Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen.

  • goedkeuringsdatum
    22 DECEMBER 1995
  • publicatiedatum
    B.S.01/02/1996
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Art. 27, laatste lid, van ditzelfde decreet

Decr. 4-4-2003 - B.S. 14-7-2003

Decr. 19-3-2004 - B.S. 10-6-2004

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 13-7-2012 - B.S. 8-8-2012

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 127 van de Grondwet.

TITEL II

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 2.

Bij dit decreet wordt de [...] Universiteit Antwerpen opgericht, verder UA genoemd. Zij heeft rechtspersoonlijkheid. Zij heeft haar bestuurszetel in het administratief arrondissement Antwerpen.

[...]

Decr.4-4-2003

Art. 3.

[Dit decreet heeft tevens betrekking op :

- het Universitair Centrum Antwerpen, hierna het RUCA te noemen;

- de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, hierna de UFSIA te noemen;

- de Universitaire Instelling Antwerpen, hierna de UIA te noemen;

- de confederale Universiteit Antwerpen, hierna de UA te noemen.]

Decr. 4-4-2003

[Art. 3bis.

Het doel van de Universiteit Antwerpen is, in een pluralistisch perspectief en met de academische vrijheid en de bestuurlijke autonomie als grondslag, academisch onderwijs te verstrekken en wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening te verrichten.]

Decr. 4-4-2003

[HOOFDSTUK II. - De bestuursstructuur

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 4.

De bestuursorganen van de universiteit zijn de Raad van Bestuur en het Bestuurscollege.

Art. 5.

§ 1. De Raad van Bestuur beslist over de indeling in faculteiten en daarmee gelijkgestelde organen, in scholen, instituten en andere academische entiteiten.

De academische leiding van de faculteiten en daarmee gelijkgestelde organen berust bij een decaan. De wijze van aanstelling van de decaan wordt geregeld in een reglement met betrekking tot de academische structuur.

§ 2. De academische bestuursstructuur omvat ten minste :

1° een College van Decanen;

2° een Onderwijsraad;

3° een Onderzoeksraad;

4° een Raad voor Wetenschappelijke en Maatschappelijke Dienstverlening.

De nadere regels met betrekking tot de academische bestuursstructuur worden door de Raad van Bestuur vastgelegd in een reglement.

Art. 6.

De leden van de bestuursorganen treden bij hun handelingen als lid van het betrokken bestuursorgaan enkel op in het algemeen belang.

[Art. 6bis.

De raad van bestuur legt in het organiek reglement of bestuursreglement de fundamentele regelen betreffende de organisatie van de aanwijzingen en verkiezingen vast. Deze fundamentele regelen voorzien in afdoende waarborgen opdat beide geslachten in de schoot van de raad van bestuur, de verschillende bestuursorganen van de universiteit die uitvoerbare beslissingen kunnen nemen, in de verschillende adviesraden waarin het organiek reglement voorziet en in selectiecommissies gelijkwaardig zijn vertegenwoordigd. Ten minste geldt dat ten hoogste twee derde van de leden van de hiervoor genoemde organen, raden en commissies bestaat uit personen van hetzelfde geslacht.]

Decr. 13-7-2012

Afdeling 2. - De Raad van Bestuur

Art. 7.

§ 1. De Raad van Bestuur bestaat uit :

1° de ambtshalve leden, met name de rector, de voorzitter van de Onderzoeksraad, de voorzitter van de Onderwijsraad en de voorzitter van de Raad voor Wetenschappelijke en Maatschappelijke Dienstverlening;

2° een lid van het zelfstandig academisch personeel uit het wetenschapsgebied humane wetenschappen, gekozen uit en door de leden van het zelfstandig academisch personeel van dat wetenschapsgebied;

3° een lid van het zelfstandig academisch personeel uit het wetenschapsgebied wetenschappen, gekozen uit en door de leden van het zelfstandig academisch personeel van dat wetenschapsgebied;

4° een lid van het zelfstandig academisch personeel uit het wetenschapsgebied geneeskunde en farmaceutische, biomedische en diergeneeskundige wetenschappen, gekozen uit en door de leden van het zelfstandig academisch personeel van dat wetenschapsgebied;

5° drie leden van het zelfstandig academisch personeel, gekozen uit en door de leden van het zelfstandig academisch personeel;

6° drie leden van het assisterend en bijzonder academisch personeel, gekozen uit en door de leden van het assisterend en bijzonder academisch personeel;

7° drie leden van het administratief en technisch personeel, gekozen uit en door de leden van het administratief en technisch personeel;

8° [drie studenten aangeduid met inachtname van[[artikel II.327 van de Codex Hoger Onderwijs]]; ]¹

9° drie leden waarvan telkens één lid aangewezen wordt door de minister, bevoegd voor Onderwijs, door de gouverneur van de provincie Antwerpen en door de provinciaal van de Sociëteit van Jezus;

10° drie leden uit de openbare, politieke, sociaal-economische, levensbeschouwelijke en culturele milieus, gecoöpteerd door de leden van de Raad van Bestuur, bedoeld in 1° tot 9°, rekening houdend met het profiel van de universiteit;

[11° drie leden uit het economische afnameveld van afgestudeerden van de universiteit, gecoöpteerd door de leden van de raad van bestuur, bedoeld in punt 1° tot 9°.]³

§ 2. De leden, bedoeld in § 1, 2° tot en met 7°, worden, na verkiezingen binnen de betreffende personeelsgeleding aangewezen voor een periode van vier jaar. Die periode is slechts eenmaal hernieuwbaar, tenzij na een onderbreking van vier jaar.

[De studenten worden aangewezen voor een periode van twee jaar. Die periode is slechts éénmaal hernieuwbaar, tenzij na een onderbreking van twee jaar.]¹

§ 3. De leden, bedoeld in § 1, 9° en 10° worden aangewezen voor een periode van vier jaar. Die periode is slechts éénmaal hernieuwbaar, tenzij na een onderbreking van vier jaar.

§ 4. De nadere regelingen betreffende de verkiezing door de geledingen, de verkiesbaarheid, het kiesrecht en de verkiezingen worden door de Raad van Bestuur in een reglement opgenomen [rekening houdend met het bepaalde in artikel 6bis]².

Het lidmaatschap van de Raad van Bestuur is niet verenigbaar met het mandaat van decaan, algemeen beheerder en beheerder.

§ 5. Indien een geleding nalaat leden aan te wijzen, werkt de Raad van Bestuur verder met de andere leden.

§ 6. De Raad van Bestuur verkiest uit zijn leden een voorzitter. Het mandaat van voorzitter is niet verenigbaar met het mandaat van rector, voorzitter van de Onderwijsraad, de Onderzoeksraad of de Raad voor Wetenschappelijke en Maatschappelijke Dienstverlening, of lidmaatschap van het Bestuurscollege. Het mandaat duurt vier jaar en is eenmaal hernieuwbaar, tenzij na een onderbreking van vier jaar.

§ 7. De Raad van Bestuur kan bepalen wie, buiten de leden, de zitting van de Raad van Bestuur bijwoont.

[§ 8. Voor de toepassing van dit artikel worden :

1° de leden van het onderwijzend personeel van groep 3 die opgenomen zijn in het integratiekader [[vermeld in artikel V.209 van de Codex Hoger Onderwijs]], ingedeeld in de categorie van het zelfstandig academisch personeel;

2° de leden van het onderwijzend personeel van groep 1 en 2 die opgenomen zijn in het integratiekader [[vermeld in artikel V.209 van de Codex Hoger Onderwijs]], ingedeeld in de categorie van het assisterend academisch personeel;

3° de leden van het administratief en technisch personeel die opgenomen zijn in het integratiekader [[vermeld in artikel V.209 van de Codex Hoger Onderwijs]], ingedeeld in de categorie van het administratief en technisch personeel.]²

[ ]¹ Decr. 19-3-2004; [ ]² Decr. 13-7-2012; [ ]³ Decr. 16-6-2017; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Afdeling 3. - Het Bestuurscollege

Art 8.

§ 1. Het Bestuurscollege bestaat uit :

1° de rector, die voorzitter is;

2° de voorzitter van de Onderwijsraad, de voorzitter van de Onderzoeksraad en de voorzitter van de Raad voor Wetenschappelijke en Maatschappelijke Dienstverlening;

3° de algemeen beheerder;

4° telkens één lid behorende tot de leden bedoeld in artikel 7, § 1, 5° tot en met 8°. Die leden worden aangewezen door de Raad van Bestuur uit zijn leden.

De beheerders zijn lid van het Bestuurscollege met raadgevende stem.

§ 2. Nadere regels omtrent de aanwijzing van de leden vermeld in § 1, 4°, worden door de Raad van Bestuur vastgelegd [rekening houdend met het bepaalde in artikel 6bis].

Decr. 13-7-2012

Afdeling 4. - De rector

Art. 9.

§ 1. De rector wordt door de Raad van Bestuur benoemd voor een termijn van 4 jaar uit een lijst voorgedragen door een kiescollege waarvan de samenstelling bepaald wordt door de Raad van Bestuur. In dat kiescollege zijn de geledingen van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend en bijzonder academisch personeel, het administratief en technisch personeel, en de studenten vertegenwoordigd. De rector wordt gekozen uit de gewoon hoogleraren [en de hoogleraren]. De verkiezing vindt plaats tijdens het academiejaar dat voorafgaat aan het verstrijken van het mandaat van de in dienst zijnde rector.

De lijst met kandidaten voor het mandaat van rector bevat ten minste één en ten hoogste drie gerangschikte kandidaten. De verdere procedure wordt bepaald door de Raad van Bestuur.

De kandidaten mogen de leeftijdsgrens voor opruststelling niet bereiken tijdens de duur van hun mandaat. Het mandaat van rector kan eenmaal hernieuwd worden.

§ 2. De rector heeft de academische leiding van de universiteit en vertegenwoordigt de universiteit op academisch vlak.

Decr. 13-7-2012

Afdeling 5. - De algemeen beheerder en de beheerders

Art. 10.

In de personeelsformatie ten laste van de werkingsuitkeringen worden een betrekking van algemeen beheerder en twee betrekkingen van beheerder opgenomen. Met de algemeen beheerder en de beheerders wordt een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gesloten. De opdracht van de algemeen beheerder en de beheerders wordt vastgelegd voor onbeperkt hernieuwbare termijnen van zes jaar. Aan de betrekkingen is de weddenschaal van gewoon hoogleraar verbonden.

De Raad van Bestuur kan hun een vergoeding toekennen overeenkomstig [artikel V.39 van de Codex Hoger Onderwijs].

Decr. 19-6-2015

Art. 11.

De algemeen beheerder wordt door de Raad van Bestuur bij geheime stemming, op voordracht van het Bestuurscollege, aangesteld. Hij moet houder zijn van een doctoraat op proefschrift en bij uitstek over een academisch profiel beschikken.

Art. 12.

De beheerders worden door de Raad van Bestuur bij geheime stemming, op voordracht van het Bestuurscollege, aangesteld. De beheerders moeten houder zijn van een diploma van de tweede cyclus van een academische opleiding.

Art. 13.

Indien de algemeen beheerder of een beheerder vóór hun eerste aanstelling behoren tot het voltijds ZAP of ATP van een in artikel 3 genoemde instelling, kan het universiteitsbestuur, in afwijking van de bepalingen uit deze afdeling, beslissen om geen arbeidsovereenkomst te sluiten maar om, voor onbeperkt hernieuwbare termijnen van zes jaar, de opdracht van de betrokkene te wijzigen [in het algemeen belang].

[Behoudens het bepaalde in het eerste lid, krijgen personeelsleden van een universiteit of hogeschool die bezoldigd worden op de werkingsuitkeringen of ambtenaren van een ministerie of instelling van de Vlaamse overheid die het mandaat van beheerder of algemeen beheerder opnemen, voor de duur van het mandaat een verlof voor de uitoefening van een mandaat waarvan het algemeen belang wordt erkend. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het wordt niet bezoldigd.]

Decr. 22-6-2007

HOOFDSTUK III. - De bevoegdheden van de bestuursorganen

Afdeling 1. - De Raad van Bestuur

Art. 14.

§ 1. De Raad van Bestuur oefent de volgende bevoegdheden uit :

1° het vastleggen van richtlijnen voor de inrichting, de oriëntatie, de organisatie, de coördinatie en de kwaliteitsbewaking van het academisch onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke dienstverlening, en het bewaken van de krachtlijnen van de onderwijsregelingen;

2° het vastleggen van de academische bestuursstructuren conform artikel 5 van dit decreet;

3° het bepalen van het bestuursreglement, het examenreglement, het tuchtreglement en de reglementen voor de verkiezing van de rector, de voorzitters, de faculteitsraden en decanen, en het reglement houdende de academische structuur;

4° het jaarlijks vastleggen en goedkeuren van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag van de universiteit, alsmede het vastleggen van de principes van toewijzing van de middelen;

5° het bepalen van de personeelsformatie;

6° de aanstelling en de benoeming van de rector, de voorzitters, de algemeen beheerder, de beheerders en de decanen;

7° de benoeming, de eerste aanstelling en de bevorderingen van de leden van het zelfstandig academisch personeel en het hoger kaderpersoneel;

8° het opstellen van het vergaderreglement, rekening houdend met § 2 van dit artikel;

9° het toezicht op de uitvoering van het handvest houdende de oprichting van de Universiteit Antwerpen;

10° alle andere bij of krachtens dit decreet of andere decreten specifiek voor de Raad van Bestuur voorbehouden bevoegdheden.

§ 2. De beslissingen van de Raad van Bestuur worden genomen bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Onthoudingen, ongeldige en blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. De Raad van Bestuur kan alleen geldig vergaderen als ten minste de helft van de leden aanwezig is. Afwezige leden kunnen zich laten vertegenwoordigen door een ander lid, dat ten hoogste over één volmacht kan beschikken. Indien na een eerste samenroeping het quorum niet wordt bereikt, kan de Raad geldig vergaderen na een tweede schriftelijke samenroeping met dezelfde agenda, ongeacht het aantal aanwezigen.

[§ 3. Bij de uitoefening van de bevoegdheden van de studenten in de Raad van Bestuur wordt rekening gehouden met de bepalingen van [[artikel II.317, § 2, eerste lid, 1°, en artikel II.355, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs]].]

Decr. 19-3-2004; [[ ]] Decr. 19-6-2015

[§ 4. De raad van bestuur kan zijn bevoegdheden zoals vermeld onder paragraaf 1, 7°, delegeren aan het bestuurscollege.]

Decr. 16-6-2017

Afdeling 2. - Het Bestuurscollege

Art. 15.

§ 1. Het Bestuurscollege is bevoegd voor alle zaken van de universiteit die bij dit decreet niet aan de Raad van Bestuur zijn opgedragen. Het Bestuurscollege is onder meer belast met :

1° het voorbereiden en uitvoeren van de besluiten van de Raad van Bestuur;

2° het beschikken over de financiën en de roerende en onroerende goederen van de universiteit, binnen de perken van de begrotingskredieten en het door de Raad van Bestuur opgestelde beleids- of financieringsplan;

3° het sluiten van overeenkomsten en het verrichten van andere rechtshandelingen;

4° het handhaven van de academische orde, en het desgevallend nemen van tuchtmaatregelen overeenkomstig het vigerende tuchtreglement;

5° het vaststellen van vacatures en de beslissing tot de vacantverklaring van openstaande ambten;

6° de benoeming of aanstelling van het assisterend en bijzonder academisch personeel en het administratief en technisch personeel, ander dan bedoeld in artikel 14, § 1, 7°;

7° de hoge leiding van de administratieve diensten;

8° het opstellen van zijn vergaderreglement;

9° het treffen van een regeling van de vervanging van de rector voor het geval dat hij verhinderd of afwezig is.

§ 2. Het Bestuurscollege kan een gedeelte van zijn bevoegdheden delegeren aan andere organen of personen. Omtrent de uitoefening van deze bevoegdheden wordt aan het Bestuurscollege verslag uitgebracht.

§ 3. Het Bestuurscollege is aan de Raad van Bestuur verantwoording verschuldigd.

Het Bestuurscollege verschaft de Raad van Bestuur informatie over de beslissingen die het heeft genomen. Het verstrekt de Raad op zijn verzoek alle inlichtingen over de handelingen die het heeft verricht. In het bestuursreglement, bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, worden omtrent de in dit artikel bedoelde aangelegenheden nadere regelen opgenomen.

Afdeling 3. - Het College van Beheer

Art. 16.

§ 1. De algemeen beheerder en de beheerders vormen een College van Beheer dat, onder het toezicht van het Bestuurscollege, belast is met de coördinatie en de uitvoering van het dagelijks beheer van de universiteit op administratief, technisch, financieel en sociaal vlak.

Het Bestuurscollege delegeert daartoe specifieke bevoegdheden op administratief, technisch, financieel en sociaal vlak aan het College van Beheer, dat op zijn beurt bepaalde van die bevoegdheden kan subdelegeren aan de algemeen beheerder en/of de beheerders.

§ 2. Het College van Beheer kan worden uitgebreid met deskundigen, benoemd door de Raad van Bestuur, op voordracht van het Bestuurscollege.

§ 3. Het College van Beheer vergadert onder het voorzitterschap van de algemeen beheerder.

HOOFDSTUK IV. - Het College van Decanen

Art. 17.

De decanen vormen een college, dat wordt voorgezeten door de rector. Het College van Decanen adviseert, op verzoek of op eigen initiatief, het universiteitsbestuur over alle strategische academische aangelegenheden.

HOOFDSTUK IVbis. - De Hoge Raad

Art. 18.

Door de Raad van Bestuur wordt een Hoge Raad van de Universiteit Antwerpen opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van openbare instanties, politieke, sociaal-economische, religieuze, levensbeschouwelijke en culturele milieus om aan de Universiteit Antwerpen advies te verstrekken over de algemene oriëntering, het pluralistische karakter, de uitbreiding en de ontwikkeling van de universiteit en over de inbedding ervan in de bredere samenleving.

De Raad van Bestuur legt de nadere regels vast met betrekking tot de samenstelling van de Hoge Raad, de wijze van aanstelling van de leden en de duur van hun mandaat.]

Decr.4-4-2003

[HOOFDSTUK IVter. - Statuut van het personeel

Art. 19.

§ 1. De personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, in dienst zijn van het RUCA, de UFSIA en de UIA, treden op die datum in dienst van de Universiteit Antwerpen. Zij behouden daarbij alle rechten en verplichtingen die zij genoten bij hun instelling van oorsprong en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut dat daarbij op hen van toepassing was. De ziektedagen, geregistreerd sedert 1 januari 1994 in de instelling van herkomst, worden meegerekend voor het bepalen van het totale aantal opgenomen ziektedagen.

Voor de personeelsleden die na de inwerkingtreding van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, nieuw in dienst treden binnen een bepaalde categorie, stelt de Raad van Bestuur binnen de zes maanden alle regelingen vast ter uitvoering van [deel 5, titel 1, van de Codex Hoger Onderwijs]. Daarbij geldt dat de personeelsleden die ten laste van afdeling I van de begroting worden bezoldigd, hetzelfde administratieve en sociaalrechtelijke statuut zullen genieten als dat wat geldt voor de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. Voor de personeelsleden ten laste van de andere afdelingen van de begroting werkt het universiteitsbestuur een rechtspositieregeling uit. Die regelingen worden vastgelegd in een reglement houdende statuut van het personeel. De secundaire arbeidsvoorwaarden worden geregeld in een collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst.

De personeelsleden van het RUCA, de UFSIA en de UIA, bedoeld in het eerste lid, die ten laste van afdeling I van de begroting werden bezoldigd, krijgen de mogelijkheid om binnen de vierentwintig maanden na de inwerkingtreding van de regelingen, bedoeld in het vorige lid, toe te treden tot die regelingen. Zoniet behouden zij uitdovend de regelingen die op hen van toepassing waren bij hun instelling van oorsprong. De personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, die bezoldigd zijn ten laste van de andere afdelingen van de begroting, krijgen eveneens de mogelijkheid om binnen de vierentwintig maanden na de inwerkingtreding van de rechtspositieregeling, bedoeld in het vorige lid, toe te treden tot die regeling. Zoniet behouden zij uitdovend de regelingen die op hen van toepassing waren bij hun instelling van oorsprong.

§ 2. De secundaire arbeidsvoorwaardenregelingen kunnen worden geharmoniseerd in een collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst zoals bepaald in artikel 20, zonder dat daarbij het totale evenwicht van rechten en plichten van de personeelsleden en de universiteit mag worden verbroken.

Decr. 19-6-2015

Art. 20.

De Raad van Bestuur kan de secundaire arbeidsvoorwaardenregelingen vastleggen in een collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst op instellingsniveau.

HOOFDSTUK IVquater. - Infrastructuur en financiën

Art. 21.

Alle roerende en onroerende goederen, activa en passiva, rechten en verplichtingen, met inbegrip van alle rechten en verplichtingen van het vermogen, van de UA, het RUCA, de UIA en, op voorwaarde van een beslissing tot overdracht door de algemene vergadering, van de UFSIA, worden van rechtswege en om niet en zonder kosten van welke aard overgedragen aan de Universiteit Antwerpen. De overdracht van goederen geschiedt in de staat waarin die zich bevinden. De Universiteit Antwerpen treedt in de rechten en verplichtingen die krachtens de activiteiten van voornoemde instellingen zijn ontstaan. In de overdracht zijn begrepen alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures.

De Vlaamse regering kan beslissen om lasten uit het verleden, die voortvloeien uit verplichtingen die dateren van vóór de datum van de inwerkingtreding van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, over te nemen.

Art. 22.

De Universiteit Antwerpen kan, overeenkomstig de wetgeving betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en na machtiging van de Vlaamse regering, overgaan tot onteigening van onroerende goederen die rechtstreeks of onrechtstreeks vereist zijn voor het onderwijs, het onderzoek, de wetenschappelijke dienstverlening en de administratie van de universiteit.]

Decr.4-4-2003

Art. 23.

[...]

Decr.4-4-2003

HOOFDSTUK V. - Wijzigende bepalingen voor de in artikel 3 genoemde instellingen

Art. 24.

[...]

Decr.4-4-2003

Art. 25.

In de wet van 7 april 1971 houdende oprichting en werking van de UIA worden volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 26.

Aan het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 27.

Met ingang van de datum zoals bepaald in artikel 29 worden de in dit artikel vermelde wijzigingen aan de wet van 7 april 1971 houdende oprichting en werking van de Universitaire Instelling Antwerpen van kracht.

In genoemde wet wordt hoofdstuk II, § 3 vervangen door wat volgt : ...

In genoemde wet wordt artikel 13 vervangen door het volgende : ...

In genoemde wet worden de titel van hoofdstuk II, afdeling 3 en artikel 16 vervangen door het volgende : ...

In genoemde wet worden nog de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in artikel 6 wordt : ...

b) in artikel 7 wordt de tweede zin vervangen door : ...

c) in artikel 14 wordt de eerste zin vervangen door : ...

d) in artikel 17 worden "de voorzitter" en "de ondervoorzitter" vervangen door "de beheerder" en "de afgevaardigd bestuurder van het UZA".

In artikel 8 van dit decreet wordt met ingang van 1 oktober 1999 in 4° "de voorzitter" vervangen door "de beheerder".

[...]

Decr.4-4-2003