OPGEHEVEN : Koninklijk besluit tot vaststelling van de procedure voor het indienen van de aanvragen en van de voorwaarden voor het toekennen van de studietoelagen voor secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    23 AUGUSTUS 1972
  • publicatiedatum
    B.S.23/09/1972
  • datum laatste wijziging
    15/10/2004

COORDINATIE

K.B. 14-9-1973 - B.S. 11-10-1973

K.B. 4-3-1974 - B.S. 21-3-1974

K.B. 30-9-1976 - B.S. 24-6-1978

K.B. 21-12-1978 - B.S. 16-3-1979

opgeheven door B.Vl.R. 14-5-2004 - B.S. 15-10-2004.

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen en studieleningen, inzonderheid op de artikelen 1, 5, 8, 10 en 19;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Studietoelagen;

Gelet op het advies van Onze Staatssecretaris voor Begroting;

Gelet op de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State, inzonderheid op artikel 2, 2e lid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Minister van Nationale Opvoeding,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

[De aanvragen voor een studietoelage om de lessen te volgen in een inrichting voor secundair onderwijs, worden door de leerling of door zijn wettelijke vertegenwoordiger gericht aan de gouverneur van de provincie waar de school gelegen is die tijdens het bedoelde schooljaar wordt bezocht.

De aanvragen ten gunste van de leerlingen die in het buitenland onderwijs volgen, dienen aan de gouverneur van Brabant gericht te worden.

Behoudens de gevallen van overmacht waarover de gouverneur advies uitbrengt en waarover Onze Minister van Nationale Opvoeding oordeelt, moeten de aanvragen, in te dienen door middel van formulieren opgesteld door Onze Minister van Nationale Opvoeding, naar de betrokken provinciale dienst verstuurd worden uiterlijk 31 oktober van het betrokken schooljaar; de postentempel geldt als bewijs.]

K.B.21-12-1978

Art. 2.

[De leerling [[...]] heeft recht op een studietoelage indien hij met vrucht het vorige schooljaar beëindigd heeft en, ofwel de lessen volgt van een leerjaar van hoger niveau, ofwel de lessen volgt van een leerjaar van eenzelfde niveau op advies van het hoofd van de onderwijsinrichting die bezocht werd.]

K.B. 14-9-1973; [[ ]] K.B. 4-3-1974

Art. 3.

[...]

K.B.4-3-1974

Art. 4.

[1° Geen studietoelage mag worden verleend dan na het voorleggen van een attest waarbij vermeld wordt, ofwel dat de leerling nog leerplichtig is, ofwel dat hij met vrucht het vorig schooljaar beëindigd heeft, en dat hij de lessen volgt van een leerjaar van hoger niveau, of, mits gemotiveerd advies van het hoofd van de onderwijsinrichting die hij bezocht heeft, van een leerjaar van eenzelfde niveau.

2° Geen studietoelage wordt verleend aan de leerling die meer dan eenmaal een schooljaar niet met vrucht beëindigd heeft.]

K.B.14-9-1973

Art. 5.

De gouverneur van de provincie waar de onderwijsin-richting gelegen is, onderzoekt de aanvragen en zendt alle nuttige gegevens over naar Onze Minister van Nationale Opvoeding, die de toelagen verleent.

Art. 6.

Na afloop van het schooljaar waarvoor de toelage werd verleend, onderzoekt de gouverneur of de leerlingen regelmatig de lessen en alle voorziene oefeningen hebben bijgewoond en of zij op alle eindejaarsexamens hebben aangemeld, herexamen en tweede zittijd inbegrepen.

Art. 7.

De beslissing tot totale of gedeeltelijke terugvordering van een studietoelage wordt getroffen door Onze Minister van Nationale Opvoeding.

Art. 8.

[Dit besluit is van toepassing op de kandidaten waarvan de aanvraag door de Dienst voor Studietoelagen van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur behandeld wordt.]

K.B.30-9-1976