Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    31 JULI 1990
  • publicatiedatum
    B.S.29/03/1991
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

De Vlaamse Regering,

Gelet op het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 55, § 1;

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 12bis, § 3, a), ingevoegd bij de wet van 11 juli 1973 en op artikel 27, § 1, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1973 en 1 augustus 1985;

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd bij de wet van 18 februari 1977;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, inzonderheid op artikel 3, laatste lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 1 augustus 1984, en op de artikelen 4 en 6, B., C. en D., gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 1969, 31 juli 1969, 7 maart 1979 en 1 augustus 1984;

Gelet op het protocol van 13 juni 1990 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de schoot van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, gegeven op 12 juni 1990;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

§ 1. [De regelgeving inzake bekwaamheidsbewijzen en het salaris of de salaristoelage treden, wat de in § 2 bedoelde personeelsleden betreft, in werking op 1 september 1990.]

§ 2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

B.Vl.R. 28-10-2016

Art. 2.

De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel mogen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld en ingedeeld :

a) wervingsambt in de studierichtingen beeldende kunst, dans, muziek en woordkunst : leraar;

b) wervingsambt in de studierichtingen muziek en dans : begeleider;

c) bevorderingsambt in de studierichtingen beeldende kunst, dans, muziek en woordkunst : directeur.

Art. 3.

§ 1. Het wervingsambt van leraar vervangt :

- het wervingsambt van leermeester artistieke vakken in het lager onderwijs;

- het wervingsambt van leraar artistieke vakken in het secundair onderwijs van de lagere graad;

- de wervingsambten van leraar algemene vakken, leraar artistieke vakken, leraar technische vakken, leraar bijzondere vakken en assistent in het secundair onderwijs van de hogere graad.

§ 2. Het wervingsambt van begeleider vervangt het wervingsambt van begeleider in het secundair onderwijs van de lagere graad en in het secundair onderwijs van de hogere graad.

§ 3. Het bevorderingsambt van directeur vervangt het bevorderingsambt van :

- directeur in de inrichtingen waarvan de onderwijstaal het Nederlands is in het secundair onderwijs van de lagere graad;

- directeur in de inrichtingen waarvan de onderwijstaal het Nederlands is in het secundair onderwijs van de hogere graad.

Art. 4.

De personeelsleden die op 31 augustus 1990 hetzij stagedoend zijn, hetzij vastbenoemd zijn, hetzij vastbenoemd zijn en als dusdanig erkend, waar deze erkenning vereist is, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden in een van de ambten die bij artikel 3 vervangen worden, worden geacht zich in het nieuwe ambt in dezelfde administratieve toestand te bevinden als op dezelfde datum in het ambt dat vervangen wordt.

Art. 5.

Worden opgeheven in het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, wat de in artikel 1 van het huidig besluit vermelde instellingen betreft :

1° artikel 3, laatste alinea;

2° artikel 4;

3° artikel 6 B, C en D, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 1969, 7 maart 1979 en 1 augustus 1984.

Art. 6.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1990.

Art. 7.

De Gemeenschapsminister van Onderwijs wordt belast met de uitvoering van dit besluit.