OPGEHEVEN : Koninklijk besluit tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage.

  • goedkeuringsdatum
    23 AUGUSTUS 1972
  • publicatiedatum
    B.S.23/09/1972
  • datum laatste wijziging
    19/07/2007

COORDINATIE

K.B. 4-3-1974 - B.S. 21-3-1974

K.B. 3-2-1975 - B.S. 3-6-1975

K.B. 7-3-1978 - B.S. 24-6-1978

K.B. 21-12-1978 - B.S. 16-3-1979

B.Vl.R. 14-7-1982 - B.S. 5-10-1982

B.Vl.R. 13-7-1983 - B.S. 2-8-1983

B.Vl.R. 10-10-1984 - B.S. 12-12-1984

B.Vl.R. 29-10-1986 - B.S. 4-2-1987

B.Vl.R. 24-7-1991 - B.S. 6-9-1991

B.Vl.R. 31-7-1992 - B.S. 30-10-1992

B.Vl.R. 17-12-1992 - B.S. 7-4-1993

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 10-11-1993

B.Vl.R. 15-6-1994 - B.S. 23-9-1994

B.Vl.R. 14-7-1998 - B.S. 11-9-1998

B.Vl.R. 22-9-1998 - B.S. 10-11-1998

B.Vl.R. 17-5-2002 - B.S. 19-6-2002

impliciet opgeheven door Decr. 8-6-2007 - B.S. 19-7-2007

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen en studieleningen, inzonderheid op artikel 4;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Studietoelagen;

Gelet op het advies van Onze Staatssecretaris voor begroting;

Gelet op de wet van 23 december 1846 houdende instelling van een Raad van State, inzonderheid op artikel 2, 2e lid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Minister van Nationale Opvoeding.

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

[§ 1. [[Bij het berekenen van de grondslag om een studietoelage toe te kennen, wordt rekening gehouden met een referentiebedrag

(voetnoot 2)

, gesteund op het in het aanslagbiljet vermelde gezamenlijk belastbaar inkomen, maar verhoogd met de in artikel 104, eerste lid, 3° tot 6°, 8° en 11° van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aftrekken, die overeenkomstig de in de artikelen 105 tot 112 van hetzelfde Wetboek bepaalde grenzen en voorwaarden effectief werden afgetrokken, en met de effectief afzonderlijk belaste inkomsten.

Dit inkomen wordt evenwel verminderd met de in artikel 1451, 2° en 3° van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekeringen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij effectief voor belastingvermindering in aanmerking werden genomen overeenkomstig de in de artikelen 1452, 1454, 1455, 1456, 14517, 14518, 14519 en 14520 van hetzelfde Wetboek bepaalde grenzen en voorwaarden.]]²

§ 2. Het in § 1 berekend referentiebedrag wordt vervolgens in voorkomend geval verhoogd met eenmaal de onroerende inkomsten, [[vooraleer]]¹ te zijn verminderd met de betaalde intresten van schulden aangegaan om die onroerende inkomsten te verkrijgen of te behouden, doch met uitsluiting van het kadastraal inkomen met betrekking tot de eigen woning.

§ 3. Wanneer het in de §§ 1 en 2 bedoelde referentiebedrag vervangingsinkomsten bevatten die ten minste 70 pct. bedragen van dat bedrag, worden deze vervangingsinkomsten verminderd met een bedrag gelijk aan de forfaitaire aftrek voor bedrijfslasten die op fiscaal vlak wordt toegepast op bezoldigingen en baten.]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 31-7-1992; [[ ]]² B.Vl.R.15-6-1994

Art. 2.

[§ 1. [[Heeft recht op een studietoelage, de kandidaat van wie het in artikel 1 bepaalde referentiebedrag van hemzelf en van de personen van wie hij ten laste is, gelijk is aan of lager is dan de hieronder vermelde bedragen :

1° 8.729,84 euro wanneer de kandidaat in zijn eigen onderhoud voorziet;

2° 11.639,77 euro wanneer één persoon ten laste is;

3° 15.277,21 euro wanneer twee personen ten laste zijn;

4° 19.642,14 euro wanneer drie personen ten laste zijn;

5° 24.007,07 euro wanneer vier personen ten laste zijn;

6° 28.371,98 euro, 32.736,94 euro, 37.101,88 euro, 41.466,79 euro, 45.831,72 euro, 50.196,68 euro, 54.561,56 euro, 58.926,52 euro, 63.291,46 euro, 67.656,39 euro, 72.021,30 euro, 76.386,26 euro, 80.751,17 euro, 85.116,10 euro, 89.481,03 euro, 93.845,99 euro voor respectievelijk vijf tot twintig personen ten laste.]] ]

B.Vl.R. 14-7-1998; [[ ]] B.Vl.R.17-5-2002

§ 2. 1° Om het aantal personen ten laste te bepalen wordt rekening gehouden met de [[toestand op 31 december van het betrokken schooljaar]].

2° Voor het bepalen van het aantal personen ten laste wordt de echtgenoot van de kandidaat zelf of de echtgenoot van de persoon van wie hij ten laste is, meegeteld.

3° De overleden echtgenoot van de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe met één of meer kinderen ten laste wordt als persoon ten laste aangerekend.

4° [[De persoon die op 31 december van het betrokken schooljaar fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt tweemaal ten laste aangerekend]].

[[5° Het gezinshoofd dat op 31 december van het betrokken schooljaar fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt eenmaal als persoon ten laste geteld.

6° Een overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 december van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het reeds van het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbaar tijdperk geboren of overleden is.

7° De gezinsleden die hun militaire dienst of een dienst als gewetensbezwaarde hebben aangevangen tijdens het jaar van de aanvraag mogen ten laste worden beschouwd ongeacht de grootte van de bedrijfsinkomsten genoten tijdens dat jaar op voorwaarde dat deze genoten inkomsten geen bedrijfslasten zijn voor het gezinshoofd.]] ]

B.Vl.R. 24-7-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-7-1992

§ 3. [...]

B.Vl.R.14-7-1998

Art. 3.

[1° De kandidaat heeft geen recht op een studietoelage indien het kadastraal inkomen van de persoon van wie hij ten laste is hoger is dan 20% van het referentiebedrag dat volgt uit artikel 1, § 1.

2° Het in 1° bedoelde kadastraal inkomen, na indexering ingevolge artikel 8, § 3, van de wet van 7 december 1988, zoals gewijzigd door artikel 29 van de wet van 28 december 1990 is de som van :

a) het kadastraal inkomen van de woning die in 1° vermelde persoon betrekt, al dan niet als eigenaar, met uitzondering van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die hij voor beroepsdoeleinden aanwendt. Dit kadastraal inkomen wordt evenwel, naargelang het aantal personen ten laste, vastgesteld ingevolge [[artikel 2, § 2]] drie of meer bedraagt vooraf gedeld door de coëfficiënt 1, 1 verhoogd met 0,1 met elke persoon ten laste boven de derde, doch met maximum 1,8;

b) tweemaal het kadastraal inkomen van alle andere onroerende goederen waarvan de in 1° vermelde persoon eigenaar is, met uitzondering van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die hij voor beroepsdoeleinden aanwendt.

3° Om vast te stellen of de in 1° vermelde verhouding tussen kadastraal inkomen en referentiebedrag bedoeld in artikel 1, § 1, wordt overschreden, worden de pensioenen, vervangingsinkomsten en alimentatiegelden vervat in het referentiebedrag dat volgt uit artikel 1, § 1, verdubbeld.

4° De kandidaat of de persoon van wie hij ten laste is, die wordt afgewezen op grond van dit artikel, kan er om verzoeken voor de toepassing van dit artikel voor het referentiebedrag bedoeld in artikel 1, § 1, het referentiebedrag van een aansluitend kalenderjaar in aanmerking te nemen.

5° Dit artikel is niet van toepassing op de kandidaten bedoeld in de artikelen 4 en 5, en op de kandidaten waarvan het in aanmerking te nemen inkomen geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit het bestaansminimum [[of voor minstens 70% bestaat uit alimentatiegelden uit vervangingsinkomsten, of uit tegemoetkomingen die krachtens de desbetreffende wetgeving aan minder-validen of gehandicapten wordt toegekend ten laste van de Schatkist.]] ]

B.Vl.R. 31-7-1992; [[ ]] B.Vl.R.17-12-1992

Art. 4.

1° [ [[ Wanneer de kandidaat beweert alleen in zijn onderhoud te voorzien, mag het in aanmerking te nemen inkomen beperkt worden tot zijn inkomen, op voorwaarde dat hij in de drie jaar die voorafgaat aan de aanvraag tot het verkrijgen van een toelage, of aan de aanvang of de hervatting van de studie, gedurende achttien maanden :

- ofwel een bedrijfsinkomen genoten heeft, waarvan het bedrag niet lager ligt dan 268 913 frank.]]

[[...]]

Onder bedrijfsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de bedrijfsinkomsten, na aftrek van de bedrijfsuitgaven, de bedrijfsverliezen en van de in artikel 145/1, ten tweede en ten derde, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekeringen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij aftrekbaar zijn ingevolge de artikelen 145/4, 145/5, 145/6 en 145/17, 145/18, 145/19 van hetzelfde Wetboek;

- ofwel het bestaansminimum heeft genoten;

- ofwel werkloosheidsuitkering heeft genoten;

- ofwel een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of een ander vervanginsinkomen heeft genoten;

- ofwel de inkomensvervangende tegemoetkoming genoten heeft, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.

Wanneer het inkomen bestaat, deels uit bedrijfsinkomsten, deels uit het bestaansminimum, uit werkloosheidsuitkering, uit een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of uit een tegemoetkoming aan gehandicapten, wordt het bedrag van het bedrijfsinkomen dat aangetoond moet worden, verhoudingsgewijs vastgesteld.

Voor de berekening van de aaneengesloten periode van drie jaar, komt de periode van leger- of burgerdienst niet in aanmerking.

Aan deze voorwaarde moet worden voldaan uiterlijk 31 december van het betrokken schooljaar.

B.Vl.R. 22-7-1993; [[ ]] B.Vl.R.14-7-1998

2° Voor zover niemand in zijn onderhoud voorziet geldt de voorwaarde onder 1° niet :

a) voor de volle wees;

b) voor de kandidaat waarvan de laastoverlevende ouder of beide ouders ontzet zijn uit hun ouderlijke macht;

c) voor de kandidaat die, ingevolge zijn meerderjarig-heid, ophoudt volledig ten laste te zijn van een [openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn], van een [comité voor bijzondere jeugdzorg] of van een jeugdrechtbank;

B.Vl.R.22-7-1993

d) voor de kandidaat die door het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen als politiek vluchteling is erkend;

e) voor de kandidaat die naar aanleiding van de echt-scheiding van zijn ouders, alleen in zijn onderhoud moet voorzien, voor zover de echtscheiding uitgesproken werd binnen de twee volledige kalenderjaren die het jaar van de aanvraag voor een toelage voorafgaan.

Art. 5.

[ [[De echtgenoot mag beschouwd worden als de persoon die de kandidaat ten laste heeft, indien het huwelijk werd aangegaan uiterlijk 31 december van het betrokken schooljaar en op voorwaarde dat deze echtgenoot gedurende een periode van acht maanden :

- ofwel een bedrijfsinkomen genoten heeft, waarvan het bedrag niet lager ligt dan 111 274 frank.]]

[[...]]

Onder bedrijfsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de bedrijfsinkomsten, na aftrek van de bedrijfsuitgaven, de bedrijfsverliezen en van de in artikel 145/1, ten tweede en ten derde, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedragen voor levensverzekeringen en aflossingen van hypothecaire leningen, zoals zij aftrekbaar zijn ingevolge de artikelen 145/4, 145/5, 145/6 en 145/17, 145/18, 145/19 van hetzelfde Wetboek;

- ofwel het bestaansminimum heeft genoten;

- ofwel werkloosheidsuitkering heeft genoten;

- ofwel militievergoeding heeft genoten, ofwel op grond van zijn militieopleiding recht geeft op militievergoeding;

- ofwel een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of een ander vervangingsinkomen heeft genoten;

- ofwel de inkomensvervangende tegemoetkoming genoten heeft, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;

- ofwel een postgraduaat-studiebeurs van een nationaal onderzoeksinstituut heeft genoten, voor zover deze niet als bedrijksinkomen wordt aangezien.

Wanneer dit inkomen bestaat, deels uit bedrijfsinkomsten, deels uit het bestaansminimum, uit werkloosheidsuitkering, uit militievergoeding, uit een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, uit tegemoetkoming aan gehandicapten of uit een postgraduaat-studiebeurs, wordt het bedrag van het bedrijfsinkomen dat aangetoond moet worden, verhoudingsgewijs vastgesteld.

Dit inkomen moet genoten zijn tijdens het huwelijk en uiterlijk 30 september van het kalenderjaar dat volgt op de aanvang van het betrokken schooljaar.]

B.Vl.R. 22-7-1993; [[ ]] B.Vl.R.14-7-1998

Art. 6.

[Het inkomen vermeld in artikel 1 van dit besluit is het inkomen dat blijkt uit de bestaande belastingstoestand van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het school- en academiejaar begint. Onder bestaande belastingstoestand wordt verstaan, die welke blijkt uit de eventuele verbeterde aangifte van de belastingsplichtige of bij ontstentenis van een aangifte, uit de aanslag van ambtswege.]

K.B.7-3-1978

[Wanneer de leerling pas na het hierboven vermelde jaar van inkomen voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 4, 1°, of in artikel 5, wordt het inkomen in aanmerking genomen van het jaar waarin voor het eerst aan deze voorwaarden voldaan wordt.]

B.Vl.R.22-7-1993

Art. 7.

§ 1. [In afwijking van artikel 6 mag er, in het voordeel van de kandidaat, rekening worden gehouden :

1° met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie aanvangt, als dat inkomen van de kandidaat en de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, lager is dan het normaal in aanmerking te nemen inkomen, ten gevolge van :

a) arbeidsongeschiktheid van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, waarvoor een uitkering of vergoeding wordt uitbetaald;

b) geheel of gedeeltelijk verlies of opschorting van de hoofdbetrekking van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

c) brugpensioen van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

d) schorsing van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is van het recht op werkloosheidsuitkering wegens abnormaal aanhoudende of terugkerende werkloosheid;

e) vermindering of stopzetting van de uitbetaling van onderhoudsgeld aan de kandidaat of aan de persoon van wie hij ten laste is of aan de ten laste zijnde kinderen op voorwaarde dat dit het gevolg is van een rechterlijke uitspraak of het overlijden van de onderhoudsplichtige;

f) vereffening van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, als gevolg van faillissement of kennelijk onvermogen.

2° met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin zich de hiernavolgende feiten voordoen, als dat inkomen van de kandidaat en de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, lager is dan het normaal in aanmerking te nemen inkomen, ten gevolge van :

a) rustpensioen van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

b) overlijden van de perso(o)n(en) van wie de kandidaat ten laste is;

c) echtscheiding of scheiding van tafel en bed van de kandidaat of van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is;

d) feitelijke scheiding sinds minstens een jaar van de kandidaat of van de personen van wie hij ten laste is.

De termijn, bedoeld in 2°, d), wordt niet vereist als de vrederechter bij dringende en voorlopige maatregel een aparte woonst heeft bevolen of als er een procedure echtscheiding is ingeleid bij de bevoegde rechtbank.

Met de feiten, bedoeld in 1° en 2°, wordt slechts rekening gehouden als ze zich voordoen tussen 1 januari van het normaal in aanmerking te nemen jaar van inkomen en uiterlijk 31 december van het jaar waarin het schooljaar in kwestie aanvangt.]

B.Vl.R.22-9-1998

[§ 2. Bij gebrek aan een aanslag voor dat jaar wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de kandidaat en van de perso(o)n(en) van wie hij ten laste is, zoals blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.]

B.Vl.R.22-9-1998

§ 3. [Mits het voorleggen van de onder artikel 8, 3° vermelde verklaring, mag voor de kandidaten vermeld in artikel 4, 2° van dit besluit en in afwijking van artikel 6 rekening gehouden worden met hun vermoedelijk inkomen van het kalender-jaar dat volgt op de aanvraag van het betrokken school- of academiejaar.]

K.B.7-3-1978

Art. 8.

1° [Het bedrag van de inkomsten wordt vastgesteld door middel van staten opgesteld door de administratie der directe belastingen.]

K.B.3-2-1975

2° Het definitieve bedrag van een toelage verleend krachtens de bepalingen van artikel 7, wordt vastgesteld rekening houdend met de inlichtingen die worden verstrekt door middel van de staten vermeld onder 1° van dit artikel.

3° [Voor de vaststelling van de toelaatbaarheid tot een toelage en de berekening van het voorlopig bedrag ervan, wat betreft de gevallen bedoeld onder § 2 van artikel 7, dient de kandidaat of, indien hij minderjarig is, zijn wettelijke vertegenwoordiger, een schriftelijke verklaring op erewoord met gewettigde handtekening bij zijn aanvraag te voegen, waaruit blijk dat niemand tijdens de duur van het betrokken school- of academiejaar in het onderhoud van de kandidaat, noch geheel, noch gedeeltelijk voorziet of zal voorzien.]

K.B.3-2-1975

Art. 9.

[ De bedragen vermeld in de artikelen 2, § 1, 4, 1°, eerste lid en 5, eerste lid, worden aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van het indexcijfer bedoeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, voor de maand december (basis 1988) van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het schooljaar in kwestie begint ten opzichte van indexcijfer voor de maand december (basis 1988) van het derde kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het schooljaar in kwestie begint. Deze stijging wordt afgerond naar het hogere tiende.]

K.B.4-3-1974

[Het resultaat van de indexatie wordt afgerond tot op de tweede decimaal.]

B.Vl.R.17-5-2002

Art. 10.

[...]

K.B.7-3-1978

Art. 11.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van het school- en academiejaar 1972-1973.

Art. 12.

Onze Minister van Nationale Opvoeding is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Opgeheven voor zover de bepalingen betrekking hebben op de kandidaten voor een studietoelage voor hoger onderwijs. (B.Vl.R. 13-7-1983)

- (2): Indien voor het vaststellen van het referentiebedrag wordt uitgegaan van de belastingtoestand van een kalenderjaar vóór 1992 wordt het referentiebedrag gesteund op het in het aanslagbiljet vermeld gezamenlijk belastbaar inkomen, doch vooreerst verhoogd met : 1° de in artikel 71, 4° tot 7°, 9° en 10° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde aftrekken; 2° de ingevolge artikel 72 van hetzelfde Wetboek in mindering gebrachte bedragen voor pensioensparen; 3° de ingevolge artikel 13, § 3, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen in mindering van het beroepsinkomen gebrachte bedragen voor aanschaffing van aandelen van de werkgever; 4° de effectief afzonderlijk belaste inkomsten. (B.Vl.R. 15-6-1994, Art. 3)