OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    13 JULI 1983
  • publicatiedatum
    B.S.02/08/1983
  • datum laatste wijziging
    04/04/2001

COORDINATIE

B.Vl.R. 10-10-1984 - B.S. 12-12-1984

B.Vl.R. 30-7-1985 - B.S. 12-10-1985

B.Vl.R. 29-10-1986 - B.S. 4-2-1987

B.Vl.R. 24-7-1991 - B.S. 6-9-1991

B.Vl.R. 31-7-1992 - B.S. 30-10-1992

B.Vl.R. 17-12-1992 - B.S. 7-4-1993

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 10-11-1993

B.Vl.R. 4-5-1994 - B.S. 26-7-1994

B.Vl.R. 15-6-1994 - B.S. 23-9-1994

B.Vl.R. 10-10-1995 - B.S. 8-12-1995

B.Vl.R. 24-7-1996 - B.S. 10-9-1996

B.Vl.R. 16-9-1997 - B.S. 6-11-1997

B.Vl.R. 14-7-1998 - B.S. 11-9-1998

B.Vl.R. 22-9-1998 - B.S. 10-11-1998

opgeheven door Decr. 16-2-2001 - B.S. 4-4-2001

De Vlaamse Regering,

Gelet op artikel 59bis, § 2, 2° , van de Grondwet;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen;

Gelet op de wet van 19 juli 1971, betreffende de toekenning van studietoelagen en studieleningen, inzonderheid op artikel 4;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 september 1973, 4 maart 1974, 3 februari 1975, 7 maart en 21 december 1978 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1982;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 november 1972, tot vaststelling van de procedure voor het indienen van de aanvragen en van de voorwaarden voor het toekennen van de studietoelagen voor hoger onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 februari 1973, 13 december 1974, 7 maart en 21 december 1978;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 1982, houdende bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 januari 1982, houdende de organisatie van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Studietoelagen van 24 februari 1983;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 10 juni 1983;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, eerste paragraaf, zoals het werd vervangen door artikel 18 van de gewone wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid onmiddellijk maatregelen te treffen om deze reglementering toe te passen met ingang van het academiejaar 1983-1984;

Gelet op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs;

Na beraadslaging,

A. Toegelaten categorieën van studenten.

Artikel 1.

§ 1. Onder de voorwaarden bepaald in dit besluit, worden studietoelagen verleend aan studenten die :

1° fiscaal ten laste zijn van hun ouders;

2° fiscaal ten laste zijn in het gezin waarvan de langstlevende of gescheiden ouder deel uitmaakt;

3° ten laste zijn van de ouders of in het gezin waarvan de langstlevende of gescheiden ouder deel uitmaakt, wanneer zij, ofwel zodanige bestaansmiddelen hebben genoten, ofwel niet meer bij deze personen gedomicilieerd zijn, zodat zij fiscaal niet meer als persoon ten laste in aanmerking komen;

[4° ingevolge een gerechtelijke uitspraak, een tussenkomst van het [[comité voor bijzondere jeugdzorg]] of van een andere publiekrechtelijke overheid of instelling, fiscaal ten laste zijn van een andere natuurlijke persoon dan de ouders of één van de ouders of die al minstens vijf jaar ten laste zijn en effectief deel uitmaken van het gezin, en als dusdanig erkend zijn door een ziekenfonds of kinderbijslagfonds of door de administratie van financiën;]

B.Vl.R. 29-10-1986; [[ ]] B.Vl.R. 22-7-1993

5° ten laste zijn van hun echtgenoot;

6° gedurende [...] 18 maanden over een eigen bedrijfs- of vervangingsinkomen of het bestaansminimum beschikt hebben, in de periode van drie jaar die voorafgaat aan de aanvraag voor het bekomen van een toelage of aan de aanvang, of de hervatting van de studies;

B.Vl.R.22-7-1993

7° niet door één van de voorgaande categorieën kunnen worden onderhouden, zoals omschreven in artikel 4.

§ 2. Aan de voorwaarden bepaald in § 1 van dit artikel, moet worden voldaan op uiterlijk 31 oktober van het betrokken academiejaar, behoudens de gevallen onder 5° van § 1 van dit artikel, waarvoor aan de voorwaarden moet worden voldaan op uiterlijk 30 september van het kalenderjaar dat volgt op de aanvang van het betrokken academiejaar.

Art. 2.

De echtgenoot mag beschouwd worden als de persoon die de kandidaat ten laste heeft, indien het huwelijk werd aangegaan uiterlijk 31 december van het betrokken academiejaar en op voorwaarde dat deze echtgenoot gedurende een periode van acht maanden :

ofwel een bedrijfsinkomen genoten heeft, [waarvan het bedrag niet lager ligt dan 110.808 fr].

B.Vl.R. 14-7-1998

Onder bedrijfsinkomen moet worden verstaan het samengetelde bedrag van de bedrijfsinkomsten, na aftrek van de bedrijfsuitgaven, de bedrijfsverliezen en de [van de in artikel 145/1, ten tweede en ten derde, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekeringen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij aftrekbaar zijn ingevolge de artikelen 145/4, 145/5, 145/6 en 145/17, 145/18, 145/19 van hetzelfde wetboek];

B.Vl.R. 22-7-1993

- ofwel het bestaansminimum heeft genoten; - ofwel werklozenvergoeding heeft genoten;

- [ofwel militievergoedingen heeft genoten, ofwel op grond van zijn militieverplichting recht heeft op militievergoedingen.]

B.Vl.R.10-10-1984

- ofwel ziektevergoedingen of een ander vervangingsinkomen heeft genoten;

- [ofwel de inkomensvervangende tegemoetkoming genoten heeft, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten];

B.Vl.R. 22-7-1993

- ofwel een postgraduaat-studiebeurs van een nationaal onderzoeksinstituut heeft genoten, voor zover deze niet als bedrijfsinkomen wordt aangezien.

Wanneer dit inkomen bestaat, deels uit bedrijfsinkomsten, deels uit het bestaansminimum, uit werklozenvergoeding, uit militievergoedingen, uit ziektevergoeding, uit tegemoetkoming aan minder-validen of uit een postgraduaatstudiebeurs, wordt het bedrag van het bedrijfsinkomen dat moet aangetoond worden, verhoudingsgewijs vastgesteld. Dit inkomen moet genoten zijn tijdens het huwelijk en uiterlijk 30 september van het kalenderjaar dat volgt op de aanvang van het betrokken academiejaar.

Art. 3.

§ 1. Wordt beschouwd als behorende tot categorie 6° van artikel 1 van dit besluit, de student die tijdens de periode van drie jaar gedurende achttien maanden :

ofwel een bedrijfsinkomen genoten heeft, [waarvan het bedrag niet lager ligt dan 267.786 fr].

B.Vl.R.14-7-1998

Onder bedrijfsinkomen moet worden verstaan het samenge-telde bedrag van de bedrijfsinkomsten, na aftrek van de bedrijfsuitgaven, de bedrijfsverliezen en [van de in artikel 145/1, ten tweede en ten derde, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekerin-gen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij aftrekbaar zijn ingevolge de artikelen 145/4, 145/5, 145/6 en 145/17, 145/18, 145/19 van hetzelfde wetboek];

B.Vl.R.22-7-1993

- ofwel het bestaansminimum heeft genoten;

- ofwel werklozenvergoeding heeft genoten;

- ofwel ziektevergoedingen of een ander vervangingsinkomen heeft genoten;

- [ofwel de inkomensvervangende tegemoetkoming genoten heeft, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten].

B.Vl.R. 22-7-1993

Wanneer het inkomen bestaat, deels uit bedrijfsinkomsten, deels uit het bestaansminimum, uit werklozenvergoeding, uit ziektevergoeding of uit een tegemoetkoming aan mindervaliden, wordt het bedrag van bedrijfsinkomen dat moet aangetoond worden, verhoudingsgewijs vastgesteld.

Voor de berekening van de aaneengesloten periode van drie jaar, komt de periode van leger- of burgerdienst niet in aanmerking.

§ 2. Wordt eveneens beschouwd als behorende categorie 6° van artikel 1 van dit besluit, de student die reeds een studietoelage genoten heeft op grond van de bepalingen van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 23 augustus 1972.

Art. 4.

Worden beschouwd als studenten die door niemand kunnen worden onderhouden, diegenen die behoren tot een van de onderstaande categorieën en die niet onder te brengen zijn onder 1° tot 6° van voormeld artikel 1 van dit besluit :

a) de volle wezen;

b) diegenen waarvan de laatste overlevende ouder of beide ouders ontzet zijn uit hun ouderlijke macht;

c) diegenen die ingevolge hun meerderjarigheid niet meer onder de bevoegdheid vallen van een [comité voor bijzondere jeugdzorg] of een jeugdrechtbank;

B.Vl.R. 22-7-1993

d) de buitenlandse studenten erkend door de Belgische delegatie van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.

Met deze toestanden kan slechts rekening gehouden worden op voorwaarde dat zij zich voordeden uiterlijk 31 december van het betrokken academiejaar.

B. Te volgen procedure

Art. 5.

§ 1. De aanvragen voor een studietoelage moeten ingediend worden door middel van een formulier opgesteld door de Gemeenschapsminister bevoegd voor de studietoelagen.

Behoudens in geval van overmacht, waarover de Gemeenschapsminister oordeelt, moeten de aanvragen op de dienst voor studietoelagen toekomen uiterlijk 31 oktober van het betrokken academiejaar of wanneer zij per post verzonden worden, moeten zij uiterlijk die datum afgestempeld zijn : de poststempel geldt dan als bewijs.

§ 2. Nadat de Gemeenschapsminister de toelagen verleend heeft, onderzoekt hij of de studenten regelmatig alle colleges en alle opgelegde oefeningen hebben gevolgd, en of zij zich al op alle eindejaarsexamens hebben aangemeld, met inbegrip van die van de tweede zittijd.

De Gemeenschapsminister beslist over de totale of gedeeltelijke terugvordering van de studietoelagen.

C. In aanmerking te nemen jaar van inkomen

Art. 6.

§ 1. Het inkomen waarvan verder sprake in dit besluit, is het inkomen dat blijkt uit de belastingstoestand van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het betrokken academiejaar begint.

Onder belastingstoestand wordt verstaan, die welke blijkt uit de berekeningsnota met betrekking tot de aanslag van dat jaar, afgeleverd door de administratie der directe belastingen. Wanneer naar aanleiding van een latere verificatie die aanslag herzien wordt, moet met de herziene aanslag rekening worden gehouden.

§ 2. Wanneer de student slechts na het onder § 1 vermelde jaar,

- hetzij ten laste is gekomen van een van de personen bedoeld in artikel 1, 1° tot 4° van dit besluit;

- hetzij aan de voorwaarden voldoet gesteld onder artikel 1, 6° van dit besluit;

- hetzij ressorteert onder diegenen vermeld onder artikel 1, 7° van dit besluit;

wordt er evenwel rekening gehouden met het inkomen van het jaar waarin deze nieuwe situatie voor het eerst bestaat.

Met deze nieuwe situatie kan slechts rekening gehouden worden, indien deze zich voordoet uiterlijk 31 december van het betrokken academiejaar.

Bij ontstentenis van een aanslag voor dat jaar, wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de kandidaat en van de personen van wie hij ten laste is, zoals dit blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.

§ 3. Wanneer de student slechts na het onder § 1 vermelde jaar ten laste is gekomen van zijn echtgenoot, wordt het inkomen in aanmerking genomen van het jaar waarin voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld bij artikel 2 van dit besluit.

Bij ontstentenis van een aanslag voor dat jaar, wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de kandidaat en van zijn echtgenoot, zoals dit blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.

Art. 7.

[§ 1. In afwijking van artikel 6 mag er, in het voordeel van de kandidaat, rekening worden gehouden :

1° met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar waarin het academiejaar in kwestie aanvangt, als dat inkomen van de kandidaat en de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, lager is dan het normaal in aanmerking te nemen inkomen, ten gevolge van :

a) arbeidsongeschiktheid van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, waarvoor een uitkering of vergoeding wordt uitbetaald;

b) geheel of gedeeltelijk verlies of opschorting van de hoofdbetrekking van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

c) brugpensioen van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

d) schorsing van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is van het recht op werkloosheidsuitkering wegens abnormaal aanhoudende of terugkerende werkloosheid;

e) vermindering of stopzetting van de uitbetaling van onderhoudsgeld aan de kandidaat of aan de persoon van wie hij ten laste is of aan de ten laste zijnde kinderen op voorwaarde dat dit het gevolg is van een rechterlijke uitspraak of het overlijden van de onderhoudsplichtige;

f) vereffening van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, als gevolg van faillissement of kennelijk onvermogen.

2° met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin zich de hiernavolgende feiten voordoen, als dat inkomen van de kandidaat en de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, lager is dan het normaal in aanmerking te nemen inkomen, ten gevolge van :

a) rustpensioen van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

b) overlijden van de perso(o)n(en) van wie de kandidaat ten laste is;

c) echtscheiding of scheiding van tafel en bed van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

d) feitelijke scheiding sinds minstens een jaar van de kandidaat of van de personen van wie hij ten laste is.

De termijn, bedoeld in 2°, d), wordt niet vereist als de vrederechter bij dringende en voorlopige maatregel een aparte woonst heeft bevolen of als er een procedure echtscheiding is ingeleid bij de bevoegde rechtbank.

Met de feiten, bedoeld in 1° en 2°, wordt slechts rekening gehouden als ze zich voordoen tussen 1 januari van het normaal in aanmerking te nemen jaar van inkomen en uiterlijk 31 december van het jaar waarin het academiejaar in kwestie aanvangt.

§ 2. Bij gebrek aan een aanslag voor dat jaar wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de kandidaat en van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, zoals blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.]

B.Vl.R.22-9-1998

Art. 8.

Het definitief bedrag van de studietoelagen die bij toepassing van de mogelijkheden vervat in artikel 6, § 2 en § 3 en in artikel 7 voorlopig berekend werden, wordt vastgesteld door middel van de berekeningsnota vermeld onder artikel 6, § 1, tweede lid.

Art. 9.

[Het in het buitenland of bij een Europese instelling behaald inkomen, wordt, zowel voor de toelaatbaarheid als voor de voorlopige en de definitieve berekening van de studietoelage, vastgesteld op basis van attesten uitgereikt door de buitenlandse [[belastingdienst]] of, bij gebrek [[hieraan]], door de werkgevers, diensten of instellingen.

Voor de omrekening naar het referentiebedrag in de zin van artikel 10, worden de in het Wetboek der Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-7-1992

D. Vaststelling van het recht op en de berekening van de studietoelagen

Art. 10.

[§ 1. [[Bij het berekenen van de grondslag om een studietoelage toe te kennen, wordt rekening gehouden met een referentiebedrag (voetnoot 1) , gesteund op het in het aanslagbiljet vermelde gezamenlijk belastbaar inkomen, maar verhoogd met de in artikel 104, eerste lid, 3° tot 6°, 8° en 11°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aftrekken, die overeenkomstig de in de artikelen 105 tot 112 van hetzelfde Wetboek bepaalde grenzen en voorwaarden effectief werden afgetrokken, en met de effectief afzonderlijk belaste inkomsten.

Dit inkomen wordt evenwel verminderd met de in artikel 1451, 2° en 3° van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekeringen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij effectief voor belastingver-mindering in aanmerking werden genomen overeenkomstig de in de artikelen 1452, 1454, 1455, 1456, 14517, 14518, 14519 en 14520 van hetzelfde Wetboek bepaalde grenzen en voorwaarden]]²

§ 2. Het in § 1 berekend referentiebedrag wordt vervolgens in voorkomend geval verhoogd met eenmaal de onroerende inkomsten, [[vooraleer]]¹ te zijn verminderd met de betaalde intresten van schulden aangegaan om die onroerende inkomsten te verkrijgen of te behouden, doch met uitsluiting van het kadastraal inkomen met betrekking tot de eigen woning.

§ 3. Wanneer het in de §§ 1 en 2 bedoelde referentiebedrag vervangingsinkomsten bevat die ten minste 70 pct. bedragen van dat bedrag, worden deze vervangingsinkomsten verminderd met een bedrag gelijk aan de forfaitaire aftrek voor bedrijfslasten die op fiscaal vlak wordt toegepast op bezoldigingen en baten.]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 31-7-1992; [[ ]]² B.Vl.R.15-6-1994

Art. 11.

[§ 1. Heeft recht op een volledige studietoelage, de kandidaat van wie het in artikel 10 bepaalde referentiebedrag van hemzelf [[en van de personen]]¹ van wie hij ten laste is, gelijk is aan of lager is dan de hieronder vermelde bedragen :

[[1° 222 536 frank wanneer de kandidaat in zijn eigen onderhoud voorziet;

2° 402 162 frank wanneer één persoon ten laste is;

3° 465 031 frank wanneer twee personen ten laste zijn;

4° 517 920 frank wanneer drie personen ten laste zijn;

5° 549 854 frank wanneer vier personen ten laste zijn;

6° 581 455 frank, 613 056 frank, 644 656 frank, 676 257 frank, 707 858 frank, 739 459 frank, 771 060 frank, 802 660 frank, 834 261 frank, 865 862 frank, 897 463 frank, voor respectievelijk 5 tot 15 personen ten laste.]]²

Deze bedragen vormen de minimumgrens.

§ 2. [[ De kandidaat die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, heeft recht op een volledige studietoelage :

1° 100 300 frank als hij intern is in de onderwijsinstelling of logies neemt in de stad waar de onderwijsinstelling gelegen is;

2° 65 100 frank als hij zich dagelijks verplaatst naar de onderwijsinstelling die op 10 km of meer verwijderd is van zijn woonplaats;

3° 59 400 frank als hij op minder dan 10 km van de onderwijsinstelling woont.

Met een wijziging in de toestand van kamer-, spoor- of thuisstudent wordt rekening gehouden als die zich voordoet uiterlijk op 1 januari van het academiejaar in kwestie.]]²

§ 3. [[Aan volgende kandidaten wordt een volledige studietoelage toegekend, waarvan het bedrag gelijk is aan 150% van het bedrag als bedoeld bij § 2 :

1. aan de kandidaten, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 10, § 3, van wie het in aanmerking te nemen referentiebedrag, bedoeld in artikel 10, gelijk is aan of lager is dan één tiende van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1;

2. aan de kandidaten van wie het in aanmerking te nemen referentiebedrag zoals bedoeld in artikel 10 voor minstens 70% uit alimentatiegelden bestaat en gelijk is aan of lager is dan één tiende van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1;

3. aan de kandidaten van wie het inkomen en dat van de persoon van wie ze ten laste zijn, voor minstens 70% bestaat uit het bestaansminimum of uit tegemoetkomingen die krachtens de desbetreffende wetgeving aan mindervaliden of gehandicapten worden toegekend ten laste van de Schatkist, en gelijk is aan of lager is dan één tiende van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1.]]¹ ]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 17-12-1992; [[ ]]² B.Vl.R.14-7-1998

Art. 12.

[ [[§ 1. Heeft geen recht op een studietoelage, de kandidaat van wie het in artikel 10 bepaalde referentiebedrag van hemzelf en van de persoon van wie hij ten laste is, gelijk is aan of hoger is dan de hieronder vermelde bedragen :

1° 412 452 frank wanneer de kandidaat in zijn eigen onderhoud voorziet;

2° 646 380 frank wanneer één persoon ten laste is;

3° 829 521 frank wanneer twee personen ten laste zijn;

4° 975 726 frank wanneer drie personen ten laste zijn;

5° 1 134 243 frank wanneer vier personen ten laste zijn;

6° 1 329 696 frank, 1 462 050 frank, 1 532 844 frank, 1 603 638 frank, 1 675 971 frank, 1 752 921 frank, 1 820 637 frank, 1 896 048 frank, 1 966 842 frank, 2 039 175 frank, 2 111 508 frank voor respectievelijk 5 tot 15 personen ten laste.

Deze bedragen vormen de maximumgrens.]]³

§ 2. 1° [[De kandidaat heeft bovendien geen recht op een studietoelage indien het kadastraal inkomen van de persoon van wie hij ten laste is]]¹ hoger is dan 20 % van het referentiebedrag dat volgt uit artikel 10, § 1.

2° [[Het in 1° bedoelde kadastraal inkomen, na indexering ingevolge artikel 8, § 3, van de wet van 7 december 1988, zoals gewijzigd door artikel 29 van de wet van 28 december 1990, is de som van :]]¹

a) [[het kadastraal inkomen van de woning die de in 1° vermelde persoon betrekt, al dan niet als eigenaar, met uitzondering van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die hij voor beroepsdoeleinden aanwendt. Dit kadastraal inkomen wordt evenwel, naargelang het aantal personen ten laste, vastgesteld ingevolge artikel 15, drie of meer bedraagt vooraf gedeeld door de coëfficiënt 1,1, verhoogd met 0,1 voor elke persoon ten laste boven de derde, doch met maximum 1,8]]¹;

b) [[ tweemaal het kadastraal inkomen van alle andere onroerende goederen waarvan de in 1° vermelde persoon eigenaar is, met uitzondering van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die hij voor beroepsdoeleinden aanwendt.]]¹

[[3°]]¹ om vast te stellen of de in 1° vermelde [[verhouding tussen kadastraal inkomen en referentiebedrag bedoeld in artikel 10, § 1]]¹ wordt overschreden, worden de pensioenen, voor zover zij niet hoger zijn van de minimumgrens bedoeld in artikel 11, § 1, vervangingsinkomsten en alimentatiegelden vervat in het referentiebedrag dat volgt uit artikel 10, § 1, verdubbeld;

[[4°]]¹ de kandidaat of de persoon van wie hij ten laste is die wordt afgewezen op grond van deze paragraaf, kan erom verzoeken voor de toepassing van deze paragraaf, voor het referentiebedrag bedoeld in artikel 10, § 1, het referentiebedrag van een aansluitend kalenderjaar in aanmerking te nemen.

[[5°]]¹ Deze paragraaf is niet toepasselijk op de kandidaten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 en op de kandidaten waarvan het in aanmerking te nemen inkomen geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit het bestaansminimum [[of voor minstens 70% bestaat uit alimentatiegelden, uit vervangingsinkomsten of uit tegemoetkomingen die krachtens de desbetreffende wetgeving aan minder-validen of gehandicapten worden toegekend ten laste van de Schatkist.]]² ]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]]1 B.Vl.R. 31-7-1992; [[ ]]² B.Vl.R. 17-12-1992; [[ ]]³ B.Vl.R.14-7-1998

Art. 13.

[Wanneer het ingevolge artikel 10 in aanmerking te nemen referentiebedrag van de kandidaat en van de personen van wie hij ten laste is, hoger is dan de minimumgrens vermeld in artikel 11, § 1, doch lager dan de maximumgrens vermeld in artikel 12, § 1, wordt een studietoelage verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag vermeld in artikel 11, § 2, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule :

[[maximumgrens min referentiebedrag bedoeld in artikel 10]]

maximumgrens min minimumgrens

Het bekomen bedrag van de studietoelage wordt afgerond op het lagere honderdtal.

Indien het referentiebedrag lager is dan de maximumgrens, bedraagt de studietoelage ten minste 5.000 F.]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-7-1992

Art. 14.

[De bedragen genoemd in artikel 2, 3, § 1, 11, §§ 1 en 2 en 12, § 1, worden aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van het indexcijfer bedoeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, voor de maand december (basis 1988) van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het schooljaar in kwestie begint ten opzichte van indexcijfer voor de maand december (basis 1988) van het derde kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het schooljaar in kwestie begint. Deze stijging wordt afgerond naar het hogere tiende.]

B.Vl.R.14-7-1998

Art. 15.

[§ 1. [[Om het aantal personen ten laste te bepalen wordt rekening gehouden met de toestand op 31 december van het betrokken academiejaar.]]

§ 2. Wanneer onder de personen ten laste, meerdere studenten voorkomen die tijdens het betrokken academiejaar hoger onderwijs volgen, worden zoveel personen bijgeteld als er buiten de kandidaat nog andere personen zijn die hoger onderwijs volgen.

§ 3. Voor het bepalen van het aantal personen ten laste wordt de echtgenoot van de kandidaat zelf of de echtgenoot van de persoon van wie hij ten laste is, meegeteld.

§ 4. De overleden echtgenoot van de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe met één of meer kinderen ten laste wordt als persoon ten laste aangerekend.

§ 5. [[1° De persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt tweemaal ten laste aangerekend.

2° Het gezinshoofd dat op 31 december van het betrokken academiejaar fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt eenmaal als persoon ten laste geteld.]]

[[§ 6. Een overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of tijdens het belastbaar tijdperk geboren en overleden is.

§ 7. De gezinsleden die hun militaire dienst of een dienst als gewetensbezwaarde hebben aangevangen tijdens het jaar van de aanvraag mogen ten laste worden beschouwd ongeacht de grootte van de bedrijfsinkomsten genoten tijdens dat jaar op voorwaarde dat deze genoten inkomsten geen bedrijfslasten zijn voor het gezinshoofd.]] ]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-7-1992

E. Slotbepalingen

Art. 16.

In het voormelde koninklijk besluit van 23 augustus 1972, worden de bepalingen opgeheven die betrekking hebben op de kandidaten voor een studietoelage hoger onderwijs.

Art. 17.

Het voormelde koninklijk besluit van 23 november 1972 wordt opgeheven.

Art. 18.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van het academiejaar 1983-1984.

Art. 19.

De Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Indien voor het vaststellen van het referentiebedrag wordt uitgegaan van de belastingtoestand van een kalenderjaar vóór 1992 wordt het referentiebedrag gesteund op het in het aanslagbiljet vermeld gezamenlijk belastbaar inkomen, doch vooreerst verhoogd met : 1° de in artikel 71, 4° tot 7°, 9° en 10° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde aftrekken; 2° de ingevolge artikel 72 van hetzelfde Wetboek in mindering gebrachte bedragen voor pensioensparen; 3° de ingevolge artikel 13, § 3, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen in mindering van het beroepsinkomen gebrachte bedragen voor aanschaffing van aandelen van de werkgever; 4° de effectief afzonderlijk belaste inkomsten. (B.Vl.R. 15-6-1994; Art. 3)