaal vindt plaats op de eerste dag van de derde maand die volgt op de indiening van de aanvraag, doch ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de door de Koning vastgestelde herzieningstermijn.]

(voetnoot 3) K.B. nr. 419, 16-7-1986; [[ ]]1 W. 18-10-1998; [[ ]]² K.B. 8-8-1997; [[ ]]³ W. 11-5-2007

Art. 13.

[De in artikel 3, eerste lid, bedoelde renten, de in artikel 4, § 2, bijkomende vergoedingen, de verergerings- en overlijdensbijslagen worden vermeerderd of verminderd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De Koning bepaalt hoe zij aan de spilindex 138,01 worden gekoppeld.

Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de renten wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt.]

W. 17-5-2007

HOOFDSTUK III. - [Cumulaties en burgerlijke aansprakelijkheid]

W.20-12-1995

Art. 14.

[§ 1. Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk voor [[het slachtoffer]]² of zijn rechthebbenden :

1° [[tegen de personeelsleden en de gemachtigden van de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen die het arbeidsongeval of de beroepsziekte opzettelijk hebben veroorzaakt;]]³

2° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen voor zover het arbeidsongeval of de beroepsziekte aan de goederen van [[het slachtoffer]]² schade heeft veroorzaakt;

3° [[tegen de personen, behalve de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsmede hun gemachtigden en de leden van hun personeel, die voor het ongeval aansprakelijk zijn;]]³

4° [[tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen tot wier personeel het slachtoffer behoort of tegen hun gemachtigden of de andere leden van dat personeel wanneer het ongeval zich op de weg naar en van het werk heeft voorgedaan;]]³

[[5° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen die de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zwaarwichtig hebben overtreden en die daardoor de personeelsleden aan het risico van arbeidsongevallen of van beroepsziekte hebben blootgesteld, terwijl de ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die bepalingen, in toepassing van artikel 3 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie hun schriftelijk :

a) hebben gewezen op het gevaar waaraan zij de personeelsleden blootstellen;

b) hebben meegedeeld welke overtredingen werden vastgesteld;

c) passende maatregelen hebben voorgeschreven;

d) [[[...]]]³

6° tegen de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen en de leden van hun personeel wanneer het ongeval een verkeersongeval is. Onder verkeersongeval wordt verstaan ieder ongeval in het wegverkeer, waarbij één of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat verband houdt met het verkeer op de openbare weg.]]³

§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1, zijn de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet te betalen.

De volgens het gemeen recht toegekende schadevergoeding kan evenwel niet samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.

§ 3. [[Toepassing van het bepaalde in deze wet brengt van rechtswege mede dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke [[[het slachtoffer]]]¹ of zijn rechthebbenden, overeenkomstig § 1 mochten kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte en zulks tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze wet bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt.

Bovendien treden de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de bezoldiging dragen van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die [[[het slachtoffer]]]¹ overeenkomstig § 1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid.

[[[Wat de personeelsleden betreft die bedoeld zijn in artikel 1, 5 , 6 en 7 , wordt de Gemeenschap of de Gemeenschapscommissie van rechtswege in de plaats gesteld tot beloop van de weddetoelage of van het loon, dat aan het slachtoffer tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid betaald wordt.]]]² ]]¹ ]

W. 13-7-1973; [[ ]]¹ W. 20-12-1995; [[ ]]² W. 19-10-1998; [[ ]]³ W. 17-5-2007; [[[ ]]]¹ W. 19-10-1998; [[[ ]]]² W. 20-5-1997; [[[ ]]]³ W. 11-12-2016

[Art. 14bis.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, blijven de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen [[alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen]]¹ verplicht de uit deze wet voortvloeiende vergoedingen en rechten uit te betalen.

§ 2. De overeenkomstig artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989 toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.

§ 3. [[De in artikel 1 bedoelde rechtspersonen en instellingen, degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen, alsook hun eventuele verzekeraar kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens § 1 gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen.]]³

Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als [[het slachtoffer]]² of zijn rechthebbenden en worden vervangen in de rechten die [[het slachtoffer]]² of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig § 1 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989.]

W. 20-12-1995; [[ ]]¹ W. 20-5-1997; [[ ]]² W. 19-10-1998; [[ ]]³ W. 29-3-2012

HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen

Art. 15.

[De renten, bijslagen en andere vergoedingen]² door deze wet bepaald, zijn niet verschuldigd als [het slachtoffer]¹ het ongeval of de beroepsziekte opzettelijk heeft veroorzaakt.

[Geen rente, bijslag of vergoeding]² is verschuldigd aan die rechthebbende, die het ongeval of de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt.

[ ]¹ W. 19-10-1998; [ ]² W. 17-5-2007

Art. 16.

[De renten, bijslagen en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1, 1°, 3° tot 7° en 10°, alsook aan de in artikel 1bis, 1° en 2°, bedoelde personen vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis.

De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, de korpsen van de lokale politie vermeld in artikel 1, 11°, alsook de instellingen vermeld in artikel 1bis, 3°, dragen de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. In dat geval kunnen zowel het slachtoffer als de herverzekeraar geen rechtsvordering tegen elkaar instellen.]

W. 17-5-2007

Art. 17.

[§ 1. De vernietiging van een benoeming of de nietigverklaring van de arbeidsovereenkomst kunnen niet worden ingeroepen ten aanzien van de toepassing van deze wet, wanneer zij geschieden na het ongeval of na de vaststelling van de beroepsziekte.

§ 2. Elke overeenkomst, strijdig met de bepalingen van deze wet, is van rechtswege nietig.]

K.B. nr. 280,30-3-1984

Art. 18.

De krachtens deze wet aan [de slachtoffers]1 of hun rechthebbenden [verschuldigde renten en bijslagen]² zijn niet voor overdracht of beslag vatbaar dan om dezelfde redenen en binnen dezelfde perken als die welke van toepassing zijn op de in uitvoering van de wetten inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten toegekende renten en vergoedingen.

[ ]¹ W. 19-10-1998; [ ]² W. 17-5-2007

Art. 19.

Alle geschillen met betrekking tot de toepassing van deze wet, ook die over de vaststelling van het percentage aan blijvende [arbeidsongeschiktheid], worden verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen, waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet.

W. 19-10-1998

[Behalve wanneer zij slechts op de betaling van de rente, van de bijslag wegens verergering of van de overlijdensbijslag slaat, wordt de rechtsvordering, ingeleid door het personeelslid van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1 3° tot 7° uitsluitend gericht tegen de Gemeenschap, het Gewest of het College waarvan het afhangt.

Deze bepaling sluit het betrekken van de Staat in de zaak uit, bij wege van een gedwongen tussenkomst als bedoeld in artikel 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maar tast het recht van de Staat niet aan om in een lopende procedure tussen te komen.]

W. 17-5-2007

Art. 20.

(voetnoot 4)

[ [[Vorderingen tot betaling van vergoedingen verjaren na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht.

(voetnoot 5)

]]

De verjaringen die gelden voor de in het voorgaande lid bedoelde vorderingen worden gestuit of geschorst op dezelfde wijze en op dezelfde gronden als bepaald door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten. Die verjaringen lopen mede tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden.]

W. 13-7-1973; [[ ]] W. 20-5-1997

[Vorderingen tot betaling van de bijslagen wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid en van de overlijdensbijslagen verjaren na drie jaar vanaf de eerste dag volgend op de betalingsperiode waarop zij betrekking hebben, voor zover de verjaringstermijn van een eventuele hoofdvordering tot betaling van de op deze periode betrekking hebbende vergoedingen niet is verstreken.]

W. 17-5-2007

[Art. 20bis.

(voetnoot 7)

[[ [[[De renten, de bijslagen en de kapitalen]]] bepaald bij deze wet brengen van rechtswege intrest op vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin zij eisbaar worden]].]

W. 13-7-1973; [[ ]] K.B. nr. 280, 30-3-1984; [[[ ]]] W. 17-5-2007

[Art. 20ter.

Alle akten en getuigschriften waarvan de overlegging voor de uitvoering van deze wet kan worden geëist, worden kosteloos afgegeven.]

W. 13-7-1973

[Art. 20quater.

Wanneer de instantie die bevoegd is voor het vaststellen van de datum van consolidatie van de lichamelijke letsels ingevolge een arbeidsongeval die datum met terugwerkende kracht vaststelt, mag die terugwerkende kracht het slachtoffer niet benadelen, noch verplichtingen met zich meebrengen ten laste van het slachtoffer.]

W. 17-5-2007

[Art. 20quinquies.

Wanneer de door een beroepsziekte [[slachtoffer]] voor dezelfde beroepsziekte rechten kan doen gelden in het kader van deze wet en van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, wordt de gehele schadeloosstelling waarop [[het slachtoffer]] of zijn rechthebbenden aanspraak kunnnen maken, uitsluitend toegekend op grond van de wetgeving waaronder [[het slachtoffer]] het laatst aan het bedoelde beroepsrisico blootgesteld was, vóór de datum van de aanvraag die aanleiding geeft tot de eerste schadeloosstelling.

Indien [[het slachtoffer]], op het ogenblik van de laatste blootstelling waarvan sprake in het eerste lid, onder het toepassingsgebied van beide wetgevingen viel, wordt de gehele schadeloosstelling uitsluitend toegekend op grond van de wetgeving waaronder het blootgesteld was door het uitoefenen van zijn voornaamste beroepsactiviteit.]

W. 29-4-1996; [[ ]] W. 19-10-1998

[Art. 20sexies.

De besturen, diensten, instellingen, inrichtingen of personen die zijn opgesomd in de artikelen 1 en 1bis en waarop deze wet toepasselijk is gemaakt, delen het Fonds voor arbeidsongevallen de elementen mede die voorkomen in de aangiften van arbeidsongevallen of ongevallen op de weg naar en van het werk, alsook die welke betrekking hebben op de regeling van deze ongevallen, voor statistische verwerking mede.

De Koning bepaalt de termijnen, de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling.]

W. 22-3-1999

[De elektronische uitwisseling van sociale gegevens met betrekking tot de arbeidsongevallen en met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid gebeurt overeenkomstig de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, door tussenkomst van het Fonds voor Arbeidsongevallen als beheersinstelling van een secundair netwerk.]

W. 17-5-2007

[HOOFDSTUK IVbis. Toezicht

Art. 20septies.

De sociaal inspecteurs, de sociaal controleurs en de geneesheren van het Fonds voor arbeidsongevallen, bedoeld in artikel 87 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, houden toezicht op de naleving van deze wet alsook van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.

Zij oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

Art. 20octies.

Wanneer de overheid die door de Koning werd aangeduid voor de aangiften van ongevallen weigert om het ongeval als een arbeidsongeval te erkennen, informeert zij daarover tegelijkertijd het Fonds voor arbeidsongevallen en het slachtoffer of zijn rechthebbenden.

Het Fonds voor arbeidsongevallen kan een onderzoek naar de oorzaken en omstandigheden van het ongeval uitvoeren; in voorkomend geval kan een proces-verbaal worden opgesteld.

Een kopie van het proces-verbaal wordt naar de dienst en naar het slachtoffer of zijn rechthebbenden gestuurd, en in de gevallen bedoeld in artikel 2bis, naar de verzekeringsinstelling waarbij het slachtoffer aangesloten of ingeschreven is overeenkomstig de wetgeving op de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.

Art. 20novies.

Als er een geschil betreffende de erkenning van het arbeidsongeval blijft tussen de overheid en de sociaal inspecteurs en sociaal controleurs, bedoeld in artikel 20septies, [[bezorgen zij de overheid en het slachtoffer of zijn rechthebbenden]], bij aangetekende brief, hun gemotiveerd advies. Dat advies wordt door de overheid neergelegd bij de griffie van de bevoegde rechtbank wanneer bij deze een betwisting betreffende de erkenning van het arbeidsongeval aanhangig wordt gemaakt.

[[Art. 20decies.

In geval van betwisting tussen een bestuur, een dienst, een instelling, een inrichting of een persoon die zijn opgesomd in de artikelen 1 en 1bis en waarop deze wet toepasselijk is gemaakt en het Fonds voor arbeidsongevallen over de tenlasteneming van het arbeidsongeval en de handhaving van de weigering van de overheid om het ongeval ten laste te nemen, kan het Fonds het geschil voor de bevoegde rechtbank brengen.

Het brengt de overheid, het slachtoffer of zijn rechthebbenden en, in voorkomend geval, voor het personeelslid dat geen vast benoemd ambtenaar is, de verzekeringsinstelling van het slachtoffer, per aangetekende zending op de hoogte van zijn intentie om het geschil voor de bevoegde rechtbank te brengen na een termijn van drie maanden vanaf die verzending.

Het slachtoffer of zijn rechthebbenden kunnen, binnen die termijn van drie maanden, hun verzet tegen de instelling van die vordering door het Fonds voor arbeidsongevallen uitdrukkelijk kenbaar maken. In dat geval wordt de vordering stopgezet.

Wanneer de vordering bij de bevoegde rechtbank ingesteld wordt, worden het slachtoffer of zijn rechthebbenden en zijn verzekeringsinstelling in het geding betrokken.

Het vonnis dat wordt geveld, zal aan hen tegenstelbaar zijn.]] ]

W. 17-5-2007; [[ ]] W. 11-12-2016

HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en overgangsbepalingen

Art. 21.

[...]

impl. opgeh.W. 17-6-1971

Art. 22.

§ 1. Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk staatspersoneel en het daarmee gelijkgesteld personeel, gewijzigd bij de wet van 25 februari 1965, wordt door de volgende woorden vervangen : ...

§ 2. Artikel 8, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen : ...

Art. 23.

Onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, komen noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.

De Koning is gemachtigd om aan de onderhavige wet aan te passen de wetten die bepalingen bevatten inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg naar en van het werk of uit beroepsziekten van openbare ambtsdragers.

Art. 24.

De leden en gewezen leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, alsook hun rechthebbenden kunnen, van 1 januari 1967 af, bekomen dat hun bezoldiging of pensioen wordt herzien opdat aan de afhouding van een arbeidsongevallenrente een einde wordt gemaakt.

Art. 25.

§ 1. De leden en gewezen leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, alsook hun rechthebbenden kunnen vragen, dat zij voor die regeling in aanmerking komen wegens arbeidsongevallen of ongevallen op de weg naar of van het werk die zich sedert 1 januari 1957 hebben voorgedaan of wegens beroepziekten die sedert die datum zijn vastgesteld.

Is [het slachtoffer] voor ten minste 30 pct. [arbeidsongeschikt] of is hij overleden, dan kunnen [het slachtoffer] of zijn rechthebbenden vragen om voor die regeling in aanmerking te komen wegens ongevallen die zich hebben voorgedaan of beroepsziekten die zijn vastgesteld vóór 1 januari 1957 voor zover, wat de ongevallen op de weg naar en van het werk betreft, deze zich niet hebben voorgedaan op een datum, die de datum van 15 februari 1946 voorafgaat.

Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen de aanvragers zich niet beroepen op het vermoeden gevestigd in artikel 2, eerste lid.

§ 2. Renten verkregen ingevolge § 1 worden eerst met uitwerking op 1 januari 1967 toegekend.

§ 3. Vorderingen tot uitbetaling van de bij dit artikel bepaalde vergoedingen verjaren na verloop van drie jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit.

W. 19-10-1998

Art. 26.

De leden en gewezen leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, alsook hun rechthebbenden kunnen vragen, dat zij voor geheel die regeling in aanmerking komen wegens arbeidsongevallen of ongevallen op de weg naar of van het werk die zich sedert 1 januari 1967 hebben voorgedaan of wegens beroepsziekten die sedert die datum zijn vastgesteld.

Ingeval deze personen echter onder de toepassing zouden vallen van de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg naar en van het werk of uit beroepsziekten, kunnen zij de gunstigste herstelregeling genieten.

Art. 27.

Deze wet treedt in werking op 1 januari 1967.

- (8): Voor elke verergering na de herzieningstermijn en vóór de inwerkingtreding van deze wet, dd. 17-5-2007, is de verergeringsbijslag verschuldigd ten vroegste vanaf 1 januari 2006. De bedoelde overlijdensbijslag is verschuldigd voor elk overlijden dat gebeurd is na 31 december 2005. (W. 17-5-2007; Art. 26)

- (8): Voor elke verergering na de herzieningstermijn en vóór de inwerkingtreding van deze wet, dd. 17-5-2007, is de verergeringsbijslag verschuldigd ten vroegste vanaf 1 januari 2006. De bedoelde overlijdensbijslag is verschuldigd voor elk overlijden dat gebeurd is na 31 december 2005. (W. 17-5-2007; Art. 26)

- (6): 1. Deze wet van 3 juli 1967, zoals van kracht vóór 25 november 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat het slachtoffer van een arbeidsongeval, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid zodanig verergert dat het slachtoffer zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, geen recht heeft op een vergoeding zoals voor die arbeidsongeschiktheid is bepaald in artikel 3bis van die wet.2. Deze wet van 3 juli 1967, zoals van kracht vóór 25 november 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat het slachtoffer van een arbeidsongeval, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid zodanig verergert dat het slachtoffer zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, recht heeft op een vergoeding zoals voor die arbeidsongeschiktheid is bepaald in artikel 3bis van die wet. (Arr. nr. 40/2002 dd. 20-2-2002)

- (9): Van toepassing op de renten die verschuldigd zijn vanaf 1 januari 2005. (W. 17-5-2007; Art. 27)

- (1): Uitwerking met ingang van 1 augustus 1986.

- (2): Uitwerking m.i.v. 6 april 1984.

- (7): 1. Artikel 20bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat dat verwijlinteresten worden toegekend vóór het uitvoerbaar worden van de rechterlijke beslissing over de betwisting betreffende het bestaan van het recht op en het bedrag van de aan het slachtoffer van een arbeidsongeval verschuldigde renten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.2. Diezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij toestaat dat verwijlinteresten worden toegekend vóór het uitvoerbaar worden van de rechterlijke beslissing over de betwisting betreffende het bestaan van het recht op en het bedrag van de aan het slachtoffer van een arbeidsongeval verschuldigde renten, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. (Arr. nr. 82/2002 dd. 8-5-2002)

- (3): Uitwerking m.i.v. 1 januari 1986.

- (4): Ten aanzien van de personeelsleden, aan wie een rente en/of een kapitaal wordt (werd) toegekend ingevolge een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte waarvan zij het slachtoffer zijn geweest voor de datum van inwerkingtreding (1-8-1997) van deze wet, wordt de beslissing van het Rekenhof om haar visum te weigeren wegens het overschrijden van de verjaringstermijn bedoeld in artikel 20 van deze wet van 3 juli 1967, voor onbestaande gehouden, wanneer de overschrijding van deze termijn niet te wijten is aan de betrokken personeelsleden. (W. 20-5-1997; Art. 9)

- (5): Van toepassing op de arbeidsongevallen, op de ongevallen op de weg naar en van het werk en op de beroepsziekten die zijn aangegeven voor de datum van inwerking (1-8-1997) van deze wet en waarover nog geen gerechtelijke beslissing is genomen die in kracht van gewijsde is gegaan.(W. 20-5-1997; Art. 8)

- (7): 1. Artikel 20bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat dat verwijlinteresten worden toegekend vóór het uitvoerbaar worden van de rechterlijke beslissing over de betwisting betreffende het bestaan van het recht op en het bedrag van de aan het slachtoffer van een arbeidsongeval verschuldigde renten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.2. Diezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij toestaat dat verwijlinteresten worden toegekend vóór het uitvoerbaar worden van de rechterlijke beslissing over de betwisting betreffende het bestaan van het recht op en het bedrag van de aan het slachtoffer van een arbeidsongeval verschuldigde renten, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. (Arr. nr. 82/2002 dd. 8-5-2002)