Charter van de onderwijsinspectie (1)

  • referentie
    Charter
  • publicatiedatum
    (15/12/1999)
  • datum laatste wijziging
    23/11/2000

1. Opdracht

De onderwijsinspectie handelt in opdracht van en staat in dienst van de Vlaamse overheid. Haar taken zijn gericht op de kwaliteit van het onderwijs. Richtinggevend hierbij zijn de impliciete en expliciete verwachtingen van de samenleving tegenover het onderwijs. Al haar handelingen kan zij in het licht van deze zending verantwoorden.

2. Kerntaken

De opdrachten van onderwijsinspectie zijn vastgelegd in het decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten van 17 juli 1991 en het decreet betreffende het onderwijs van 5 juli 1989 art. 21 § 1. Deze opdrachten impliceren vier kerntaken, die steeds worden uitgevoerd met eerbiediging van de decretale en reglementaire context.

1° De controletaak : het toezien op de naleving van alle wettelijke en reglementaire voorschriften;

2° de beoordelingstaak : het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs, van de PMS-werking en van de internaten:

3° de stimuleringstaak : het ondersteunen van initiatieven die de kwaliteit van het onderwijs en van de PMS-werking ten goede komen;

4° de informatietaak : het informeren van alle onderwijsbetrokkenen (overheid, onderwijsverstrekkers, ouders, leerlingen/studenten/cursisten, socio-economische omgeving...) via o.m. het jaarlijks verslag aan het Vlaamse Parlement over de kwaliteit van en de noodzakelijke kwaliteitsbevorderende maatregelen voor het onderwijs en de PMS-werking.

3. Dragende waarden

Bij de uitvoering van haar opdrachten laat de onderwijsinspectie zich leiden door volgende waarden en uitgangspunten:

1° de erkenning van een volwaardige socio-culturele ontplooiing van de onderwijsdeelnemers (leerlingen/studenten/cursisten) via onderwijs;

2° de eerbiediging van de vrijheid van onderwijs zoals bepaald in art.24 van de Grondwet;

3° de eerbiediging van de gebruikte pedagogische methodes;

4° het respect voor de autonomie van de school/het PMS-centrum/het internaat;

5° de eerbiediging van het privé-leven en gezinsleven van de personeelsleden en onderwijsdeelnemers;

6° het charter van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

4. Professionaliteit

De onderwijsinspectie streeft maximale professionaliteit na bij het uitvoeren van haar opdrachten. Dit blijkt o.m. uit:

1° het referentiekader dat gehanteerd wordt bij de taakuit-oefening;

2° systematische contacten met het onderwijsveld en - waar zinvol en noodzakelijk - met het bedrijfsleven en de arbeidsmarkt;

3° persoonlijke studie en deelname aan navormings- en bijscholingsinitiatieven;

4° haar organisatie en haar activiteiten.

5. Taakuitoefening

1° De inspectie voert haar taak uit als gemandateerde van de overheid. Zij zal zich prioritair laten leiden door de regels en procedures door de Vlaamse regering en/of door de Minister van onderwijs uitgevaardigd. Binnen deze context treedt zij onafhankelijk op en kiest zij vrij de werkvormen die zij nodig acht om haar opdrachten optimaal uit te voeren.

2° De machtiging tot optreden wordt verstrekt door de bevoegde inspecteur-generaal.

3° De inspectie is ertoe gehouden het beroepsgeheim te bewaren.

4° Bij haar optreden (incl. het rapporteren) houdt de inspectie steeds rekening met:

- de autonomie van de school, o.m. op het vlak van de personeelsevaluatie en inzake het vastleggen en uitvoeren van eigen beleidsprioriteiten;

- de waardigheid van alle onderwijsparticipanten;

- de prioriteiten van het beleid.

5° Wanneer opdrachten in teamverband worden uitgevoerd - inz. bij gelegenheid van schooldoorlichtingen en specifieke onderzoeken - zal ieder lid van het team zich houden aan de regels die noodzakelijk zijn voor een goede teamwerking. Inzake besluitvorming impliceert dit het nastreven van consensus.

6. Waarborgen inzake objectiviteit

De inspectie eerbiedigt bij de uitoefening van haar opdrachten de regels van objectiviteit.

Dit impliceert:

1° de correcte naleving van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, inzonderheid artikel 19 inzake onverenigbaarheden;

2° het weigeren van persoonlijk voordeel;

3° het zich onthouden van gelijk welk initiatief dat de vrijheid van scholen (o.m. wat de keuze van onderwijsleermiddelen) kan beperken of benvloeden;

4° een onafhankelijke houding tegenover (overkoepelende) organisaties van inrichtende machten, vakorganisaties, drukkingsgroepen, ....;

5° het respecteren van de regels die - met het oog op de goede werking - binnen het korps vastgelegd werden.

6° het gelijk behandelen van alle scholen.

7. Eerbiediging van het charter

Dit charter dient door alle inspecteurs geëerbiedigd te worden. Het wordt beschouwd als een aanvullende concretisering van de regels inzake plichten en onverenigbaarheden, zoals bepaald in het decreet van 17 juli 1991, hoofdstuk II, afdeling 2.

Personeelsleden die toegelaten worden tot de proeftijd of die tijdelijk met de uitoefening van een ambt van inspecteur worden belast, worden geacht dit charter te aanvaarden en te eerbiedigen.

Inbreuken op de naleving van dit charter worden gemeld aan de inspectieraad en eventueel aan de bevoegde minister.

De behandeling van klachten betreffende de naleving van dit charter zal geschieden door de inspectieraad. Deze raad kan beroep doen op het advies van de bevoegde inspecteur-coördinator.

get. De inspecteurs-generaal.

(1) Hieronder wordt verstaan zowel de inspectie van de onderwijsniveaus (inspectie Basisonderwijs, Secundair Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Deeltijds Kunstonderwijs) als de CLB-INSPECTIE.