OPGEHEVEN : Decreet betreffende het onderwijs VII. (uittreksel)

  • goedkeuringsdatum
    08 JULI 1996
  • publicatiedatum
    B.S.05/09/1996
  • datum laatste wijziging
    01/09/2008
  • erratum
    B.S.22-11-1996

COORDINATIE

opgeheven door Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

...

TITEL XVI. - Deeltijds kunstonderwijs en voltijds kunstsecundair onderwijs

Art. 191.

De wedden en de weddetoelagen die, op grond van de maatregelen getroffen in uitvoering van de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs, tot 1 april 1972 werden uitgekeerd aan de personeelsleden die in het kunstonderwijs met beperkt leerplan en in het kunstonderwijs met volledig leerplan een ambt hebben uitgeoefend van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel, zijn in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven, behoudens indien een betrokken personeelslid, wat het gesubsidieerd onderwijs betreft, tewerkgesteld was in een niet-subsidieerbare betrekking.

Art. 192.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, worden de beslissingen die genomen werden op basis van de volgende ministeriële omzendbrieven in het kunstonderwijs met beperkt leerplan en in het secundair kunstonderwijs met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd in toepassing van de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs, geacht te zijn genomen in overeenstemming met de bepalingen en de uitvoeringsbesluiten van de wet van 22 juni 1964, betreffende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs en/of de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving :

1° omzendbrieven van 19 oktober 1973 betreffende de sociale programmatie 1972/73, gericht aan het gesubsidieerd onderwijs in de bouwkunst en de plastische kunsten en aan het gesubsidieerd muziekonderwijs;

2° KO/M.BK/85.10 van 9 juli 1985 op de klassering van de vakken in de rijksinrichtingen voor nederlandstalig secundair kunstonderwijs; de ingangsdatum wordt bepaald op 1 april 1972;

3° KO/M/85/16 van 14 augustus 1985, betreffende maatregelen ten aanzien van de gesubsidieerde muziekinrichtingen met beperkt leerplan;

4° KO/M/85-14 van 19 december 1985, gewijzigd door KO/M/85-14-bis, betreffende de afwijking van de vereiste, inzake bekwaamheidsbewijzen;

5° KO/BK/86-3 van 9 juli l986 op de vereiste bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters, de leraars en de assistenten artistieke vakken;

6° KO/BK/86-4 van 10 juli 1986, betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters, de leraars en de assistenten artistieke vakken en voor de directeurs van de gesubsidieerde kunstonderwijsinrichtingen, die een secundair onderwijs in de beeldende kunsten organiseren;

7° KO/M.BK/86-5 van 1 juli 1986 tot wijziging op 1 januari 1986 van de weddenschalen van sommige leden van het onderwijzend personeel van het kunstonderwijs, bezoldigd op grond van de weddenschaal van onderwijzer of van een weddenschaal afgeleid van deze laatste;

8° KO/GC/MH van 5 september 1986, betreffende het secundair muziekonderwijs met beperkt leerplan, voor zover het gaat over de bekwaamheidsbewijzen voor de cursus clavecimbel.

Art. 193.

De bekwaamheidsbewijzen die, in toepassing van de koninklijke besluiten van 26 januari 1968 tot vaststelling van de titels vereist met het oog op de toekenning van toelagen aan de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs en van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht in de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs, gelden voor het gesubsidieerd onderwijs worden geacht eveneens van toepassing te zijn op de rijksinrichtingen voor muziekonderwijs voor de duur van de gelding van deze besluiten.

Art. 194.

§ 1. De onder artikel 192 vermelde omzendbrieven van 19 oktober 1973 op de sociale programmatie in het gesubsidieerd kunstonderwijs worden bekrachtigd voor zover het aanvullende bepalingen en weddenschalen betreft die niet zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de weddenschalen van het personeel van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met beperkt, respectievelijk volledig, leerplan.

§ 2. De Vlaamse regering is gemachtigd de weddenschalen waarvan sprake in § 1 van dit artikel bedoelde koninklijk besluit van 9 november 1978 met terugwerkende kracht tot voor 1 september 1989 aan te passen. Hetzelfde geldt voor de weddenschalen waarvan sprake in de in artikel 192 bedoelde omzendbrieven van 19 oktober 1973 en KO/M-BK/ 86-5 van 15 juli 1986.

Art. 195.

De leermeesters, de leraars artistieke vakken en de assistenten artistieke vakken waarvan sprake in de in artikel 192 bedoelde omzendbrief KO/BK/86/3 van 9 juli 1986 die tussen 1 april 1972 en 31 augustus 1986 hun ambt hebben uitgeoefend in een rijkskunstonderwijsinrichting met beperkt en met volledig leerplan en hiervoor bezoldigd werden op basis van het in artikel 194 van dit decreet bedoelde koninklijk besluit van 9 november 1978 worden verondersteld hiervoor in het bezit te zijn geweest van een vereist bekwaamheidsbewijs.

Art. 196.

1° Artikel 191 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1955.

2° De artikelen 192, 1° en 2°, 193, 194 en 195 hebben uitwerking met ingang van 1 april 1972.

3° Artikel 192, 3° en 4° heeft uitwerking met ingang van 1 september 1985.

4° Artikel 192, 7° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1986.

5° Artikel 192, 5°, 6° en 8° heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986.

...