Besluit van de Vlaamse Regering tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    31 JULI 1990
  • publicatiedatum
    B.S.20/10/1990
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 5-6-1991 - B.S. 27-8-1991

B.Vl.R. 12-6-1991 - B.S. 12-9-1991

B.Vl.R. 1-7-1992 - B.S. 21-10-1992

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 23-12-1993

B.Vl.R. 8-6-1994 - B.S. 23-9-1994

B.Vl.R. 16-5-1995 - B.S. 20-7-1995

B.Vl.R. 28-7-1995 - B.S. 9-12-1995

B.Vl.R. 14-5-1996 - B.S. 10-7-1996

B.Vl.R. 30-5-1996 - B.S. 21-8-1996

B.Vl.R. 21-5-1997 - B.S. 25-6-1997

B.Vl.R. 30-6-1998 - B.S. 7-8-1998

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998

B.Vl.R. 8-6-1999 - B.S. 10-9-1999

Decr. 20-10-2000 - B.S. 16-12-2000

B.Vl.R. 11-6-2004 - B.S. 9-11-2004

B.Vl.R. 22-7-2005 - B.S. 25-11-2005

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

B.Vl.R. 9-10-2009 - B.S. 8-2-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

B.Vl.R. 22-7-2011 - B.S. 16-8-2011

B.Vl.R. 7-9-2012 - B.S. 12-11-2012

B.Vl.R. 31-5-2013 - B.S. 2-7-2013

B.Vl.R. 3-7-2015 - B.S. 4-8-2015

B.Vl.R. 10-7-2015 - B.S. 28-8-2015

B.Vl.R. 30-8-2016 - B.S. 5-10-2016

B.Vl.R. 7-7-2017 - B.S. 24-8-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 3, § 6, gewijzigd bij het decreet van 5 juli 1989;

Gelet op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, inzonderheid titel IV - Secundair onderwijs, Hoofdstuk I, Afdeling 2, Onderafdeling 5;

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, gegeven op 25 juni 1990;

Gelet op het protocol van 26 juni 1990 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de schoot van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, laatst gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de scholen op korte termijn op de hoogte moeten zijn van de vaststellingsmodaliteiten van het aantal uren-leraar waarover ze tijdens het schooljaar 1990-1991 zullen kunnen beschikken, teneinde de schoolorganisatie in al zijn aspecten te materialiseren;

Op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Inleiding

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap ingericht voltijds secundair onderwijs en [...]² op het door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs.

Het is niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs [...]¹.

[ ]¹ B.Vl.R. 30-5-1996; [ ]² B.Vl.R. 17-12-2010

HOOFDSTUK II. - Alle scholen behoudens deze voor zeevisserijonderwijs [...]

B.Vl.R. 9-10-2009

Art. 2.

Vanaf 1 september 1990 wordt aan elke school een aantal wekelijkse uren-leraar toegekend.

Art. 3.

Het aantal wekelijkse uren-leraar [...] is opgebouwd uit :

B.Vl.R. 17-12-2010

1°een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie. [...]

B.Vl.R.16-5-1995

2° een aantal uren-leraar uitsluitend voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie. [Deze bepaling is niet van toepassing op :

a) het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

b) de Se-n-Se van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;

c) de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;

d) de optie verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.]

B.Vl.R. 9-10-2009

Art. 4.

§ 1. Het aantal uren-leraar, bedoeld in artikel 3, 1°, wordt vastgesteld op basis van een aantal wekelijkse uren-leraar per leerling, dat afzonderlijk wordt berekend voor :

a) het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar in de eerste graad;

b) het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar;

c) [het onthaaljaar;]

B.Vl.R. 16-5-1995

d) de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs [...];

B.Vl.R. 9-10-2009

e) de tweede en de derde graad van het technisch secundair onderwijs, [...]³ met dien verstande dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende groepen van disciplines :

1° administratie en distributie, sport;

2° chemie, industriële technieken, land- en tuinbouw, paramedische opleidingen, personenzorg, voeding;

3° hotel, kleding en confectie;

4° elektriciteit;

5° [decoratieve technieken,]¹ grafische technieken, [...]²;

6° optiek, orthopedische technieken, tandtechnieken, verzorgingstechnieken, [maatschappelijke veiligheid]³;

7° hout en bouw, metaal, Rijn- en binnenvaart, [textiel]²;

8° glastechnieken, [...]²;

[ ]¹ B.Vl.R. 12-6-1991; [ ]² B.Vl.R. 11-6-2004; [ ]³ B.Vl.R. 9-10-2009

f) de tweede [de derde en de vierde graad]² van het beroepssecundair onderwijs [en het hoger beroepsonderwijs]4 met dien verstande dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende groepen van disciplines :

1° administratie en distributie;

2° land- en tuinbouw, personenzorg, [maatschappelijke veiligheid]4;

3° decoratieve technieken, elektriciteit, hotel;

4° kleding en confectie, verzorgingstechnieken;

5° grafische technieken, [...]³;

6° glasbewerking, goud-juwelen, hout en bouw, [...]³, marmerbewerking, metaal, [...]³, Rijn- en binnenvaart, [textiel]³;

[7° vrachtwagenchauffeur;]¹

[8° verpleegkunde;]²

[ ]¹ B.Vl.R. 1-7-1992; [ ]² B.Vl.R. 30-5-1996; [ ]³ B.Vl.R. 11-6-2004; [ ]4 B.Vl.R. 9-10-2009

g) de tweede en de derde graad van het kunstsecundair onderwijs, [...] met dien verstande dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende groepen van disciplines :

1° beeldende kunst;

2° woord;

3° dans;

4° muziek.

B.Vl.R. 9-10-2009

§ 2. Het aantal uren-leraar per leerling wordt voor de onderscheiden rubrieken van § 1, vastgesteld als volgt:

1. voor de leerjaren bedoeld in § 1, a) :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 2,25;

- op de schijf van 26 tot en met 50 leerlingen : 1,95;

- op de schijf van 51 tot en met 100 leerlingen : 1,80;

- vanaf de 101ste leerling : 1,60;

2. voor de leerjaren bedoeld in § 1, b) :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 3,05;

- op de schijf van 26 tot en met 50 leerlingen : 2,75;

- op de schijf van 51 tot en met 100 leerlingen : 2,60;

- vanaf de 101ste leerling : 2,45;

3. [voor het jaar bedoeld in § 1, c) :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 2,25;

- op de schijf van 26 tot en met 50 leerlingen : 1,95;

- op de schijf van 51 tot en met 100 leerlingen : 1,80;

- vanaf de 101e leerling : 1,60;]

B.Vl.R. 16-5-1995

4. voor de leerjaren bedoeld in § 1, d), afzonderlijk toegepast enerzijds op de leerlingen van de tweede graad, anderzijds op de leerlingen van de derde graad [...] :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 1,90;

- op de schijf van 26 tot en met 50 leerlingen : 1,70;

- op de schijf van 51 tot en met 100 leerlingen : 1,60;

- vanaf de 101ste leerling : 1,45;

B.Vl.R. 9-10-2009

5. voor de leerjaren bedoeld in § 1, e), afzonderlijk toegepast enerzijds op de leerlingen van de tweede graad, anderzijds op de leerlingen van de derde graad [...] :

- groep 1° : 2,05;

- groep 2° : 2,15;

- groep 3° : 2,25;

- groep 4° : 2,35;

- groep 5° : 2,45;

- groep 6° : 2,55;

- groep 7° : 2,65;

- groep 8° : 2,75.

Een verhoging wordt evenwel toegekend voor het totaal van de leerlingen van de groepen 1° tot en met 8°, afzonderlijk toegepast enerzijds op de tweede graad, anderzijds op de derde graad [...] :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 0,50;

- op de schijf van 26 tot en met 75 leerlingen : 0,30;

- op de schijf van 76 tot en met 150 leerlingen : 0,10;

- vanaf de 151ste leerling : 0,00;

B.Vl.R. 9-10-2009

6. voor de leerjaren bedoeld in § 1, f), afzonderlijk toegepast [...]² [op de leerlingen van de tweede graad, op de leerlingen van de derde graad, op de leerlingen van de vierde graad en op de leerlingen van het hoger beroepsonderwijs]³ :

- groep 1° : 2,45;

- groep 2° : 2,55;

- groep 3° : 2,65;

- groep 4° : 2,75;

- groep 5° : 2,85;

- groep 6° : 3,05;

[- groep 7° : 3,70;]¹

[- groep 8° : 3,80.]²

Een verhoging wordt evenwel toegekend voor het totaal van de leerlingen van de groepen 1° tot en met 6°, afzonderlijk toegepast [enerzijds op de tweede graad, anderzijds op de derde graad]³ :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 0,60;

- op de schijf van 26 tot en met 75 leerlingen : 0,30;

- op de schijf van 76 tot en met 150 leerlingen : 0,15;

- vanaf de 151ste leerling : 0,00;

[ ]¹ B.Vl.R. 14-5-1996; [ ]² B.Vl.R. 30-5-1996; [ ]³ B.Vl.R. 9-10-2009

7. voor de leerjaren bedoeld in § 1, g) :

- groep 1° : 2,70;

- groep 2° : 2,70;

- groep 3° : 2,70;

- groep 4° : 2,70.

Een volgende verhoging wordt evenwel voor de desbetreffende graad toegekend :

a) voor de schoolen die buiten het kunstsecundair onderwijs nog andere onderwijsvormen aanbieden in de tweede graad :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 0,50;

- op de schijf van 26 tot en met 75 leerlingen : 0,30;

- op de schijf van 76 tot en met 150 leerlingen : 0,10;

- vanaf de 151ste leerling : 0,00;

b) voor de schoolen die buiten het kunstsecundair onderwijs nog andere onderwijsvormen aanbieden in de derde graad :

- op de schijf van 1 tot en met 25 leerlingen : 0,50;

- op de schijf van 26 tot en met 75 leerlingen : 0,30;

- op de schijf van 76 tot en met 150 leerlingen : 0,10;

- vanaf de 151ste leerling : 0,00;

c) voor de schoolen die buiten het kunstsecundair onderwijs geen andere onderwijsvormen aanbieden in de tweede graad :

- groep 1° : 0,20;

- groep 2° : 1,20;

- groep 3° : 1,20;

- groep 4° : 2,20;

d) voor de schoolen die buiten het kunstsecundair onderwijs geen andere onderwijsvormen aanbieden in de derde graad :

- groep 1° : 0,20;

- groep 2° : 1,20;

- groep 3° : 1,20;

- groep 4° : 2,20.

[In afwijking op wat voorafgaat en ongeacht het feit of de school in de desbetreffende graad al dan niet andere onderwijsvormen aanbiedt buiten het kunstsecundair onderwijs, bedraagt de verhoging per leerling van de structuuronderdelen muziek en bijzondere muzikale vorming van de discipline muziek van groep 4° steeds 2,20 uren-leraar;]

B.Vl.R.8-6-1999

8. [voor de scholen die hetzij het Nederlands als onderwijstaal hebben, gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad én behoren tot een scholengemeenschap, hetzij gevestigd zijn in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km², worden de coëfficiënten, bedoeld in 4 en de coëfficiënten van de groepen, bedoeld in 5, 6 en 7 verhoogd met :

1° 0,10 : voor de eerste graad;

2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad [[en het hoger beroepsonderwijs]].]¹

[Deze verhoogde leerlingencoëfficiënt blijft behouden gedurende een periode van 4 schooljaren nadat de norm van 125 inwoners per km2 werd overschreden.]²

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 20-10-2000; [[ ]] B.Vl.R. 9-10-2009

§ 3. De coëfficiënten, bedoeld in § 2, worden vermenigvuldigd met het respectievelijk aantal regelmatige leerlingen [op de decretaal bepaalde teldatum of teldata van het voorafgaande schooljaar]³. [...]¹

[...]²

[ ]¹ B.Vl.R. 8-6-1994; [ ]² B.Vl.R. 16-5-1995; [ ]³ B.Vl.R. 9-10-2009

§ 4. [Voor de nieuw opgerichte of in opbouw zijnde scholen, waar niet naar een voorafgaand schooljaar kan worden gerefereerd, dienen de coëfficiënten, bedoeld in § 2, te worden vermenigvuldigd met het respectieve aantal regelmatige leerlingen op 1 oktober van het betrokken schooljaar. Het daaropvolgend schooljaar worden de beschikkingen van § 3 van toepassing.

Onder "in opbouw zijnde scholen" wordt verstaan scholen die tijdens opeenvolgende schooljaren hun onderwijsaanbod geleidelijk uitbreiden, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad.

Voor de scholen die op 1 februari van een bepaald schooljaar niet [[de rationalisatienorm bereiken, bedoeld [[[in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]],]]² en bijgevolg verplicht zijn over te gaan tot [[opheffing, wordt de tellingsdatum vastgesteld op 1 oktober van dat schooljaar waarin deze opheffing een aanvang neemt]]¹.

[[...]]³ ]

B.Vl.R. 1-7-1992; [[ ]]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [[ ]]² B.Vl.R. 8-6-1999; [[ ]]³ B.Vl.R. 9-10-2009; [[[ ]]] B.Vl.R. 17-12-2010

[§ 4bis. [[Als een school ingevolge het niet-bereiken van de rationalisatienorm overgaat tot afbouw, wordt de coëfficiëntenregeling vervangen door een pakket wekelijkse uren-leraar dat wordt toegekend voor de volledige duur van het schooljaar en dat wordt vastgesteld en toegekend door de Vlaamse Regering, op voorstel van de betrokken [[[schoolbestuur]]]. Die maatregel is bedoeld om de school toe te laten tijdens de afbouw de afwerking van de goedgekeurde leerplannen te realiseren.]] ]

B.Vl.R. 22-7-1993; [[ ]] B.Vl.R. 9-10-2009; [[[ ]]] B.Vl.R. 7-9-2012

§ 5. Voor de scholen welke onder toepassing vallen van [artikel 190 of artikel 191 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]², alsmede voor de scholen gevestigd in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid gelegen is tussen de 125 en de 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in het internaat verblijven, wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in § 2, vervangen door de regeling vermeld in bijlage 1, [mits voldaan wordt aan de voorwaarden bepaald in § 7bis]¹.

[ ]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [ ]² B.Vl.R. 17-12-2010

§ 6. Voor de scholen die onder toepassing vallen van [artikel 192 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]³ [voor de scholen met het Nederlands als onderwijstaal, die gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]² en voor de scholen gevestigd in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km2, wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in § 2, vervangen door de regeling vermeld in bijlage 2, [mits voldaan wordt aan de voorwaarden bepaald in § 7bis]¹.

[ ]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [ ]² B.Vl.R. 8-6-1994; [ ]³ B.Vl.R. 17-12-2010

§ 7. Voor de scholen die onder toepassing vallen van [artikel 193, artikel 194 en artikel 197 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]³ [...]², wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in § 2, vervangen door de regeling vermeld in bijlage 3, [mits voldaan wordt aan de voorwaarden bepaald in § 7bis]¹.

[ ]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [ ]² B.Vl.R. 8-6-1994; [ ]³ B.Vl.R. 17-12-2010

[§ 7. bis. Voor toepassing van de regeling vermeld in de bijlage 1, 2 of 3, naargelang van het geval, komen uitsluitend de scholen in aanmerking waarvoor :

1° het resultaat van genoemde regeling voordeliger is dan het resultaat van de berekening via de coëfficiëntenregeling;

2° de verhouding tussen MP en Y groter is dan of gelijk is aan [[15,00]]¹ % oftewel

MP/Y ³ [[15,00]]¹/100

waarbij

MP = het aantal uren-leraar waar de school recht op heeft ingevolge de in artikel 4, §§ 5 tot en met 7bis en de bijlagen 1, 2 en 3 bedoelde regeling.

Y = het aantal uren-leraar aan 100 %. Het uiteindelijk aantal uren-leraar waar de school recht op heeft met coëfficiëntenberekening en met de in artikel 4, §§ 5 tot en met 7bis en de bijlagen 1, 2 en 3 bedoelde regeling;

3° de verhouding tussen CF en MP kleiner is dan of gelijk is aan [[85,00]]¹ % oftewel

CF/MP £ [[85,00]]¹/100

waarbij

CF = het aantal uren-leraar toegekend door de coëfficiëntenregeling, [[zonder rekening te houden met het percentage bedoeld in artikel 13,]]¹ toegepast op die structuuronderdelen die voor de in artikel 4, §§ 5 tot en met 7bis en de bijlagen 1, 2 en 3 bedoelde regeling in aanmerking komen.

MP = het aantal uren-leraar waar de school recht op heeft ingevolge de in artikel 4, §§ 5 tot en met 7bis en de bijlagen 1, 2 en 3 bedoelde regeling;]¹

[4°[[...]]²

[ ]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [ ]² B.Vl.R. 30-8-2016; [[ ]]¹ B.Vl.R. 14-5-1996; [[ ]]² B.Vl.R. 7-7-2017

[§ 7ter. [[Voor de toepassing van de bepalingen van de §§ 5 tot en met 7bis worden de vierde graad en het hoger beroepsonderwijs niet in aanmerking genomen.]] ]

B.Vl.R. 30-5-1996; [[ ]] B.Vl.R. 9-10-2009

[§ 7. quater. Ongeacht het beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in § 7bis, kan met ingang van het schooljaar 1998-1999 hetzij de som van de respectieve aantallen wekelijkse uren-leraar toegekend in de vorm van minimumpakketten zoals bedoeld in de §§ 5, 6 en 7 aan de schoolen die tot een scholengemeenschap behoren, hetzij het aantal wekelijkse uren-leraar toegekend in diezelfde vorm aan een school die niet tot een scholengemeenschap behoort, nooit hoger liggen dan het aantal eventueel toegekend voor het schooljaar 1997-1998, indien deze verhoging het gevolg is van een herstructurering of wijziging in het onderwijsaanbod van één of meer van de betrokken schoolen, die ten vroegste ingaat vanaf 1 september 1998.]

Decr.14-7-1998

§ 8. [Voor wat betreft het ASO worden als disciplines onderscheiden :

1° klassieke;

2° moderne.]

B.Vl.R.14-5-1996

§ 9. [In [[bijlage 4]]² van dit besluit worden de structuuronderdelen weergegeven die worden gerangschikt onder de disciplines, bedoeld in de §§ 1 en 8 enerzijds en in [[de bijlagen 1 tot en met 3]]¹ van dit besluit anderzijds.]

B.Vl.R. 14-5-1996; [[ ]]¹ B.Vl.R. 8-6-1999; [[ ]]² B.Vl.R. 9-10-2009

[Art. 4bis.

Voor de structuuronderdelen [[van het algemeen en het technisch secundair onderwijs met in de benaming de component topsport]] gelden de volgende bepalingen :

1° bij de toepassing van artikel 4 worden de leerlingen waaraan een topsportstatuut A is toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat is afgesloten tussen de onderwijs- en de sportsector, niet in aanmerking genomen; voor elke desbetreffende regelmatige leerling wordt daarentegen aan de school 2,9 uren-leraar toegekend;

2° behoudens indien het leerlingen betreft waarvoor toepassing wordt gemaakt van het in 3° gestelde, worden bij de toepassing van artikel 4 de leerlingen waaraan een topsportstatuut B is toegekend overeenkomstig hetzelfde topsportconvenant, wel in aanmerking genomen. In voorkomend geval worden, wat de schijven betreft bedoeld in artikel 4, § 2, punt 4 respectievelijk punt 5, deze leerlingen geteld in de schijf met de hoogste coëfficiënt; bij overschrijding van deze schijf met uitsluitend dergelijke leerlingen, worden ze geteld in de onmiddellijk daaropvolgende schijf, en zo verder;

3° de vaststelling van het aantal uren-leraar op basis van het in 1° en 2° gestelde, wordt vervangen door de toekenning aan de school van een forfaitair pakket van 20 uren-leraar per leerjaar in maximum één van [[beide onderwijsvormen]] voor zover voordeliger dan het resultaat met de coëfficiëntenberekening.]

B.Vl.R. 30-6-1998; [[ ]] B.Vl.R.11-6-2004

[Art. 4ter.

[[In afwijking van artikel 4 wordt aan het Koninklijk Technisch Atheneum Zwijndrecht een pakket van 520 uren-leraar toegekend voor zover deze school een zesjarige onderwijsstructuur heeft. De bevoegde inspectie van het departement onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap evalueert jaarlijks de aanwending en opportuniteit van dit pakket uren-leraar met het oog op eventuele bijsturing.]] ]

B.Vl.R. 30-6-1998; [[ ]] B.Vl.R.11-6-2004

Art. 5.

[...]

B.Vl.R.22-5-1995

Art. 6.

§ 1. Het aantal uren-leraar, bedoeld in artikel 3, 2°, wordt vastgesteld [per afzonderlijk leerjaar en onderwezen leerplan]¹ op basis van volgende splitsingsnormen :

1° in het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar in de eerste graad :

- 26 leerlingen voor 2 klassen;

- 51 leerlingen voor 3 klassen;

- 76 leerlingen voor 4 klassen;

- enz. per volledige schijf van 25 leerlingen;

2° in het eerste leerjaar B [...]² :

- 16 leerlingen voor 2 klassen;

- 31 leerlingen voor 3 klassen;

- 46 leerlingen voor 4 klassen;

enz. per volledige schijf van 15 leerlingen;

3° in het beroepsvoorbereidend leerjaar :

- 18 leerlingen voor 2 klassen;

- 35 leerlingen voor 3 klassen;

- 52 leerlingen voor 4 klassen;

- enz. per volledige schijf van 17 leerlingen;

4° in de tweede en de derde graad [...]³ :

- 28 leerlingen voor 2 klassen;

- 55 leerlingen voor 3 klassen;

- 82 leerlingen voor 4 klassen;

- enz. per volledige schijf van 27 leerlingen.

[ ]¹ B.Vl.R. 8-6-1994; [ ]² B.Vl.R. 16-5-1995; [ ]³ B.Vl.R. 9-10-2009

§ 2. Voor het bepalen [per afzonderlijk leerjaar en onderwezen leerplan] van het aantal klassen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie in de scholen van het Gemeenschapsonderwijs alsmede in de scholen van het gesubsidieerd officieel en vrij niet-confessioneel onderwijs, geldt de volgende regeling voor de minst gevolgde vakken :

- 10 leerlingen voor 2 klassen;

- 21 leerlingen voor 3 klassen;

- 28 leerlingen voor 4 klassen;

- enz. per volledige schijf van 7 leerlingen.

Het aantal klassen van de minst gevolgde vakken mag het aantal klassen van het meest gevolgde vak nooit overschrijden.

B.Vl.R.8-6-1994

[§ 2. bis. De leerlingen van het onthaaljaar die niet voor de meest gevolgde cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie hebben gekozen, worden in aanmerking genomen :

- voor de toepassing van het in § 1, 1° gestelde : indien in de school geen eerste leerjaar B maar wel een eerste leerjaar A wordt ingericht;

- voor de toepassing van het in § 1, 2° gestelde : indien in de school een eerste leerjaar B wordt ingericht;

- voor de toepassing van het in § 1, 4° gestelde, toegespitst op het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs : indien in de school geen eerste leerjaar A en B maar wel een eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs wordt ingericht;

- voor de toepassing van het in § 1, 4° gestelde, toegesplitst op het eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs : indien in de school geen eerste leerjaar A en B en geen eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs wordt ingericht maar wel een eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs.]

B.Vl.R.16-5-1995

§ 3. Voor het bepalen van het aantal in de §§ 1 en 2 bedoelde klassen, wordt het aantal regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaand schooljaar als basis gehanteerd.

[Indien op 1 oktober of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, van een bepaald schooljaar voor een curcus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan, leerlingen zijn ingeschreven waarvoor op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of van de eerstvolgende lesdag indien laatstgenoemde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen hebben gekozen, dan wordt voor deze cursus in het betrokken leerjaar en voor het betrokken leerplan het aantal klassen bepaald op basis van het aantal regelmatige leerlingen op eerstvernoemde datum.

De klassen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen georganiseerd of gesubsidieerd worden in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan op basis van de telling van 1 februari van het voorafgaande schooljaar of van de eerstvolgende lesdag indien deze datum op een vrije dag valt, maar waarvoor op 1 oktober van het lopende schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien deze datum op een vrije dag valt, geen leerlingen zijn ingeschreven, worden in mindering gebracht van het aantal klassen berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen op eerstvernoemde datum.

Voor nieuw opgerichte of in opbouw zijnde scholen geldt evenwel als datum 1 oktober van het betrokken schooljaar, met dien verstande dat voor het daaropvolgend schooljaar de datum van 1 februari van het voorafgaande schooljaar van toepassing wordt.

Onder "in opbouw zijnde scholen" wordt verstaan scholen die tijdens opeenvolgende schooljaren hun onderwijsaanbod geleidelijk uitbreiden, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad.

Voor de scholen die op 1 februari van een bepaald schooljaar niet [[de rationalisatienorm bereiken, bedoeld [[[in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]] ]]² en bijgevolg verplicht zijn over te gaan tot [[opheffing wordt de tellingsdatum vastgesteld op 1 oktober van dat schooljaar waarin deze opheffing een aanvang neemt]]¹.

[[...]]³ ]

B.Vl.R. 1-7-1992; [[ ]]¹ B.Vl.R. 22-7-1993; [[ ]]² B.Vl.R. 8-6-1999; [[ ]]³ B.Vl.R. 9-10-2009; [[[ ]]] B.Vl.R. 17-12-2010

§ 4. Het aantal klassen, berekend overeenkomstig de §§ 1 tot en met 3, wordt vermenigvuldigd met het corresponderend aantal wekelijkse lestijden voor bedoelde vakken. Het resultaat wordt uitgedrukt in een aantal uren-leraar.

Art. 7.

§ 1. Voor een school die op 1 september van een bepaald schooljaar ontstaat uit fusie, wordt voor de berekening van het aantal uren-leraar, zoals bedoeld in artikel 3, de onderscheiden aantallen aanwendbare uren-leraar en aantallen regelmatige leerlingen [de decretaal bepaalde teldatum of teldata]² van het voorafgaand schooljaar van de tot de fusie toegetreden schoolen, samengevoegd, waarna de gestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

[...]¹

B.Vl.R.8-6-1994

§ 2. Voor een school die op 1 september van een bepaald schooljaar ontstaat door afsplitsing, alsmede voor de overblijvende school, wordt voor de berekening van het aantal uren-leraar, zoals bedoeld in artikel 3, de onderscheiden aantallen aanwendbare uren-leraar en aantallen regelmatige leerlingen [de decretaal bepaalde teldatum of teldata]² van het voorafgaand schooljaar van de structuuronderdelen die ingevolge de afsplitsing tot de onderscheiden nieuwe schoolen behoren, in aanmerking genomen, waarna de gestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

[...]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 8-6-1994; [ ]² B.Vl.R. 9-10-2009

[Art. 7bis.

[[Bovenop het volgens artikel 4 en 6 berekend pakket uren-leraar, [[[wordt]]]² aan de Koninklijke Balletschool Antwerpen een forfaitair pakket van 100 uren-leraar toegekend, onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :

1) het schoolbestuur of een derde partner verleent [[[per schooljaar een cofinanciering van minimaal de totale loonkost corresponderend met het toegekende forfaitair pakket van 100 uren-leraar]]]¹;

2) de betrokken uren-leraar mogen uitsluitend worden aangewend voor de organisatie van lessen of lesgebonden activiteiten in het ambt van leraar of als voordrachtgever, voorbehouden voor de leerlingen van de balletopleiding binnen het voltijds secundair onderwijs.]] ]

B.Vl.R. 22-7-2011; [[ ]] B.Vl.R. 7-9-2012; [[[ ]]]¹ B.Vl.R. 31-5-2013; [[[ ]]]² B.Vl.R. 30-8-2016

HOOFDSTUK III. - Scholen voor zeevisserijonderwijs

Art. 8.

Vanaf 1 september 1990 wordt aan elke school voor zeevisserijonderwijs een aantal wekelijkse uren-leraar toegekend.

Art. 9.

Het aantal wekelijkse uren-leraar [...] is opgebouwd uit :

B.Vl.R. 17-12-2010

1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

2° een aantal uren-leraar uitsluitend voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Art. 10.

[§ 1. Het aantal uren-leraar bedoeld in artikel 9, punt 1, wordt vastgesteld als volgt :

1° voor het eerst leerjaar A, het tweede leerjaar van de eerste graad en de tweede graad van het technisch secundair onderwijs :

a) 130 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minstens 6 regelmatige leerlingen telt;

b) 100 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minstens 5 regelmatige leerlingen telt;

c) 70 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minstens 4 regelmatige leerlingen telt;

d) 30 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minder dan 4 regelmatige leerlingen telt;

2° voor het beroepsvoorbereidend leerjaar en de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs :

a) 100 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minstens 4 regelmatige leerlingen telt;

b) 50 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minder dan 4 regelmatige leerlingen telt;

3° voor het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs tijdens het schooljaar 1995-1996 : 54 uren-leraar;

4° voor de derde graad van het technisch secundair onderwijs vanaf het schooljaar 1996-1997 :

a) 68 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minstens 4 regelmatige leerlingen telt;

b) 34 uren-leraar voor zover elk leerjaar gemiddeld minder dan 4 regelmatige leerlingen telt;

5° het aantal uren-leraar bedoeld in 1° en 3° wordt vermeerderd met 20 uren-leraar per leerjaar van de tweede of derde graad dat twee opties omvat.]

B.Vl.R.28-7-1995

§ 2. Het aantal uren-leraar, bedoeld in artikel 9°, 2°, wordt op dezelfde wijze berekend als in artikel 6.

[§ 3. [[In afwijking van § 1 wordt aan het Provinciaal Maritiem Instituut Knokke-Heist een pakket van 602 uren-leraar toegekend voor zover deze school een zesjarige onderwijsstructuur heeft. [[[Het vermelde pakket blijft toegekend als het Provinciaal Maritiem Instituut wordt overgedragen aan een ander [[[[schoolbestuur]]]] en, hetzij als autonome school hetzij als vestigingsplaats van een andere school, blijft bestaan met een zesjarige onderwijsstructuur en een maritiem opleidingsaanbod.]]] De bevoegde inspectie van het departement onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap evalueert jaarlijks de aanwending en opportuniteit van dit pakket uren-leraar met het oog op eventuele bijsturing.]] ]

B.Vl.R. 28-7-1995; [[ ]] B.Vl.R. 11-6-2004; [[[ ]]] B.Vl.R. 22-7-2005; [[[[ ]]]] B.Vl.R. 7-9-2012

HOOFDSTUK IV. - scholen gelegen in de Bondsrepubliek Duitsland

Art. 11 en 12.

[...]

B.Vl.R.11-6-2004

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 13.

[ [[Het aantal uren-leraar dat het resultaat is van de berekeningen, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, wordt aangewend :

1° naar rata van 98 % voor de uren-leraar godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie;

2° naar rata van 98,57 % voor de uren-leraar volgens de minimumpakkettenregeling;

3° naar rata van 96,57 % voor de uren-leraar volgens de coëfficiëntenregeling.

In afwijking hiervan worden de uren-leraar, gebaseerd op artikel 4bis, 1° en 3°, artikel 4ter en artikel 10, § 1 en § 3, aangewend naar rata van 100 %.]]

Indien de berekening van dit percentage een resultaat oplevert waarvan het cijfer na de komma minder dan .50 bedraagt, dan wordt dit cijfer weggelaten; cijfer na de komma van .50 of meer opgetrokken naar de hogere eenheid.]

B.Vl.R. 1-7-1992; [[ ]]22-7-2005

[Art. 13bis.

Voor de eventuele aanwending van uren-leraar in de vorm van aanwerving van voordrachtgevers, door middel van omzetting van die uren-leraar in een krediet, gelden de volgende bepalingen :

1° voordrachtgevers kunnen worden ingeschakeld in :

a) de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;

b) alle structuuronderdelen van de derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs en de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;

2° van de door de school toegepaste wekelijkse lessentabel van een structuuronderdeel als vermeld in 1°, wordt het aantal uren dat wordt voorbehouden voor voordrachtgevers, vermenigvuldigd met veertig, respectievelijk twintig voor een opleiding Se-n-Se of hoger beroepsonderwijs die slechts één semester wordt aangeboden, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaaruren wordt verkregen. Dat aantal jaaruren wordt vermenigvuldigd met het aantal klassen dat in het structuuronderdeel in kwestie is gevormd. Het resultaat, opgegeven als het totale aantal jaaruren, wordt voor 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten meegedeeld. Dat resultaat kan in de loop van het schooljaar niet meer worden gewijzigd, behoudens vermindering bij overmacht;

3° het krediet voor voordrachtgevers wordt vastgesteld op 34,27 euro per omgezet uur-leraar. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

4° het product van het totale aantal jaaruren met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van voordrachtgevers. Het wordt toegekend door middel van een voorschot van 25 % van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie en het resterende saldo van 75 % in de loop van de maand juni die daarop volgt.]

B.Vl.R. 9-10-2009

[Art. 13ter.

Voor de eventuele overdracht van uren-leraar naar een hogeschool waarmee wordt samengewerkt door een school die Se-n-Se of hoger beroepsonderwijs organiseert, door middel van omzetting van die uren-leraar in een krediet, gelden de volgende bepalingen :

1° van het wekelijkse pakket uren-leraar waarover de school beschikt, wordt het aantal uren dat als dusdanig wordt omgezet, vermenigvuldigd met veertig, respectievelijk twintig voor een opleiding Se-n-Se of hoger beroepsonderwijs die slechts één semester wordt aangeboden, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaaruren wordt verkregen. Het resultaat, dat in de loop van het schooljaar niet meer kan worden gewijzigd, wordt voor 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het [[Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]] meegedeeld;

2° het krediet dat wordt toegepast bij de omzetting, wordt vastgesteld op 34,27 euro per omgezet uur-leraar. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

3° het product van het aantal jaaruren met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat wordt toegekend aan de hogeschool. Het wordt toegekend door middel van een voorschot van 25 % van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie en het resterende saldo van 75 % in de loop van de maand juni die daarop volgt.]

B.Vl.R. 9-10-2009; [[ ]] B.Vl.R. 3-7-2015

Art. 14.

[...]

B.Vl.R.11-6-2004

Art. 15.

[...]

B.Vl.R.22-7-1993

[Art. 15bis.

[[...]]¹

Art. 15ter.

[[...]]³

Art. 15quater.

[[Overgedragen uren-leraar tussen schoolen van eenzelfde scholengemeenschap of tussen schoolen van hetzelfde net behorend tot een andere scholengemeenschap, bedoeld in [[[artikel 20 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]] mogen, voorzover die uren-leraar zijn berekend op basis van artikel 6, in de andere school(en) enkel voor de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie worden gebruikt.]]² ]

B.Vl.R. 12-6-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 1-7-1992; [[ ]]² B.Vl.R. 8-6-1999; [[ ]]³ Decr. 22-6-2007; [[[ ]]] B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 16.

[...]

B.Vl.R.14-5-1996

[Art. 16bis.

§ 1. De vaststelling van de criteria en de aanwending van het pakket "uren-leraar" in het Gemeenschapsonderwijs geschiedt na een overleg in het bevoegd overlegcomité, opgericht krachtens de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van deze wet.

§ 2. De vaststelling van de criteria en de aanwending van het pakket "uren-leraar" in het gesubsidieerd onderwijs geschiedt na overleg in de participatieraad.]

B.Vl.R.8-6-1994

Art. 17.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1990.

Art. 18.

De Gemeenschapsminister van Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGEN

Bijlagen 1 t.e.m. 4 zijn raadpleegbaar in het B.S. 20-10-1990.

Bijlagen 1 t.e.m. 4 worden vervangen met B.Vl.R. 12-6-1991.

Bijlage 4 wordt vervangen met B.Vl.R. 1-7-1992.

Bijlagen 1 t.e.m. 3 worden opgeheven en bijlage 7 wordt gewijzigd; bijlagen 1 t.e.m. 6 worden toegevoegd met B.Vl.R. 22-7-1993.

Bijlagen 2 en 3 worden gewijzigd met B.Vl.R. 8-6-1994.

Bijlagen 1 t.e.m. 7 worden gewijzigd met B.Vl.R. 16-5-1995.

Bijlage 7 wordt gewijzigd met B.Vl.R. 14-5-1996.

Bijlage 7 wordt gewijzigd met B.Vl.R. 30-5-1996.

Bijlage 7 wordt gewijzigd met B.Vl.R. 30-6-1998 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlagen 1, 2, 3 en 7 worden gewijzigd; bijlagen 4, 5 en 6 worden opgeheven met B.Vl.R. 8-6-1999; de bijlagen zijn raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage 7 wordt vervangen met B.Vl.R. 11-6-2004 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage 7 wordt vervangen en wordt bijlage 4, met B.Vl.R. 9-10-2010 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage 4 wordt vervangen met B.Vl.R. 7-9-2012 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.