OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de bezoldigingsregeling van het assisterend academisch personeel.

  • goedkeuringsdatum
    27 FEBRUARI 1992
  • publicatiedatum
    B.S.09/05/1992
  • datum laatste wijziging
    09/01/2002

COORDINATIE

B.Vl.R. 18-1-1995 - B.S. 21-3-1995

opgeheven door B.Vl.R. 4-5-2001 - B.S. 9-1-2002

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op artikel 95;

Gelet op het protocol van 20 januari 1992 waarin de conclusies zijn neergelegd van de onderhandelingen gevoerd tussen de Vlaamse Regering en representatieve vakorganisaties in het kader van Sectorcomité X;

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, gegeven op 8 november 1991;

Gelet op het advies van de raad van State;

Op voorstel van de Gemeenschapsminister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

In dit besluit wordt onder "decreet" verstaan het decreet van 12 juni 1991, betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.

§ 1. De salarisschalen van het assisterend academisch personeel bestaan uit een aanvangssalaris, een eindsalaris en tussentijdse verhogingen.

§ 2. Het assisterend academisch personeel wordt in de overeenstemmende salarisschaal ingeschaald rekening houdend met de verworven inschalingsanciënniteit die aanvangt vanaf de leeftijd van 24 jaar.

Art. 3.

§ 1. De inschalingsanciënniteit wordt berekend rekening houdend met de verworven wetenschappelijke anciënniteit en met het bepaalde in de paragrafen 3, 4, 5, 6 en 7 van dit artikel.

§ 2. Onder wetenschappelijke anciënniteit wordt ver- staan :

1° de duur van de mandaatsanciënniteit zoals bedoeld in artikel 92 van het decreet voor zover het een aanstelling in een dienstverband van ten minste 50 % betreft;

2° de duur van de aanstelling in een dienstverband van ten minste 50 % aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap, ongeacht de financieringsbron, met dien verstande dat het gaat om een opdracht die onderzoeksactiviteiten omvat dan wel activiteiten als bedoeld in de artikelen 68 en 70 van het decreet;

3° de duur van de aanstelling in een dienstverband van ten minste 50 % aan een andere universiteit dan bedoeld in 2° of wetenschappelijke instelling, met dien verstande dat het gaat om een opdracht die onderwijs, dan wel onderzoeksactiviteiten omvat en voor zover het universiteitsbestuur de geleverde prestaties als zodanig erkent;

4° de duur van de vrijwillig verrichte onderzoeksactiviteiten in een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap voor zover de omvang van deze activiteiten ten minste 50 % bedraagt van een normale voltijdse taakvervulling en voor zover het universiteitsbestuur het verrichten van die activiteiten heeft toegestaan bij uitdrukkelijke beslissing;

5° de helft van de duur van de aanstelling bedoeld in 1° , 2° en 3° indien het een dienstverband van minder dan 50 % betreft.

§ 3. Ten aanzien van het assisterend academisch personeel wordt de duur van de schorsing van het mandaat voor het volbrengen van de militieverplichtingen of de vervangende burgerdienst meegerekend als inschalingsanciënniteit.

§ 4. Onverminderd het bepaalde betreffende de wetenschappelijke anciënniteit wordt de duur van onderwijs- of onderzoeksactiviteiten verricht in enigerlei dienstverband in een binnenlandse of buitenlandse onderwijs- of onderzoeksinstelling meegerekend als inschalingsanciënniteit.

§ 5. Ten aanzien van de assistenten bedoeld in artikel 68 van het decreet kan het universiteitsbestuur de activiteiten verricht in de privé-sector meerekenen als inschalingsanciënniteit voor zover en in de mate het universiteitsbestuur de verrichte activiteiten als nuttige ervaring beschouwt voor een goede vervulling van de betreffende functie.

§ 6. De duur van de aanstelling wordt berekend per kalendermaand; onvolledige maanden worden niet meegerekend.

§ 7. De totale omvang van de inschalingsanciënniteit kan nooit de nominale duur van de aanmerking komende periodes overschrijden.

Art. 4.

[§ 1. De assistenten worden ingeschaald in de schaal :

vanaf 1 december 1994 :

937.347 - 1.586.275

3 jaarlijkse verhogingen van 27.520

11 tweejaarlijkse verhogingen van 51.488;

vanaf 1 augustus 1995 :

946.720 - 1.602.138

3 jaarlijkse verhogingen van 27.795

11 tweejaarlijkse verhogingen van 52.003.

§ 2. Voor de periode van 1 november 1994 tot en met 30 november 1994 zijn de volgende salarisschalen van kracht :

1° . De assistenten, houders van een diploma van licentiaat, handelsingenieur, tandarts, apotheker of van een gelijkwaardig erkend diploma of getuigschrift, worden ingeschaald in de schaal :

841.470 - 1.490.398

3 jaarlijkse verhogingen van 27.520

11 tweejaarlijkse verhogingen van 51.488;

2° De assistenten, houders van een diploma van burgerlijk ingenieur, bio-ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, dierenarts, arts of een gelijkwaardig erkend diploma of getuigschrift worden ingeschaald in de schaal :

920.776 - 1.569.704

3 jaarlijkse verhogingen van 27.520

11 tweejaarlijkse verhogingen van 51.488;

3° . De in 1° en 2° bedoelde assistenten worden na twee jaar wetenschappelijke anciënniteit ingeschaald in de schaal :

937.347 - 1.586.275

3 jaarlijkse verhogingen van 27.520

11 tweejaarlijkse verhogingen van 51.488.]

B.Vl.R.18-1-1995

Art. 5.

[De doctor-assistenten worden ingeschaald in de schaal :

vanaf 1 november 1994 :

1.161.059 - 1.809.987

3 jaarlijkse verhogingen van 27.520

11 tweejaarlijkse verhogingen van 51.488;

vanaf 1 augustus 1995 :

1.172.670 - 1.828.088

3 jaarlijkse verhogingen van 27.795

11 tweejaarlijkse verhogingen van 52.003.]

B.Vl.R.18-1-1995

Art. 6.

De in de artikelen 4 en 5 vermelde jaarsalarissen zijn bedragen aan 100 % ten opzichte van het indexcijfer 138.01.

Art. 7.

De inwerkingtreding van dit besluit kan niet resulteren in een herberekening van de inschalingsanciënniteit van de leden van het assisterend academisch personeel in dienst op 30 september 1991. De op de datum van bekendmaking van dit besluit verworven geldelijke anciënniteit overeenkomstig de vóór de inwerkingtreding van dit besluit toepasselijke regelgeving blijft ten minste behouden.

Art. 8.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991.

Art. 9.

De Gemeenschapsminister van Onderwijs en Ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van dit besluit.