OPGEHEVEN : Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat. (uittreksel)

  • goedkeuringsdatum
    21 APRIL 1965
  • publicatiedatum
    B.S.15/05/1965
  • datum laatste wijziging
    02/05/2008

COORDINATIE

K.B. 12-8-1981 - B.S. 19-8-1981

K.B. 30-5-1994 - B.S. 1-7-1994

K.B. 4-2-1998 - B.S. 27-2-1998

K.B. 19-4-1999 - B.S. 1-7-1999

opgeheven door K.B. 25-2-2008 - B.S. 7-4-2008

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 29, 66 en 67 van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 betreffende het statuut der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende statuut van het Rijkspersoneel, zoals het werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 maart 1964;

Gelet op het advies van de Algemene Syndicale Raad van Advies;

Gelet op de wet van 23 december 1946 tot instelling van een Raad van State, inzonderheid op artikel 2, tweede lid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en van het Openbaar Ambt en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

...

Art. 5.

[Onder wetenschappelijke anciënniteit dient te worden verstaan :

1° de duur van de diensten verstrekt in de stand dienstactiviteit door het betrokken personeelslid, sedert zijn indienstneming als lid van het wetenschappelijk personeel van één der in artikel één van dit besluit bedoelde inrichtingen;

2° de opdrachten uitgevoerd in het belang van het hoger onderwijs of de wetenschap, zelfs indien het personeelslid daartoe op non-activiteit werd gesteld.]

K.B. nr. 83, 31-7-1982

Voor het bepalen van de wetenschappelijke anciënniteit komen eveneens in aanmerking :

1° de duur van de door het personeelslid verstrekte diensten voor zijn indiensttreding in de in artikel 1 bedoelde inrichtingen, als lid van het onderwijzend of wetenschappelijk personeel, met inbegrip van de vrijwillige assistenten, van een Belgische universiteit of van een inrichting die daarmee gelijkgesteld is krachtens de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens;

2° de duur van de wetenschappelijke activiteit van het personeelslid, voor zijn indiensttreding in diezelfde inrichtingen, als begunstigde van een bezoldiging of toelage toegekend door :

a) [de Staat, een Gemeenschap, een Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, één van de Gemeenschapscommissies van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, een internationale instelling of organisme erkend door een van de eerder genoemde overheden of een buitenlandse Staat waarmee de Staat of één van de Gemeenschappen een cultureel akkoord heeft gesloten;]

K.B.4-2-1998

b) de provincies, de gemeenten, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek van de vroegere kolonie Belgisch-Congo of van de vroeger door België beheerde gebieden, alsook door elke andere openbare of privé-dienst of instelling voor wetenschappelijk onderzoek of voor financiering van het wetenschappelijk onderzoek, mits deze instellingen en diensten waarbij de wetenschappelijke activiteit werd uitgeoefend, voorkomen in de lijst opgemaakt door de Minister belast met de coördinatie van het wetenschapsbeleid op advies van de Interministeriële Commissie voor wetenschapsbeleid.

Voor de berekening van de wetenschappelijke anciënniteit wordt de duur van de diensten verstrekt als titularis van een functie met onvolledige prestaties tot het beloop ervan meegeteld.

[Voor de ambtenaren die gemachtigd zijn verminderde prestaties te verrichten, wordt de wetenschappelijke anciënniteit verminderd naar rato van de niet-verrichte prestaties. Ze wordt berekend overeenkomstig de bepalingen die de dienstanciënniteit regelen van de rijksambtenaren aan wie werd toegestaan verminderde prestaties in een zelfde regeling te verrichten.]

K.B.19-4-1999

...

Art. 32.

Dit besluit treedt op 1 april 1965 in werking.

Art. 33.

Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.