OPGEHEVEN : Wet houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie. (uittreksel)

  • goedkeuringsdatum
    09 APRIL 1965
  • publicatiedatum
    B.S.27/04/1965
  • datum laatste wijziging
    13/02/2017

COORDINATIE

Wet 28-5-1971 - B.S. 17- 7-1971

Wet 27-7-1971 - B.S. 17- 9-1971

Wet 6-7-1972 - B.S. 9- 9-1972

Wet 26-1-1981 - B.S. 30- 4-1981

K.B. nr. 81, 31-7-1982 - B.S. 7- 8-1982

Opgeheven door Decr. 23-12-2016 - B.S. 13-2-2017

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

...

HOOFDSTUK VII. - Organisatie door de Staat van het onderwijs in de veeartsenijkunde en van het hoger landbouwonderwijs

Art. 56.

De hiernavermelde hogescholen en school kunnen, op eensluidend advies van hun onderscheiden academieraad en van de academieraad van de betrokken universiteit, bij koninklijk besluit worden opgenomen :

a) in de Rijksuniversiteit te Gent : de Rijksfaculteit der landbouwwetenschappen te Gent;

b) in de Rijksuniversiteit te Luik : de Rijksfaculteit voor veeartsenijkunde te Brussel (Kuregem) en de Rijksfaculteit der landbouwwetenschappen te Gembloux.

Het eigen vermogen en de speciale stichtingen van de voornoemde faculteiten, alsmede de proefboerderijen van de Rijksfaculteiten der landbouwwetenschappen worden overgedragen naar het vermogen van de universiteit, waarin deze inrichtingen opgenomen worden.

Art. 57.

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van artikel 56, de raden van beheer van de Rijksuniversiteiten en [de academieraad van de inrichting gehoord].

Wet28-5-1971

Hij kan daartoe al de wijzigingen aanbrengen die Hij nodig acht, in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de Rijksuniversiteiten, daarna gewijzigd, en in de wet van 3 augustus 1960 houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen, en overgangsmaatregelen bepalen. Hij waakt er in het bijzonder voor dat de personeelsleden van de opgenomen inrichtingen, hun titels, hun rechten, alsmede de geldelijke voordelen behouden die ze op het ogenblik van de opneming genoten.

Art. 58.

Onderminderd de toepassing van artikel 56, dragen de hogescholen en de school bedoeld in genoemd artikel de titel van faculteit en genieten het voordeel van de bepalingen vervat in de artikelen 31, § 2, 50, 2° lid, 55, 57, 62 en 63 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de Rijksuniversiteiten.

Bovendien kan de Koning, volgens de modaliteiten die Hij vaststelt, de bepalingen van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors, het wetenschappelijk personeel, het administratief personeel, het gespecialiseerd personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksuniversiteiten op hen toepasselijk maken.

HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen betreffende de bestaande inrichtingen, die opgenomen worden in de Rijksuniversitaire centra

Art. 59.

De Rijkshandelshogeschool te Antwerpen wordt opgenomen in het Rijksuniversitair centrum dat aldaar gevestigd is.

Art. 60.

§1. De openbare instelling "Universitair instituut voor de overzeese gebieden" is ontbonden.

§ 2. Worden door de Staat overgenomen :

1° De "Economische faculteit van Henegouwen" te Bergen bestaande uit :

a) de "Handelshogeschool van de provincie Henegouwen";

b) de "School voor internationale tolken";

c) het "Instituut voor economische navorsingen van Henegouwen";

2° Het "Hoger instituut voor opvoedkunde van Henegouwen" te Morlanwelz.

§ 3. De Staat neemt de roerende en onroerende goederen, samen met de schulden en verbintenissen van voornoemde instellingen, over.

De bestemming van de roerende en onroerende goederen wordt door de Koning geregeld.

De portefeuille bestaande uit effecten van openbare instellingen en de vervallen intresten die het Universitair instituut voor de overzeese gebieden in eigendom bezit op de datum van de bekendmaking van deze wet, wordt overgedragen naar het eigen vermogen van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen. ...

HOOFDSTUK X. - Algemene bepalingen

Art. 70.

Voor de toepassing van al de wetten die betrekking hebben op de inrichtingen vermeld in artikel 37 van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, met uitzondering nochtans van laatstgenoemde wetten, worden gelijkgesteld met deze inrichtingen :

- de Rijksuniversitaire centra te Antwerpen en te Bergen en de Katholieke universitaire faculteit te Bergen voor het uitreiken van de diploma's van kandidaat, van licentiaat en van doctor in de toegepaste economische wetenschappen, van kandidaat, van licentiaat en van doctor in de handelswetenschappen, van handelsingenieur, van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de toegepaste economische wetenschappen en van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen;

- de Universitaire faculteiten Sint-Ignatius, te Antwerpen, voor het uitreiken van dezelfde diploma's, en bovendien van de diploma's van kandidaat in de politieke en sociale wetenschappen;

- de faculteiten Notre-Damme de la Paix, te Namen, voor het uitreiken van de diploma's van kandidaat in de politieke en sociale wetenschappen, van kandidaat, licentiaat en doctor in de economische en sociale wetenschappen en van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de economische en sociale wetenschappen;

- het Rijksuniversitair Centrum te Bergen voor het uitreiken van het diploma van kandidaat in de opvoedkundige wetenschappen.

Art. 71.

[...]

Wet27-7-1971

Art. 72.

De Nationale Raad voor het Wetenschapsbeleid richt in het kader van de raad zelf een speciale commissie op, die tot taak heeft :

1° de toepassing van de in deze wet vervatte maatregelen na te gaan en aan de bevoegde Ministers advies uit te brengen, telkens als zij erom verzoeken;

2° de problemen voortvloeiend uit de universitaire expansie te bestuderen.

Deze commissie zal samengesteld zijn uit de rectoren der universiteiten alsmede uit de rectoren van de met de universiteiten gelijkgestelde inrichtingen voor de kwesties die betrekking hebben op hun inrichting en uit vooraanstaande persoonlijkheden uit wetenschappelijke, economische en sociale kringen, wegens hun bevoegdheid gekozen in of buiten de organen van de raad. Om de zes maanden zal zij een verslag over haar werkzaamheden doen geworden aan de Ministers, tot wier bevoegdheid het hoger onderwijs en de coördinatie van het wetenschapsbeleid behoren. Ze zal haar met redenen omklede conclusies betreffende 2° indienen uiterlijk 1 oktober 1967. ...

HOOFDSTUK XI. - Overgangsbepalingen

Afdeling I. - Titels en programma's

Art. 75.

§ 1. Het onderwijs in de handelswetenschappen dat georganiseerd wordt door de Rijkshandelshogeschool te Antwerpen en door de Handelshogeschool van de provincie Henegouwen te Bergen, met het oog op de uitreiking van de titels van kandidaat en van licentiaat in de handelswetenschappen met of zonder aanvullende kwalificatie, van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen en van handelsingenieur, wordt trapsgewijze, van jaar tot jaar, afgeschaft vanaf het schooljaar 1965-1966.

§ 2. De toelagen die aan de Handelshogeschool Sint-Ignatius te Antwerpen en aan het Hoger instituut voor handels- en consulaire wetenschappen te Bergen, worden verleend voor het onderwijs bedoeld in §1, worden trapsgewijze, van jaar tot jaar, ingetrokken vanaf het schooljaar 1965-1966.

Art. 76.

Gedurende een periode verstrijkend na afloop van het vierde academiejaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet, dienen de programma's van de cursussen, praktische oefeningen en werken ingericht door de Rijksuniversitaire centra te Antwerpen en te Bergen, door de universitaire faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen en door de katholieke universitaire faculteit te Bergen, met het oog op de uitreiking van de diploma's in verband met de graden opgesomd in artikel 1, III, a, 4° (nieuw) van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, te worden vastgesteld door de Koning op advies van de Commissie ingesteld bij artikel 1ter van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens.

Afdeling II. - Rijksuniversitaire centra te Antwerpen en te Bergen

Art. 77.

De Koning benoemt de leden van de raad van beheer van de Rijksuniversitaire centra te Antwerpen en te Bergen, voor een periode die verstrijkt na afloop van het vierde academiejaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Deze leden zijn :

- voor de raad van beheer van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen :

1° zes leden : de rector, die als voorzitter fungeert, de hoofden van de instellingen die in het centrum worden opgenomen, en leden van het onderwijzend personeel van het centrum;

2° zes leden, gekozen onder de leden van het onderwijzend personeel van de Rijksuniversiteit te Gent;

3° zes leden, gekozen onder de vooraanstaande persoonlijkheden uit de economische, sociale, politieke en administratieve kringen van het Antwerpse;

4° de voorzitter van het hoger instituut voor vertalers en tolken, voor de vraagstukken die het instituut aanbelangen;

- voor de raad van beheer van het Rijksuniversitair Centrum te Bergen :

1° zes leden : de rector, die als voorzitter fungeert, de hoofden van de instellingen die in het centrum worden opgenomen en leden van het onderwijzend personeel van de Rijksuniversiteit te Luik en van het centrum;

2° zes leden, aangewezen op een tweevoudige lijst, voorgedragen door de Bestendige Deputatie van de provincie Henegouwen;

3° zes leden, gekozen onder de vooraanstaande persoonlijkheden uit de economische, sociale, politieke en administratieve kringen;

4° de voorzitter van de school voor internationale tolken, voor de vraagstukken die de school aanbelangen.

De onder 2° en 3° hierboven vermelde leden, alsmede de leden benoemd onder het onderwijzend personeel van de universiteit te Luik, ontvangen presentiegelden, alsmede vergoedingen voor reis- en verblijfkosten. De Koning bepaalt het bedrag van deze presentiegelden en vergoedingen.

Art. 78.

De rector en de ondervoorzitter van de raad van beheer worden voor de eerste maal rechtstreeks door de Koning benoemd. Indien ze geen gewoon hoogleraar zijn, benoemt Hij ze tot die functie in een van de faculteiten of instituten van de centra.

Art. 79.

Voor de duur van het mandaat van de rector, benoemd bij toepassing van artikel 78, wordt het ambt van prorector waargenomen door het oudste lid in jaren van de raad van beheer, bedoeld in 1° van artikel 77.

Art. 80.

De secretaris van de raad van beheer wordt op voordracht van deze raad door de Koning benoemd onder de leden vermeld in 1° van artikel 77.

Art. 81.

In afwachting van de benoeming van de faculteitsdekens en van de voorzitters van de instituten, wordt hun ambt waargenomen :

- in het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen :

1° in de faculteit der wetenschappen, door een gewoon hoogleraar van die faculteit aangesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid het hoger onderwijs van de Staat behoort;

2° in de faculteit der toegepaste economische wetenschappen, door de rector van de Rijkshandelshogeschool te Antwerpen;

3° in de instituten die het college voor de ontwikkelingslanden vormen, door de voorzitter van de bestuurscommissie van het college;

- in het Rijksuniversitair Centrum te Bergen :

1° in de faculteit der wetenschappen, door een gewoon hoogleraar van die faculteit aangesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid het hoger onderwijs van de Staat behoort;

2° in de faculteit der toegepaste economische wetenschappen door de rector van de economische faculteit van Henegouwen;

3° in het Hoger instituut voor opvoedkunde, door de voorzitter van de academische raad van het Hoger instituut voor opvoedkunde van Henegouwen.

Art. 82.

§ 1. Voor de verkiezing van de dekens van de faculteiten en van de voorzitters van de instituten, roept de rector binnen de eerste maanden van het academiejaar volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, de stemgerechtigde leden van deze faculteiten en instituten bijeen.

§ 2. Het mandaat van de dekens en voorzitters die voor de eerste maal benoemd zijn, loopt ten einde bij het verstrijken van het derde academiejaar volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.

Art. 83.

In afwachting van de benoeming van hun secretaris, stellen de academische raad en de raad van beheer, één van hun leden aan, om de functie ervan uit te oefenen.

Art. 84.

§ 1. Gedurende een periode die eindigt met het verstrijken van het vierde academiejaar volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet :

1° voor de benoemingen en de wijzigingen van bevoegdheid van de leden van het onderwijzend personeel van de universitaire centra, is de raadpleging, voorgeschreven bij artikel 23, leden 3 en 4 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de rijksuniversiteiten, steeds verplicht;

2° voor de benoemingen en de wijzigingen van bevoegdheid van de leden van het onderwijzend personeel van de faculteit der wetenschappen van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen vervangt het advies van de faculteit der wetenschappen van de Rijksuniversiteit te Gent dat van de faculteit der wetenschappen van het universitair centrum. De raad van beheer van het universitair centrum dient evenwel zijn voorstel zonder dit advies in wanneer hij het niet ontvangen heeft binnen de termijn die hij vaststelt en die niet korter mag zijn dan één maand;

3° voor de benoemingen en de wijzigingen van bevoegdheid van de leden van het onderwijzend personeel van de faculteit der toegepaste economische wetenschappen van de universitaire centra, van het college voor de ontwikkelingslanden van het Rijksuniveritair Centrum te Antwerpen en van het Hoger instituut voor opvoedkunde van het Rijksuniversitair Centrum te Bergen, onderzoekt de raad van beheer bij voorrang de titels van de hoogleraars en docenten van de Rijkshandelshogeschool en van het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen, wanneer het om het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen gaat, van de Economische faculteit van Henegouwen en van het Hoger instituut voor opvoedkunde van Henegouwen, wanneer het om het Rijksuniversitair Centrum te Bergen gaat.

Indien sommigen onder hen in het bezit zijn van de bekwaamheidsbewijzen, die vereist zijn krachtens artikel 22 van de wet van 28 april 1953 op de inrichting van het hoger onderwijs in de rijksuniversiteiten, gewijzigd door de wet van 6 juli 1964, wint de raad van beheer het advies in van de personen vermeld in artikel 23, leden 3 en 4 van dezelfde wet. Dit advies wordt verleend over de vraag of het wenselijk is een beroep op de kandidaten te doen. Zo ten minste drie van de vier geraadpleegde personen oordelen dat dit niet wenselijk is, wordt het advies alleen verleend met betrekking tot de titels van de door de raad van beheer in aanmerking genomen kandidaten.

§ 2. Gedurende een periode die verstrijkt na afloop van het eerste academiejaar volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, is het advies van de faculteit of van het instituut niet vereist. Deze bepaling is echter niet van toepassing voor de faculteit der wetenschappen van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen.

§ 3. Gedurende een periode die verstrijkt bij de aanvang van het eerste academiejaar volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, kan de Koning, met instemming van de betrokkenen, leden van het onderwijzend personeel der rijksuniversiteiten, der Rijksveeartsenijschool te Brussel (Kuregem) en der rijkslandbouwhogescholen, met behoud van hun graad en bevoegdheid, overplaatsen naar de universitaire centra.

Art. 85.

De rector van de Rijkhandelshogeschool te Antwerpen, de rector van de economische faculteit van Henegouwen te Bergen en de directeur van het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen behouden hun titel. Bovendien worden zij als gewoon hoogleraar overgeplaatst, de eerste naar de faculteit der toegapste economische wetenschappen van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen, de tweede naar de faculteit der toegepaste economische wetenschappen van het Rijksuniversitair Centrum te Bergen en de derde naar het college voor de ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen.

Zij verkrijgen in de weddeschaal van deze functie de wedde die onmiddellijk hoger is dan de gezamenlijke bezoldigingen die ze in hun inrichting genieten bij de bekendmaking van deze wet.

De directeur van het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen kan door de Koning worden belast met een opdracht in het bestuur van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen.

[Met het oog op de toepassing van artikel 48 van deze wet op de bovenbedoelde personen tellen de diensten, volbracht aan de Handelshogeschool van de provincie Henegouwen te Bergen en aan het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen, als academische diensten. Bovendien zijn de bepalingen van artikel 114 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel niet toepasselijk op de personen die tot deze ambten benoemd werden voor 1 januari 1961]

Wet6-7-1972

Art. 86.

§ 1. De personen die, op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, benoemd zijn in de hoedanigheid van hoogleraar of docent aan de Rijkshandelshogeschool te Antwerpen of aan de Economische faculteit van Henegouwen te Bergen, voor een onderwijs voorbereidend tot de examens voor het uitreiken van de diploma's van kandidaat en van licentiaat in de handelswetenschappen, van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen of van handelsingenieur, alsmede de personen die, uiterlijk op 1 januari 1961, benoemd waren in de hoedanigheid van hoogleraar of docent aan het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen, voor een onderwijs voorbereidend tot de examens voor het uitreiken van diploma's van kandidaat en van licentiaat in de koloniale en administratieve wetenschappen, en die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 70 jaar niet bereikt hebben, worden ambtshalve benoemd, de eersten, tot hoogleraar of docent aan de faculteit der toegepaste economische wetenschappen van de Rijksuniversitaire centra te Antwerpen of te Bergen, de laatsten, in het college voor de ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen, indien zij in het bezit zijn van een diploma van doctor, apotheker, ingenieur of geaggregeerde voor het hoger onderwijs.

Zij die niet in het bezit zijn van één van deze diploma's, maar kunnen aanvoeren dat ze uitzonderlijke wetenschappelijke verdiensten hebben die verband houden met hun onderwijs, genieten eveneens het voordeel van deze bepaling, indien zij op gemotiveerd voorstel voorgedragen werden door de raad van beheer van het betrokken universitair centrum.

[Met het oog op de toepassing van artikel 48 van deze wet op de personen die het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf genoten hebben, tellen de diensten, volbracht in onderwijsambten, bedoeld in het eerste lid, aan de Handelshogeschool van de provincie Henegouwen te Bergen en aan het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen, als academische diensten. Bovendien zijn de bepalingen van artikel 114 van de wet van 14 februari 1961 voor de economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel niet toepasselijk op de personen die tot deze ambten benoemd werden voor 1 januari 1961.]

Wet6-7-1972

§ 2. Op voordacht van de raad van beheer van het betrokken universitair centrum stelt de Koning de personen, die het voordeel genoten hebben van de bepalingen van § 1, aan in ambten van hoogleraar, geassocieerd hoogleraar, docent, geassocieerd docent of in betrekkingen van het kader van de geaggregeerden, de repetitors en van het wetenschappelijk personeel van die centra.

§ 3. De leden van het onderwijzend personeel van de inrichtingen, opgenomen in de rijksuniversitaire centra te Antwerpen en te Bergen, die het voordeel van de bepalingen van § 1 niet hebben kunnen genieten, behouden hun titels, zelfs indien ze, bij toepassing van deze wet, al of een gedeelte van hun bevoegdheden verliezen.

Ze genieten ten laste van de Staat het voordeel van de bezoldigingsregeling en van het pensioenstelsel die op hen van toepassing waren op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede het voordeel van de wijzigingen die deze regeling en dit stelsel kunnen ondergaan.

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van het voorgaande lid. Te dien einde kan Hij afwijken van de wet-geving op de cumulatie.

Hij kan de hierboven genoemde personen aanstellen in gelijkwaardige ambten als die waarvan zij titularis zijn, of, met hun instemming, in andere onderwijsambten in een inrichting van de Staat of in betrekkingen van het kader van de geaggregeerde, de repetitors en het wetenschappelijk personeel van de universitaire centra.

[Art. 86bis.

De leden van het onderwijzend personeel, overgenomen en benoemd overeenkomstig artikel 86, die geen leeropdracht hebben, worden niet meer bezoldigd.

De personen met een leeropdracht kleiner dan hun overname worden slechts bezoldigd naar rato van hun werkelijke opdracht.

De andere voordelen voorzien in artikel 86 worden behouden.]

K.B. nr. 81,31-7-1982

Art. 87.

De Minister tot wiens bevoegdheid het hoger onderwijs van de Staat behoort, benoemt in de betrekkingen van het kader van de geaggregeerden, van de repetitors, van het wetenschappelijk personeel, van het administratief personeel, van het gespecialiseerd personeel, van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire centra, het andere personeel dan het onderwijzend personeel van de Rijkshandelshogeschool te Antwerpen, van de Economische faculteit van Henegouwen te Bergen, van het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen en van het Hoger instituut voor opvoedkunde van Henegouwen te Morlanwelz.

Deze benoemingen waarborgen aan de belanghebbenden een geldelijke toestand die minstens gelijkwaardig is met hun vroegere toestand [evenals het behoud tijdens de gehele administratieve loopbaan van de diensten die in aanmerking genomen werden voor hun wedde-anciënniteit bij de benoeming.]

Wet26-1-1981

Bij de benoemingen die ter uitvoering van deze bepalingen gedaan worden, hoeft geen rekening gehouden te worden met de prioriteitsrechten vervat in de gecoördineerde wetten van 3 augustus 1919 - 27 mei 1947 tot verzekering van de wederopneming der gemobiliseerde Belgen in hun bediening en tot toekenning van prioriteitsrechten bij het begeven van openbare betrekkingen, aan de oorlogsinvaliden, oudstrijders, leden van de weerstand, politieke gevangenen, oorlogsweduwen en -wezen, gedeporteerden, arbeidsweigeraars en andere slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945, noch met die welke vervat zijn in de wetten betreffende het personeel van Afrika, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 21 mei 1964. De diensten in bovenbedoelde inrichtingen bewezen, mogen voor de toekenning van de weddeverhogingen in aanmerking worden genomen; ze komen eveneens in aanmerking voor de oppensioenstelling en de berekening van de rust- en overlevingspensioenen.

[Het bedrag van de rust- en overlevingspersioenen van het andere personeel dan het onderwijzend personeel van het Universitair instituut voor de overzeese gebieden te Antwerpen en de Economische faculteit van Henegouwen te Bergen mag niet lager zijn dan het bedrag dat het zou genoten hebben krachtens het pensioenreglement dat er toepasselijk op was voor de inwerkingtreding van deze wet.]

Wet6-7-1972

[Voor het niet-onderwijzend personeel van de Economische faculteit van Henegouwen te Bergen kunnen de in het vorige lid bedoelde pensioenen worden verleend aan de personeelsleden die daartoe een aanvraag indienen overeenkomstig de voorwaarden die zijn gesteld in het reglement van het Provinciaal Pensioenfonds van Henegouwen, dat voor de inwerkingtreding van deze wet op hen toepasselijk was.]

Wet26-1-1981

Art. 88.

In afwachting van de verkiezing van de hoogleraren die deel zullen uitmaken van de Commissie tot beheer van het eigen vermogen der universitaire centra, oefenen de rector, de prorector en de ondervoorzitter de bevoegdheden van deze Commissie uit.

...

HOOFDSTUK XII. - Slotbepalingen

Art. 90.

De Koning kan de wettelijke bepalingen betreffende de bescherming van de titels van hoger onderwijs coördineren, hierbij rekening houdend met de uitdrukkelijke of impliciete wijzigingen welke deze bepalingen mochten ondergaan hebben op het ogenblik dat de coördinaties zullen worden verricht.

Daartoe kan Hij :

1° de volgorde, de nummering en, in 't algemeen, de inkleding van de te coördineren bepalingen wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren wetten met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;

3° zonder afbreuk te doen aan de principes welke in de te coördineren bepalingen zijn vervat, de redactie van deze bepalingen wijzigen, teneinde ze te doen overeenstemmen en de daarbij gebruikte terminologie eenvormig te maken.

De coördinatie zal het volgend opschrift dragen :

"Wetten op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, gecoördineerd op...".

...

Art. 92.

Deze wet treedt in werking op de datum waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering :

1° van de artikelen 33, 65, 66 en 67 die uitwerking hebben op 1 januari 1965;

2° van de artikelen 61, 62, 63, 69, 70 en 71 die uitwerking hebben op 1 januari 1966;

3° van artikel 91, 1° , 2° , 6° en 7° dat uitwerking heeft op een door de Koning vast te stellen datum.