Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    23 JUNI 2000
  • publicatiedatum
    B.S.29/11/2000
  • datum laatste wijziging
    11/06/2015

opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 13-2-2009

COORDINATIE

Decr. 18-1-2002 - B.S. 19-4-2002

Decr. 10-7-2008 - B.S. 3-10-2008

B.Vl.R. 13-2-2009 - B.S. 3-7-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

B.Vl.R. 16-10-2009 - B.S. 13-1-2010

B.Vl.R. 2-3-2012 - B.S. 29-5-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

B.Vl.R. 20-6-2014 - B.S. 13-3-2015

B.Vl.R. 12-12-2014 - B.S. 11-6-2015

B.Vl.R. 6-3-2015 - B.S. 11-6-2015

De Vlaamse regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 6, vervangen bij het decreet van 24 juli 1996, en op artikel 6bis, vervangen bij het decreet van 24 juli 1996 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 1997;

Gelet op de adviezen van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 13 november 1998 en op 15, 18 en 23 februari 2000;

Gelet op de advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 22 maart 2000;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 31 maart 2000, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 4 mei 2000, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

§ 1. [De vakgebonden eindtermen voor het eerste en tweede leerjaar samen van respectievelijk de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs worden vastgesteld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.]¹

§ 2. Vakgebonden eindtermen worden afzonderlijk vastgesteld voor :

1° in de tweede graad algemeen secundair onderwijs : de vakken aardrijkskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels, Frans, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, [al of niet "toegepast"]³, al of niet in een geïntegreerde vorm, Nederlands, wiskunde;

2° in de tweede graad beroepssecundair onderwijs : de vakken lichamelijke opvoeding, Nederlands, [Frans of Engels,]² wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappens en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm, [maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde]4. Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken;

3° in de tweede graad kunstsecundair onderwijs : de vakken aardrijkskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels of Frans, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm, Nederlands, wiskunde;

4° in de tweede graad technisch secundair onderwijs : de vakken aardrijskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels of Frans, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm, Nederlands, wiskunde;

5° in de derde graad algemeen secundair onderwijs : de vakken aardrijkskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels of Duits, Frans, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, Nederlands, wiskunde;

6° in de derde graad beroepssecundair onderwijs : de vakken lichamelijke opvoeding, Nederlands, [Frans of Engels,]²[maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde]4. Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken;

7° in de derde graad kunstsecundair onderwijs : de vakken aardrijkskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels of Frans, Nederlands, wiskunde [, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm]5;

8° in de derde graad technisch secundair onderwijs : de vakken aardrijkskunde, geschiedenis, lichamelijke opvoeding, Engels of Frans, Nederlands, wiskunde [, natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm]5.

§ 3. [...]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 13-2-2009; [ ]² B.Vl.R. 16-10-2010; [ ]³ B.Vl.R. 2-3-2012; [ ]4 Decr. 21-12-2012; [ ]5 B.Vl.R. 6-3-2015

Art. 2.

De eindtermen worden progressief, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de tweede graad, in acht genomen vanaf het schooljaar 2001-2002.

[Art. 2bis.

Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op het beroepssecundair onderwijs met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, met ingang van het schooljaar 2008-2009 ook van toepassing op de algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en van de leertijd. Voor wat de vakoverschrijdende eindtermen evenwel betreft, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing uiterlijk vanaf [[het schooljaar 2010-2011]].]

Decr. 10-7-2008; [[ ]] Decr. 8-5-2009

Art. 3.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE - Eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs

Een aantal ontwikkelingsdoelen en eindtermen wordt vervangen met B.Vl.R. 13-2-2009

Een aantal ontwikkelingsdoelen en eindtermen wordt vervangen met B.Vl.R. 16-10-2009

Een aantal eindtermen wordt vervangen met B.Vl.R. 2-3-2012

Een aantal eindtermen wordt vervangen met B.Vl.R. 20-6-2014

Een aantal eindtermen wordt vervangen met B.Vl.R. 12-12-2014 en B.Vl.R. 6-3-2015

OVERZICHT :

I. Vakoverschrijdende eindtermen tweede graad

A. Leren leren

B. Sociale vaardigheden

C. Opvoeden tot burgerzin

D. Gezondheidseducatie

E. Milieueducatie

F. Muzisch-creatieve vorming

G. Technisch-technologische vorming - ASO

II. Vakgebonden eindtermen tweede graad - ASO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Natuurwetenschappen

F. Nederlands

G. Wiskunde

III. Vakgebonden eindtermen tweede graad - BSO

A. Lichamelijke opvoeding

B. Project algemene vakken

IV. Vakgebonden eindtermen tweede graad - KSO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Natuurwetenschappen

F. Nederlands

G. Wiskunde

V. Vakgebonden eindtermen tweede graad - TSO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Natuurwetenschappen

F. Nederlands

G. Wiskunde

VI. Vakoverschrijdende eindtermen derde graad

A. Leren leren

B. Sociale vaardigheden

C. Opvoeden tot burgerzin

D. Gezondheidseducatie

E. Milieueducatie

F. Muzisch-creatieve vorming

G. Technisch-technologische vorming - ASO

VII. Vakgebonden eindtermen derde graad - ASO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Moderne vreemde talen : Duits

F. Natuurwetenschappen

G. Nederlands

H. Wiskunde

VIII. Vakgebonden eindtermen derde graad - BSO

A. Lichamelijke opvoeding

B. Project algemene vakken

IX. Vakgebonden eindtermen derde graad - KSO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Nederlands

F. Wiskunde

X. Vakgebonden eindtermen derde graad - TSO

A. Aardrijkskunde

B. Geschiedenis

C. Lichamelijke opvoeding

D. Moderne vreemde talen : Engels - Frans

E. Nederlands

F. Wiskunde

I. VAKOVERSCHRIJDENDE EINDTERMEN TWEEDE GRAAD

A. LEREN LEREN

1. Opvattingen over leren

1 De leerlingen kunnen hun leeropvattingen, leermotieven en leerstijl in vraag stellen en zonodig veranderen

2. Informatie verwerven en verwerken Informatieverwerving

2 De leerlingen kunnen diverse informatiebronnen en -kanalen kritisch kiezen en raadplegen met het oog op te bereiken doelen.

Informatieverwerking

De leerlingen kunnen

3 informatie kritisch analyseren en samenvatten.

4 zinvol inoefenen, memoriseren, herhalen en toepassen.

Problemen oplossen

5 De leerlingen kunnen probleemoplossingsstrategieën toepassen en de resultaten evalueren.

3. Regulering van het leerproces

Cognitieve reguleringsvaardigheden

De leerlingen kunnen

6 een realistische werk- en tijdsplanning op korter termijn maken.

7 hun leerproces beoordelen op doelgerichtheid en zonodig aanpassen.

8 uit leerervaringen conclusies trekken voor een nieuwe leertaak.

Affectieve reguleringsvaardigheden

De leerlingen

9 beseffen dat ze de oorzaak van slagen en mislukken vaak subjectief toeschrijven.

10 beseffen dat het affectieve het leerproces beïnvloedt.

4. Keuzebekwaamheid

Zelfconceptverheldering

De leerlingen kunnen

11 hun eigen interesses, capaciteiten en waarden verwoorden.

12 een positief zelfbeeld ontwikkelen op basis van betrouwbare gegevens.

Horizonverruiming

De leerlingen

13 kunnen, rekening houdend met de eigen interesses, capaciteiten en waarden, een zinvol overzicht verwerven over studie- en beroepsmogelijkheden.

14 zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen ten aanzien van studieloopbanen en beroepen.

Keuzestrategieën

15 De leerlingen kennen de verschillende fasen van een keuzeproces en kunnen ze doorlopen.

B. SOCIALE VAARDIGHEDEN

1. Interactief competenter worden

De leerlingen

1 zoeken uit welke relatievormen ze vaak gebruiken en in welke contexten.

2 oefenen zich in relatievormen die ze minder goed beheersen, bijvoorbeeld :

- zich als persoon present stellen en respect en waardering uitdrukken voor anderen;

- zich dienstvaardig opstellen, om hulp vragen en dankbaarheid tonen;

- leiding geven, verantwoordelijkheid nemen en meewerken;

- kritiek uiten en zich verdedigen, neen zeggen;

- discreet en terughoudend zijn;

- ongelijk of onmacht toegeven.

3 uiten hun zelfwaardegevoel en opvattingen.

4 worden zich bewust van en houden rekening met (on)gewenste effecten in een interactie.

2. Communicatieve vlotheid verwerven

De leerlingen

5 herkennen functie en belang van een aantal elementen van goede communicatie en geven aan welke van deze elementen zij al beheersen.

6 oefenen zich in elementen van het communicatieve proces die ze minder goed beheersen, bijvoorbeeld :

- actief luisteren;

- beslissen over een mogelijke eigen reactie;

- zich helder uitdrukken in ik-termen.

7 zijn bereid om de inbreng van de gesprekspartner ernstig te nemen.

3. Zorg dragen voor relaties

De leerlingen

8 kunnen het belang aangeven van volgende kenmerken van relaties : afspraken, regels, rolpatronen, machtsverhoudingen en gelijkwaardigheid.

9 kunnen aangeven dat men binnen een relatie keuzes maakt en dat men een relatie vorm geeft op basis van inzicht in haar kenmerken.

10 oefenen zich in het opbouwen en onderhouden van een relatie door :

- in overleg afspraken te maken en taken te verdelen;

- bewust/bedachtzaam om te gaan met gevoelens;

- verschillen en conflicten binnen een relatie te herkennen en er mee om te gaan;

- zich weerbaar op te stellen en persoonlijke autonomie te behouden;

- het afwegen van het belang van een relatie t.o.v. hun andere relaties;

- om te gaan met vormen van afscheid nemen.

11 accepteren verschillen en hechten belang aan respect en zorgzaamheid binnen een relatie.

4. In groep probleemoplossend samenwerken

De leerlingen

12 passen belangrijke elementen van overleg en gezamenlijke probleemoplossing toe bijvoorbeeld :

- zoeken en aanbrengen van argumenten voor en tegen;

- voortbouwen op andermans inbreng;

- gezamenlijk zoeken naar een probleemoplossingswijze en ze toepassen;

- meewerken aan het proces van besluitvorming;

- de wijze van samenwerking evalueren.

13 zijn bereid om samen te denken, te argumenteren en te discussiëren om met anderen een situatie te verbeteren of een probleem op te lossen.

C. OPVOEDEN TOT BURGERZIN

1. Mensenrechten

De leerlingen

1 kunnen de inhoud van de mensenrechten toelichten aan de hand van voorbeelden uit de mensenrechten-charters, inzonderheid aan de hand van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

2 kunnen in eigen woorden uitleggen dat mensenrechten onderling afhankelijk zijn.

3 kunnen het universeel karakter van mensenrechten aantonen.

4 kunnen voorbeelden geven dat mensenrechten van iedereen voortdurende aandacht en inspanningen vergen en een dynamisch gegeven zijn.

5 herkennen schendingen van mensenrechten.

6 herkennen vooroordelen en discriminerend optreden bij zichzelf, bij anderen en in de media.

7 hebben belangstelling en respect voor mensenrechten en zijn bereid zich actief en opbouwend in te zetten voor hun eigen rechten en die van anderen.

8 hebben kritische belangstelling voor de behandeling van de mensenrechtenthematiek in de media.

2. Actief burgerschap en besluitvorming

De leerlingen

9 kunnen besluitvorming op reële schoolse situaties toepassen.

10 oefenen inspraak en participatie in de school en beargumenteren het belang ervan ook in andere organisatievormen.

11 kunnen meerderheids- en minderheidsstandpunten onderscheiden en benoemen.

12 kunnen rechten en plichten binnen een concrete situatie uitleggen.

13 kunnen verschillende belangen op korte en langere termijn afwegen.

14 spannen zich in om de belangstelling, de standpunten en de argumenten van anderen te respecteren.

15 spannen zich in om voorstellen of argumenten genuanceerd te benaderen.

16 voelen zich aangesproken om binnen en buiten de school verantwoordelijkheid op te nemen en deel te nemen aan allerlei initiatieven.

D. GEZONDHEIDSEDUCATIE

1. Gezonde en actieve leefstijl

De leerlingen

1 verzorgen en gedragen zich hygiënisch.

2 hanteren de richtlijnen voor een gezonde voeding, voor de aankoop en bewaring van voedingsmiddelen en de hygiënische bereiding van maaltijden.

3 passen veiligheidsvoorschriften toe en nemen veiligheidsvoorzorgen in werkplaatsen, labo's en in andere situaties.

4 herkennen een noodsituatie en treden daarbij efficiënt op.

5 schatten de risico's bij gebruik van genotsmiddelen en medicijnen in en reageren assertief in verschillende aanbodsituaties.

6 kunnen omgaan met taakbelasting, examenstress en teleurstellingen.

7 tonen het belang aan van ergonomie en nemen een gevarieerde zithouding aan in leef- en werkomgeving.

2. Relaties en seksualiteit

De leerlingen

8 kunnen omgaan met vriendschap, verliefdheid, seksuele identiteit, seksuele gevoelens.

9 vormen een opinie over relaties en seksualiteit, en reflecteren over eigen gedrag.

10 bespreken de regelgeving over seksuele meerderjarigheid en ongewenst intiem gedrag.

11 bespreken vormen van machtsmisbruik binnen relaties en oefenen zich in fysieke en mentale weerbaarheid.

12 uiten hun wensen en gevoelens binnen een intieme relatie op een constructieve en onbevangen manier, stellen en aanvaarden grenzen.

13 staan kritisch tegenover seks en erotiek in de media.

E. MILIEUEDUCATIE

1. Milieuzorg

De leerlingen

1 kunnen milieu-aspecten op school identificeren en gericht zoeken naar informatie m.b.t. tot omgaan met middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen.

2 zijn bereid tot een duurzaam gebruik van grondstoffen, goederen, energie en vervoermiddelen.

3 kunnen aan een milieuzorgsysteem op school meewerken en zoeken hierbij naar acties die bijdragen tot een duurzame oplossing voor een bepaald milieuprobleem.

4 kunnen contacten leggen met buitenschoolse milieu-instanties bij het werken aan het milieuzorgsysteem en sensibiliseren de school voor milieusparend gedrag.

5 kunnen omgaan met het gegeven dat een duurzame oplossing voor een milieuprobleem afhangt van rationele en niet-rationele factoren en niet altijd beantwoordt aan hun verwachtingen.

2. Natuurzorg

De leerlingen

6 kunnen de specificiteit van en de verscheidenheid binnen een landschappelijk waardevol gebied met een hoge natuurwaarde beschrijven en bespreken.

7 kunnen elementen verzamelen die de kwetsbaarheid van een landschappelijk waardevol gebied met een hoge natuurwaarde aantonen en anderen sensibiliseren voor natuurbehoud of natuurwaardering.

8 voelen de waarde aan van persoonlijke natuurbeleving en het genieten van de natuur en de landschappen.

9 beseffen dat mensen met andere historische, socio-economische of culturele achtergrond de natuur en een landschap anders kunnen ervaren.

10 zijn bereid zich in te zetten om de biodiversiteit en de waarde van een natuurgebied en van een landschap te behouden.

3. Verkeer en mobiliteit

De leerlingen

11 maken veilig gebruik van eigen en openbaar vervoer.

12 kunnen de voor- en nadelen van verschillende vervoerswijzen afwegen.

F. MUZISCH-CREATIEVE VORMING

De leerlingen

1 exploreren muzisch-creatieve uitingen zoals muziek, toneel, literatuur, dans, schilder- en bouwkunst, design, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen enz., als elementen die het cultuurbeeld van een gemeenschap mee bepalen : als statussymbool, als uiting van een persoonlijke esthetische smaak of als functioneel element.

2 ervaren dat muzisch-creatieve uitingen een mondiaal verschijnsel zijn en voorkomen op veel verschillende plaatsen, zoals musea, galerijen, publieke plaatsen (metro, stations...), openbare gebouwen, fabrieken, kantoren, religieuze plaatsen, private huizen, tuinen en parken,...

3 erkennen de mogelijkheden van het gebruik van nieuwe technologieën (zoals ICT) en nieuwe media in en de impact van nieuwe materialen op verschillende muzisch-creatieve uitingen.

4 maken kennis met muzisch-creatieve productieprocessen en de activiteiten die deze processen ondersteunen.

G. TECHNISCH-TECHNOLOGISCHE VORMING - ASO

1. Techniek begrijpen

1 De leerlingen kunnen effecten van techniek op mens en samenleving illustreren en in historisch perspectief plaatsen (zoals comfort, design, milieu, consumentisme ...).

2. "Technisch" begrijpen

De leerlingen kunnen

2 kennis en vaardigheden uit verschillende vakgebieden herkennen in technische realisaties.

3 de eigenheid van het technisch proces (bijvoorbeeld doelbepaling, ontwerpen, uitvoeren, evalueren) herkennen en omschrijven.

3. Attitude

4 De leerlingen ontwikkelen een constructief kritische houding ten aanzien van techniek, technische beroepen en ondernemingen/organisaties.

II. VAKGEBONDEN EINDTERMEN TWEEDE GRAAD - ASO

A. AARDRIJKSKUNDE - ASO (1)

Kennis

De leerlingen kunnen

1 op kaarten aanduiden en benoemen :

- continenten en oceanen;

- de belangrijkste reliëfeenheden en rivieren;

- de belangrijkste staten;

- natuurlijke en menselijke aardrijkskundige entiteiten.

2 bestudeerde regio's en thema's op eenvoudige thematische wereldkaarten situeren.

3 aan de hand van voorbeelden horizontale en verticale ruimtelijke relaties herkennen.

4 de eigenheid van regio's beschrijven aan de hand van natuurlijke en menselijke kenmerken.

5 op een eenvoudige manier enkele fysisch-aardrijkskundige kenmerken van een bestudeerde regio verklaren.

6 aan de hand van regionale voorbeelden redenen opnoemen die de lokalisatie, de spreiding en de eventuele wijzigingen verklaren van :

- landbouwactiviteiten;

- industriële activiteiten;

- tertiaire activiteiten.

7 in verband met een economische activiteit in een regio het bestaan van stromen van goederen of personen illustreren.

8 op basis van demografische kenmerken en hun evoluties enkele demografische situaties in de wereld beschrijven en enkele verklarende factoren aangeven.

9 de verstedelijking en haar evolutie in een regio in relatie brengen met aardrijkskundige factoren.

10 op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen in een gebied verklaren en er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit afleiden.

11 op een eenvoudige manier de impact verklaren van :

- politieke invloedsfactoren op kenmerken van aardrijkskundige entiteiten;

- de technologische evolutie op de kenmerken van de aardrijkskundige entiteiten.

12 verbanden leggen tussen levenswijze, cultuur en leefmilieu.

Vaardigheden

De leerlingen kunnen

13 de lokalisatie van verschijnselen, ruimtelijke gegevens en aardrijkskundig relevante gebeurtenissen uit de actualiteit opzoeken.

14 de herkomst van een aantal producten in diverse informatiebronnen opzoeken en lokaliseren.

15 aan de hand van verschillende informatiebronnen aardrijkskundige informatie over de belangrijkste natuurlijke en menselijke kenmerken van een gebied opzoeken en creatief verwerken.

16 aardrijkskundige entiteiten afbakenen op basis van verschillen en gelijkenissen van enkele natuurlijke of menselijke aardrijkskundige kenmerken.

17 op een eenvoudige manier aardrijkskundige gegevens cartografisch voorstellen.

18 zelfstandig een aangepast en beperkt aardrijkskundig onderzoek uitvoeren met aandacht voor :

- analyse van een aardrijkskundig verschijnsel;

- zoeken en selecteren van relevante informatie;

- een samenhangende presentatie van een aantal bevindingen;

- het formuleren van een eigen standpunt rond mogelijke bevindingen.

Attitudes

De leerlingen

*19 nemen een kritische houding aan t.o.v. aardrijkskundige informatie in de media.

*20 zijn bereid aardrijkskundige informatie te gebruiken bij het plannen van eigen activiteiten.

*21 brengen begrip op voor de wijze van zingeving in eigen en andere leefmilieus en culturen.

*22 houden in hun handelen rekening met duurzame ontwikkeling in tijd en ruimte.

*23 brengen aandacht op voor het fascinerende van de wereld.

B. GESCHIEDENIS - ASO (2)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs en de eerste graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z. doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mundiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijds- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de tweede graad krijgen de algemene historische begrippen reeds een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens -omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de gekozen samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijd en dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling, krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs en de eerste graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.

Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitsdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingen en vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepenen tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs en de eerste graad en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzichten vaardigheden i.v.m. tijd, historische ruimte en socialiteit

2.1.1. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader

De leerlingen

1 tonen de relativiteit aan van het westerse periodiseringsconcept door het te relateren aan andere samenlevingen.

2 geven enkele overeenkomsten en verschillen aan tussen de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderlingen tussen westerse en andere samenlevingen, op basis van kenmerken uit de socialiteitsdimensie.

3 verruimen het aantal historische begrippen en probleemstellingenen preciseren die vanuit hun evolutie in de tijd.

2.1.2. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen (tot ca. 1800)

De leerlingen

4 omschrijven per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving enkele fundamentele kenmerken uit verschillende maatschappelijke domeinen en beoordelen deze als vernieuwend of behoudend.

5 omschrijven fundamentele kenmerken van één niet-westerse samenleving in een bepaalde periode.

6 formuleren per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving een samenhangend beeld, met aandacht voor verbanden tussen en wisselwerkingen binnen maatschappelijke domeinen.

7 duiden de maatschappelijke evoluties in de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving vanuit continuïteit-discontinuïteit, langzame verandering-breuk, evolutie-revolutie.

8 geven aan wanneer onze gewesten en hun culturele ontwikkeling een regio-overschrijdende betekenis hadden.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de samenlevingen tot ca. 1800

De leerlingen

9 geven het verband aan tussen een aantal categorieën van tijd en historische ruimte voor elk van de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving.

10 formuleren verklaringselementen voor éénzelfde fundamentele maatschappelijke probleemstelling voor elk van de ontwikkelingsfasen van het historisch referentiekader.

11 tonen aan dat agrarische samenlevingen een aantal gemeenschappelijke structurele kenmerken vertonen.

12 geven voorbeelden van normconformerend en normafwijkend maatschappelijk gedrag, vanuit toenmalige maatschappelijke waarden.

13 lichten uit de bestudeerde samenlevingen enkele elementen toe die in latere samenlevingen of vandaag invloed uitoefenen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

14 doelgericht informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van duidelijk afgebakende opdrachten met gevarieerd en gedifferentieerd leermateriaal.

15 tekstuele, auditieve, visuele, audiovisuele en multimediale informatie ordenen op basis van de criteria historische bron of historiografisch materiaal, met vermelding van de referentie.

16 op basis van duidelijk afgebakende opdrachten een verantwoorde en doelgerichte selectie maken uit het informatieaanbod. Daartoe kunnen ze een werkplan opmaken en een overzicht opstellen van te raadplegen informatiekanalen.

2.2.2. Bevraging van het historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

17 aan de hand van vragen en op hun niveau geformuleerde opdrachten, de nodige gegevens voor het beantwoorden van een historische probleemstelling halen uit informatiemateriaal zoals tekeningen, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, brieven, reisverslagen, memoires.

18 in historische informatie hoofd- van bijzaken onderscheiden in een duidelijk op hun niveau omschreven probleem.

19 aan de hand van vragen en op hun niveau omschreven opdrachten, informatie interpreteren en mogelijke betekenislagen achterhalen.

20 uit historische informatie een standpunt halen en daaromtrent een vraag formuleren.

2.2.3. Historische redenering

De leerlingen kunnen

21 aan de hand van vragen en op hun niveau geformuleerde opdrachten, historische documenten met elkaar vergelijken, uit die vergelijking de draagwijdte van die informatie bepalen en een besluit formuleren met coherente argumenten hun eigen standpunt tegenover een historisch of actueel maatschappelijk probleem verdedigen.

2.2.4. Historische rapportering

De leerlingen kunnen

23 informatie uit historisch bronnenmateriaal en historiografische documentatie structureren en synthetiseren.

24 het resultaat van een beperkt historisch onderzoek onder vorm van een eigen deelopdracht of van een groepswerk op een heldere manier weergeven in een mondelinge of schriftelijke uiteenzetting, of uitbeeldend of grafisch.

2.3. Attitudes

De leerlingen

*25 hechten waarde aan de bevraging van het heden en het verleden bij de motivering van meningen en standpunten in de confrontatie met historische en actuele spanningsvelden.

*26 brengen waardering op voor het intellectueel-eerlijk omgaan met historische informatie en voor het bespreekbaar stellen van stereotiepen en vooroordelen.

*27 brengen waardering op voor de creatieve kracht waarmee samenlevingen uit het verleden de uitdagingen waarvoor ze stonden hebben aangepakt.

*28 zijn bereid waarden en normen uit heden, verleden en andere culturen vanuit de historische en actuele context te benaderen.

*29 hebben belangstelling voor het historisch en actueel spanningsveld individu-gemeenschap.

*30 brengen waardering op voor de manier waarop individuen en emancipatiebewegingen strijd voer(d)en tegen machtsstructuren en gevestigde orden voor de realisatie van de rechten van de mens.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - ASO (3)

1. Ontwikkeling van de motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen

1 kunnen in welbepaalde bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen omtrent elkaars veiligheid door afspraken en regels na te leven.

2 kunnen het belang van veiligheidsafspraken toelichten.

3 kunnen medeleerlingen in welbepaalde bewegingssituaties helpen en ondersteunen.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen

4 bepalen zelfstandig hoe ze in welbepaalde bewegingssituaties eenvoudige leertaken individueel of in groep aanpakken en oplossen.

5 kunnen bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken in welbepaalde bewegingssituaties.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen

6 kunnen op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria bij zichzelf en anderen aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties

Keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden.

De leerlingen

7 combineren en passen eerder geleerde vaardigheden toe.

8 kunnen geleerde vaardigheden uitvoeren met anderen.

9 zoeken, behouden en herstellen evenwicht in verschillende situaties.

10 hangen, steunen, klimmen, zwaaien en draaien in verschillende situaties.

11 kunnen aangepaste vormen van springen, werpen en lopen in verschillende situaties beheerst uitvoeren.

12 kunnen meegaan en tegenwerken in bewegingen met anderen.

13 kunnen veilig vallen en landen in verschillende situaties.

14 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één doelspel :

- als aanvaller een keuze maken m.b.t. doelen, passen, dribbelen en vrijspelen;

- als verdediger positie kiezen tussen aanvaller en doel.

15 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één terugslagspel :

- het eigen speelveld verdedigen;

- pogen (na samenspel) te scoren.

16 kunnen ritmische of dansante bewegingsvormen uitvoeren gekoppeld aan houdings-, ruimte- en tijdsbesef.

2. Ontwikkelen van een gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen

17 doen binnen verantwoorde en milieuvriendelijke omstandigheden bewegingservaringen op in de natuur.

18 kunnen het belang van het regelmatig leveren van fysieke inspanningen aangeven met het oog op gezondheid.

19 kunnen voor zichzelf wijzigingen in fitheid aangeven.

20 herkennen en reageren gepast op onveilige bewegingssituaties.

*21 passen welbepaalde hygiënische basisregels spontaan toe.

*22 passen welbepaalde basisregels van houdings- en rugscholing spontaan toe.

*23 zetten zich in met het oog op fysieke fitheid.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen

24 zijn in staat op een sociaal aanvaarde wijze verschillende rollen te vervullen in welbepaalde bewegingssituaties.

25 kunnen overleggen, afspraken maken, samenwerken of samenspelen in groepsverband.

*26 ervaren bewegingsvreugde in verschillende bewegingssituaties.

*27 aanvaarden hun eigen mogelijkheden.

*28 kunnen respectvol omgaan met het eigen lichaam en met dat van anderen.

*29 brengen waardering op voor elkaars mogelijkheden en houden rekening met individuele verschillen.

*30 hebben respect voor en kunnen aangepast omgaan met omgeving en materiaal.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - ASO (4)

ENGELS - FRANS

1. Luisteren

1.1. De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren bij :

- niet al te complex geformuleerde en niet al te complex gestructureerde informatieve teksten zoals nieuwsitems, mededelingen, uiteenzettingen;

- niet al te complex geformuleerde en niet al te complex gestructureerde prescriptieve teksten zoals publieke aankondigingen, instructies, reclameboodschappen;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde narratieve teksten zoals een (reis)reportage, een hoorspel;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde argumentatieve teksten zoals een discussie, een betoog.

2 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen bij :

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde, door beeldmateriaal ondersteunde informatieve teksten zoals een nieuwsitem, een documentaire;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde, door beeldmateriaal ondersteunde narratieve teksten zoals een reisverhaal-, een reportage-, een film-, een feuilletonfragment.

3 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen bij eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde artistiek-literaire teksten zoals een kortverhaal, een gedicht, chanson, song, toneel (fragment).

4 de gesprekspartner voldoende begrijpen om deel te nemen aan een niet al te complex rechtstreeks en telefonisch gesprek.

De teksten m.b.t. de eindtermen 1-4 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld, maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven doorgaans redundante informatie en zijn vrij concreet, maar kunnen ook impliciete informatie bevatten;

- worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

5 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak, gebruiken

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

6 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante kennis i.v.m. inhoud oproepen en gebruiken;

- het luisterdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- hypothesen en luisterverwachtingen vormen;

- het luistergedrag afstemmen op het luisterdoel;

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een klankstroom niet alles kunnen begrijpen;

- belangrijke informatie noteren;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

7 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal.

Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met de elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag;

- het taalgebruik van de spreker inschatten (formeel, informeel, vertrouwelijk) in duidelijke situaties;

- vertrouwd zijn met het eigene van de spreektaal (redundantie, onvolledige zinnen, ...).

8 communicatiestrategieën aanwenden.

Dit betekent dat ze :

- kunnen zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- gebruik maken van beeldmateriaal, context, redundantie;

- verzoeken om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets in andere woorden te zeggen;

- vragen om iets te spellen of iets op te schrijven;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of men de ander goed begrepen heeft.

Attitudes

*9 De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de spreker;

- ook buiten de klascontext te luisteren naar Franse/Engelse teksten.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren, de tekststructuur en -samenhang herkennen bij :

- niet al te complex geformuleerde en niet al te complex gestructureerde informatieve teksten zoals schema's, tabellen, mededelingen, folders, formulieren, krantenartikels, informele boodschappen (brieven, e-mail), recensies;

- niet al te complex geformuleerde en niet al te complex gestructureerde prescriptieve teksten zoals instructies, opschriften, waarschuwingen, gebruiksaanwijzingen, reclameboodschappen;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde narratieve teksten zoals reportages, reisverhalen;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde argumentatieve teksten zoals een pamflet, een betoog;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde artistiek-literaire teksten zoals een gedicht, een stripverhaal, een kortverhaal.

11 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenenen de informatie summier beoordelen bij :

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde informatieve teksten zoals krantenartikels, recensies;

- eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde narratieve teksten zoals een reisverhaal, een reportage.

De teksten m.b.t. eindtermen 10 en 11 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven doorgaans redundante informatie en zijn vrij concreet, maar kunnen ook impliciete informatie bevatten.

De leerlingen kunnen

12 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak, gebruiken

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

13 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante kennis in verband met de inhoud oproepen en gebruiken;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- het leesgedrag afstemmen op het leesdoel;

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een tekst niet alle woorden begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden; - op basis van het gelezene anticiperen op het vervolg;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

14 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal.

Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik).

15 communicatiestrategieën aanwenden.

Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- doelmatig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

*16 De leerlingen zijn bereid :

- de nodige leesbereidheid op te brengen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- grondig en onbevooroordeeld te lezen;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de schrijver;

- ook buiten de klascontext Franse/Engelse teksten te lezen;

- te reflecteren op hun eigen leesgedrag.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

17 informatie geven over zichzelf, hun omgeving en hun leefwereld en soortgelijke informatie vragen.

18 een beluisterde en gelezen informatieve tekst en narratieve tekst navertellen.

19 een spontane mening/appreciatie geven over een vertrouwd onderwerp.

20 een situatie beschrijven.

21 een gelezen informatieve tekst en narratieve tekst samenvatten.

22 verslag uitbrengen over een eigen ervaring, een situatie en een gebeurtenis.

23 deelnemen aan een niet al te complex rechtstreeks en telefonisch gesprek.

24 argumenten formuleren over een in de klas behandeld onderwerp.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 17 - 24 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn nog niet al te complex maar wel begrijpelijk geformuleerd, vrij eenvoudig gestructureerd, worden reeds met een zekere vlotheid maar nog vrij langzaam uitgesproken, bevatten reeds een aanzet tot gevarieerde intonatie;

- in een gesprek kan het al gaan om een relatief langere bijdrage.

De leerlingen kunnen

25 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

26 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- informatie verzamelen, ook via elektronische hulpmiddelen;

- het spreekdoel bepalen;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

27 reflecteren over taal en taalgebruik.

Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

28 communicatiestrategieën aanwenden.

Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- het op een andere wijze zeggen;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, verzoeken om langzamer te spreken, zelf iets herhalen, iets aan te wijzen, te verifiëren of ze de andere begrepen hebben.

Attitudes

*29 De leerlingen

- zien in dat goed luisteren een voorwaarde is om tot goed spreken te komen;

- zijn bereid het woord te nemen en deel te nemen aan een gesprek;

- hebben aandacht voor de juiste keuze van woorden, woordvolgorde, intonatie;

- zijn bereid vormcorrectheid na te streven.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

30 voor hen functionele formulieren en vragenlijsten invullen.

31 de inhoud van een gelezen informatieve tekst en narratieve tekst globaal weergeven.

32 een spontane mening/appreciatie verwoorden over een vertrouwd onderwerp.

33 een korte mededeling schrijven.

34 een situatie beschrijven.

35 een gelezen informatieve tekst en narratieve tekst samenvatten.

36 een eenvoudig verslag schrijven over een eigen ervaring, een situatie en een gebeurtenis.

37 een eenvoudige brief en een e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 30-37 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn vrij eenvoudig geformuleerd en vrij overzichtelijk opgebouwd.

De leerlingen kunnen

38 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

39 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- informatie verzamelen, ook via elektronische hulpbronnen;

- een schrijfplan opstellen;

- passende lay-out gebruiken;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- bij een gemeenschappelijke schrijftaak taken verdelen, met elkaar overleggen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

40 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal.

Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen.

41 communicatiestrategieën aanwenden.

Dit betekent dat ze :

- traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van mogelijkheden van ICT;

- het juiste woord vragen of opzoeken;

- gebruik maken van een model of een in de klas behandelde tekst.

Attitudes

*42 De leerlingen zijn bereid :

- geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en om van vroegere fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken.

E. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF CHEMIE EN/OF BIOLOGIE, AL OF NIET TOEGEPAST, AL OF NIET IN EEN GEINTEGREERDE VORM - ASO (5)

I. Gemeenschappelijke eindtermen voor wetenschappen

Gemeenschappelijke eindtermen gelden voor het geheel van de wetenschappen en worden op een voor de tweede graad aangepast beheersingsniveau aangeboden.

1. Onderzoekend leren/leren onderzoeken

Met betrekking tot een concreet wetenschappelijk of toegepast wetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen kunnen de leerlingen

1 relevante parameters of gegevens aangeven, hierover informatie opzoeken en deze oordeelkundig aanwenden.

2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven hoe deze kan worden onderzocht.

3 voorwaarden en omstandigheden die een hypothese (bewering, verwachting) weerleggen of ondersteunen, herkennen of aangeven.

4 ideeën en informatie verzamelen om een hypothese (bewering, verwachting) te testen en te illustreren.

5 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden, inschatten.

6 aangeven welke factoren een rol kunnen spelen en hoe ze kunnen worden onderzocht.

7 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de verwachte, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden.

8 resultaten van experimenten en waarnemingen verantwoord en bij wijze van hypothese, veralgemenen.

9 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden.

10 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen.

11 waarnemings- en andere gegevens mondeling en schriftelijk verwoorden en weergeven in tabellen, grafieken, schema's of formules.

12 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er een verslag over uitbrengen.

2. Wetenschap en samenleving

De leerlingen kunnen met betrekking tot vakinhouden van de vakspecifieke eindtermen

13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen.

14 met een voorbeeld verduidelijken hoe de genese en de acceptatie van nieuwe begrippen en theorieën verlopen.

15 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren.

16 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen.

17 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren.

18 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen.

19 met een voorbeeld de wisselwerking tussen natuurwetenschappelijke en filosofische opvattingen over de werkelijkheid illustreren.

20 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn.

21 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren.

3. Attitudes

De leerlingen

*22 zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden.

*23 houden rekening met de mening van anderen.

*24 zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen.

*25 zijn bereid om samen te werken.

*26 onderscheiden feiten van meningen of vermoedens.

*27 beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief.

*28 trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden.

*29 hebben aandacht voor het correct en nauwkeurig gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data.

*30 zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment.

*31 houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten.

II. Vakgebonden eindtermen

Biologie

1. Algemene eindtermen

Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan een welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

De leerlingen kunnen

B1 voorwaarden aangeven voor een gezonde levenswijze.

B2 aantonen dat verantwoord handelen van individu en maatschappij noodzakelijk zijn voor het milieu.

B3 een kritisch oordeel formuleren over de wisselwerking tussen maatschappelijke ontwikkelingen en het milieu.

B4 macroscopische en microscopische observaties en metingen uitvoeren in het kader van experimenteel biologisch onderzoek.

B5 biologische samenhangen in schema's en andere ordeningsmiddelen weergeven.

B6 informatie op gedrukte en elektronische dragers raadplegen en verwerken.

B7 studie- en beroepsmogelijkheden in verband met biologie opnoemen en er enkele algemene kenmerken van aangeven.

*B8 De leerlingen hebben aandacht voor de eigen gezondheid en die van anderen.

2. Vakinhoudelijke eindtermen

De vakinhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van biologie als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

2.1. Morfologie-fysiologie

Perceptie en prikkelbaarheid, reacties op prikkels; coördinatie en regularisatie van levensprocessen via hormonen en zenuwstelsel.

De leerlingen kunnen

B9 met een voorbeeld illustreren dat het zenuwstelsel en hormonaal stelsel samen instaan voor de coördinatie van reacties op prikkels.

B10 met voorbeelden verduidelijken dat spierbewegingen en kliersecreties reacties zijn op prikkels.

B11 de gevolgde weg van een zenuwimpuls via de hersenen en via een reflexboog beschrijven.

B12 de relatie leggen tussen de soorten prikkels en de zintuigen.

B13 de bouw en werking van het oog of het oor bespreken.

B14 bouw en functies van het zenuwstelsel toelichten.

B15 hormonale klieren situeren en de functie van hun hormonen beschrijven.

B16 voorbeelden van zintuiglijke, neurale en hormonale stoornissen toelichten en illustreren hoe ze eventueel kunnen worden vermeden.

Gedrag

B17 De leerlingen kunnen met voorbeelden verschillen tussen aangeboren en aangeleerd gedrag illustreren.

2.2. Ecologie

Interacties tussen organismen en tussen organismen en hun omgeving

De leerlingen kunnen

B18 op het terrein organismen gericht waarnemen, hun habitat beschrijven, eenvoudige voedselketens en een voedselweb opstellen.

B19 bij waargenomen organismen overeenkomsten en verschillen beschrijven en deze organismen in een eenvoudige classificatie plaatsen.

B20 voorbeelden geven van interacties tussen organismen en hun omgeving en van interacties tussen organismen onderling.

Ecosystemen

De leerlingen kunnen

B21 het begrip ecosysteem op wetenschappelijk verantwoorde wijze omschrijven en met voorbeelden illustreren.

B22 met voorbeelden illustreren dat micro-organismen uiteenlopende functies vervullen in de natuur.

Energiedoorstroming en materiekringloop

De leerlingen kunnen

B23 een materiekringloop en de energiedoorstroming in een ecosysteem beschrijven.

B24 de rol van producenten, consumenten en reducenten in een ecosysteem uitleggen.

Mens en milieu

De leerlingen kunnen

B25 aan de hand van voorbeelden de wisselwerking tussen mens en milieu aantonen en verklaren.

B26 het belang van "duurzame ontwikkeling" aantonen.

B27 met voorbeelden uitleggen dat bacteriën en virussen de menselijke gezondheid beïnvloeden.

III. Vakgebonden eindtermen

Chemie

1. Algemene eindtermen

Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan een welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

De leerlingen kunnen

C1 met eenvoudig materiaal volgende technieken veilig uitvoeren :

- filtratie, extractie, chromatografie;

- de pH van een oplossing bepalen;

- eenvoudige chemische reacties uitvoeren.

C2 chemische informatie in gedrukte bronnen en langs elektronische weg opzoeken en gebruiken.

C3 veilig en verantwoord omgaan met stoffen, gevarensymbolen interpreteren en R- en S-zinnen opzoeken.

C4 studie- en beroepsmogelijkheden in verband met chemie opnoemen en er enkele algemene kenmerken van aangeven.

2. Vakinhoudelijke eindtermen

De vakinhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van chemie als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

2.1. Eigenschappen en classificatie van stoffen

Zuivere stoffen

De leerlingen kunnen

C5 mengsels en zuivere stoffen onderscheiden aan de hand van gegeven of waargenomen fysische eigenschappen.

C6 uitleggen dat de oorsprong van een zuivere stof, natuurlijk ontstaan of synthetisch bereid, geen invloed heeft op haar eigenschappen.

Enkelvoudige en samengestelde stoffen

De leerlingen kunnen

C7 metalen, niet-metalen en edelgassen aanwijzen in het periodiek systeem van de chemische elementen en enkele specifieke kenmerken van de overeenstemmende enkelvoudige stoffen beschrijven.

C8 aan de hand van een chemische formule een representatieve stof classificeren en benoemen als :

- enkelvoudige of samengestelde stof;

- metaal of niet-metaal;

- oxide, hydroxide, zuur of zout;

- anorganische of organische stof;

- elektrolyt of niet-elektrolyt.

2.2. Corpusculaire structuren

Atomen volgens Rutherford-Bohr

De leerlingen kunnen

C9 de samenstelling van een atoom afleiden uit nucleonental en atoomnummer en, voor atomen met Z £ 18, hun elektronenconfiguratie en hun plaats in het periodiek systeem van de elementen geven.

C10 voor alle atomen uit de hoofdgroepen het aantal elektronen op de buitenste hoofdschil afleiden uit hun plaats in het periodiek systeem.

Moleculen en ionen

De leerlingen kunnen

C11 met een voorbeeld uitleggen hoe een ionbinding, een atoombinding en een metaalbinding tot stand komen en het verband leggen tussen bindingstype en elektrisch geleidingsvermogen van een zuivere stof.

C12 aan de hand van de chemische formule een representatieve stof of stofdeeltje classificeren als respectievelijk :

- opgebouwd uit atomen, moleculen, mono- en/of polyatomische ionen;

- atoom, molecule of ion. Molecuulstructuren en kristalroosters

C13 De leerlingen kunnen van representatieve stoffen driedimensionale modellen van moleculen en van atoom-, molecuul- en ionroosters in verband brengen met chemische formule, bindingsaard en fysische eigenschappen.

Basisregels van nomenclatuur

C14 De leerlingen kunnen in eenvoudige gevallen, aan de hand van een chemische formule, de overeenstemmende stof of het overeenstemmende stofdeeltje benoemen en omgekeerd.

Elektrische ladingsverdeling in moleculen

C 15 De leerlingen kunnen voor een watermolecule het verband uitleggen tussen de polariteit enerzijds en anderzijds de ruimtelijke structuur en het verschil in elektronegatieve waarde van de samenstellende atomen.

2.3. Interactie tussen deeltjes

Corpusculaire beschrijving van het oplosproces

De leerlingen kunnen

C16 het oplossen van stoffen in water beschrijven in termen van corpusculaire interacties.

C17 de concentratie van een stof in mol per liter berekenen uit de massa opgeloste stof en het volume van de oplossing.

Corpusculaire voorstelling van een chemische reactie

C18 De leerlingen kunnen eenvoudige reacties corpusculair voorstellen, symbolisch weergeven en interpreteren.

Soorten chemische reacties Ionenuitwisselingsreacties

C19 De leerlingen kunnen aan de hand van gegeven reactievergelijkingen de drie soorten ionenuitwisselingsreacties onderscheiden (neerslag-, gasontwikkelings- en zuur-base-reacties) en de essentiële voorstelling van eenvoudige reacties geven.

Oxidatie-reductie-reacties

C20 De leerlingen kunnen in verbrandingsreacties, in synthesereacties met enkelvoudige stoffen en in ontledingsreacties van binaire stoffen oxidatie en reductie aanduiden aan de hand van elektronenuitwisseling.

Wetten van chemische reacties

De leerlingen kunnen

C21 de wet van behoud van massa en de wet van behoud van atomen (aard en aantal) toepassen op chemische processen.

C22 op basis van een gegeven formule uit een gegeven massa de stofhoeveelheid in mol berekenen en omgekeerd.

2.4. Dynamiek van chemische processen

Energetische aspecten van een chemische reactie

C23 De leerlingen kunnen de begrippen endo- en exo-energetisch illustreren met voorbeelden van chemische processen waarbij verschillende vormen van energie betrokken zijn.

2.5. Kwalitatieve en kwantitatieve analyse

Herkennen van stoffen

C24 De leerlingen kunnen van volgende stoffen ten minste ofwel één toepassing ofwel één zintuiglijk ofwel één fysicochemisch kenmerk aangeven :

- diwaterstof, dizuurstof, trizuurstof, dichloor, dijood, diamant, grafiet, octazwavel;

- natrium;

- ijzer, lood, kwik, koper, aluminium, zink, magnesium;

- goud, zilver;

- natriumchloride, natriumwaterstofcarbonaat;

- calciumcarbonaat;

- waterstofchloride, (di)waterstofsulfaat;

- ammoniak, natriumhydroxide, calcium(di)hydroxide.

Scheiding van mengsels

C25 De leerlingen kunnen op basis van aggregatietoestand of informatie over deeltjesgrootte van de componenten soorten mengsels (homogeen, heterogeen, oplossing, emulsie, suspensie) herkennen en geschikte methoden suggereren om zuivere stoffen uit mengsels te isoleren.

pH-bepaling

C26 De leerlingen kunnen methoden aangeven om de pH van een oplossing vast te stellen en op basis van deze pH-waarde de oplossing karakteriseren als zuur, neutraal of basisch.

IV. Eindtermen Fysica

Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan één welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

1. Vakgebonden eindtermen

1.1. Algemene eindtermen Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan één welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

De leerlingen kunnen

F1 - voor alle grootheden :

- deze grootheid benoemen;

- de eenheid aangeven.

- voor de grootheden gemerkt in de rechterkolom :

- deze grootheid definiëren in woorden en met behulp van de formule

- de eenheid aangeven;

- het verband leggen tussen deze eenheid en de basiseenheden;

- uit het SI-eenhedenstelsel;

- de formule toepassen.

Grootheid Symbool Eenheid Formule Massa m kg Lengte l m Breedte b Hoogte, diepte h Dikte d, d Straal r Middellijn d Positie, plaats x, s Tijd t s Temperatuur T,(q) K Oppervlakte A m2 Volume V m3 Dichtheid P kg/m3 P=m/V * Verplaatsing Dx, Ds, Dl m Snelheid v m/s v=Dx/Dt=Ds/Dt * Kracht F N Krachtconstante k N/m Arbeid W J W=FxDx=FsDs * Energie E J - Potentiële gravitatie-energie Epot =mgh * - Kinetische energie Ekin =mv2 /2 * Vermogen P W P=W/Dt * Rendement n n=Enut /Etotaal * Druk p Pa p=F/A * Warmtehoeveelheid Q J Warmtecapaciteit C J/K C=Q/Dt * Soortelijke warmtecapaciteit c J/kg K c=Q/mDt

* F2 volgende wetten in formule vorm toepassen :

- hydrostatische druk p= pgh;

- ideale gaswet pV/T = constante;

- wet van Hooke F = kDl.

F3 de grootteorde van fysische grootheden aangeven.

F4 de gepaste apparatuur gebruiken om lengte, tijd, massa, kracht, druk en temperatuur te meten.

F5 de meest gebruikte metrische voorvoegsels gebruiken.

F6 fysische informatie in gedrukte bronnen en langs elektronische weg opzoeken en verwerken.

F7 studie- en beroepsmogelijkheden i.v.m. fysica opnoemen en er enkele algemene kenmerken van aangeven.

1.2. Vakinhoudelijke eindtermen

De inhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van fysica als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

1.2.1. Kracht en beweging

De leerlingen kunnen

F8 een kracht als oorzaak van vervorming en als oorzaak van de verandering van de bewegingstoestand van een voorwerp in een concrete situatie herkennen.

F9 een vervorming of een verandering van bewegingstoestand toeschrijven aan de inwerking van een kracht.

F10 het belang van het vectorieel karakter van een kracht toelichten.

F11 krachten volgens dezelfde richting samenstellen.

F12 de vervorming van een volkomen elastisch systeem uitdrukken in termen van de uitgeoefende kracht, dit verband grafisch voorstellen en met een voorbeeld illustreren.

F13 voorbeelden van verschillende soorten krachten en toepassingen ervan noemen.

F14 het begrip druk afleiden uit kracht en oppervlakte en de grootte ervan berekenen.

F15 voor een eenparige rechtlijnige beweging de snelheid berekenen en deze beweging grafisch voorstellen.

F16 voor een rechtlijnige beweging de verandering van snelheid omschrijven.

1.2.2. Arbeid, energie en vermogen

De leerlingen kunnen

F17 de begrippen arbeid, energie en vermogen correct gebruiken en in concrete situaties omschrijven.

F18 de arbeid berekenen bij een constante kracht die evenwijdig is met de verplaatsing.

F19 de gravitatie-potentiële energie bij het aardoppervlak, elastische potentiële energie en de kinetische energie van een voorwerp berekenen.

F20 mechanische energie en andere vormen van energie herkennen en aangeven in concrete situaties.

F21 in concrete situaties omzettingen van energie beschrijven en het rendement berekenen.

F22 de wet van behoud van energie algemeen formuleren en illustreren met concrete voorbeelden.

1.2.3. Warmte

De leerlingen kunnen

F23 met het deeltjesmodel van de materie het begrip inwendige energie uitleggen en de gevolgen beschrijven als er warmteuitwisseling optreedt.

F24 de begrippen warmtecapaciteit en soortelijke warmtecapaciteit kwalitatief gebruiken.

1.2.4. Opbouw van de materie : kinetisch model van de materie

De leerlingen kunnen

F25 het deeltjesmodel van de materie beschrijven en met behulp van dit model aggregatietoestanden en fasenovergangen en druk van een gas verklaren.

F26 dichtheid van een stof berekenen en beschrijven hoe de dichtheid experimenteel kan worden bepaald.

F27 de druk in een vloeistof verklaren en de grootte ervan berekenen.

F28 de kinetische opvatting voor een gas van het begrip temperatuur beschrijven en in verband brengen met het absolute nulpunt.

F29 het verband tussen de toestandsfactoren druk, volume en temperatuur van een bepaalde hoeveelheid gas aangeven en grafisch het verband tussen twee toestandsfactoren weergeven.

F. NEDERLANDS - ASO (6)

1. Luisteren (koppeling Spreken/gesprekken voeren)

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen, probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten.

2 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor bekende volwassenen. Het betreft tekstsoorten zoals verslagen van feiten en evenementen; presentaties van informatie die m.b.t. een bepaalde opdracht werd verzameld; presentaties van persoonlijke ervaringen en interesses.

3 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; informatieve programma's, interviews, praatprogramma's, journaals, aangeboden via diverse media en multimediale informatiedragers.

4 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals activerende boodschappen; standpunten, meningen in probleemoplossende discussies.

5 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de luistertaken :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- bijkomende informatie vragen;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen;

- het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

6 De leerlingen kunnen een luisterstrategie kiezen naar gelang van luisterdoel(en) en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

*7 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren op hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/gesprekken voeren (koppeling Luisteren)

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan onbekende leeftijdgenoten instructies geven voor een spel en het hanteren van apparatuur.

9 De leerlingen kunnen op structurerend niveau :

- aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in schoolvakken;

- ten aanzien van een bekende volwassene :

- de informatie presenteren die ze in het kader van een bepaalde opdracht hebben verzameld;

- gevoelens uitdrukken, persoonlijke ervaringen en interesses presenteren.

10 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek :

- routes, situaties, personen beschrijven;

- gebeurtenissen verslaan.

11 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau voor bekende leeftijdgenoten hun standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren.

12 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren in het kader van het schools functioneren en van de vrije tijd (rechtstreeks of telefonisch);

- activerende boodschappen formuleren.

13 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken :

- hun spreek-en gespreksdoel(en) bepalen;

- hun publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- naar gelang van hun spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag observeren en verwoorden;

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

*14 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- Algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

15 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals tijdschriftartikelen; recensies; gebruiksaanwijzingen; instructie- en studieteksten.

16 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals schema's en tabellen; onderschriften bij informerende en diverterende programma's; verslagen; hyperteksten.

17 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals notities; informatieve teksten, inclusief informatiebronnen; zakelijke brieven; reclameteksten en advertenties; fictionele teksten (cf. literatuur).

18 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek : informatieve teksten en informatiebronnen, zowel in gedrukte als elektronische vorm :

- van praktische aard (zoals spoorboekje, vakantieregeling);

- van encyclopedische aard (zoals woordenboek, catalogus).

19 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de leestaken :

- hun leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) aanduiden;

- de structuur van een tekst in grote lijnen aanduiden;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen.

20 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van leesdoel en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

21 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

*22 De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen;

- lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren.

4. Schrijven

23 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; affiches; uitnodigingen.

24 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een bekende volwassene. Het betreft tekstsoorten zoals agenda en planning; verslagen; notities tijdens een les; samenvattingen en schema's van studieteksten.

25 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals sollicitatiebrieven voor vakantiejobs; vragen om inlichtingen; relevante formulieren; zakelijke brieven.

26 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals lezersbrieven; recensies.

27 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de schrijftaken :

- hun schrijfdoel(en) bepalen;

- het publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren;

- inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- gebruik maken van informatie- en communicatietechnologie.

28 De leerlingen kunnen een schrijfstrategie kiezen naar gelang van schrijfdoel en tekstsoorten ze toepassen.

*29 De leerlingen zijn binnen de gepaste situaties bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren op hun eigen schrijfproces en op inhoud en vorm van hun schrijfproduct;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

30 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende en tekstbestuderende manier van lezen :

- verschillen aanwijzen in de benadering van de werkelijkheid in :

- fictionele en zakelijke teksten;

- verhaal, gedicht, toneeltekst;

- twee stromingen. - de kenmerken herkennen van :

- column, kortverhaal, (jeugd)roman, jeugdpoëzie;

- strip, jeugdtheater, tv-drama, soap.

- verhaalelementen herkennen en benoemen :

personages, spanning, thema, tijd, ruimte, ik- en hijverteller;

- de keuze van sommige verhaalelementen toelichten : personages, tijd, ruimte.

31 De leerlingen kunnen :

- hun tekstkeuze toelichten;

- hun leeservaring verwoorden (inhoud van het werk weergeven, eigen mening weergeven);

- hun tekstkeuze en leeservaring documenteren.

32 De leerlingen kunnen informatie over literatuur verzamelen en gebruiken. Zij maken hierbij kennis met het aanbod van informatiekanalen zoals : bibliotheek, krant, tijdschrift, radio- en tv-programma's, multimedia.

33 De leerlingen kunnen bij deze activiteiten gebruik maken van de gepaste leesstrategieën (cf. eindterm 20).

34 De leerlingen kunnen bij deze activiteiten gebruik maken van het bijbehorende begrippenapparaat.

*35 De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen literaire leeservaring te spreken en te schrijven.

6. Taalbeschouwing

36 De leerlingen kunnen volgende verschijnselen in het taalgebruik herkennen, benoemen en het voorkomen ervan bespreken :

- verbanden tussen informatiedelen (tekstopbouw) :

- alinea en zin/uiting;

- inleiding-midden-slot;

- middel-doel;

- oorzaak-gevolg;

- voorwaarde-realisatie;

- opsomming en classificatie.

- betekenis van informatie (tekstopbouw) :

- feiten en meningen;

- voor- en nadelen;

- pro's en contra's;

- overeenkomsten en verschillen.

- interactionele aspecten van de communicatie :

- taalregister;

- taalvariatie :

conventie en afwijking;

- modaliteit;

- gevoelswaarde;

- figuurlijk taalgebruik.

- woordleer :

- afleiding;

- samenstelling;

- leenwoord;

- zinsleer :

- directe en indirecte rede;

- actieve en passieve zinnen;

- enkelvoudige en samengestelde zinnen.

37 De leerlingen kunnen van de volgende verschijnselen het (taal)systeem beschrijven :

- woordleer : afleiding, samenstelling, leenwoord, bastaardwoord;

- zinsleer : directe en indirecte rede, actieve en passieve zinnen, samengestelde zinnen.

38 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis te geven. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

39 De leerlingen kunnen tijdens hun taalbeschouwingsactiviteiten de concepten identificeren en de bijbehorende termen gebruiken.

40 De leerlingen kunnen hun eigen taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

*41 De leerlingen zijn bereid om over hun eigen taalgebruik en het taalsysteem na te denken.

G. WISKUNDE - ASO (7)

1. Algemene eindtermen

De leerlingen

1 begrijpen en gebruiken wiskundetaal.

2 passen probleemoplossende vaardigheden toe.

3 verantwoorden de gemaakte keuzes voor representatie- en oplossingstechnieken.

4 controleren de resultaten op hun betrouwbaarheid.

5 gebruiken informatie- en communicatietechnologie om wiskundige informatie te verwerken, berekeningen uit te voeren of wiskundige problemen te onderzoeken.

6 gebruiken kennis, inzicht en vaardigheden die ze verwerven in wiskunde bij het verkennen, vertolken en verklaren van problemen uit de realiteit.

7 kunnen voorbeelden geven van reële problemen die m.b.v. wiskunde kunnen worden opgelost.

8 kunnen voorbeelden geven van de rol van de wiskunde in de kunst.

De leerlingen

9 * ervaren het belang en de noodzaak van bewijsvoering, eigen aan de wiskunde.

10 * ervaren dat gegevens uit een probleemstelling toegankelijker worden door ze doelmatig weer te geven in een geschikte wiskundige representatie of model.

11 * ontwikkelen zelfregulatie :

het oriënteren op de probleemstelling, het plannen, het uitvoeren en het bewaken van het oplossingsproces.

12 * ontwikkelen zelfvertrouwen door succeservaring bij het oplossen van wiskundige problemen.

13 * ontwikkelen bij het aanpakken van problemen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen.

14 * werken samen met anderen om de eigen mogelijkheden te vergroten.

2. Getallenleer en algebra

De leerlingen

15 zien reële getallen als eindige of oneindig doorlopende decimale getallen en stellen reële getallen voor op een getallenas.

16 gebruiken rekenregels voor machten met gehele exponenten en voor vierkantswortels bij berekeningen.

17 schrijven bij praktische formules één variabele in functie van de andere.

18 kunnen tweedegraadsveeltermen ontbinden in factoren van de eerste graad.

19 kunnen vergelijkingen van de eerste en de tweede graad in één onbekende oplossen.

20 kunnen ongelijkheden van de eerste en de tweede graad in één onbekende oplossen.

21 lossen problemen op die kunnen vertaald worden naar :

- een vergelijking van de eerste en de tweede graad in één onbekende;

- een ongelijkheid van de eerste en de tweede graad in één onbekende.

3. Reële functies

De leerlingen

22 geven, in betekenisvolle situaties die kunnen beschreven worden met een functie, de samenhang aan tussen verschillende voorstellingswijzen, m.n. verwoording, tabel, grafiek en voorschrift.

23 berekenen, uitgaande van het voorschrift van de standaardfuncties f(x)=x, f(x)=x² , f(x)=x³ , f(x)=1/x, f(x)=Öx, de coördinaten van een aantal punten van de grafiek en schetsen vervolgens de grafiek.

24 bouwen vanuit de grafiek van de standaardfuncties f(x)=x en f(x)=x² de grafiek van de functies f(x) + k, f(x+k), kf(x) op.

25 leiden domein, bereik, nulwaarden, tekenverandering, stijgen, en dalen, extrema, symmetrie af uit de bekomen grafieken, vermeld in eindtermen 23 en 24.

26 bepalen het voorschrift van een eerstegraadsfunctie die gegeven is door een grafiek of tabel.

27 leggen het verband tussen de oplossing(en) van vergelijkingen en ongelijkheden van de eerste en tweede graad in één onbekende en een bijpassende grafische voorstelling.

28 kunnen stelsels van twee vergelijkingen van de eerste graad met twee onbekenden algebraïsch oplossen en de oplossing grafisch interpreteren.

29 kunnen problemen oplossen die te vertalen zijn naar stelsels van twee vergelijkingen van de eerste graad met twee onbekenden.

30 kunnen bij rechten en/of parabolen, gegeven door vergelijkingen, gemeenschappelijke punten bepalen hetzij algebraïsch, hetzij met behulp van ICT.

31 lossen problemen op die kunnen beschreven worden met eerste- en tweedegraadsfuncties.

32 interpreteren differentiequotiënt als richtingscoëfficiënt van een rechte en als maat voor gemiddelde verandering over een interval.

33 kunnen in toepassingen a en b interpreteren bij gebruik van de eerstegraadsfunctie y=ax + b 4.

Meetkunde

De leerlingen

34 verklaren gelijkvormigheid van figuren met behulp van schaal en congruentie.

35 gebruiken de gelijkvormigheid van driehoeken en de stelling van Thales om de lengte van lijnstukken te berekenen.

36 gebruiken de stelling van Pythagoras bij berekeningen, constructies en in bewijzen.

37 gebruiken de begrippen straal, koorde, raaklijn, middelpuntshoek en omtrekshoek bij berekeningen, constructies en bewijzen.

38 definiëren de goniometrische getallen sinus, cosinus en tangens van een hoek als de verhoudingen van zijden van een rechthoekige driehoek.

39 kunnen problemen met zijden en hoeken van driehoeken uit de technische wereld oplossen door een efficiënte keuze te maken uit :

- de stelling van Thales,

- de stelling van Pythagoras,

- goniometrische getallen.

40 berekenen in het vlak de afstand tussen twee punten gegeven door hun coördinaten in een cartesisch assenstelsel.

41 lossen eenvoudige problemen i.v.m. ruimtelijke situaties op door gebruik te maken van eigenschappen van vlakke figuren.

42 kunnen met voorbeelden illustreren dat informatie verloren kan gaan bij het tweedimensionaal afbeelden van driedimensionale situaties.

43 kunnen de inhoud van sommige ruimtelijke objecten benaderend berekenen door ze op te splitsen in of aan te vullen tot gekende lichamen.

44 kunnen effecten van schaalverandering op inhoud en oppervlakte berekenen.

45 gebruiken de begrippen evenwijdig, loodrecht, snijdend en kruisend om de onderlinge ligging aan te geven van rechten en vlakken in ruimtelijke situaties.

5. Statistiek

De leerlingen

46 leggen aan de hand van voorbeelden het belang uit van de representativiteit van een steekproef voor het formuleren van statistische besluiten over de populatie.

47 * staan kritisch tegenover het gebruik van statistiek in de media.

48 verwoorden, berekenen en interpreteren frequentie en relatieve frequentie zowel bij individuele als bij gegroepeerde gegevens, in concrete situaties.

49 gebruiken de begrippen gemiddelde, modus, mediaan, standaardafwijking om statistische gegevens over een concrete situatie te interpreteren.

50 gebruiken en interpreteren diverse grafische voorstellingen van statistische gegevens zowel bij individuele als bij gegroepeerde gegevens, telkens aan de hand van concrete situaties.

51 interpreteren relatieve frequentie in termen van kans.

III. VAKGEBONDEN EINDTERMEN TWEEDE GRAAD - BSO

A. LICHAMELIJKE OPVOEDING - BSO (8)

1. Motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen

1 kunnen in welbepaalde bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen omtrent elkaars veiligheid door afspraken en regels na te leven.

2 kunnen het belang van veiligheidsafspraken toelichten.

3 kunnen medeleerlingen in welbepaalde bewegingssituaties helpen en ondersteunen.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen

4 bepalen zelfstandig hoe ze in welbepaalde bewegingssituaties eenvoudige leertaken individueel of in groep aanpakken en oplossen.

5 kunnen bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken in welbepaalde bewegingssituaties.

1.3. Reflecteren over bewegen

6 De leerlingen kunnen op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria bij zichzelf en anderen aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden

De leerlingen

7 combineren en passen eerder geleerde vaardigheden toe.

8 kunnen geleerde vaardigheden uitvoeren met anderen.

9 zoeken, behouden en herstellen evenwicht in verschillende situaties.

10 hangen, steunen, klimmen, zwaaien en draaien in verschillende situaties.

11 kunnen aangepaste vormen van springen, werpen en lopen in verschillende situaties beheerst uitvoeren.

12 kunnen meegaan en tegenwerken in bewegingen met anderen.

13 kunnen veilig vallen en landen in verschillende situaties.

14 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één doelspel :

- als aanvaller een keuze maken m.b.t. doelen, passen, dribbelen en vrijspelen;

- als verdediger positie kiezen tussen aanvaller en doel.

15 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één terugslagspel :

- het eigen speelveld verdedigen;

- pogen (na samenspel) te scoren.

16 kunnen ritmische of dansante bewegingsvormen uitvoeren gekoppeld aan houdings-, ruimte- en tijdsbesef.

2. Gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen

17 doen binnen verantwoorde en milieuvriendelijke omstandigheden bewegingservaringen op in de natuur.

18 kunnen het belang van het regelmatig leveren van fysieke inspanningen aangeven met het oog op gezondheid.

19 kunnen voor zichzelf wijzigingen in fitheid aangeven.

20 herkennen en reageren gepast op onveilige bewegingssituaties.

*21 passen welbepaalde hygiënische basisregels spontaan toe.

*22 passen welbepaalde basisregels van houdings- en rugscholing spontaan toe.

*23 zetten zich in met het oog op fysieke fitheid.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen

24 zijn in staat op een sociaal aanvaarde wijze verschillende rollen te vervullen in welbepaalde bewegingssituaties.

25 kunnen overleggen, afspraken maken, samenwerken of samenspelen in groepsverband.

*26 ervaren bewegingsvreugde in verschillende bewegingssituaties.

*27 aanvaarden hun eigen mogelijkheden.

*28 kunnen respectvol omgaan met het eigen lichaam en met dat van anderen.

*29 brengen waardering op voor elkaars mogelijkheden en houden rekening met individuele verschillen.

*30 hebben respect voor en kunnen aangepast omgaan met omgeving en materiaal.

B. PROJECT ALGEMENE VAKKEN - BSO (9)

1. Functionele taalvaardigheid

De leerlingen

1 kunnen informatief luisteren en lezen.

2 kunnen luisteren in interactie met anderen.

3 zijn mondeling assertief : ze kunnen informatie inwinnen, samenvatten en meedelen.

4 kunnen schriftelijk informatie aanvragen en meedelen in herkenbare en concrete situaties.

5 kunnen hun eigen mening en gevoelens uiten.

6 hanteren gepaste taal en omgangsvormen.

7 kunnen hulpmiddelen gebruiken om taalvaardig te handelen en hun communicatie te verbeteren.

2. Functionele rekenvaardigheid

De leerlingen

8 kunnen de regel van drieën functioneel toepassen.

9 kunnen het begrip percent functioneel gebruiken.

10 kunnen rekenen met geld in functionele situaties.

11 kunnen grootheden schatten, meten en berekenen in functionele situaties.

12 kunnen de schaal functioneel gebruiken.

13 verwerven wiskundige denkmethoden (o.a. ordenen, schematiseren, structureren) om probleemoplossend te redeneren en problemen uit het dagelijkse leven op te lossen.

14 kunnen een schematische voorstelling lezen en interpreteren.

15 kunnen elektronische hulpmiddelen gebruiken om berekeningen uit te voeren.

*16 zijn ingesteld op het inschatten van de grootteorde van resultaten, het controleren van bewerkingen en resultaten, het vergelijken van oplossingen.

3. Functionele informatieverwerving en -verwerking

De leerlingen kunnen

17 onder begeleiding relevante en voor hen toegankelijke informatie in herkenbare concrete situaties vinden, selecteren en gebruiken.

18 informatie uit uiteenlopend voor hen bestemd tekstmateriaal en voor hen bestemde formulieren begrijpen en gebruiken.

19 onder begeleiding gebruik maken van informatie- en communicatietechnologie.

4. Organisatiebekwaamheid

De leerlingen kunnen

20 hun dagelijkse leven organiseren.

21 individuele opdrachten van beperkte omvang onder begeleiding organiseren, uitvoeren en evalueren.

22 bij groepsopdrachten onder begeleiding :

- overleggen en actief deelnemen;

- instructies uitvoeren;

- reflecteren.

23 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures.

24 hun zakgeld beheren.

25 hulp inroepen.

26 een beroep doen op diensten of instellingen waar ze met eventuele vragen, klachten of meldingen terecht kunnen.

5. Tijd- en ruimtebewustzijn

De leerlingen

27 kennen de grote lijnen van maatschappelijke structuren en mechanismen die hun leven beheersen of beïnvloeden.

28 kunnen in hun eigen regio de belangrijkste maatschappelijke voorzieningen situeren.

29 kunnen op grond van de actualiteit en de eigen ervaringen illustreren dat hun leven ingebed ligt tussen verleden en toekomst.

30 kunnen onder begeleiding aspecten van het dagelijks leven van mensen in een andere tijd of op een andere plaats met hun eigen leven vergelijken.

31 kunnen belangrijke wereldproblemen bondig omschrijven.

32 kunnen zich situeren, oriënteren en verplaatsen door het gebruik van gepaste informatie.

*33 respecteren het historisch-cultureel erfgoed.

*34 respecteren het leefmilieu.

IV. VAKGEBONDEN EINDTERMEN TWEEDE GRAAD - KSO

A. AARDRIJKSKUNDE - KSO (10)

Kennis

De leerlingen kunnen

1 op kaarten aanduiden en benoemen :

- continenten en oceanen;

- de belangrijkste reliëfeenheden en rivieren;

- de belangrijkste staten;

- natuurlijke en menselijke aardrijkskundige entiteiten.

2 bestudeerde regio's en thema's op eenvoudige thematische wereldkaarten situeren.

3 aan de hand van voorbeelden horizontale en verticale ruimtelijke relaties herkennen.

4 de eigenheid van regio's beschrijven aan de hand van natuurlijke en menselijke kenmerken.

5 op een eenvoudige manier enkele fysisch-aardrijkskundige kenmerken van een bestudeerde regio verklaren.

6 aan de hand van regionale voorbeelden redenen opnoemen die de lokalisatie, de spreiding en de eventuele wijzigingen verklaren van :

- landbouwactiviteiten;

- industriële activiteiten;

- tertiaire activiteiten.

7 in verband met een economische activiteit in een regio het bestaan van stromen van goederen of personen illustreren.

8 op basis van demografische kenmerken en hun evoluties enkele demografische situaties in de wereld beschrijven en enkele verklarende factoren aangeven.

9 de verstedelijking en haar evolutie in een regio in relatie brengen met aardrijkskundige factoren.

10 op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen in een gebied verklaren en er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit afleiden.

11 op een eenvoudige manier de impact verklaren van :

- politieke invloedsfactoren op kenmerken van aardrijkskundige entiteiten;

- de technologische evolutie op de kenmerken van de aardrijkskundige entiteiten.

12 verbanden leggen tussen levenswijze, cultuur en leefmilieu.

Vaardigheden

De leerlingen kunnen

13 de lokalisatie van verschijnselen, ruimtelijke gegevens en aardrijkskundig relevante gebeurtenissen uit de actualiteit opzoeken.

14 de herkomst van een aantal producten in diverse informatiebronnen opzoeken en lokaliseren.

15 aan de hand van verschillende informatiebronnen aardrijkskundige informatie over de belangrijkste natuurlijke en menselijke kenmerken van een gebied opzoeken en creatief verwerken.

16 aardrijkskundige entiteiten afbakenen op basis van verschillen en gelijkenissen van enkele natuurlijke of menselijke aardrijkskundige kenmerken.

17 op een eenvoudige manier aardrijkskundige gegevens cartografisch voorstellen.

18 zelfstandig een aangepast en beperkt aardrijkskundig onderzoek uitvoeren met aandacht voor :

- analyse van een aardrijkskundig verschijnsel;

- zoeken en selecteren van relevante informatie;

- een samenhangende presentatie van een aantal bevindingen;

- het formuleren van een eigen standpunt rond mogelijke bevindingen.

Attitudes

De leerlingen

*19 nemen een kritische houding aan t.o.v. aardrijkskundige informatie in de media.

*20 zijn bereid aardrijkskundige informatie te gebruiken bij het plannen van eigen activiteiten.

*21 brengen begrip op voor de wijze van zingeving in eigen en andere leefmilieus en culturen.

*22 houden in hun handelen rekening met duurzame ontwikkeling in tijd en ruimte.

*23 brengen aandacht op voor het fascinerende van de wereld.

B. GESCHIEDENIS - KSO (11)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs en de eerste graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van de grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mundiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijds- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de tweede graad krijgen de algemene historische begrippen reeds een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens - omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de gekozen samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijden dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs en de eerste graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.

Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitsdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingenen vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepenen tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs en de eerste graad en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzichten vaardigheden i.v.m. tijd, historische ruimte en socialiteit

2.1.1. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader

De leerlingen

1 tonen de relativiteit aan van het westerse periodiseringsconcept door het te relateren aan andere samenlevingen.

2 geven enkele overeenkomsten en verschillen aan tussen de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderlingen tussen westerse en andere samenlevingen, op basis van kenmerken uit de socialiteitsdimensie.

3 verruimen het aantal historische begrippen en situeren ze in tijd en historische ruimte.

2.1.2. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen (tot ca. 1800)

De leerlingen

4 omschrijven per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving enkele fundamentele kenmerken uit twee maatschappelijke domeinen naar keuze en beoordelen deze als vernieuwend of behoudend.

5 omschrijven enkele kenmerken van één niet-westerse samenleving in een bepaalde periode.

6 tonen een aantal onderlinge verbanden aan tussen en wisselwerkingen binnen maatschappelijke domeinen voor de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving.

7 geven aan wanneer onze gewesten en hun culturele ontwikkeling een regio-overschrijdende betekenis hadden.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de samenlevingen tot ca. 1800

De leerlingen

8 geven het verband aan tussen een aantal categorieën van tijd en historische ruimte voor enkele ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving.

9 geven enkele verklaringselementen voor éénzelfde fundamentele maatschappelijke probleemstelling voor elk van de ontwikkelingsfasen van het historisch referentiekader.

10 geven voorbeelden van normconformerend en normafwijkend maatschappelijk gedrag, vanuit toenmalige maatschappelijke waarden.

11 lichten uit de bestudeerde samenlevingen enkele elementen toe die in latere samenlevingen of vandaag invloed uitoefenen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

12 doelgericht informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van duidelijk afgebakende opdrachten met gevarieerd en gedifferentieerd leermateriaal.

13 tekstuele, auditieve, visuele, audiovisuele en multimediale informatie ordenen op basis van de criteria historische bron of historiografisch materiaal, met vermelding van de referentie.

2.2.2. Bevraging van het historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

14 aan de hand van vragen en op hun niveau geformuleerde opdrachten de nodige gegevens voor het beantwoorden van een historische probleemstelling halen uit het informatiemateriaal zoals tekeningen, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, brieven, reisverslagen, memoires.

15 in historische informatie hoofd- van bijzaken onderscheiden in een duidelijk op hun niveau omschreven probleem.

16 uit historische informatie een standpunt halen en daaromtrent een vraag formuleren.

2.2.3. Historische redenering

De leerlingen kunnen

17 aan de hand van een op hun niveau geformuleerde opdracht, historische documenten met elkaar vergelijken.

18 enkele argumenten aanvoeren om hun eigen standpunt tegenover een historisch of actueel maatschappelijk probleem te verdedigen.

2.2.4. Historische rapportering

19 De leerlingen kunnen het resultaat van een eigen deelopdracht of van een groepswerk met historische documentatie op een heldere manier weergeven in een mondelinge of schriftelijke uiteenzetting, of uitbeeldend of grafisch.

2.3. Attitudes

De leerlingen

*20 hechten waarde aan de bevraging van het verleden om verklaringen te zoeken voor actuele spanningsvelden.

*21 brengen waardering op voor het intellectueel-eerlijk omgaan met historische informatie en voor het bespreekbaar stellen van stereotiepen en vooroordelen.

*22 brengen waardering op voor de creatieve kracht waarmee samenlevingen uit het verleden de uitdagingen waarvoor ze stonden hebben aangepakt.

*23 zijn bereid waarden en normen uit heden, verleden en andere culturen vanuit de historische en actuele context te benaderen.

*24 hebben belangstelling voor het historisch en actueel spanningsveld individu-gemeenschap.

*25 brengen waardering op voor de manier waarop individuen en emancipatiebewegingen strijd voer(d)en tegen machtsstructuren en gevestigde orden voor de realisatie van de rechten van de mens.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - KSO (12)

1. Motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen

1 kunnen in welbepaalde bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen omtrent elkaars veiligheid door afspraken en regels na te leven.

2 kunnen het belang van veiligheidsafspraken toelichten.

3 kunnen medeleerlingen in welbepaalde bewegingssituaties helpen en ondersteunen.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen

4 bepalen zelfstandig hoe ze in welbepaalde bewegingssituaties eenvoudige leertaken individueel of in groep aanpakken en oplossen.

5 kunnen bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken in welbepaalde bewegingssituaties.

1.3. Reflecteren over bewegen

6 De leerlingen kunnen op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria bij zichzelf en anderen aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden.

De leerlingen

7 combineren en passen eerder geleerde vaardigheden toe.

8 kunnen geleerde vaardigheden uitvoeren met anderen.

9 zoeken, behouden en herstellen evenwicht in verschillende situaties.

10 hangen, steunen, klimmen, zwaaien en draaien in verschillende situaties.

11 kunnen aangepaste vormen van springen, werpen en lopen in verschillende situaties beheerst uitvoeren.

12 kunnen meegaan en tegenwerken in bewegingen met anderen.

13 kunnen veilig vallen en landen in verschillende situaties.

14 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één doelspel :

- als aanvaller een keuze maken m.b.t. doelen, passen, dribbelen en vrijspelen;

- als verdediger positie kiezen tussen aanvaller en doel.

15 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één terugslagspel :

- het eigen speelveld verdedigen;

- pogen (na samenspel) te scoren.

16 kunnen ritmische of dansante bewegingsvormen uitvoeren gekoppeld aan houdings-, ruimte- en tijdsbesef.

2. Gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen

17 doen binnen verantwoorde en milieuvriendelijke omstandigheden bewegingservaringen op in de natuur.

18 kunnen het belang van het regelmatig leveren van fysieke inspanningen aangeven met het oog op gezondheid.

19 kunnen voor zichzelf wijzigingen in fitheid aangeven.

20 herkennen en reageren gepast op onveilige bewegingssituaties.

*21 passen welbepaalde hygiënische basisregels spontaan toe.

*22 passen welbepaalde basisregels van houdings- en rugscholing spontaan toe.

*23 zetten zich in met het oog op fysieke fitheid.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen

24 zijn in staat op een sociaal aanvaarde wijze verschillende rollen te vervullen in welbepaalde bewegingssituaties.

25 kunnen overleggen, afspraken maken, samenwerken of samenspelen in groepsverband.

*26 ervaren bewegingsvreugde in verschillende bewegingssituaties.

*27 aanvaarden hun eigen mogelijkheden.

*28 kunnen respectvol omgaan met het eigen lichaam en met dat van anderen.

*29 brengen waardering op voor elkaars mogelijkheden en houden rekening met individuele verschillen.

*30 hebben respect voor en kunnen aangepast omgaan met omgeving en materiaal.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - KSO (13)

ENGELS - FRANS

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen en relevante informatie selecteren in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde mededelingen, waarschuwingen, publieke aankondigingen en instructies.

2 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde, door beeldmateriaal ondersteunde reclameboodschappen, film- en feuilletonfragmenten, reportages en chansons/songs.

3 de gesprekspartner voldoende begrijpen om deel te nemen aan een zeer eenvoudig rechtstreeks en telefonisch gesprek.

De teksten m.b.t. de eindtermen 1 -3 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard; - geven redundante informatie en zijn vrij concreet;

- worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

4 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

5 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante kennis i.v.m. inhoud oproepen en gebruiken;

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een klankstroom niet alles kunnen begrijpen;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

6 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met de elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

7 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- gebruik maken van beeldmateriaal en context;

- verzoeken om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets in andere woorden te zeggen, iets te spellen.

Attitudes

*8 De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de spreker.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

9 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen en relevante informatie selecteren in :

- korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde informatieve teksten zoals schema's, tabellen, mededelingen, folders, formulieren, informele boodschappen (brieven, e-mail) en berichtjes;

- korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde prescriptieve teksten zoals instructies, opschriften, waarschuwingen, gebruiksaanwijzingen en reclame boodschappen.

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde verhalen en strips.

De teksten m.b.t. eindtermen 9 - 10 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven redundante informatie en zijn vrij concreet.

De leerlingen kunnen

11 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

12 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante kennis in verband met de inhoud oproepen en gebruiken;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een tekst niet alle woorden begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

13 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik).

14 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- doelmatig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

*15 De leerlingen zijn bereid :

- de nodige leesbereidheid op te brengen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de schrijver;

- onder begeleiding te reflecteren op hun eigen leesgedrag.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

16 beknopte informatie geven over zichzelf, hun omgeving en hun leefwereld en soortgelijke informatie vragen.

17 informatie geven en vragen bij eenvoudige documenten (foto's, stratenplan, formulieren).

18 een eenvoudige spontane mening/appreciatie geven over een vertrouwd onderwerp.

19 deelnemen aan een zeer eenvoudig rechtstreeks en telefonisch gesprek.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 16 - 19 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn zeer eenvoudig geformuleerd en worden nog vrij langzaam uitgesproken;

- leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

20 functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

21 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

22 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

23 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, verzoeken om langzamer te spreken, iets aan te wijzen.

Attitudes

*24 De leerlingen

- zien in dat goed luisteren een voorwaarde is om tot goed spreken te komen;

- zijn bereid het woord te nemen.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

25 voor hen functionele formulieren en vragenlijsten invullen.

26 een korte, eenvoudige mededeling schrijven.

27 een eenvoudige brief en een e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 25 - 27 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook reeds af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn kort en zeer eenvoudig geformuleerd;

- leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

28 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

29 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- informatie verzamelen, ook via elektronische hulpbronnen;

- passende lay-out gebruiken;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

30 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen.

31 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT;

- het juiste woord vragen of opzoeken;

- gebruik maken van een model of een in de klas behandelde tekst.

Attitudes

*32 De leerlingen zijn bereid

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en om van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken.

E. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF CHEMIE EN/OF BIOLOGIE, AL OF NIET "TOEGEPAST", AL OF NIET IN EEN GEINTEGREERDE VORM - KSO (14)

1. Onderzoekend leren

Met betrekking tot een concreet natuurwetenschappelijk of toegepast natuurwetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen, kunnen de leerlingen 1 relevante parameters of gegevens aangeven en hierover doelgericht informatie opzoeken.

2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven waarop deze steunt.

3 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden inschatten.

4 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de verwachte resultaten, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden.

5 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden.

6 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen.

7 alleen of in groep waarnemings- en andere gegevens mondeling of schriftelijk verwoorden.

8 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er verslag over uitbrengen.

9 informatie op elektronische dragers raadplegen en verwerken.

10 een fysisch, chemisch of biologisch verschijnsel of proces met behulp van een model voorstellen en uitleggen.

11 in het kader van een experiment een meettoestel aflezen.

12 samenhangen in schema's of andere ordeningsmiddelen weergeven.

2. Wetenschap en samenleving

De leerlingen kunnen

13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen.

14 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren.

15 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen.

16 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren.

17 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen.

18 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn.

19 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren en een eigen standpunt daaromtrent argumenteren.

20 het belang van biologie of chemie of fysica in het beroepsleven illustreren.

21 natuurwetenschappelijke kennis veilig en milieubewust toepassen bij dagelijkse activiteiten en observaties.

3. Attitudes

De leerlingen

*22 zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden.

*23 houden rekening met de mening van anderen.

*24 zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen.

*25 zijn bereid om samen te werken.

*26 onderscheiden feiten van meningen of vermoedens.

*27 beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief.

*28 trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden.

*29 hebben aandacht voor het correcte en nauwkeurige gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data.

*30 zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment.

*31 houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten.

*32 hebben aandacht voor de eigen gezondheid en die van anderen.

F. NEDERLANDS - KSO (15)

1. Luisteren (koppeling Spreken/gesprekken voeren)

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen, probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten.

2 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor bekende volwassenen. Het betreft tekstsoorten zoals verslagen van feiten en evenementen; presentaties van informatie die m.b.t. een bepaalde opdracht werd verzameld; presentaties van persoonlijke ervaringen en interesses.

3 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; informatieve programma's, interviews, praatprogramma's, journaals, aangeboden via diverse media en multimediale informatiedragers.

4 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals activerende boodschappen; standpunten, meningen in probleemoplossende discussies.

5 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de luistertaken :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen;

- het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

6 De leerlingen kunnen een luisterstrategie kiezen naar gelang van luisterdoel(en) en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

*7 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren op hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/gesprekken voeren (koppeling Luisteren)

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan onbekende leeftijdgenoten instructies geven voor een spel en het hanteren van apparatuur.

9 De leerlingen kunnen op structurerend niveau :

- aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in schoolvakken;

- ten aanzien van een bekende volwassene :

- de informatie presenteren die ze in het kader van een bepaalde opdracht hebben verzameld;

- gevoelens uitdrukken, persoonlijke ervaringen en interesses presenteren.

10 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek :

- routes, situaties, personen beschrijven;

- gebeurtenissen verslaan.

11 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau voor bekende leeftijdgenoten hun standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren.

12 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren in het kader van het schools functioneren en van de vrije tijd (rechtstreeks of telefonisch);

- activerende boodschappen formuleren.

13 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken :

- hun spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;

- hun publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- naar gelang van de spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag observeren en verwoorden.

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

*14 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- Algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

15 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals tijdschriftartikelen; recensies; gebruiksaanwijzingen; instructie- en studieteksten.

16 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals schema's en tabellen; onderschriften bij informerende en diverterende programma's; verslagen; hyperteksten.

17 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals notities; informatieve teksten, inclusief informatiebronnen; zakelijke brieven; reclameteksten en advertenties; fictionele teksten (cf. literatuur).

18 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek : informatieve teksten en informatiebronnen, zowel in gedrukte als elektronische vorm :

- van praktische aard (zoals spoorboekje, vakantieregeling);

- van encyclopedische aard (zoals woordenboek, catalogus).

19 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de leestaken :

- hun leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) aanduiden;

- de structuur van een tekst in grote lijnen aanduiden;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen.

20 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van leesdoel en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

21 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

*22 De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen;

- lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren.

4. Schrijven

23 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; affiches; uitnodigingen.

24 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een bekende volwassene. Het betreft tekstsoorten zoals agenda en planning; verslagen; notities tijdens een les; samenvattingen en schema's van studieteksten.

25 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals sollicitatiebrieven voor vakantiejobs; vragen om inlichtingen; relevante formulieren; zakelijke brieven.

26 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals lezersbrieven; recensies.

27 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de schrijftaken :

- hun schrijfdoel(en) bepalen;

- het bedoeld publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren;

- inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- gebruik maken van informatie- en communicatietechnologie.

28 De leerlingen kunnen een schrijfstrategie kiezen naar gelang van schrijfdoel en tekstsoorten ze toepassen.

*29 De leerlingen zijn binnen de gepaste situaties bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren op hun eigen schrijfproces en op inhoud en vorm van hun schrijfproduct;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

30 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende manier van lezen :

- verschillen aanwijzen in de benadering van de werkelijkheid in :

- fictie en non-fictie;

- verhaal, gedicht, toneeltekst;

- twee stromingen.

- enkele literaire vormen herkennen

- column, verhaal, (jeugd)roman, jeugdpoëzie;

- strip, tv-drama, soap, jeugdtheater.

- in de teksten die ze lezen enkele verhaalelementen herkennen : personages, spanning, thema, tijd, ruimte, ik- en hijverteller.

- de keuze van sommige verhaalelementen toelichten : personages, tijd, ruimte.

31 De leerlingen kunnen :

- hun tekstkeuze toelichten;

- hun leeservaring verwoorden (inhoud van het werk weergeven, eigen mening weergeven);

- hun tekstkeuze en leeservaring documenteren.

32 De leerlingen kunnen informatie over literatuur verzamelen en gebruiken. Zij maken hierbij kennis met het aanbod van informatiekanalen zoals : bibliotheek, krant, tijdschrift, radio- en tv-programma's, multimedia.

33 De leerlingen kunnen bij deze activiteiten gebruik maken van de gepaste leesstrategieën (cf. eindterm 20).

*34 De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen literaire leeservaring te spreken en te schrijven.

6. Taalbeschouwing

35 De leerlingen kunnen volgende verschijnselen in het taalgebruik herkennen, benoemen en het voorkomen ervan bespreken :

- verbanden tussen informatiedelen (tekstopbouw) :

- alinea en zin/uiting;

- inleiding-midden-slot;

- middel-doel;

- oorzaak-gevolg;

- opsomming en classificatie.

- betekenis van informatie (tekstopbouw) :

- feiten en meningen;

- voor- en nadelen;

- pro's en contra's;

- overeenkomsten en verschillen.

- interactionele aspecten van de communicatie :

- taalregister;

- taalvariatie : conventie en afwijking;

- gevoelswaarde;

- figuurlijk taalgebruik.

- woordleer :

- afleiding;

- samenstelling.

- zinsleer :

- directe en indirecte rede;

- actieve en passieve zinnen;

- enkelvoudige en samengestelde zinnen.

36 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis te geven. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

37 De leerlingen kunnen hun eigen taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

*38 De leerlingen zijn bereid om over hun eigen taalgebruik en het taalsysteem na te denken.

G. WISKUNDE - KSO (16)

1. Algemeen

De leerlingen

1 begrijpen en gebruiken wiskundetaal.

2 passen probleemoplossende vaardigheden toe.

3 reflecteren op de gemaakte keuzes voor representatie- en oplossingstechnieken.

4 controleren de resultaten op hun betrouwbaarheid.

5 gebruiken informatie- en communicatietechnologie om wiskundige informatie te verwerken, te berekenen, uit te voeren of om wiskundige problemen te onderzoeken.

*6 ervaren dat gegevens uit een probleemstelling toegankelijker worden door ze doelmatig weer te geven in een geschikte wiskundige representatie of model.

*7 ontwikkelen zelfregulatie : het oriënteren op de probleemstelling, het plannen, het uitvoeren en het bewaken van het oplossingsproces.

*8 ontwikkelen zelfvertrouwen door succeservaring bij het oplossen van wiskundige problemen.

*9 ontwikkelen bij het aanpakken van problemen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen.

*10 zijn gericht op samen werken om de eigen mogelijkheden te vergroten

*11 brengen waardering op voor wiskunde (mogelijkheden en beperkingen) door confrontatie met culturele, historische en wetenschappelijke aspecten van het vak.

2. Rekenen en schatten

De leerlingen

12 gebruiken de zakrekenmachine bij berekeningen met getallen in decimale en breukvorm en wetenschappelijke notatie.

13 herkennen bij het oplossen van een probleem welke grootheden en welke bewerkingen aan de orde zijn.

14 lossen problemen op (o.m. in verband met verhoudingen) waarbij ze bij het uitvoeren van de berekeningen verantwoord kiezen tussen schattend rekenen en benaderend rekenen met de zakrekenmachine.

15 ronden zinvol af bij opeenvolgende berekeningen.

3. Algebraïsche verbanden

3.1. Tabellen en grafieken

De leerlingen

16 maken een tabel van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie.

17 tekenen, in een opportuun gekozen assenstelsel, een grafiek van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie.

18 kunnen een gegeven tabel en grafiek interpreteren, minstens met betrekking tot :

- het aflezen van bepaalde waarden;

- het aflezen van extreme waarden;

- het interpreteren van het globale verloop (constant, stijgen, dalen).

19 vergelijken en interpreteren de onderlinge ligging van twee grafieken.

3.2. Omgaan met formules

De leerlingen

20 beschrijven eenvoudige verbanden tussen variabelen met behulp van formules en geven het effect aan van de verandering van de ene variabele op de andere.

21 berekenen de waarde van een variabele in formule bij vervanging van de andere variabele(n) door een getal.

3.3. Samenhang tussen tabellen, grafieken, formules

22 De leerlingen geven de samenhang aan tussen verschillende voorstellingswijzen van het verband tussen variabelen, m.n. verwoording, tabel, grafiek en formule van het verband tussen variabelen.

3.4. Eerstegraadsfuncties

De leerlingen

23 tekenen de grafiek van een eerstegraadsfunctie.

24 leiden nulpunt, tekenverandering, stijgen of dalen af uit de grafiek van een eerstegraadsfunctie.

25 lossen problemen op waarbij verbanden beschreven worden door twee eerstegraadsvergelijkingen.

4. Meetkunde

De leerlingen

26 maken bij het berekenen van hoeken en afstanden in vlakke en in beperkte ruimtelijke situaties gebruik van schetsen en tekeningen, van meetkundige begrippen en elementaire eigenschappen, in het bijzonder van :

- evenwijdigheid;

- gelijke verhoudingen;

- loodrechte stand;

- eigenschappen van hoeken;

- eigenschappen van driehoeken en cirkels;

- de stelling van Pythagoras;

- goniometrische verhoudingen in een rechthoekige driehoek.

27 maken gebruik van coördinaten bij het berekenen van afstanden in vlakke situaties.

5. Statistiek

De leerlingen

28 interpreteren statistische gegevens uit frequentietabellen en diverse grafische voorstellingen.

29 gebruiken in betekenisvolle situaties mediaan, gemiddelde en kwartielen van statistische gegevens bij het trekken van conclusies.

V. VAKGEBONDEN EINDTERMEN TWEEDE GRAAD - TSO

A. AARDRIJKSKUNDE - TSO (17)

Kennis

De leerlingen kunnen

1 op kaarten aanduiden en benoemen :

- continenten en oceanen;

- de belangrijkste reliëfeenheden en rivieren;

- de belangrijkste staten;

- natuurlijke en menselijke aardrijkskundige entiteiten.

2 bestudeerde regio's en thema's op eenvoudige thematische wereldkaarten situeren.

3 aan de hand van voorbeelden horizontale en verticale ruimtelijke relaties herkennen.

4 de eigenheid van regio's beschrijven aan de hand van natuurlijke en menselijke kenmerken.

5 op een eenvoudige manier enkele fysisch-aardrijkskundige kenmerken van een bestudeerde regio verklaren.

6 aan de hand van regionale voorbeelden redenen opnoemen die de lokalisatie, de spreiding en de eventuele wijzigingen verklaren van :

- landbouwactiviteiten;

- industriële activiteiten;

- tertiaire activiteiten.

7 in verband met een economische activiteit in een regio het bestaan van stromen van goederen of personen illustreren.

8 op basis van demografische kenmerken en hun evoluties enkele demografische situaties in de wereld beschrijven en enkele verklarende factoren aangeven.

9 de verstedelijking en haar evolutie in een regio in relatie brengen met aardrijkskundige factoren.

10 op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen in een gebied verklaren en er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit afleiden.

11 op een eenvoudige manier de impact verklaren van :

- politieke invloedsfactoren op kenmerken van aardrijkskundige entiteiten;

- de technologische evolutie op de kenmerken van de aardrijkskundige entiteiten en verschijnselen.

12 verbanden leggen tussen levenswijze, cultuur en leefmilieu.

Vaardigheden

De leerlingen kunnen

13 de lokalisatie van verschijnselen, ruimtelijke gegevens en aardrijkskundig relevante gebeurtenissen uit de actualiteit opzoeken.

14 de herkomst van een aantal producten in diverse informatiebronnen opzoeken en lokaliseren.

15 aan de hand van verschillende informatiebronnen aardrijkskundige informatie over de belangrijkste natuurlijke en menselijke kenmerken van een gebied opzoeken en creatief verwerken.

16 aardrijkskundige entiteiten afbakenen op basis van verschillen en gelijkenissen van enkele natuurlijke of menselijke aardrijkskundige kenmerken.

17 op een eenvoudige manier aardrijkskundige gegevens cartografisch voorstellen.

18 zelfstandig een aangepast en beperkt aardrijkskundig onderzoek uitvoeren met aandacht voor :

- analyse van een aardrijkskundig verschijnsel;

- zoeken en selecteren van relevante informatie;

- een samenhangende presentatie van een aantal bevindingen;

- het formuleren van een eigen standpunt rond mogelijke bevindingen.

Attitudes

De leerlingen

*19 nemen een kritische houding aan t.o.v. aardrijkskundige informatie in de media.

*20 zijn bereid aardrijkskundige informatie te gebruiken bij het plannen van eigen activiteiten.

*21 brengen begrip op voor de wijze van zingeving in eigen en andere leefmilieus en culturen.

*22 houden in hun handelen rekening met duurzame ontwikkeling in tijd en ruimte.

*23 brengen aandacht op voor het fascinerende van de wereld.

B. GESCHIEDENIS - TSO (18)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs en de eerste graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van de grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mundiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijds- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de tweede graad krijgen de algemene historische begrippen reeds een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens -omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de gekozen samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijden dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepenen tussen groepen onderling krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs en de eerste graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd. Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitsdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingenen vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepenen tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs en de eerste graad en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzichten vaardigheden i.v.m. tijd, historische ruimte en socialiteit

2.1.1 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader

De leerlingen

1 tonen de relativiteit aan van het westerse periodiseringsconcept door het te relateren aan andere samenlevingen.

2 geven enkele overeenkomsten en verschillen aan tussen de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderlingen tussen westerse en andere samenlevingen, op basis van kenmerken uit de socialiteitsdimensie.

3 verruimen het aantal historische begrippen en situeren ze in tijd en historische ruimte.

2.1.2 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen (tot ca. 1800)

De leerlingen

4 omschrijven per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving enkele fundamentele kenmerken uit twee maatschappelijke domeinen naar keuze en beoordelen deze als vernieuwend of behoudend.

5 omschrijven enkele kenmerken van één niet-westerse samenleving in een bepaalde periode.

6 tonen een aantal onderlinge verbanden aan tussen en wisselwerkingen binnen maatschappelijke domeinen voor de ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving.

7 geven aan wanneer onze gewesten en hun culturele ontwikkeling een regio-overschrijdende betekenis hadden.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de samenlevingen tot ca. 1800

De leerlingen

8 geven het verband aan tussen een aantal categorieën van tijd en historische ruimte voor enkele ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving.

9 geven enkele verklaringselementen voor éénzelfde fundamentele maatschappelijke probleemstelling voor elk van de ontwikkelingsfasen van het historisch referentiekader.

10 geven voorbeelden van normconformerend en normafwijkend maatschappelijk gedrag, vanuit toenmalige maatschappelijke waarden.

11 lichten uit de bestudeerde samenlevingen enkele elementen toe die in latere samenlevingen of vandaag invloed uitoefenen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

12 doelgericht informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van duidelijk afgebakende opdrachten met gevarieerd en gedifferentieerd leermateriaal.

13 tekstuele, auditieve, visuele, audiovisuele en multimediale informatie ordenen op basis van de criteria historische bron of historiografisch materiaal, met vermelding van de referentie.

2.2.1. Bevraging van het historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

14 aan de hand van vragen en op hun niveau geformuleerde opdrachten de nodige gegevens voor het beantwoorden van een historische probleemstelling halen uit het informatiemateriaal zoals tekeningen, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, brieven, reisverslagen, memoires.

15 in historische informatie hoofd- van bijzaken onderscheiden in een duidelijk op hun niveau omschreven probleem.

16 uit historische informatie een standpunt halen en daaromtrent een vraag formuleren.

2.2.2. Historische redenering

De leerlingen kunnen

17 aan de hand van een op hun niveau geformuleerde opdracht, historische documenten met elkaar vergelijken.

18 enkele argumenten aanvoeren om hun eigen standpunt tegenover een historisch of actueel maatschappelijk probleem te verdedigen.

2.2.3. Historische rapportering

De leerlingen kunnen

19 het resultaat van een eigen deelopdracht of van een groepswerk met historische documentatie op een heldere manier weergeven in een mondelinge of schriftelijke uiteenzetting, of uitbeeldend of grafisch.

2.3. Attitudes

De leerlingen

*20 hechten waarde aan de bevraging van het verleden om verklaringen te zoeken voor actuele spanningsvelden.

*21 brengen waardering op voor het intellectueel-eerlijk omgaan met historische informatie en voor het bespreekbaar stellen van stereotiepen en vooroordelen.

*22 brengen waardering op voor de creatieve kracht waarmee samenlevingen uit het verleden de uitdagingen waarvoor ze stonden hebben aangepakt.

*23 zijn bereid waarden en normen uit heden, verleden en andere culturen vanuit de historische en actuele context te benaderen.

*24 hebben belangstelling voor het historisch en actueel spanningsveld individu-gemeenschap.

*25 brengen waardering op voor de manier waarop individuen en emancipatiebewegingen strijd voer(d)en tegen machtsstructuren en gevestigde orden voor de realisatie van de rechten van de mens.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - TSO (19)

1. Motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen

1 kunnen in welbepaalde bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen omtrent elkaars veiligheid door afspraken en regels na te leven.

2 kunnen het belang van veiligheidsafspraken toelichten.

3 kunnen medeleerlingen in welbepaalde bewegingssituaties helpen en ondersteunen.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen

4 bepalen zelfstandig hoe ze in welbepaalde bewegingssituaties eenvoudige leertaken individueel of in groep aanpakken en oplossen.

5 kunnen bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken in welbepaalde bewegingssituaties.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen

6 kunnen op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria bij zichzelf en anderen aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden.

De leerlingen

7 combineren en passen eerder geleerde vaardigheden toe.

8 kunnen geleerde vaardigheden uitvoeren met anderen.

9 zoeken, behouden en herstellen evenwicht in verschillende situaties.

10 hangen, steunen, klimmen, zwaaien en draaien in verschillende situaties.

11 kunnen aangepaste vormen van springen, werpen en lopen in verschillende situaties beheerst uitvoeren.

12 kunnen meegaan en tegenwerken in bewegingen met anderen.

13 kunnen veilig vallen en landen in verschillende situaties.

14 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één doelspel :

- als aanvaller een keuze maken m.b.t. doelen, passen, dribbelen en vrijspelen;

- als verdediger positie kiezen tussen aanvaller en doel.

15 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één terugslagspel :

- het eigen speelveld verdedigen;

- pogen (na samenspel) te scoren.

16 kunnen ritmische of dansante bewegingsvormen uitvoeren gekoppeld aan houdings-, ruimte- en tijdsbesef.

2. Gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen

17 doen binnen verantwoorde en milieuvriendelijke omstandigheden bewegingservaringen op in de natuur.

18 kunnen het belang van het regelmatig leveren van fysieke inspanningen aangeven met het oog op gezondheid.

19 kunnen voor zichzelf wijzigingen in fitheid aangeven.

20 herkennen en reageren gepast op onveilige bewegingssituaties.

*21 passen welbepaalde hygiënische basisregels spontaan toe.

*22 passen welbepaalde basisregels van houdings- en rugscholing spontaan toe.

*23 zetten zich in met het oog op fysieke fitheid.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen

24 zijn in staat op een sociaal aanvaarde wijze verschillende rollen te vervullen in welbepaalde bewegingssituaties.

25 kunnen overleggen, afspraken maken, samenwerken of samenspelen in groepsverband.

*26 ervaren bewegingsvreugde in verschillende bewegingssituaties.

*27 aanvaarden hun eigen mogelijkheden.

*28 kunnen respectvol omgaan met het eigen lichaam en met dat van anderen.

*29 brengen waardering op voor elkaars mogelijkheden en houden rekening met individuele verschillen.

*30 hebben respect voor en kunnen aangepast omgaan met omgeving en materiaal.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - TSO (20)

ENGELS - FRANS

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen en relevante informatie selecteren in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde mededelingen, waarschuwingen, publieke aankondigingen en instructies.

2 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde, door beeldmateriaal ondersteunde reclameboodschappen, film- en feuilletonfragmenten, reportages en chansons/songs.

3 de gesprekspartner voldoende begrijpen om deel te nemen aan een zeer eenvoudig rechtstreeks en telefonisch gesprek.

De teksten m.b.t. de eindtermen 1 -3 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard; - geven redundante informatie en zijn vrij concreet;

- worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

4 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

5 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante kennis i.v.m. inhoud oproepen en gebruiken;

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een klankstroom niet alles kunnen begrijpen;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

6 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met de elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

7 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- gebruik maken van beeldmateriaal en context;

- verzoeken om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets in andere woorden te zeggen, iets te spellen.

Attitudes

*8 De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de spreker.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

9 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen en relevante informatie selecteren in :

- korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde informatieve teksten zoals schema's, tabellen, mededelingen, folders, formulieren, informele boodschappen (brieven, e-mail) en berichtjes;

- korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde prescriptieve teksten zoals instructies, opschriften, waarschuwingen, gebruiksaanwijzingen en reclameboodschappen.

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in korte, eenvoudig geformuleerde en eenvoudig gestructureerde verhalen en strips.

De teksten m.b.t. eindtermen 9 - 10 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven redundante informatie en zijn vrij concreet.

De leerlingen kunnen

11 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

12 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante kennis in verband met de inhoud oproepen en gebruiken;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- zich niet laten afleiden door het feit dat ze in een tekst niet alle woorden begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden; - hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

13 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik).

14 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- doelmatig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

*15 De leerlingen zijn bereid :

- de nodige leesbereidheid op te brengen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de schrijver;

- onder begeleiding te reflecteren op hun eigen leesgedrag.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

16 beknopte informatie geven over zichzelf, hun omgeving en hun leefwereld en soortgelijke informatie vragen.

17 informatie geven en vragen bij eenvoudige documenten (foto's, stratenplan, formulieren).

18 een eenvoudige spontane mening/appreciatie geven over een vertrouwd onderwerp.

19 deelnemen aan een zeer eenvoudig rechtstreeks en telefonisch gesprek.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 16-19 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn zeer eenvoudig geformuleerd en worden nog vrij langzaam uitgesproken;

-leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

20 functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

21 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

22 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

23 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, verzoeken om langzamer te spreken, iets aan te wijzen.

Attitudes

*24 De leerlingen

- zien in dat goed luisteren een voorwaarde is om tot goed spreken te komen;

- zijn bereid het woord te nemen.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

25 voor hen functionele formulieren en vragenlijsten invullen.

26 een korte, eenvoudige mededeling schrijven.

27 een eenvoudige brief en een e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 25 - 27 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld maar ook reeds af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn kort en zeer eenvoudig geformuleerd;

- leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

28 de functionele kennis die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak, gebruiken :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

29 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- informatie verzamelen, ook via elektronische hulpbronnen;

- passende lay-out gebruiken;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden.

30 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen.

31 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT;

- het juiste woord vragen of opzoeken;

- gebruik maken van een model of een in de klas behandelde tekst.

Attitudes

*32 De leerlingen zijn bereid

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en om van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken.

E. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF CHEMIE EN/OF BIOLOGIE, AL OF NIET "TOEGEPAST", AL OF NIET IN EEN GEINTEGREERDE VORM (21)(22)

1. Onderzoekend leren Met betrekking tot een concreet natuurwetenschappelijk of toegepast natuurwetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen, kunnen de leerlingen

1 relevante parameters of gegevens aangeven en hierover doelgericht informatie opzoeken.

2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven waarop deze steunt.

3 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden inschatten.

4 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de verwachte resultaten, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden.

5 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden.

6 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen.

7 alleen of in groep waarnemings- en andere gegevens mondeling of schriftelijk verwoorden.

8 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er verslag over uitbrengen.

9 informatie op elektronische dragers raadplegen en verwerken.

10 een fysisch, chemisch of biologisch verschijnsel of proces met behulp van een model voorstellen en uitleggen.

11 in het kader van een experiment een meettoestel aflezen.

12 samenhangen in schema's of andere ordeningsmiddelen weergeven.

2. Wetenschap en samenleving

De leerlingen kunnen

13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen.

14 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren.

15 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen.

16 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren.

17 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen.

18 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn.

19 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren en een eigen standpunt daaromtrent argumenteren.

20 het belang van biologie of chemie of fysica in het beroepsleven illustreren.

21 natuurwetenschappelijke kennis veilig en milieubewust toepassen bij dagelijkse activiteiten en observaties.

3. Attitudes

De leerlingen

*22 zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden.

*23 houden rekening met de mening van anderen.

*24 zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen.

*25 zijn bereid om samen te werken.

*26 onderscheiden feiten van meningen of vermoedens.

*27 beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief.

*28 trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden.

*29 hebben aandacht voor het correcte en nauwkeurige gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data.

*30 zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment.

*31 houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten.

*32 hebben aandacht voor de eigen gezondheid en die van anderen.

F. NEDERLANDS - TSO (23)

1. Luisteren (koppeling Spreken/Gesprekken voeren)

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen, probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten.

2 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor bekende volwassenen. Het betreft tekstsoorten zoals verslagen van feiten en evenementen; presentaties van informatie die m.b.t. een bepaalde opdracht werd verzameld; presentaties van persoonlijke ervaringen en interesses.

3 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; informatieve programma's, interviews, praatprogramma's, journaals, aangeboden via diverse media en multimediale informatiedragers.

4 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau luisteren naar tekstsoorten bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals activerende boodschappen; standpunten, meningen in probleemoplossende discussies.

5 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de luistertaken :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- bijkomende informatie vragen;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen; het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

6 De leerlingen kunnen een luisterstrategie kiezen naar gelang van luisterdoel(en) en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

*7 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren op hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/Gesprekken voeren (koppeling Luisteren)

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan onbekende leeftijdgenoten instructies geven voor een spel en het hanteren van apparatuur.

9 De leerlingen kunnen op structurerend niveau :

- aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in schoolvakken;

- ten aanzien van een bekende volwassene :

- de informatie presenteren die ze in het kader van een bepaalde opdracht hebben verzameld;

- gevoelens uitdrukken, persoonlijke ervaringen en interesses presenteren.

10 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek :

- routes, situaties, personen beschrijven;

- gebeurtenissen verslaan.

11 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau voor bekende leeftijdgenoten hun standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren.

12 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren in het kader van het schools functioneren en van de vrije tijd (rechtstreeks of telefonisch);

- activerende boodschappen formuleren.

13 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken :

- hun spreek-en gespreksdoel(en) bepalen;

- hun publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- naar gelang van de spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag observeren en verwoorden.

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

*14 De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- Algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

15 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals tijdschriftartikelen; recensies; gebruiksaanwijzingen; instructie- en studieteksten.

16 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals schema's en tabellen; onderschriften bij informerende en diverterende programma's; verslagen; hyperteksten.

17 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor onbekende leeftijdgenoten lezen op beoordelend niveau. Het betreft tekstsoorten zoals notities; informatieve teksten, inclusief informatiebronnen; zakelijke brieven; reclameteksten en advertenties; fictionele teksten (cf. literatuur).

18 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten lezen bestemd voor een onbekend publiek : informatieve teksten en informatiebronnen, zowel in gedrukte als elektronische vorm :

- van praktische aard (zoals spoorboekje, vakantieregeling);

- van encyclopedische aard (zoals woordenboek, catalogus).

19 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de leestaken :

- hun leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- onderwerp en hoofdgedachte(n) aanduiden;

- de structuur van een tekst in grote lijnen aanduiden;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen.

20 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van leesdoel en tekstsoorten ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

21 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

*22 De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen; - lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren.

4. Schrijven

23 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals instructies; affiches; uitnodigingen.

24 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een bekende volwassene. Het betreft tekstsoorten zoals agenda en planning; verslagen; notities tijdens een les; samenvattingen en schema's van studieteksten.

25 De leerlingen kunnen op structurerend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor een onbekend publiek. Het betreft tekstsoorten zoals sollicitatiebrieven voor vakantiejobs; vragen om inlichtingen; relevante formulieren; zakelijke brieven.

26 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven bestemd voor onbekende leeftijdgenoten. Het betreft tekstsoorten zoals lezersbrieven; recensies.

27 De leerlingen kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de schrijftaken :

- hun schrijfdoel(en) bepalen;

- het bedoeld publiek beschrijven;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren; - inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- gebruik maken van informatie- en communicatietechnologie.

28 De leerlingen kunnen een schrijfstrategie kiezen naar gelang van schrijfdoel en tekstsoorten ze toepassen.

*29 De leerlingen zijn binnen de gepaste situaties bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren op hun eigen schrijfproces en op inhoud en vorm van hun schrijfproduct;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

30 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende manier van lezen :

- verschillen aanwijzen in de benadering van de werkelijkheid in :

- fictie en non-fictie;

- verhaal, gedicht, toneeltekst.

- enkele literaire vormen herkennen

- column, verhaal, (jeugd)roman, jeugdpoëzie;

- strip, tv-drama, soap, jeugdtheater.

- personages, spanning, thema, tijd, ruimte, ik- en hijverteller.

31 De leerlingen kunnen :

- hun tekstkeuze toelichten;

- hun leeservaring verwoorden (inhoud van het werk weergeven, eigen mening weergeven);

- hun tekstkeuze en leeservaring documenteren.

32 De leerlingen kunnen informatie over literatuur verzamelen en gebruiken. Zij maken hierbij kennis met het aanbod van informatiekanalen zoals : bibliotheek, krant, tijdschrift, radio- en tv-programma's, multimedia.

33 De leerlingen kunnen bij deze activiteiten gebruik maken van de gepaste leesstrategieën (cf. eindterm 20).

*34 De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen literaire leeservaring te spreken en te schrijven.

6. Taalbeschouwing

35 De leerlingen kunnen volgende verschijnselen in het taalgebruik herkennen, benoemen en het voorkomen ervan bespreken :

- verbanden tussen informatiedelen (tekstopbouw) :

- alinea en zin/uiting;

- inleiding-midden-slot;

- middel-doel;

- oorzaak-gevolg;

- opsomming en classificatie.

- betekenis van informatie (tekstopbouw) :

- feiten en meningen;

- voor- en nadelen;

- pro's en contra's;

- overeenkomsten en verschillen.

- interactionele aspecten van de communicatie :

- taalregister;

- taalvariatie : conventie en afwijking;

- gevoelswaarde;

- figuurlijk taalgebruik.

- woordleer :

- afleiding;

- samenstelling.

- zinsleer :

- directe en indirecte rede;

- actieve en passieve zinnen;

- enkelvoudige en samengestelde zinnen.

36 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis te geven. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de voorkennis van taal en wereld;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

37 De leerlingen kunnen hun eigen taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

*38 De leerlingen zijn bereid om over hun eigen taalgebruik en het taalsysteem na te denken.

G. WISKUNDE - TSO (24)

1. Algemeen

De leerlingen

1 begrijpen en gebruiken wiskundetaal.

2 passen probleemoplossende vaardigheden toe.

3 reflecteren op de gemaakte keuzes voor representatie- en oplossingstechnieken.

4 controleren de resultaten op hun betrouwbaarheid.

5 gebruiken informatie- en communicatietechnologie om wiskundige informatie te verwerken, te berekenen, uit te voeren of om wiskundige problemen te onderzoeken.

*6 ervaren dat gegevens uit een probleemstelling toegankelijker worden door ze doelmatig weer te geven in een geschikte wiskundige representatie of model.

*7 ontwikkelen zelfregulatie : het oriënteren op de probleemstelling, het plannen, het uitvoeren en het bewaken van het oplossingsproces.

*8 ontwikkelen zelfvertrouwen door succeservaring bij het oplossen van wiskundige problemen.

*9 ontwikkelen bij het aanpakken van problemen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen.

*10 zijn gericht op samenwerken om de eigen mogelijkheden te vergroten.

*11 brengen waardering op voor wiskunde (mogelijkheden en beperkingen) door confrontatie met culturele, historische en wetenschappelijke aspecten van het vak.

2. Rekenen en schatten

De leerlingen

12 gebruiken de zakrekenmachine bij berekeningen met getallen in decimale en breukvorm en wetenschappelijke notatie.

13 herkennen bij het oplossen van een probleem welke grootheden en welke bewerkingen aan de orde zijn.

14 lossen problemen op (o.m. in verband met verhoudingen) waarbij ze bij het uitvoeren van de berekeningen verantwoord kiezen tussen schattend rekenen en benaderend rekenen met de zakrekenmachine.

15 ronden zinvol af bij opeenvolgende berekeningen.

3. Algebraïsche verbanden

3.1. Tabellen en grafieken

De leerlingen

16 maken een tabel van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie.

17 tekenen, in een opportuun gekozen assenstelsel, een grafiek van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie.

18 kunnen een gegeven tabel en grafiek interpreteren, minstens met betrekking tot :

- het aflezen van bepaalde waarden;

- het aflezen van extreme waarden;

- het interpreteren van het globale verloop (constant, stijgen, dalen).

19 vergelijken en interpreteren de onderlinge ligging van twee grafieken.

3.2. Omgaan met formules

De leerlingen

20 beschrijven eenvoudige verbanden tussen variabelen met behulp van formules en geven het effect aan van de verandering van de ene variabele op de andere.

21 berekenen de waarde van een variabele in formule bij vervanging van de andere variabele(n) door een getal.

3.3. Samenhang tussen tabellen, grafieken, formules

De leerlingen

22 geven de samenhang aan tussen verschillende voorstellingswijzen van het verband tussen variabelen, m.n. verwoording, tabel, grafiek en formule van het verband tussen variabelen.

3.4. Eerstegraadsfuncties

De leerlingen

23 tekenen de grafiek van een eerstegraadsfunctie.

24 leiden nulpunt, tekenverandering, stijgen of dalen af uit de grafiek van een eerstegraadsfunctie.

25 lossen problemen op waarbij verbanden beschreven worden door twee eerstegraadsvergelijkingen.

4. Meetkunde

De leerlingen

26 maken bij het berekenen van hoeken en afstanden in vlakke en in beperkte ruimtelijke situaties gebruik van schetsen en tekeningen, van meetkundige begrippen en elementaire eigenschappen, in het bijzonder van :

- evenwijdigheid;

- gelijke verhoudingen;

- loodrechte stand;

- eigenschappen van hoeken;

- eigenschappen van driehoeken en cirkels;

- de stelling van Pythagoras;

- goniometrische verhoudingen in een rechthoekige driehoek.

27 maken gebruik van coördinaten bij het berekenen van afstanden in vlakke situaties.

5. Statistiek

De leerlingen

28 interpreteren statistische gegevens uit frequentietabellen en diverse grafische voorstellingen.

29 gebruiken in betekenisvolle situaties mediaan, gemiddelde en kwartielen van statistische gegevens bij het trekken van conclusies.

VI. VAKOVERSCHRIJDENDE EINDTERMEN DERDE GRAAD

A. LEREN LEREN

1. Opvattingen over leren

De leerlingen

1 kunnen communiceren over de samenhang tussen hun leeropvattingen, leermotieven en leerstijl.

2 kennen verschillende leerstijlen en zijn bereid hun leerstijl zonodig aan te passen met het oog op te bereiken doelen.

2. Informatie verwerven en verwerken Informatieverwerving

3 De leerlingen kunnen diverse informatiebronnen en -kanalen kritisch selecteren en raadplegen met het oog op te bereiken doelen.

Informatieverwerking

De leerlingen kunnen

4 zelfstandig informatie kritisch analyseren en synthetiseren.

5 zinvol inoefenen, memoriseren en herhalen.

6 verwerkte informatie functioneel toepassen in verschillende situaties.

Problemen oplossen

De leerlingen kunnen

7 op basis van hypothesen en verwachtingen mogelijke oplossingswijzen realistisch inschatten en uitvoeren.

8 de gekozen oplossingswijze en de oplossing evalueren.

Onderzoek 9

De leerlingen kunnen een onderzoek of een practicum voorbereiden, uitvoeren en de resultaten verantwoorden.

3. Regulering van het leerproces

Cognitieve reguleringsvaardigheden

De leerlingen kunnen

10 een realistische werk- en tijdsplanning op langere termijn maken.

11 hun leerproces sturen, beoordelen op doelgerichtheid en zonodig aanpassen.

12 toekomstgerichte conclusies trekken uit leerervaringen.

Affectieve reguleringsvaardigheden

De leerlingen kunnen

13 de oorzaak van slagen en mislukken objectief toeschrijven.

14 in hun leerproces rekening houden met het affectieve.

4. Keuzebekwaamheid

Zelfconceptverheldering

De leerlingen kunnen

15 communiceren over hun eigen interesses, capaciteiten en waarden.

16 een positief zelfbeeld ontwikkelen op basis van betrouwbare gegevens en daarover communiceren.

Horizonverruiming

De leerlingen

17 kunnen, rekening houdend met de eigen interesses, capaciteiten en waarden, een zinvol overzicht verwerven over studie- en beroepsmogelijkheden, dienstverlenende instanties met betrekking tot de arbeidsmarkt en/of de verdere studieloopbaan.

18 zijn bereid een onbevooroordeelde, roldoorbrekende en respectvolle houding aan te nemen ten aanzien van studieloopbanen en beroepen.

Keuzestrategieën

19 De leerlingen kunnen de verschillende fasen van een keuzeproces doorlopen en rekening houden met de consequenties.

Omgevingsinvloeden

20 De leerlingen kunnen omgevingsinvloeden op het keuzegedrag onderkennen en er zich tegenover positioneren.

B. SOCIALE VAARDIGHEDEN

1. Streven naar het ontwikkelen van relationele veelzijdigheid

De leerlingen

1 ontdekken de voor- en nadelen van verschillende relatievormen in verschillende contexten en maken op basis daarvan keuzes.

2 benoemen en duiden hun emoties, uiten deze gepast en herkennen en duiden andermans emoties.

3 kiezen bewust relatievormen, rekening houdende met contextelementen zoals de situaties en de partners.

2. Streven naar duidelijke communicatie

De leerlingen

4 communiceren doelgericht, bijvoorbeeld;

- toetsen elkaars interpretatie en stemmen die zo nodig op elkaar af;

- brengen de eigen gevoelens en gedachten tot uiting;

- herkennen en gaan om met vooroordelen en uitingen van ongepaste beïnvloeding (intimidatie, manipulatie...).

5 hebben er oog voor dat ze wensen en situaties benaderen vanuit eigen en andermans authenticiteit en expressie.

3. Constructief participeren aan de werking van sociale groepen

De leerlingen

6 helpen mee aan het formuleren en realiseren van groepsdoelstellingen door bijvoorbeeld :

- contacten te maken;

- te overleggen en afspraken te maken;

- taken en functies te verdelen;

- belangen af te wegen en te bemiddelen;

- bij te dragen aan een goed functioneren van de groep als groep.

7 kunnen het belang en de mogelijke risico's aangeven van het behoren tot formele en informele maatschappelijke netwerken en kunnen de voordelen ervan gebruiken.

8 streven naar een evenwicht tussen eigen wensen, verlangens en belevingen, en het groepsbelang.

9 kunnen omgaan met hiërarchie, macht en regelgevingen.

10 engageren zich om een eigen verantwoordelijkheid op te nemen.

4. Conflicthantering en overleg

De leerlingen

11 hebben inzicht in de potentieel constructieve en destructieve rol van conflicten.

12 zien het belang in van gevoelens en lichaamstaal bij het benaderen van conflicten.

13 hanteren conflicten door de eigen belangen te behartigen zonder hierbij de belangen, motivaties en emoties van anderen uit het oog te verliezen.

14 zijn bij conflicten bereid naar anderen te luisteren, hen de kans te geven zich uit te drukken, hen te respecteren, hun emotionele grenzen te respecteren, te overleggen.

C. OPVOEDEN TOT BURGERZIN

1. Democratische raden en parlementen

De leerlingen

1 kunnen de feitelijke werking van de parlementaire besluitvorming beschrijven.

2 kunnen de rol aangeven van fracties en commissies in de werking van raden (zoals gemeente- en provincieraden) en parlementen.

3 kunnen parlementen en raden (zoals gemeente- en provincieraden) situeren als belangrijke actoren in het vormgeven van de samenleving.

4 kunnen verschillende standpunten in parlementaire debatten van elkaar onderscheiden en met elkaar vergelijken.

5 kunnen voorbeelden geven van politieke beslissingen (b.v. onderwijs, jeugdbeleid) die hun leven rechtstreeks beïnvloeden.

6 kunnen beslissingen van een raad (zoals een gemeente- en een provincieraad) of parlement kritisch evalueren door ze te toetsen aan relevante informatie, de eigen opvatting en andere opvattingen.

7 aanvaarden beslissingen die volgens parlementaire procedures zijn genomen.

8 brengen waardering op voor de functie en de taken van leden van raden (zoals gemeente- en provincieraden) en parlementen.

2. Maatschappelijke dienstverlening

De leerlingen

9 kunnen informatie verzamelen over de maatschappelijke opdracht, het aanbod en de werking van maatschappelijke diensten en instellingen en van specifieke hulp- en informatiediensten voor jongeren.

10 kunnen hun eigen wensen of behoeften omzetten in hulp- en informatievragen.

11 kunnen aangeven hoe zij op deze diensten of instellingen een beroep kunnen doen en waar ze met eventuele klachten, meldingen of aanbevelingen terecht kunnen (o.m. ombudsdienst).

12 durven een beroep te doen op maatschappelijke diensten of instellingen.

3. Wereldburgerschap

De leerlingen

13 kunnen de rol van internationale instellingen illustreren.

14 kunnen met enkele voorbeelden aantonen dat de mondiale dimensie in onze samenleving steeds explicieter wordt op o.m. politiek, economisch en cultureel vlak en dat deze evolutie voordelen biedt maar ook problemen en conflicten oplevert.

15 kunnen de complexiteit van internationale samenwerking toelichten aan de hand van de concepten onderlinge afhankelijkheid, beelden en beeldvorming, sociale rechtvaardigheid, conflict en conflicthantering, verandering en toekomst.

16 kunnen aangeven dat er verschillende opvattingen zijn over welvaart en over de herverdeling van deze welvaart.

17 zijn gevoelig voor het belang van persoonlijke inzet voor de verbetering van het welzijn en de welvaart in de wereld.

D. GEZONDHEIDSEDUCATIE

1. Leefstijl en levenskwaliteit

De leerlingen

1 nemen een kritische houding aan tegenover hun voedingspatroon en zijn bereid het aan te passen, rekening houdend met criteria voor een evenwichtige voeding binnen diverse voedingssystemen.

2 benoemen risicofactoren voor eetstoornissen en de gevolgen daarvan.

3 kunnen anderen in nood helpen door het toepassen van eerste hulp en cardio-pulmonaire resuscitatie (CPR).

4 bespreken opvattingen over medische, psychische en sociale aspecten van gezinsplanning, zwangerschap en zwangerschapsonderbreking.

5 besteden aandacht aan maatschappelijke fenomenen zoals echtscheiding, éénoudergezinnen, zelfmoord, prostitutie, misbruik van genot- en geneesmiddelen, delinquent gedrag en verspreiding van aids.

6 gaan gepast om met vreugde, verlies en rouw, en leren uit hun ervaringen.

7 verwerven inzicht in de structuren en het beleid die de gezondheids- en welzijnszorg ondersteunen.

8 participeren aan het gezondheids- en veiligheidsbeleid op school en in hun omgeving.

2. Zorgethiek

De leerlingen

9 dragen zorg voor zichzelf en voor anderen rekening houdende met thematieken zoals jeugdbeleid, ouderdom, sociale achterstelling en handicaps.

10 tonen respect voor zichzelf en anderen zoals personen met andere geaardheid, uit andere etnische groepen, uit andere culturen en met andere denkwijzen en overtuigingen.

11 herkennen bij zichzelf en anderen signalen van diverse vormen van partner- en sociale druk, fanatisme, discriminatie en onverdraagzaamheid en reageren daar passend en tijdig op.

E. MILIEUEDUCATIE

1. Natuur- en milieubeleid

De leerlingen

1 kunnen beschikbare communicatiekanalen en milieueducatieve netwerken aanwenden bij milieu-initiatieven en -projecten.

2 kunnen het normverleggend en grensoverschrijdend karakter van milieuvervuiling bij productie en verbruik illustreren.

3 zijn bereid de milieureglementering toe te passen.

4 hebben bij het kopen van goederen en verbruiken van diensten oog voor nieuwe milieuvriendelijke alternatieven of kleinschalige initiatieven in het kader van een duurzame ontwikkeling.

5 zijn bereid actief deel te nemen aan het maatschappelijk debat over natuur- en milieubeleid.

6 zijn bereid ethische normen te hanteren ten opzichte van scenario's van bijvoorbeeld economische groei, welvaartsontwikkeling, demografische evolutie en biotechnologische ontwikkeling op mondiaal vlak.

2. Verkeer en mobiliteit in ruimtelijk beleid

De leerlingen

7 kunnen de voor- en nadelen van verschillende vervoerswijzen voor transport van personen, goederen en diensten afwegen op basis van verschillende criteria en een bepaalde keuze motiveren.

8 kunnen meewerken aan het opstellen en uitvoeren van een schoolvervoersplan en verdedigen hun eigen standpunt hierin.

9 kunnen een gedragspatroon ontwikkelen waarbij individuele gemotoriseerde verplaatsingen beperkt worden en milieubewust gekozen wordt voor een passende vervoerswijze.

10 kunnen individueel of in groep standpunten innemen t.a.v. een probleem van ruimtelijke inrichting of landschapsbeheer en nemen kennis van het overheidsbeleid ter zake.

11 zijn bereid om via een constructieve inbreng invloed uit te oefenen op beslissingen, maatregelen of voorstellen die een weerslag kunnen hebben op mobiliteit, verkeer en ruimtegebruik.

[12. verwerven de kennis die moet volstaan als voorbereiding op het theoretisch rijexamen categorie "B".]

Decr.18-1-2002

F. MUZISCH-CREATIEVE VORMING

De leerlingen

1 staan open voor diverse muzisch-creatieve uitingen, zoals dans, design, muziek, architectuur, ...

2 ervaren muzisch-creatieve uitingen als een verrijkende inspiratie om te functioneren in de eigen leefwereld en om zich te kunnen inleven in die van anderen.

3 kunnen bij eigen muzisch-creatieve uitingen waarden en gevoelens betrekken, er vorm aan geven en dit als verrijkend ervaren.

4 zien in dat ten gevolge van nieuwe technieken en materialen de kunsten, de techniek en de wetenschappen meer en meer integreren.

G. TECHNISCH-TECHNOLOGISCHE VORMING - ASO

1. Techniek begrijpen

De leerlingen kunnen

1 effecten van techniek op mens en samenleving illustreren en in historisch perspectief plaatsen (zoals comfort, design, milieu, consumentisme ...).

2 effecten van techniek op menselijke gedragingen, houdingen, waarden en normen illustreren.

3 kenmerken van een technische benadering onderscheiden van andere benaderingen zoals wetenschappelijk, artistiek, sociaal,...

4 gefundeerd oordelen over de rol van ondernemingen/organisaties in en voor de samenleving bijvoorbeeld met betrekking tot welvaart, ontwikkeling, welzijn,...

2. "Technisch" begrijpen

De leerlingen kunnen

5 kennis en vaardigheden uit verschillende sectoren herkennen.

6 eenvoudige ontwerpen en realisaties evalueren.

7 ondernemingen/organisaties karakteriseren als uitvoerders van technische processen en de rol van verschillende technische beroepen en vaardigheden hierbij toelichten.

3. Attitude

De leerlingen ontwikkelen een constructief kritische houding ten aanzien van techniek, technische beroepen en ondernemingen/organisaties.

VII. VAKGEBONDEN EINDTERMEN DERDE GRAAD - ASO

A. AARDRIJKSKUNDE - ASO (25)

1. Kennis

De leerlingen kunnen

1 een verscheidenheid aan ruimtelijke wetenschappen verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen.

2 met een voorbeeld aantonen dat een afbeelding of kaart een gecodeerde voorstelling is van de werkelijkheid.

3 met een toepassing van GIS de betekenis ervan voor de samenleving illustreren.

4 bewegingen in het zonnestelsel en gevolgen ervan op aarde aangeven.

5 met een toepassing uit het ruimteonderzoek, het maatschappelijk nut ervan illustreren.

6 weer en klimaat in verband brengen met opbouw van en met processen in de atmosfeer.

7 de invloed van menselijke activiteiten op het milieu zoals : broeikaseffect, natuurrampen, zure regen, waterbeheersing, bodemdegradatie en -verbetering met voorbeelden illustreren.

8 de geofysische opbouw van de aarde en de platentektoniek beschrijven en gevolgen ervan zoals : de ligging van oceanen en continenten, vulkanisme en aardbevingen en bepaalde klimaatsveranderingen verklaren.

9 eenvoudige reliëfvormen op een samenhangende manier in verband brengen met lithologische kenmerken, geologische structuren en geomorfologische processen.

10 productie en consumptie van voedsel en hulpbronnen in relatie brengen met demografische evolutie en welvaartsniveau in het kader van een duurzame ontwikkeling.

11 zowel verschuivingen van industrie of tertiaire activiteiten als demografische migraties met voorbeelden illustreren en dit in verband brengen met sociaal-economische of politieke factoren.

12 stad, platteland, verstedelijking en mobiliteit morfologisch en functioneel typeren en verklaren.

13 met voorbeelden het belang van instrumenten van ruimtelijke planning en van milieubeleid toelichten.

14 met voorbeelden de erfgoed- of natuurwaarde van landschapselementen uit het verleden omschrijven en hun huidig belang duiden.

15 het belang duiden van natuurlijke en sociaal-economische componenten voor de ruimtelijke planning.

2. Vaardigheden

De leerlingen kunnen

16 aardrijkskundige gegevens opzoeken, ordenen en op een eenvoudige manier verwerken, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken.

17 een kaartvoorstelling kiezen in functie van het gebruik.

18 een standplaats op aarde bepalen door middel van beschikbare, hedendaagse technieken en methodes.

19 het ontstaan en de structuur van het heelal samenhangend verwoorden aan de hand van een aantal astronomische begrippen.

20 een West-Europese weerkaart lezen.

21 een weersituatie inschatten door rekening te houden met weerkaarten en -berichten.

22 een klimaat interpreteren aan de hand van temperatuur, neerslag en algemene luchtcirculatie.

23 belangrijke geologische gebeurtenissen, klimaatsveranderingen en de biologische evolutie situeren op een geologische tijdsschaal.

24 vereenvoudigde geologische kaarten en bodemkaarten lezen.

25 een landschap analyseren, de elementen ordenen tot een structuur en hieruit de eigenheid van het landschap bepalen.

26 voorstellen aanbrengen voor het ruimtegebruik in het kader van duurzame ontwikkeling.

3. Attitudes

De leerlingen

27 * zijn kritisch tegenover aangeboden informatie zoals die m.b.t. ontwikkelings-, welvaarts- en milieuproblemen.

28 * zien mogelijkheden om op een positieve manier te participeren in beleidsbeslissingen inzake milieubeleid en ruimtelijke ordening.

29 * zijn bereid om lokale problemen van milieu en samenleving in een globale context te plaatsen.

30 * hebben aandacht voor de waarde van natuurlijke en culturele landschappen.

31 * zijn zich bewust van de plaats van de mens in het heelal.

B. GESCHIEDENIS - ASO (26)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs, in de eerste graad en in de tweede graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z. doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mundiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijds- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de derde graad krijgen de algemene historische begrippen een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens -omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de bestudeerde samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijd en dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling, krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.

Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status-quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitsdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingen en vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad, en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. tijd, ruimte en socialiteit

2.1.1 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader

De leerlingen

1 tonen de relativiteit aan van de westerse periodisering door deze te confronteren met periodiseringselementen geconcipieerd in een andere cultuur of vanuit een mondiaal aspect.

2 verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze beredeneerd in in een bredere historische context.

3 vergelijken ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen, op basis van een probleemstelling uit de socialiteitsdimensie.

4 kennen de krachtlijnen van het historisch referentiekader in termen van tijd, ruimte en socialiteit.

2.1.2 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw De leerlingen

5 passen de begrippen beschaving, moderniteit en mondialisering/globalisering toe op de westerse samenleving en op een andere samenleving.

6 analyseren omschrijven fundamentele conflicten en breuklijnen waarmee moderne samenlevingen worden geconfronteerd.

7 analyseren de breuklijnen in de evoluerende Belgische samenleving vanaf 1830.

8 omschrijven per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving de belangrijkste elementen van het culturele domein, in samenhang met andere domeinen van de socialiteit.

9 duiden de rol van onze gewesten als medespeler in Europese en mondiale context.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw

De leerlingen

10 tonen de structurele verschillen aan tussen enerzijds agrarische en anderzijds industriële en post-industriële samenlevingen.

11 tonen aan dat ideologieën, mentaliteiten, waardestelsels en wereldbeschouwingen invloed uitoefenen op samenlevingen, menselijke gedragingen en beeldvorming over het verleden.

12 kunnen uit elke historische dimensie één categorie toepassen op de westerse samenleving.

13 stellen vragen aan het verleden om actuele spanningsvelden te verhelderen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

14 doeltreffend informatie selecteren uit gevarieerd informatiemateriaal omtrent een ruim geformuleerde historische of actuele probleemstelling.

15 hun selectie van informatie kritisch verantwoorden.

2.2.2. Bevraging van het historisch informatiemateriaal De leerlingen kunnen

16 zelfstandig de nodige gegevens voor het beantwoorden van een historische probleemstelling halen uit het historisch informatiemateriaal zoals beeldmateriaal, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, reisverslagen, memoires.

17 een vraagstelling ontwikkelen om de historische informatie kritisch en vanuit verschillende standpunten te benaderen. 18 argumenten weergeven die worden gebruikt om standpunten omtrent problemen uit het verleden en heden te onderbouwen.

2.2.3. Historische redenering

De leerlingen kunnen

19 verschillende argumentaties tegen elkaar afwegen.

20 een redenering opbouwen vanuit de studie van verleden en heden om hun standpunt t.o.v. een maatschappelijk probleem te verdedigen.

21 bij hun historisch onderzoek de aangewende methode evalueren en eventueel bijsturen.

2.2.4. Historische rapportering

De leerlingen kunnen

22 omtrent een maatschappelijk relevante (actuele of historische) probleemstelling initiatieven nemen, met hun medeleerlingen een doelmatige historische methodiek afspreken, de deelconclusies evalueren en een samenhangende rapportering brengen.

2.3. Attitudes

De leerlingen

23 * zijn bereid om actuele spanningsvelden aan hun de historische ontwikkelingen te relateren.

24 * zijn bereid om actuele/historische spanningsvelden vanuit verschillende gezichtshoeken kritisch te bekijken, rekening houdend met mogelijke achterliggende waarden, normen en mentaliteiten.

25 * zijn bereid ook hun ingenomen standpunten te confronteren met conflicterende gegevens en die van daaruit te relativeren.

26 * durven vanuit een intellectueel eerlijke omgang met informatie te reageren op vormen van desinformatie.

27 * aanvaarden dat historische evoluties een verscheidenheid aan sociale identiteiten genereren.

28 * erkennen de dynamische kracht maatschappelijke dynamiek van de spanning tussen het blijvende en het veranderende.

29 * zijn bereid vanuit het historisch besef dat individuen en groepen interfereren in maatschappelijke processen, actief en constructief te participeren aan de evoluerende maatschappij.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - ASO (27)

1. Ontwikkeling van de motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen kunnen

1 in nieuwe bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen door gezamenlijk afgesproken veiligheidsregels toe te passen.

2 medeleerlingen helpen wanneer de bewegingssituatie dit vereist.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen kunnen

3 uit een aanbod een aan hun mogelijkheden aangepaste leerweg kiezen voor het aanpakken en oplossen van bewegingsopdrachten.

4 zelfstandig leertaken uitvoeren om een bewegingsopdracht tot een goed einde te brengen, rekening houdend met hun eigen kunnen.

5 bewegingssituaties alleen of in groep organiseren en aanpassen aan de deelnemers.

6 volgens vooropgestelde criteria bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken bij het uitvoeren van bewegingsopdrachten en hun leerproces bijsturen.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen kunnen

7 op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria, bij zichzelf en anderen, aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt en eenvoudige oplossingen geven.

8 over bewegingssituaties hun mening geven, bewegingservaringen uitwisselen en hieruit conclusies trekken voor hun eigen uitvoering.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden

De leerlingen kunnen

9 eerder geleerde vaardigheden uit verschillende bewegingsgebieden toepassen in andere bewegingscontexten.

10 motorische eigenschappen op een inzichtelijke wijze gebruiken in bewegingscombinaties met en zonder toestellen, alleen en met anderen.

11 met gekende motorische vaardigheden een creatieve combinatie samenstellen en uitvoeren, alleen of met anderen.

12 gekende motorische vaardigheden uitvoeren op een hoger beheersingsniveau zoals :

- een betere controle;

- een meer esthetische uitvoering;

- een hogere moeilijkheidsgraad;

- een grotere efficiëntie;

- ...

13 in aangepaste vormen van een doelspel of een terugslagspel eenvoudige aanvallende en verdedigende strategieën toepassen

14 * kritisch omgaan met het bewegingsaanbod in hun leefomgeving.

De leerlingen

15 * ervaren duurzame bewegingsvreugde op basis van competente deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten.

2. Ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen kunnen

16 het verband leggen tussen bewegen, gezondheid en samenleving.

17 hun kennis rond reanimatie vertalen naar risicovolle bewegingssituaties.

18 eerste hulp bieden bij ongevallen in bewegingssituaties.

19 basisregels van houdings- en rugscholing integreren in nieuwe bewegingssituaties en in werk- en studiesituaties.

20 met betrekking tot "fitheid" hun eigen doelen bepalen.

De leerlingen

21 * zijn bereid "bewegen" te integreren in hun levensstijl en zijn zich bewust van verschillende mogelijkheden hiervoor.

22 * zien het belang in van een goede fysieke conditie.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen kunnen

23 in bewegingssituaties leiding nemen over en leiding aanvaarden van medeleerlingen.

24 samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school.

25 aanduiden in welke bewegingsactiviteiten ze zich goed voelen en welke bewegingsactiviteiten het best aansluiten bij hun fysieke en relationele mogelijkheden.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - ASO (28)

ENGELS (29) - FRANS

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen bij niet al te complexe artistiek-literaire teksten zoals een kortverhaal, een chanson/song, een toneelfragment.

2 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen bij :

- relatief complexe informatieve teksten zoals een verslag, een radio- en tv-nieuwsitem, een documentaire, een interview, een uiteenzetting;

- relatief complexe prescriptieve teksten zoals een reclameboodschap, een instructie;

- niet al te complexe narratieve teksten zoals een reportage, een film- en feuilletonfragment;

- niet al te complexe argumentatieve teksten zoals een discussie, een debat, een betoog;

- eenvoudige artistiek-literaire teksten zoals een kortverhaal, een chanson/song, een eenvoudig toneelfragment.

3 de informatie beoordelen bij :

- niet al te complexe informatieve teksten zoals een verslag, een radio- en tv-nieuwsitem, een documentaire, een interview, een uiteenzetting;

- niet al te complexe prescriptieve teksten zoals een reclameboodschap, een instructie;

- eenvoudige narratieve teksten zoals een reportage, een film- en feuilletonfragment;

- eenvoudige argumentatieve teksten zoals een discussie, een debat, een betoog.

4 begrijpen wat een gesprekspartner aanbrengt om een relatief complex rechtstreeks gesprek en een niet al te complex telefoongesprek te kunnen voeren.

De teksten m.b.t. eindtermen 1 - 4 :

- hebben te maken met de eigen belevingswereld en met onderwerpen van meer algemene aard;

- worden in een natuurlijk spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- kunnen enige afwijking vertonen t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

5 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het zo correct mogelijk uitvoeren van de luistertaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

6 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het luisterdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- hypothesen en luisterverwachtingen vormen;

- het luistergedrag afstemmen op het luisterdoel;

- zich niet laten afleiden als ze in een klankstroom niet alles begrijpen;

- belangrijke informatie noteren.

7 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag;

- vertrouwd zijn met de specificiteit van een gesproken tekst (redundantie, onvolledige zinnen, verkorte vormen,...);

- het taalgebruik van de spreker kunnen inschatten (formeel, informeel, vertrouwelijk) en hieruit conclusies kunnen trekken in verband met de bedoelingen en emoties van de spreker.

8 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van beeldmateriaal, context, redundantie;

- kunnen zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen, iets op te schrijven;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben.

Attitudes

9 * De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren; - luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de spreker;

- ook buiten de klascontext te luisteren naar Franse/Engelse teksten;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren, de tekststructuur en -samenhang herkennen bij :

- relatief complexe argumentatieve teksten zoals een pamflet, een betoog, een opiniestuk, een lezersbrief;

- niet al te complexe artistiek-literaire teksten zoals een gedicht, een kortverhaal, een romanfragment, een toneelfragment.

11 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen bij :

- relatief complexe narratieve teksten zoals een (reis)verhaal, een reportage;

- eenvoudige artistiek-literaire teksten zoals een gedicht, een kortverhaal, een romanfragment, een toneelfragment;

- niet al te complexe argumentatieve teksten zoals een pamflet, een betoog, een opiniestuk, een lezersbrief.

12 de informatie beoordelen bij :

- relatief complexe informatieve teksten zoals een folder, een krantenartikel, een recensie, een hypertekst;

- relatief complexe prescriptieve teksten zoals een reclameboodschap;

- eenvoudige argumentatieve teksten zoals een pamflet, een betoog, een opiniestuk, een lezersbrief.

De teksten m.b.t. eindtermen 10 - 12 :

- hebben te maken met de eigen belevingswereld en met onderwerpen van meer algemene aard;

- kunnen redelijk uitgebreid zijn;

- kunnen reeds vrij abstract zijn en impliciete informatie bevatten.

De leerlingen kunnen

13 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het zo correct mogelijk uitvoeren van de leestaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

14 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- het leesgedrag afstemmen op het leesdoel;

- zich niet laten afleiden als ze in een tekst niet alles begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden;

- op basis van het gelezene anticiperen op het vervolg.

15 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- verschillende taalregisters kunnen herkennen (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik);

- elementen van tekstopbouw kunnen aanduiden;

- het taalgebruik van de schrijver kunnen inschatten en hieruit conclusies kunnen trekken m.b.t. de bedoelingen en emoties van de schrijver.

16 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

17 * De leerlingen zijn bereid :

- onbevooroordeeld te lezen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de schrijver;

- te reflecteren op hun eigen leesgedrag;

- Franse/Engelse teksten te lezen, ook buiten de klascontext;

- zich open te stellen voor esthetische beleving;

- door het lezen van een ruim en gevarieerd aanbod aan teksten een persoonlijke voorkeur en leessmaak te ontwikkelen.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

18 informatie geven en vragen bij documenten zoals een afbeelding, een formulier, een gebruiksaanwijzing, een ontwerp, een prijsofferte.

19 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze samenvatten bij :

- niet al te complexe beluisterde en relatief complexe gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en argumentatieve teksten;

- eenvoudige beluisterde en niet al te complexe gelezen artistiek-literaire teksten.

20 een beredeneerde mening of conclusie naar voor brengen bij eenvoudige beluisterde en niet al te complexe gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en argumentatieve teksten.

21 ervaringen en gebeurtenissen verslaan en becommentariëren.

22 een eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd onderwerp.

23 een relatief complex rechtstreeks gesprek - zoals een conversatie, een vraaggesprek, een discussie - beginnen, onderhouden en afronden.

24 een niet al te complex telefoongesprek beginnen, onderhouden en afronden.

25 in een discussie gefundeerde standpunten naar voor brengen.

26 bij het voeren van een gesprek inspelen op wat de gesprekspartner aanbrengt.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 18-26 :

- hebben te maken met de eigen belevingswereld en met onderwerpen van meer algemene aard;

- worden begrijpelijk en met een zekere vlotheid uitgesproken;

- bevatten een aanzet tot gevarieerde intonatie;

- zijn qua taalregister enigszins aangepast aan de luisteraar en/of gesprekspartner;

- kunnen deel uitmaken van een gesprek met een minder voorspelbaar verloop.

De leerlingen kunnen

27 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het zo correct mogelijk uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

28 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- het spreekdoel bepalen;

- een spreekplan opstellen;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

29 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag;

- vertrouwd zijn met de opbouw van een gesproken tekst (redundantie, onvolledige zinnen,...).

30 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- bij het uitvoeren van de gesprekstaak simultaan receptieve en productieve vaardigheden inzetten;

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- het op een andere wijze zeggen;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben;

- navragen bij de gesprekspartner of hun formulering correct is.

Attitudes

31 * De leerlingen zijn bereid :

- goed te luisteren om tot goed spreken te komen;

- het woord te nemen en deel te nemen aan een gesprek;

- lexicale en grammaticale correctheid na te streven;

- een gevarieerd taalgebruik na te streven.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

- de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze samenvatten bij eenvoudige beluisterde en niet al te complexe gelezen informatieve, narratieve en argumentatieve teksten.

- op overzichtelijke en persoonlijke wijze een verslag schrijven over een eigen ervaring, een situatie en een gebeurtenis.

- een niet al te complexe informele en formele brief, nota en e-mail schrijven.

- een beredeneerd standpunt verwoorden over een vertrouwd onderwerp.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 32 - 35 :

- hebben te maken met de eigen belevingswereld en met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn samenhangend en overzichtelijk opgebouwd;

- vertonen een vrije hoge vormcorrectheid bij voorspelbaar taalgebruik (standaardformules).

De leerlingen kunnen

36 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het zo correct mogelijk uitvoeren van de schrijftaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

37 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- een schrijfplan opstellen;

- passende lay-out gebruiken;

- bij een gemeenschappelijke schrijftaak taken verdelen, met elkaar overleggen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

38 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen;

- vertrouwd zijn met de opbouw van een geschreven tekst.

39 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT;

- gebruik maken van een model. Attitudes

40 * De leerlingen zijn bereid :

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en om van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken;

- lexicale en grammaticale correctheid na te streven;

- een gevarieerd taalgebruik na te streven.

E. MODERNE VREEMDE TALEN - ASO (30)

DUITS (31)

Het voorliggende pakket eindtermen beantwoordt aan de decretale situatie waarbij in de basisvorming in de derde graad ASO, Duits als tweede moderne vreemde taal kan worden gekozen i.p.v. Engels.

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren en de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen bij :

- eenvoudige informatieve teksten zoals een radio- en tv-nieuwsitem, een mededeling, een weerbericht;

- eenvoudige prescriptieve teksten zoals een publieke aankondiging, een instructie, een reclameboodschap;

- eenvoudige, door beeldmateriaal ondersteunde narratieve teksten zoals een (reis)reportagefragment, een documentairefragment, een film-/feuilletonfragment;

- eenvoudige artistiek-literaire teksten zoals een lied/chanson/song, een toneelfragment.

2 de informatie die een gesprekspartner aanbrengt voldoende begrijpen om een eenvoudig gesprek en een eenvoudig telefoongesprek te voeren.

De teksten m.b.t. eindtermen 1 -2 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld, maar ook met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn over het algemeen nog vrij kort en geven doorgaans redundante informatie;

- worden in een natuurlijk spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

3 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak en spreekritme;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Duitstalige wereld.

4 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het luisterdoel bepalen;

- hypothesen en luisterverwachtingen vormen;

- het luistergedrag afstemmen op het luisterdoel;

- zich niet laten afleiden als ze in een klankstroom niet alles begrijpen;

- aantekeningen maken.

5 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag;

- het taalgebruik van de spreker (formeel, informeel, vertrouwelijk) kunnen inschatten in duidelijke situaties;

- vertrouwd zijn met het eigene van de spreektaal (redundantie, onvolledige zinnen,...).

6 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van beeldmateriaal, (lexicale) context, redundantie;

- kunnen zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen, iets op te schrijven;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben.

Attitudes

7 * De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de spreker;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

8 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren, de tekststructuur en -samenhang herkennen bij :

- eenvoudige informatieve teksten zoals een schema, een tabel, een mededeling, een folder, een formulier, een vragenlijst, een krantenartikel, een tijdschriftartikel, een brief, een e-mail;

- eenvoudige prescriptieve teksten zoals een instructie, een opschrift, een waarschuwing, een gebruiksaanwijzing, een reclameboodschap;

- eenvoudige narratieve teksten zoals een reportage, een (reis)verhaal;

- eenvoudige artistiek-literaire teksten zoals een stripverhaal, een kortverhaal, een jeugdromanfragment, een gedicht, een toneelfragment.

9 de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen bij eenvoudige informatieve teksten zoals een krantenartikel, een tijdschriftartikel.

De teksten m.b.t. eindtermen 8 -9 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld, maar ook met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven doorgaans redundante informatie, maar kunnen ook impliciete informatie bevatten;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

10 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Duitstalige wereld.

11 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- hypothesen vormen op basis van lay-out (b.v. subtitels, foto's, onderschriften);

- het leesgedrag afstemmen op het leesdoel;

- zich niet laten afleiden als ze in een tekst niet alles begrijpen;

- tekstmarkeringen aanbrengen met het oog op het leesdoel;

- op basis van het gelezene anticiperen op het vervolg.

12 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik).

13 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- gebruik maken van beeldmateriaal, (lexicale) context, redundantie;

- doelmatig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen.

Attitudes

14 * De leerlingen zijn bereid :

- de nodige leesbereidheid op te brengen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- grondig en onbevooroordeeld te lezen;

- zich in te leven in de socio-culturele wereld van de schrijver;

- ook buiten de klascontext Duitse teksten te lezen.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

15 informatie geven over zichzelf, hun omgeving en hun leefwereld en soortgelijke informatie vragen.

16 een spontane mening/appreciatie geven over een vertrouwd onderwerp.

17 een eenvoudige beschrijving geven van een situatie.

18 een eenvoudig verslag uitbrengen over een eigen ervaring en een gebeurtenis.

19 een beluisterde en gelezen informatieve en narratieve tekst navertellen.

20 adequaat reageren in een eenvoudig rechtstreeks gesprek en een eenvoudig telefoongesprek.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 15 - 20 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld, maar ook met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn eenvoudig geformuleerd en gestructureerd;

- kunnen al een relatief langere bijdrage vormen in een gesprek;

- worden reeds met de zekere vlotheid maar nog vrij langzaam uitgesproken;

- getuigen meer van doeltreffendheid dan van vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

21 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak en spreekritme;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Duitstalige wereld.

22 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategiën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg en ze verwerken;

- het spreekdoel bepalen;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

23 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

24 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- de boodschap op een andere wijze formuleren;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen; vragen om langzamer te spreken; om iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen, iets op te schrijven;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben.

Attitudes

25 * De leerlingen zijn bereid :

- goed te luisteren om tot goed spreken te komen;

- het woord te nemen en deel te nemen aan een gesprek;

- lexicale en grammaticale vormcorrectheid na te streven.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

26 voor hen functionele formulieren en vragenlijsten invullen.

27 de inhoud globaal weergeven van gelezen informatieve teksten.

28 een spontane mening/appreciatie verwoorden over een vertrouwd onderwerp.

29 een eenvoudige mededeling, brief en e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 26 - 29 :

- hebben voornamelijk te maken met de eigen belevingswereld, maar ook met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn eenvoudig geformuleerd en overzichtelijk opgebouwd;

- getuigen meer van doeltreffendheid dan van vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

30 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Duitstalige wereld.

31 bij de planning, uitvoering en evaluatie van hun schrijftaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- rekening houden met het doelpubliek;

- een schrijfplan opstellen;

- passende lay-out gebruiken;

- bij een gemeenschappelijke schrijftaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

32 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out interpreteren.

33 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT of modellen.

Attitudes

34 * De leerlingen zijn bereid :

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vormcorrectheid en inhoud;

- van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken.

F. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF CHEMIE EN/OF BIOLOGIE - ASO (32)

I. Gemeenschappelijke eindtermen voor wetenschappen Gemeenschappelijke eindtermen gelden voor het geheel van de wetenschappen en worden op een voor de derde graad aangepast beheersingsniveau aangeboden.

1. Onderzoekend leren/leren onderzoeken

Met betrekking tot een concreet wetenschappelijk of toegepast wetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen kunnen de leerlingen

1 relevante parameters of gegevens aangeven, hierover informatie opzoeken en deze oordeelkundig aanwenden.

2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven hoe deze kan worden onderzocht.

3 voorwaarden en omstandigheden die een hypothese (bewering, verwachting) weerleggen of ondersteunen, herkennen of aangeven.

4 ideeën en informatie verzamelen om een hypothese (bewering, verwachting) te testen en te illustreren.

5 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden, inschatten.

6 aangeven welke factoren een rol kunnen spelen en hoe ze kunnen worden onderzocht.

7 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de te verwachte, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden.

8 resultaten van experimenten en waarnemingen verantwoord en bij wijze van hypothese, veralgemenen.

9 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden.

10 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen.

11 waarnemings- en andere gegevens mondeling en schriftelijk verwoorden en weergeven in tabellen, grafieken, schema's of formules.

12 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er een verslag over uitbrengen.

2. Wetenschap en samenleving

De leerlingen kunnen met betrekking tot de vakinhoudelijke eindtermen

13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen.

14 met een voorbeeld verduidelijken hoe de genese en de acceptatie van nieuwe begrippen en theorieën verlopen.

15 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren.

16 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen.

17 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren.

18 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen.

19 met een voorbeeld de wisselwerking tussen natuurwetenschappelijke en filosofische opvattingen over de werkelijkheid illustreren.

20 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn.

21 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren.

3. Attitudes

De leerlingen

22 * zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden.

23 * houden rekening met de mening van anderen.

24 * zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen.

25 * zijn bereid om samen te werken.

26 * onderscheiden feiten van meningen of vermoedens.

27 * beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief.

28 * trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden.

29 * hebben aandacht voor het correct en nauwkeurig gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data.

30 * zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment.

31 * houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten.

II. Vakgebonden eindtermen biologie

1. Algemene eindtermen

Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan een welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

De leerlingen kunnen

B 1 kenmerken van een gezonde levenswijze verklaren.

B 2 illustreren dat biologisch verantwoord handelen noodzakelijk is voor het individu.

B 3 een kritisch oordeel formuleren over de wisselwerking tussen biologische en maatschappelijke ontwikkelingen.

B 4 macroscopische en microscopische observaties verrichten in het kader van experimenteel biologisch onderzoek.

B 5 biologische verbanden in schema's of andere ordeningsmiddelen weergeven.

B 6 informatie op gedrukte en elektronische dragers opzoeken, raadplegen en zelfstandig verwerken.

B 7 studie- en beroepsmogelijkheden opnoemen waarvoor biologische kennis noodzakelijk is.

B 8 * De leerlingen hebben aandacht voor de eigen gezondheid en die van anderen.

2. Vakinhoudelijke eindtermen

De vakinhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van biologie als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

2.1. De cel

De leerlingen kunnen

B 9 celorganellen, zowel op lichtmicroscopisch als op elektronenmicroscopisch niveau, benoemen en functies ervan aangeven.

B 10 met behulp van eenvoudige voorstellingen de bouw van sachariden, lipiden, proteïnen, nucleïnezuren, mineralen en water verduidelijken, en hun belang voor de celstructuur en het celmetabolisme aan de hand van een voorbeeld toelichten.

B 11 verschilpunten tussen mitose en meiose opsommen en het belang van beide soorten delingen aantonen.

B 12 in een celcyclus de DNA-replicatie situeren en het verloop ervan uitleggen.

B 13 de eiwitsynthese beschrijven.

2.2. Voortplanting

De leerlingen kunnen

B 14 primaire en secundaire geslachtskenmerken bij man en vrouw beschrijven en hun biologische betekenis toelichten.

B 15 de rol van geslachtshormonen bij de menstruatiecyclus en bij de gametogenese toelichten.

B 16 methoden van regeling van de vruchtbaarheid beschrijven en hun betrouwbaarheid bespreken.

B 17 het verloop van de bevruchting, de ontwikkeling van de vrucht en de geboorte beschrijven en de invloed van externe factoren op de ontwikkeling bespreken.

2.3. Genetica

De leerlingen kunnen

B 18 de wetten van Mendel mendelwetten toepassen op voorbeelden, ook bij de mens.

B 19 overkruising, geslachtsgebonden genen, gekoppelde genen en genenkaarten aan de hand van voorbeelden toelichten.

B 20 implicaties van verschillende types mutaties toelichten aan de hand van voorbeelden bij de mens.

B 21 aan de hand van een voorbeeld uitleggen dat de mens door ingrijpen op niveau van het DNA genetische eigenschappen kan wijzigen.

2.4. Evolutie

De leerlingen kunnen

B 22 aanwijzingen voor biologische evolutie formuleren.

B 23 uitleggen hoe, volgens hedendaagse opvattingen over evolutie, nieuwe soorten ontstaan.

B 24 de biologische evolutie van de mens toelichten.

III. Vakgebonden eindtermen chemie

1. Algemene eindtermen

Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan een welbepaalde vakinhoud zijn gebonden.

De leerlingen kunnen

C 1 een determineertabel gebruiken met minstens volgende stofklassen

Stofklassen

Algemene formule Naam R-H Alkanen R-CH=CH-R' Alkenen R-C-C-R' Alkynen R-OH Alcoholen (Alkanolen) R-X Halogeniden (Halogeenalkanen) R-NH2 Aminen (Alkaanaminen) R-CHO Aldehyden (Alkanalen) R-CO-R' Ketonen (Alkanonen) R-COOH Carbonzuren (Alkaanzuren) R-COO-R' Esters (Alkylalkanoaten) R-CO-NH2 Amiden (Alkaanamiden) R-O-R' Ethers (Alkoxyalkanen)

C 2 veilig en verantwoord omgaan met stoffen en chemisch afval, gevarensymbolen interpreteren en R- en S-zinnen opzoeken.

C 3 met eenvoudig materiaal een neutralisatiereactie en een redoxreactie uitvoeren.

C 4 de aanwezigheid van een stof vaststellen met behulp van een gegeven identificatiemethode.

C 5 chemische informatie in gedrukte bronnen en langs elektronische weg systematisch opzoeken, en met behulp van ICT weergeven in grafieken, diagrammen of tabellen.

C 6 het belang van chemische kennis in verschillende opleidingen en beroepen illustreren.

2. Vakinhoudelijke eindtermen

De vakinhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van chemie als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

2.1. Structuur en eigenschappen van de materie

De leerlingen kunnen

C 7 koolstofverbindingen aan de hand van een gegeven structuurformule of naam toewijzen aan een stofklasse met behulp van een determineertabel.

C 8 gegeven eigenschappen van monofunctionele koolstofverbindingen in verband brengen met karakteristieke groep en koolstofskelet.

C 9 het begrip isomerie uitleggen aan de hand van representatieve voorbeelden van structuur- en stereo-isomerie uitleggen.

C 10 het oplosproces in verband brengen met het polaire of apolaire karakter van de opgeloste stof en het oplosmiddel.

2.2. Chemische interactie tussen deeltjes

De leerlingen kunnen

C 11 in een gegeven zuur-base-evenwicht de betrokken deeltjes, op basis van de protonenoverdracht, identificeren als zuur of als base.

C 12 in een gegeven redoxevenwicht de betrokken deeltjes, op basis van de elektronenoverdracht, identificeren als oxidator of als reductor.

C 13 een reactie uit de koolstofchemie, die volgens een eenvoudig model is voorgesteld, toewijzen aan één van de volgende reactietypes : substitutie, additie, eliminatie, condensatie, vorming van macromolecule, skeletafbraak.

C 14 voor een aflopende reactie, waarvan de reactievergelijking gegeven is, en op basis van gegeven stofhoeveelheden of massa's, de stofhoeveelheden en massa's bij de eindsituatie berekenen.

2.3. Dynamiek van chemische processen reacties

De leerlingen kunnen

C 15 de invloed van snelheidsbepalende factoren van een reactie verklaren in termen van botsingen tussen deeltjes en van activeringsenergie.

C 16 het onderscheid tussen een evenwichtsreactie en een aflopende reactie beschrijven.

C 17 de evolutie van een reactie in evenwicht voorspellen na een verstoring van het evenwicht door verandering van temperatuur of van concentratie.

2.4. Chemische analyse

De leerlingen kunnen

C 18 van volgende stoffen of mengsels een typische toepassing of eigenschap aangeven :

- methaan, wasbenzine, white spirit, paraffine

- methanol, ethanol, glycerol, glycol

- azijnzuur

- natriumhypochloriet, waterstofperoxide

- een buffermengsel.

C 19 een gemeten of gegeven pH van een oplossing in verband brengen met de concentratie aan oxonium- en aan hydroxide-ionen.

C 20 de verschillende stappen van een chemische analyse (nemen van een representatief staal, voorbereiden en uitvoeren van de analyse, interpreteren van de resultaten) beschrijven en met een voorbeeld illustreren.

IV. Vakgebonden eindtermen fysica

1. Algemene eindtermen Algemene eindtermen zijn vakgebonden eindtermen die niet aan één welbepaalde vakinhoud zijn gebonden. De leerlingen kunnen

F 1 grootheden uit onderstaande tabel

- benoemen;

- de eenheid ervan aangeven;

- definiëren in woorden en met behulp van de formule de eenheid aangeven;

- het verband leggen tussen deze eenheid en de basiseenheden uit het SI-eenhedenstelsel;

- de formule toepassen. Grootheid Symbool Eenheid Formule Versnelling bij E.V.R.B. a m/s² A = Dv/Dt Snelheid bij E.C.B. v m/s v = 2pr/T Periode T s Frequentie f Hz f = 1/T Hoeksnelheid bij E.C.B. w rad/s w = 2p/T Centripetaalversnelling a m/s2 a = v²/r Neutronental N Atoomnummer Z Massagetal A a = Z+N Lading Q C Halveringstijd T1/2 s Stralingsactiviteit A Bq Magnetische inductie B T Geluidsniveau L dB Uitwijking van H.T. y(t) = Asinwt of s(t) = rsinwt Golflengte l m l = vT Golfsnelheid v m/s V = lf Elektrische spanning U V U = W/Q Elektrische stroomsterkte I A I = DQ/Dt Ohmse weerstand R W R = U/I Vermogen bij ohmse weerstand P W P =U I

F 2 het belang van behoudswetten illustreren (energie en lading).

F 3 met voorbeelden uitleggen dat opeenvolgende energieomzettingen, met de daarmee gepaard gaande degradatie van energie, de evolutie van het fysische systeem bepaalt.

F 4 in concrete toepassingen de grootteorde van fysische grootheden aangeven.

F 5 aangeven met welk meetinstrument volgende fysische grootheden gemeten kunnen worden : geluidsniveau, magnetische inductie, stralingsactiviteit en de meetinstrumenten voor spanning en stroomsterkte hanteren.

F 6 fysische informatie in gedrukte bronnen en langs elektronische weg systematisch opzoeken en weergeven in grafieken, diagrammen of tabellen, desgevallend met behulp van ICT.

F 7 het belang van fysische kennis in verschillende opleidingen en beroepen illustreren.

2. Vakinhoudelijke eindtermen

De inhoudelijke eindtermen worden gerealiseerd in leersituaties die op een evenwichtige wijze steunen op de pijlers van fysica als wetenschap, als maatschappelijk verschijnsel en als toegepaste en praktische wetenschap.

2.1. Beweging en kracht

De leerlingen kunnen

F 8 de beweging van een voorwerp beschrijven in termen van positie, snelheid en versnelling (eenparig versnelde en eenparig cirkelvormige beweging).

F 9 de invloed van de resulterende kracht en van de massa op de verandering van de bewegingstoestand van een voorwerp kwalitatief en kwantitatief beschrijven.

F 10 de wet van behoud van energie toepassen.

2.2. Materie en straling

De leerlingen kunnen

F 11 de effecten van de interactie tussen elektromagnetische straling en materie beschrijven aan de hand van verschijnselen zoals het foto-elektrisch effect en elektromagnetische spectra.

F 12 de oorsprong en enkele toepassingen van natuurlijke en kunstmatig opgewekte ioniserende straling beschrijven.

F 13 a, b, y-straling van elkaar onderscheiden op basis van hun eigenschappen (aard, lading, energie); het vervalproces waarbij ze uit een radionuclide worden gevormd beschrijven en dit proces karakteriseren met behulp van de halveringstijd.

2.3. Trillingen en golven

De leerlingen kunnen

F 14 de oorzaak en eigenschappen van een harmonische trilling omschrijven en in concrete voorbeelden illustreren.

F 15 met behulp van het golfmodel interferentie, terugkaatsing en breking van licht of geluid beschrijven.

F 16 de energieoverdracht door mechanische en elektromagnetische golven aan de hand van verschillende verschijnselen, waaronder resonantie, illustreren.

2.4. Elektriciteit en magnetisme

De leerlingen kunnen

F 17 het verband leggen tussen elektrische spanning, verandering van elektrische potentiële energie en elektrische lading.

F 18 voor een geleider in een gelijkstroomkring het verband tussen spanning, stroomsterkte en weerstand toepassen.

F 19 de energieomzettingen in elektrische schakelingen met voorbeelden illustreren en het vermogen berekenen.

F 20 met voorbeelden illustreren dat ladingen in beweging aanleiding geven tot magnetische krachten.

F 21 met behulp van de magnetische kracht de werking van een motor beschrijven.

F 22 met behulp van elektromagnetische inductie de werking van de generator beschrijven.

G. NEDERLANDS - ASO (33)

1. Luisteren

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen en probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten en ze kunnen die schriftelijk weergeven (cf. schrijven).

2 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau via diverse media en multimediale informatiedragers luisteren naar de volgende tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek :

- diverterende teksten zoals praatprogramma's;

- informatieve teksten, zoals verslagen van feiten en ervaringen;

- persuasieve teksten, zoals standpunten en meningen in probleemoplossende discussies;

- activerende teksten, zoals reclameboodschappen.

3 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

4 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de luistertaken kunnen de leerlingen :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- onderwerp en hoofdgedachte identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- bijkomende informatie vragen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen (koppeling kijken);

- het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

5 De leerlingen kunnen de geschikte luisterstrategieën toepassen naar gelang van hun luisterdoel(en), achtergrondkennis en tekstsoort (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

6 * De leerlingen zijn bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/gesprekken voeren

7 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in de schoolvakken.

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek :

- instructies geven;

- gedocumenteerde informatie presenteren;

- een sollicitatiegesprek voeren.

9 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren (rechtstreeks of door middel van de telefoon);

- standpunten/meningen of oplossingen voor problemen uiteenzetten en motiveren in een gedachtewisseling, discussie, (werk)vergadering;

- gevoelens in een gepast register uitdrukken en persoonlijke ervaringen presenteren;

- activerende boodschappen formuleren.

10 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de spreektaken/gesprekstaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;

- zich een beeld vormen van hun publiek;

- hun voorkennis inzetten;

- naargelang van de spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag inschatten en inzetten;

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

11 * De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

12 De leerlingen kunnen op structurerend niveau formulieren en administratieve teksten voor een onbekend publiek lezen.

13 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau teksten met studiedoeleinden voor onbekende leeftijdgenoten lezen.

14 De leerlingen kunnen volgende tekstsoorten voor een onbekend publiek op beoordelend niveau lezen :

- niet-fictionele teksten :

- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen : zoals schema's en tabellen, verslagen, hyperteksten en uiteenzettingen;

- persuasieve teksten : zoals een opiniestuk, een betoog;

- activerende teksten : zoals reclameteksten en advertenties, instructies.

- fictionele teksten (cf. literatuur).

15 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

16 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun taken kunnen de leerlingen :

- hun eigen leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- de tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de structuur van een tekst aanduiden;

- onderwerp en hoofdgedachten aanduiden en parafraseren om tekstbegrip te bevorderen;

- gelezen teksten kort samenvatten;

- feiten en meningen onderscheiden;

- argumenten in een tekst op hun waarde en relevantie beoordelen;

- info selecteren en gebruiken met behulp van verschillende informatiekanalen.

17 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van hun leesdoel en tekstsoort, en ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

18 * De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen;

- lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- te reflecteren op inhoud en vorm van de teksten;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren, in vraag te stellen en eventueel te herzien.

4. Schrijven

19 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek tekstsoorten schrijven zoals :

- schema's en samenvattingen van gelezen en beluisterde informatie en studieteksten;

- instructies;

- uitnodigingen.

20 De leerlingen kunnen voor een onbekend publiek op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven zoals :

- verslagen;

- sollicitatiebrieven en cv's;

- zakelijke brieven;

- gedocumenteerde en beargumenteerde teksten.

21 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun schrijftaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen schrijfdoel(en) bepalen;

- hun bedoeld publiek bepalen;

- hun tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren;

- inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- lay-out verzorgen;

- correct citeren (bronvermelding);

- gebruik maken van ICT.

22 * De leerlingen zijn bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren over inhoud en vorm van hun eigen schrijfproces en -product;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

23 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende en tekstbestuderende manier van lezen :

- literaire teksten uit heden en verleden interpreteren, analyseren en evalueren. Zij kunnen daarbij verbanden leggen :

- binnen teksten;

- tussen teksten;

- tussen teksten en het brede socioculturele veld;

- tussen tekst en auteur;

- tussen teksten en hun multimediale vormgeving;

- verslag uitbrengen over de eigen ervaringen met literaire teksten uit heden en verleden en kunnen deze ervaringen toetsen aan andere interpretaties van en aan waardeoordelen over teksten. In de hierbovenvermelde activiteiten komen aan bod :

- poëzie, proza;

- theatervoorstelling.

24 De leerlingen kunnen hun tekstkeuze en hun leeservaring beschrijven, evalueren en documenteren in een leesdossier.

25 De leerlingen kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en verwerken. Zij kunnen hierbij gebruik maken van informatiekanalen : bibliotheek, kranten en tijdschriften, radio- en tv-programma's, internet en cd-rom.

26 De leerlingen kunnen bij deze activiteiten gebruik maken van de gepaste leesstrategieën (cf. eindterm 17).

27 De leerlingen kunnen doelbewust gegevens, begrippen en werkwijzen hanteren om de bovengenoemde taken uit te voeren.

28 * De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen leeservaring met anderen te spreken en erover te schrijven;

- hun leeservaring in maatschappelijke context(en) te plaatsen;

- hun persoonlijke leeservaring te toetsen aan die van anderen.

6. Taalbeschouwing

29 De leerlingen kunnen in het taalgebruik volgende taalverschijnselen herkennen, benoemen en bespreken :

- register, sociaal bepaalde varianten, regionale varianten, vaktalen;

- non-verbale elementen;

- een aantal tekststructuren : evaluatie-, probleem-, maatregel- en onderzoeksstructuur.

30 De leerlingen kunnen een betoog op controleerbaarheid en samenhang beoordelen en drogredenen onderkennen.

31 De leerlingen kunnen de onderlinge samenhang tussen belangrijke componenten (morfologie, syntaxis, semantiek) van het taalsysteem herkennen, benoemen en bespreken.

32 De leerlingen kunnen de invloed van maatschappij, geschiedenis en politiek op het taalgebruik en taalsysteem herkennen en bespreken.

33 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen en kunnen die hanteren. Het gaat om het gebruik van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

34 De leerlingen kennen de principes van ons spellingsysteem.

35 De leerlingen kunnen hun taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

36 * De leerlingen zijn bereid om over hun taalgebruik en het taalsysteem na te denken.

H. WISKUNDE - ASO (34)

1. Algemene eindtermen

De leerlingen kunnen

1 wiskundetaal begrijpen en gebruiken.

2 wiskundige informatie analyseren, schematiseren en structureren.

3 eenvoudig mathematiseerbare problemen ontleden (onderscheid maken tussen gegevens en gevraagde, de relevantie van de gegevens nagaan en verbanden leggen ertussen) en vertalen naar een passende wiskundige context.

4 wiskundige problemen planmatig aanpakken (door eventueel hiërarchisch op te splitsen in deelproblemen).

5 bij het oplossen van wiskundige problemen kritisch reflecteren over het oplossingsproces en het eindresultaat.

6 voorbeelden geven van reële problemen die met behulp van wiskunde kunnen worden opgelost.

7 bij het oplossen van wiskundige problemen functioneel gebruik maken van ICT.

8 voorbeelden geven van de rol van de wiskunde in de kunst.

9 kennis, inzicht en vaardigheden die ze verwerven in wiskunde bij het verkennen, vertolken en verklaren van problemen uit de realiteit gebruiken.

10 kunnen informatie inwinnen over het aandeel van wiskunde in een vervolgopleiding van hun voorkeur en in hun voorbereiding erop.

De leerlingen

11 * leggen een zin voor nauwkeurigheid aan de dag bij het hanteren en het toepassen van wiskunde.

12 * ontwikkelen zelfregulatie met betrekking tot het verwerven en verwerken van wiskundige informatie en het oplossen van problemen.

13 * zijn gericht op samenwerking om de eigen mogelijkheden te vergroten.

2. Reële functies

De leerlingen

14 lezen op een grafiek af :

- eventuele symmetrieën,

- het stijgen, dalen of constant zijn,

- het teken,

- de eventuele nulwaarden,

- de eventuele extrema.

De leerlingen kunnen

15 bij veeltermfuncties

- de afgeleide gebruiken als maat voor de ogenblikkelijke veranderlijke

- met behulp van een intuïtief begrip van limiet het verband leggen tussen :

- het begrip afgeleide,

- het begrip differentiequotiënt,

- de richting van de raaklijn aan de grafiek.

16 de afgeleide berekenen van de functies f(x)=x, f(x)=x² , f(x)=x³ en de bekomen uitdrukking veralgemenen naar functies f(x)=xn waarbij n een natuurlijk getal is.

17 de som- en de veelvoudregel toepassen om de afgeleide functie te bepalen van een veeltermfunctie.

18 bij veeltermfuncties de afgeleide functie gebruiken voor het bestuderen van het veranderingsgedrag en voor het opzoeken of verifiëren van extreme waarden en het verband leggen tussen de afgeleide functie en bijzonderheden van de grafiek.

19 het begrip afgeleide herkennen in situaties buiten de wiskunde.

20 bij een eenvoudig vraagstuk dat te herleiden is tot het bepalen van extrema van een veeltermfunctie, een veranderlijke kiezen, het functievoorschrift opstellen en de extrema bepalen.

21 de uitdrukking ab , met a>0 en b rationaal, uitleggen.

22 de grafiek tekenen van de functie f(x)=ax (zonodig met behulp van ICT), en domein, bereik, bijzondere waarden, stijgen/dalen en asymptotisch gedrag aflezen.

23 voor geschikte domeinen een verband leggen tussen de functies f(x)=x² en f(x)=Öx, f(x)=x³ en f(x)=³Öx en naar analogie tussen de functies f(x)=xn en f(x)= nÖx en tussen de functies f(x)=ax en f(x)=alog(x).

24 uit de betrekking ab =c de derde veranderlijke berekenen als de twee andere gegeven zijn (eventueel met behulp van ICT).

25 lineaire en exponentiële groeiprocessen onderzoeken en bij exponentiële groei concrete problemen oplossen waarbij berekeningen dienen uitgevoerd te worden met betrekking tot beginwaarde, groeifactor en groeipercentage.

26 het verband leggen tussen graden en radialen.

27 de grafiek tekenen van de functie f(x)=sinx op basis van de goniometrische cirkel.

28 voor de functie f(x)=sinx, domein, bereik, periodiciteit, stijgen/dalen en extrema aflezen van de grafiek.

29 de grafieken opbouwen van de functies f(x)=a sin(bx+c) en daarop a, b en c interpreteren. 30 vergelijkingen van de vorm sinx=k grafisch oplossen.

31 bij het oplossen van een probleem, waarbij gebruik gemaakt wordt van bestudeerde functionele verbanden, een functievoorschrift, een vergelijking of een ongelijkheid opstellen.

32 tabellen en grafieken bij bestudeerde functies als hulpmiddel gebruiken om functievoorschriften, vergelijkingen en ongelijkheden te interpreteren.

3. Statistiek

De leerlingen kunnen

33 in betekenisvolle situaties, gebruik maken van een normale verdeling als continu model bij data met een klokvormige frequentieverdeling en het gemiddelde en de standaardafwijking van de gegeven data gebruiken als schatting voor het gemiddelde en de standaardafwijking van deze normale verdeling.

34 het gemiddelde en de standaardafwijking van een normale verdeling grafisch interpreteren.

35 grafisch het verband leggen tussen een normale verdeling en de standaardnormale verdeling.

36 bij een normale verdeling de relatieve frequentie interpreteren van een verzameling gegevens met waarden tussen twee gegeven grenzen, met waarden groter dan een gegeven grens of met waarden kleiner dan een gegeven grens als de oppervlakte van een gepast gebied.

VIII. VAKGEBONDEN EINDTERMEN DERDE GRAAD - BSO

A. LICHAMELIJKE OPVOEDING - BSO (35)

1. Ontwikkeling van de motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen kunnen

1 in nieuwe bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen door gezamenlijk afgesproken veiligheidsregels toe te passen.

2 medeleerlingen helpen wanneer de bewegingssituatie dit vereist.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen kunnen

3 uit een aanbod een aan hun mogelijkheden aangepaste leerweg kiezen voor het aanpakken en oplossen van bewegingsopdrachten.

4 zelfstandig leertaken uitvoeren om een bewegingsopdracht tot een goed einde te brengen, rekening houdend met hun eigen kunnen.

5 bewegingssituaties alleen of in groep organiseren en aanpassen aan de deelnemers.

6 volgens vooropgestelde criteria bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken bij het uitvoeren van bewegingsopdrachten en hun leerproces bijsturen.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen kunnen

7 op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria, bij zichzelf en anderen, aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt en eenvoudige oplossingen geven.

8 over bewegingssituaties hun mening geven, bewegingservaringen uitwisselen en hieruit conclusies trekken voor hun eigen uitvoering.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden

De leerlingen kunnen

9 eerder geleerde vaardigheden uit verschillende bewegingsgebieden toepassen in andere bewegingscontexten.

10 motorische eigenschappen op een inzichtelijke wijze gebruiken in bewegingscombinaties met en zonder toestellen, alleen en met anderen.

11 met gekende motorische vaardigheden een creatieve combinatie samenstellen en uitvoeren, alleen of met anderen.

12 gekende motorische vaardigheden uitvoeren op een hoger beheersingsniveau zoals :

- een betere controle;

- een meer esthetische uitvoering;

- een hogere moeilijkheidsgraad;

- een grotere efficiëntie.

13 in aangepaste vormen van een doelspel of een terugslagspel eenvoudige aanvallende en verdedigende strategieën toepassen.

14 * kritisch omgaan met het bewegingsaanbod in hun leefomgeving.

De leerlingen

15 * ervaren duurzame bewegingsvreugde op basis van competente deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten.

2. Ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen kunnen

16 het verband leggen tussen bewegen, gezondheid en samenleving.

17 hun kennis rond reanimatie vertalen naar risicovolle bewegingssituaties.

18 eerste hulp bieden bij ongevallen in bewegingssituaties.

19 basisregels van houdings- en rugscholing integreren in nieuwe bewegingssituaties en in werk- en studiesituaties.

20 met betrekking tot "fitheid" hun eigen doelen bepalen.

De leerlingen

21 * zijn bereid "bewegen" te integreren in hun levensstijl en zijn zich bewust van verschillende mogelijkheden hiervoor.

22 * zien het belang in van een goede fysieke conditie.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen kunnen

23 in bewegingssituaties leiding nemen over en leiding aanvaarden van medeleerlingen.

24 samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school.

25 aanduiden in welke bewegingsactiviteiten ze zich goed voelen en welke bewegingsactiviteiten het best aansluiten bij hun fysieke en relationele mogelijkheden.

B. PROJECT ALGEMENE VAKKEN - BSO (36)(37)

1. Functionele taalvaardigheid

De leerlingen kunnen

1 uit mondelinge en schriftelijke informatie de essentie halen.

2 over die informatie reflecteren en ze evalueren.

3 ingewonnen informatie mondeling gebruiken.

4 mondeling argumenteren.

5 eenvoudige informatie schriftelijk formuleren.

6 zich mondeling duidelijk uiten.

2. Functionele rekenvaardigheid

De leerlingen kunnen

7 evenredigheden functioneel toepassen met o.a. :

- het principe van de regel van drieën,

- percentrekenen,

- schaalgebruik.

8 in praktische situaties de verworven wiskundige denkmethodes uit de tweede graad zelfstandig toepassen (o.a. ordenen, schematiseren, structureren).

9 in functionele situaties op adequate wijze spontaan en zelfstandig metingen uitvoeren.

10 * spontaan en zelfstandig metingen, rekeningen en bewerkingen controleren.

3. Functionele informatieverwerving en -verwerking

De leerlingen kunnen

11 relevante informatie in concrete situaties vinden, selecteren en gebruiken.

12 informatie uit uiteenlopend tekstmateriaal begrijpen en gebruiken.

13 * spontaan gebruik maken van voor hen relevante informatie- en communicatietechnologie (ICT).

4. Organisatiebekwaamheid

De leerlingen

14 zien in dat ze keuzes moeten maken om hun leven adequaat te organiseren.

15 kunnen opdrachten zelfstandig plannen, organiseren, uitvoeren, evalueren en indien nodig bijsturen.

16 kunnen bij groepsopdrachten

- overleggen en actief deelnemen;

- in teamverband instructies uitvoeren;

- reflecteren en bijsturen.

5. Tijd- en ruimtebewustzijn

De leerlingen

17 zien in op grond van de actualiteit en eigen ervaringen :

- dat er een verband bestaat tussen verleden, heden en toekomst;

- dat er culturele verschillen zijn in het dagelijks leven van mensen.

18 kennen relevante facetten van hun eigen streek.

19 kunnen belangrijke wereldproblemen herkennen en bespreken.

6. Maatschappelijk en ethisch bewustzijn, weerbaarheid en verantwoordelijkheid

De leerlingen

20 kunnen solliciteren.

21 kennen in hun eigen regio de dienstverlening van de belangrijkste maatschappelijke instellingen en kunnen er gebruik van maken.

22 zien het belang in van maatschappelijk relevante formulieren en procedures.

23 kunnen maatschappelijk relevante formulieren lezen, invullen en controleren.

24 kunnen maatschappelijk relevante procedures toepassen.

25 kennen de voor hen relevante aspecten van de sociale wetgeving en het arbeidsrecht.

26 kunnen geld beheren en bankieren.

27 kunnen een gezinsbudget opmaken en reflecteren over het beheer ervan.

28 zien het belang in van levenslang leren.

29 * zijn ingesteld op een bewust en verantwoord consumentengedrag.

30 * zijn verkeersverantwoordelijk.

31 * zijn gemotiveerd om te zorgen voor de eigen gezondheid en het eigen welzijn en dat van anderen.

32 * nemen spontaan een veilige houding aan in dagelijkse situaties.

IX. VAKGEBONDEN EINDTERMEN DERDE GRAAD - KSO

A. AARDRIJKSKUNDE - KSO (38)

1. Kennis

De leerlingen kunnen

1 een verscheidenheid aan ruimtelijke wetenschappen verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen.

2 met een voorbeeld aantonen dat een afbeelding of kaart een gecodeerde voorstelling is van de werkelijkheid.

3 met een toepassing van GIS de betekenis ervan voor de samenleving illustreren.

4 bewegingen in het zonnestelsel en gevolgen ervan op aarde aangeven.

5 met een toepassing uit het ruimteonderzoek, het maatschappelijk nut ervan illustreren.

6 weer en klimaat in verband brengen met opbouw van en met processen in de atmosfeer.

7 de invloed van menselijke activiteiten op het milieu zoals : broeikaseffect, natuurrampen, zure regen, waterbeheersing, bodemdegradatie en -verbetering met voorbeelden illustreren.

8 de geofysische opbouw van de aarde en de platentektoniek beschrijven en gevolgen ervan zoals : de ligging van oceanen en continenten, vulkanisme en aardbevingen en bepaalde klimaatsveranderingen verklaren.

9 eenvoudige reliëfvormen op een samenhangende manier in verband brengen met lithologische kenmerken, geologische structuren en geomorfologische processen.

10 productie en consumptie van voedsel en hulpbronnen in relatie brengen met demografische evolutie en welvaartsniveau in het kader van een duurzame ontwikkeling.

11 zowel verschuivingen van industrie of tertiaire activiteiten als demografische migraties met voorbeelden illustreren en dit in verband brengen met sociaal-economische of politieke factoren.

12 stad, platteland, verstedelijking en mobiliteit morfologisch en functioneel typeren en verklaren.

13 met voorbeelden het belang van instrumenten van ruimtelijke planning en van milieubeleid toelichten.

14 met voorbeelden de erfgoed- of natuurwaarde van landschapselementen uit het verleden omschrijven en hun huidig belang duiden.

15 het belang duiden van natuurlijke en sociaal - economische componenten voor de ruimtelijke planning.

2. Vaardigheden

De leerlingen kunnen

16 aardrijkskundige gegevens opzoeken, ordenen en op een eenvoudige manier verwerken, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken.

17 een kaartvoorstelling kiezen in functie van het gebruik.

18 een standplaats op aarde bepalen door middel van beschikbare, hedendaagse technieken en methodes.

19 het ontstaan en de structuur van het heelal samenhangend verwoorden aan de hand van een aantal astronomische begrippen.

20 een West-Europese weerkaart lezen.

21 een weersituatie inschatten door rekening te houden met weerkaarten en -berichten.

22 een klimaat interpreteren aan de hand van temperatuur, neerslag en algemene luchtcirculatie.

23 belangrijke geologische gebeurtenissen, klimaatsveranderingen en de biologische evolutie situeren op een geologische tijdsschaal.

24 vereenvoudigde geologische kaarten en bodemkaarten lezen.

25 een landschap analyseren, de elementen ordenen tot een structuur en hieruit de eigenheid van het landschap bepalen.

26 voorstellen aanbrengen voor het ruimtegebruik in het kader van duurzame ontwikkeling.

3. Attitudes

De leerlingen

27 * zijn kritisch tegenover aangeboden informatie zoals die m.b.t. ontwikkelings-, welvaarts- en milieuproblemen.

28 * zien mogelijkheden om op een positieve manier te participeren in beleidsbeslissingen inzake milieubeleid en ruimtelijke ordening.

29 * zijn bereid om lokale problemen van milieu en samenleving in een globale context te plaatsen.

30 * hebben aandacht voor de waarde van natuurlijke en culturele landschappen.

31 * zijn zich bewust van de plaats van de mens in het heelal.

B. GESCHIEDENIS - KSO (39)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs, in de eerste graad en in de tweede graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z. doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mondiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijd- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de derde graad krijgen de algemene historische begrippen een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens -omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de bestudeerde samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijd en dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling, krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.

Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status-quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingen en vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad, en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. tijd, ruimte en socialiteit

2.1.1 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader.

De leerlingen

1 verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze in in een bredere historische context.

2 geven een overeenkomst en een verschil aan tussen ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en tussen ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen.

3 tonen de krachtlijnen aan van het historisch referentiekader in termen van tijd, ruimte en socialiteit.

2.1.2. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw

De leerlingen

4 omschrijven fundamentele conflicten en breuklijnen waarmee samenlevingen worden geconfronteerd.

5 omschrijven de breuklijnen in de evoluerende Belgische samenleving vanaf 1830.

6 omschrijven voor enkele ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving een belangrijk element van het culturele domein, in samenhang met andere domeinen van de socialiteit.

7 situeren de rol van onze gewesten als medespeler in Europese en mondiale context.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw

De leerlingen

8 tonen de structurele verschillen aan tussen enerzijds agrarische en anderzijds industriële en postindustriële samenlevingen.

9 tonen aan dat ideologieën of mentaliteiten of waardestelsels of wereldbeschouwingen invloed uitoefenen op samenlevingen, menselijke gedragingen.

10 stellen vragen aan het verleden om actuele spanningsvelden te verhelderen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

11 doeltreffend informatie selecteren uit gevarieerd informatiemateriaal omtrent een historische of actuele probleemstelling.

12 hun selectie van informatie kritisch verantwoorden.

2.2.2. Bevraging van het historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

13 zelfstandig de nodige gegevens voor het beantwoorden van een beperkte historische probleemstelling halen uit het historisch informatiemateriaal zoals beeldmateriaal, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, reisverslagen, memoires.

14 een vraagstelling ontwikkelen om de historische informatie kritisch en vanuit verschillende standpunten te benaderen.

2.2.3. Historische redenering

De leerlingen kunnen

15 verschillende argumentaties tegen elkaar afwegen.

16 via een historische redenering hun standpunt t.o.v. een maatschappelijk probleem nuanceren.

17 bij hun historisch onderzoek de aangewende methode evalueren en eventueel bijsturen.

2.2.4. Historische rapportering

18 De leerlingen kunnen het resultaat van een eigen deelopdracht of van een groepswerk op een heldere manier weergeven in een mondelinge of schriftelijke uiteenzetting, of uitbeeldend of grafisch.

2.3. Attitudes

De leerlingen

19 * zijn bereid om actuele spanningsvelden aan de historische ontwikkelingen te relateren.

20 * zijn bereid om actuele/historische spanningsvelden vanuit verschillende gezichtshoeken kritisch te bekijken.

21 * zijn bereid ook hun ingenomen standpunten te confronteren met conflicterende gegevens en die van daaruit te relativeren.

22 * durven vanuit een intellectueel eerlijke omgang met informatie te reageren op vormen van desinformatie.

23 * aanvaarden dat historische evoluties een verscheidenheid aan sociale identiteiten genereren.

24 * erkennen de maatschappelijke dynamiek van de spanning tussen het blijvende en het veranderende.

25 * zijn bereid vanuit het historisch besef dat individuen en groepen interfereren in maatschappelijke processen, actief en constructief te participeren aan de evoluerende maatschappij.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - KSO (40)

1. Ontwikkeling van de motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen kunnen

1 in nieuwe bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen door gezamenlijk afgesproken veiligheidsregels toe te passen.

2 medeleerlingen helpen wanneer de bewegingssituatie dit vereist.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen kunnen

3 uit een aanbod een aan hun mogelijkheden aangepaste leerweg kiezen voor het aanpakken en oplossen van bewegingsopdrachten.

4 zelfstandig leertaken uitvoeren om een bewegingsopdracht tot een goed einde te brengen, rekening houdend met hun eigen kunnen.

5 bewegingssituaties alleen of in groep organiseren en aanpassen aan de deelnemers.

6 volgens vooropgestelde criteria bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken bij het uitvoeren van bewegingsopdrachten en hun leerproces bijsturen.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen kunnen

7 op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria, bij zichzelf en anderen, aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt en eenvoudige oplossingen geven.

8 over bewegingssituaties hun mening geven, bewegingservaringen uitwisselen en hieruit conclusies trekken voor hun eigen uitvoering.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden.

De leerlingen kunnen

9 eerder geleerde vaardigheden uit verschillende bewegingsgebieden toepassen in andere bewegingscontexten.

10 motorische eigenschappen op een inzichtelijke wijze gebruiken in bewegingscombinaties met en zonder toestellen, alleen en met anderen.

11 met gekende motorische vaardigheden een creatieve combinatie samenstellen en uitvoeren, alleen of met anderen.

12 gekende motorische vaardigheden uitvoeren op een hoger beheersingsniveau zoals :

- een betere controle;

- een meer esthetische uitvoering;

- een hogere moeilijkheidsgraad;

- een grotere efficiëntie;

- ...

13 in aangepaste vormen van een doelspel of een terugslagspel eenvoudige aanvallende en verdedigende strategieën toepassen.

14 * kritisch omgaan met het bewegingsaanbod in hun leefomgeving.

De leerlingen

15 * ervaren duurzame bewegingsvreugde op basis van competente deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten.

2. Ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen kunnen

16 het verband leggen tussen bewegen, gezondheid en samenleving.

17 hun kennis rond reanimatie vertalen naar risicovolle bewegingssituaties.

18 eerste hulp bieden bij ongevallen in bewegingssituaties.

19 basisregels van houdings- en rugscholing integreren in nieuwe bewegingssituaties en in werk- en studiesituaties.

20 met betrekking tot "fitheid" hun eigen doelen bepalen.

De leerlingen

21 * zijn bereid "bewegen" te integreren in hun levensstijl en zijn zich bewust van verschillende mogelijkheden hiervoor.

22 * zien het belang in van een goede fysieke conditie.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen kunnen

23 in bewegingssituaties leiding nemen over en leiding aanvaarden van medeleerlingen.

24 samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school.

25 aanduiden in welke bewegingsactiviteiten ze zich goed voelen en welke bewegingsactiviteiten het best aansluiten bij hun fysieke en relationele mogelijkheden.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - KSO (41)

ENGELS - FRANS

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen en relevante informatie selecteren in niet al te complexe mededelingen, waarschuwingen, publieke aankondigingen en instructies.

2 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, relevante informatie selecteren, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in niet al te complexe, door beeldmateriaal ondersteunde :

- informatieve teksten zoals een tv-nieuwsitem;

- prescriptieve teksten zoals een gebruiks- en plaatsingsvoorschrift, een reclameboodschap;

- narratieve teksten zoals een reportage, een film- en feuilletonfragment.

3 het globale onderwerp bepalen en een spontane mening/appreciatie vormen bij eenvoudige, door tekst- of beeldmateriaal ondersteunde artistiek-literaire teksten.

4 begrijpen wat een gesprekspartner aanbrengt om een niet al te complex rechtstreeks gesprek en een eenvoudig telefoongesprek te kunnen voeren.

De teksten m.b.t. de eindtermen 1 -4 :

- hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke, werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven redundante informatie en zijn vrij concreet;

- worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

5 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

6 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het luisterdoel bepalen;

- zich niet laten afleiden als ze in een klankstroom niet alles begrijpen.

7 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

- conclusies kunnen trekken i.v.m. de bedoelingen en emoties van de schrijver.

8 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- gebruik maken van beeldmateriaal, context, redundantie;

- vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen.

Attitudes

9 * De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de spreker;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren en de tekststructuur en -samenhang herkennen bij :

- niet al te complexe informatieve teksten zoals een diagram, een grafiek, een statistiek, een nota, een krantenbericht, een jobadvertentie, een brief, een e-mail, een hypertekst;

- niet al te complexe prescriptieve teksten zoals een handleiding, een gebruiksaanwijzing, een veiligheidsvoorschrift, een instructie;

- niet al te complexe narratieve teksten zoals een (reis)verhaal;

- eenvoudige argumentatieve teksten zoals een lezersbrief, een recensie uit een jongerentijdschrift.

11 het globale onderwerp bepalen,hoofdgedachte achterhalen en een spontane mening vormen bij zeer eenvoudige artistieke literaire teksten zoals een gedicht, een stripverhaal, een kortverhaal.

De teksten m.b.t. eindterm 10 en 11 :

- hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- zijn over het algemeen relatief kort;

- zijn over het algemeen vrij concreet, geven redundante informatie en bevatten weinig impliciete informatie.

De leerlingen kunnen

12 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

13 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- zich niet laten afleiden als ze in een tekst niet alles begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden;

- hypothesen opbouwen over de inhoud of bedoeling van de tekst.

14 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik);

- elementen van tekstopbouw kunnen aanduiden.

15 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

16 * De leerlingen zijn bereid :

- onbevooroordeeld te lezen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de schrijver;

- te reflecteren op hun eigen leesgedrag;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

17 informatie geven en vragen en een spontane mening geven over onderwerpen die tot hun interessesfeer behoren.

18 informatie geven en vragen bij documenten zoals een afbeelding, een formulier, een gebruiksaanwijzing, een ontwerp, een prijsofferte.

19 een spontane mening/appreciatie geven over beluisterde of gelezen teksten.

20 een korte beschrijving geven van een handeling, een gebeurtenis of een ervaring.

21 een niet al te complexe rechtstreekse conversatie voeren.

22 een eenvoudig telefoongesprek voeren.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 17 - 22 :

- hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke vertrouwde werksituaties;

- zijn eenvoudig geformuleerd en gebracht in een spreektempo dat de verstaanbaarheid niet in het gedrang brengt; - leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

23 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

24 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

25 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

26 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben;

- navragen bij de gesprekspartner of hun formulering correct is.

Attitudes

27 * De leerlingen zijn bereid :

- actief te luisteren om tot goed spreken te komen;

- het woord te nemen en actief deel te nemen aan een gesprek.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

28 formulieren en vragenlijsten invullen.

29 een mededeling schrijven.

30 een formele en een informele brief en een e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 28 - 30 :

- hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke werksituaties;

- zijn over het algemeen vrij kort en eenvoudig geformuleerd;

- vertonen een zekere vormcorrectheid bij voorspelbaar taalgebruik (standaardformules) maar zijn bij eigen formuleringen meer gericht op de doeltreffendheid dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

31 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

32 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- passende lay-out gebruiken.

33 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen;

- vertrouwd zijn met de opbouw van een geschreven tekst.

34 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT;

- gebruik maken van een model.

Attitudes

35 * De leerlingen zijn bereid

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken;

- hun belangrijke teksten te laten nakijken door iemand die de Franse/Engelse taal beheerst.

E. NEDERLANDS - KSO (42)

1. Luisteren

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen, en probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten en ze kunnen die schriftelijk weergeven (cf. schrijven).

2 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau via diverse media en multimediale informatiedragers luisteren naar de volgende tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek :

- diverterende teksten zoals praatprogramma's;

- informatieve teksten, zoals verslagen van feiten en ervaringen;

- persuasieve teksten, zoals standpunten en meningen in probleemoplossende discussies;

- activerende boodschappen.

3 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

4 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de luistertaken kunnen de leerlingen :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- onderwerp en hoofdgedachte identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- bijkomende informatie vragen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen (koppeling kijken);

- het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

5 De leerlingen kunnen de geschikte luisterstrategieën toepassen naar gelang van hun luisterdoel(en), achtergrondkennis en tekstsoort (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

6 * De leerlingen zijn bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/gesprekken voeren

7 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in de schoolvakken.

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek :

- instructies geven;

- gedocumenteerde informatie presenteren;

- een sollicitatiegesprek voeren.

9 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren (rechtstreeks of door middel van de telefoon);

- standpunten/meningen of oplossingen voor problemen uiteenzetten en motiveren in een gedachtewisseling, discussie, (werk)vergadering;

- gevoelens in een gepast register uitdrukken en persoonlijke ervaringen presenteren;

- activerende boodschappen formuleren.

10 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de spreektaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;

- zich een beeld vormen van hun publiek;

- hun voorkennis inzetten;

- naargelang van de spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag inschatten en inzetten;

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

11 * De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

12 De leerlingen kunnen op structurerend niveau formulieren en administratieve teksten voor een onbekend publiek lezen.

13 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau teksten met studiedoeleinden voor onbekende leeftijdgenoten lezen.

14 De leerlingen kunnen volgende tekstsoorten voor een onbekend publiek op beoordelend niveau lezen :

- niet-fictionele teksten :

- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen : zoals schema's en tabellen, verslagen, hyperteksten en uiteenzettingen;

- persuasieve teksten : zoals een opiniestuk, een betoog;

- activerende teksten : zoals reclameteksten en advertenties, instructies.

- fictionele teksten (cf. literatuur).

15 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

16 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun taken kunnen de leerlingen :

- hun eigen leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- de tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de structuur van een tekst aanduiden;

- onderwerp en hoofdgedachten aanduiden en parafraseren om tekstbegrip te bevorderen;

- gelezen teksten kort samenvatten;

- feiten en meningen onderscheiden;

- argumenten in een tekst op hun waarde en relevantie beoordelen;

- info selecteren en gebruiken met behulp van verschillende informatiekanalen.

17 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van hun leesdoel en tekstsoort, en ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

18 * De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen;

- lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- te reflecteren op inhoud en vorm van de teksten;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren, in vraag te stellen en eventueel te herzien.

4. Schrijven

19 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek tekstsoorten schrijven zoals :

- schema's en samenvattingen van gelezen en beluisterde informatie;

- instructies.

20 De leerlingen kunnen voor een onbekend publiek op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven zoals :

- verslagen;

- sollicitatiebrieven en cv's;

- zakelijke brieven;

- gedocumenteerde en beargumenteerde teksten.

21 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun schrijftaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen schrijfdoel(en) bepalen;

- hun bedoeld publiek bepalen;

- hun tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren;

- inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- lay-out verzorgen; - correct citeren (bronvermelding);

- gebruik maken van ICT.

22 * De leerlingen zijn bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren over inhoud en vorm van hun eigen schrijfproces en -product;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

23 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende manier van lezen vormelijke en inhoudelijke elementen van bijvoorbeeld proza, poëzie, theatervoorstelling, (tv)-drama, (ver)film(ing) herkennen.

24 De leerlingen kunnen hun tekstkeuze toelichten, over hun leeservaring spreken en ze documenteren in een leesdossier.

25 De leerlingen kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en gebruiken. Zij maken hierbij gebruik van informatiekanalen zoals : bibliotheek, kranten en tijdschriften, radio- en tv-programma's, internet en cd-rom.

26 De leerlingen kunnen doelbewust gegevens en werkwijzen hanteren om de taken uit te voeren.

27 * De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen leeservaring met anderen te spreken en erover te schrijven;

- hun leeservaring in maatschappelijke context(en) te plaatsen.

6. Taalbeschouwing

28 De leerlingen kunnen volgende verschijnselen in het taalgebruik herkennen en benoemen :

- register, sociaal bepaalde varianten, regionale varianten, vaktalen;

- gevoelswaarde;

- non-verbale elementen;

- een aantal tekststructuren : evaluatie-, probleem-, maatregel- en onderzoeksstructuur.

29 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen en kunnen die hanteren. Het gaat om het gebruik van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

30 De leerlingen kennen strategieën om een tekst juist te spellen.

31 De leerlingen kunnen hun taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

32 * De leerlingen zijn bereid om over hun taalgebruik na te denken.

F. WISKUNDE- KSO (43)

1. Algemene eindtermen

De leerlingen kunnen

1 wiskundige informatie analyseren, schematiseren en structureren.

2 gebruik maken van wiskundige technieken zoals figuren maken en tabellen opstellen.

3 bij het oplossen van problemen functioneel gebruik maken van ICT.

4 bij het oplossen van een vraagstuk :

- relevante gegevens scheiden van niet relevante;

- gegevens met elkaar en met de probleemstelling in verband brengen;

- gegevens en gevraagde weergeven in een geschikt wiskundig model;

- het vraagstuk planmatig uitwerken.

5 wiskundige rekenregels en conventies correct hanteren en toepassen.

6 keuzes m.b.t. representatie en gevolgde werkwijze verantwoorden.

7 voorbeelden geven van het gebruik van wiskunde in andere vakgebieden en in de maatschappij.

De leerlingen

8 * zijn kritisch tegenover het gevonden resultaat.

9 * zijn bereid hun leerproces bij te sturen op basis van reflectie over de wijze waarop ze wiskundige problemen oplossen en wiskundige informatie verwerven en verwerken.

2. Reële functies en algebra

De leerlingen kunnen

10 bijzonderheden van grafieken, eventueel aangevuld met tabellen, aflezen zoals periodiciteit, symmetrieën, stijgen en dalen, extreme waarden, lineaire en exponentiële groei.

11 grafieken tekenen van enkele eenvoudige functies (mede met behulp van ICT).

12 veranderingen beschrijven en vergelijken met behulp van differentiequotiënten.

13 problemen, waarbij een functioneel verband gegeven is, oplossen en die oplossing interpreteren (eventueel met behulp van ICT).

3. Statistiek

De leerlingen kunnen

14 aan de hand van voorbeelden het belang uitleggen van de representativiteit van een steekproef voor het formuleren van statistische besluiten over de populatie.

15 met behulp van ICT gemiddelde en standaardafwijking berekenen van statistische gegevens.

16 het gemiddelde en de standaardafwijking gebruiken als karakteristieken van een normale verdeling.

De leerlingen

17 * staan kritisch tegenover het gebruik van statistiek in de media.

X. VAKGEBONDEN EINDTERMEN DERDE GRAAD - TSO

A. AARDRIJKSKUNDE - TSO (44)

1. Kennis

De leerlingen kunnen

1 een verscheidenheid aan ruimtelijke wetenschappen verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen.

2 met een voorbeeld aantonen dat een afbeelding of kaart een gecodeerde voorstelling is van de werkelijkheid.

3 met een toepassing van GIS de betekenis ervan voor de samenleving illustreren.

4 bewegingen in het zonnestelsel en gevolgen ervan op aarde aangeven.

5 met een toepassing uit het ruimteonderzoek, het maatschappelijk nut ervan illustreren.

6 weer en klimaat in verband brengen met opbouw van en met processen in de atmosfeer.

7 de invloed van menselijke activiteiten op het milieu zoals : broeikaseffect, natuurrampen, zure regen, waterbeheersing, bodemdegradatie en -verbetering met voorbeelden illustreren.

8 de geofysische opbouw van de aarde en de platentektoniek beschrijven en gevolgen ervan zoals : de ligging van oceanen en continenten, vulkanisme en aardbevingen en bepaalde klimaatsveranderingen verklaren.

9 eenvoudige reliëfvormen op een samenhangende manier in verband brengen met lithologische kenmerken, geologische structuren en geomorfologische processen.

10 productie en consumptie van voedsel en hulpbronnen in relatie brengen met demografische evolutie en welvaartsniveau in het kader van een duurzame ontwikkeling.

11 zowel verschuivingen van industrie of tertiaire activiteiten als demografische migraties met voorbeelden illustreren en dit in verband brengen met sociaal-economische of politieke factoren.

12 stad, platteland, verstedelijking en mobiliteit morfologisch en functioneel typeren en verklaren.

13 met voorbeelden het belang van instrumenten van ruimtelijke planning en van milieubeleid toelichten.

14 met voorbeelden de erfgoed- of natuurwaarde van landschapselementen uit het verleden omschrijven en hun huidig belang duiden.

15 het belang duiden van natuurlijke en sociaal - economische componenten voor de ruimtelijke planning.

2. Vaardigheden

De leerlingen kunnen

16 aardrijkskundige gegevens opzoeken, ordenen en op een eenvoudige manier verwerken, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken.

17 een kaartvoorstelling kiezen in functie van het gebruik.

18 een standplaats op aarde bepalen door middel van beschikbare, hedendaagse technieken en methodes.

19 het ontstaan en de structuur van het heelal samenhangend verwoorden aan de hand van een aantal astronomische begrippen.

20 een West-Europese weerkaart lezen.

21 een weersituatie inschatten door rekening te houden met weerkaarten en -berichten.

22 een klimaat interpreteren aan de hand van temperatuur, neerslag en algemene luchtcirculatie.

23 belangrijke geologische gebeurtenissen, klimaatsveranderingen en de biologische evolutie situeren op een geologische tijdsschaal.

24 vereenvoudigde geologische kaarten en bodemkaarten lezen.

25 een landschap analyseren, de elementen ordenen tot een structuur en hieruit de eigenheid van het landschap bepalen.

26 voorstellen aanbrengen voor het ruimtegebruik in het kader van duurzame ontwikkeling.

3. Attitudes

De leerlingen

27 * zijn kritisch tegenover aangeboden informatie zoals die m.b.t. ontwikkelings-, welvaarts- en milieuproblemen.

28 * zien mogelijkheden om op een positieve manier te participeren in beleidsbeslissingen inzake milieubeleid en ruimtelijke ordening.

29 * zijn bereid om lokale problemen van milieu en samenleving in een globale context te plaatsen.

30 * hebben aandacht voor de waarde van natuurlijke en culturele landschappen.

31 * zijn zich bewust van de plaats van de mens in het heelal.

B. GESCHIEDENIS - TSO (45)

1. Criteria

De te behandelen historische werkelijkheid, zowel uit het historisch referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen, wordt vrij gekozen en wordt derhalve niet in eindtermen geconcretiseerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader, de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde samenlevingen en het gekozen referentiekader dient evenwel te beantwoorden aan criteria.

1.1. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Algemeen

Het historisch referentiekader is een instrument voor de structurering van historische informatie dat geleidelijk wordt aangevuld.

1 Het begrippenkader en de probleemstellingen aangebracht in het lager onderwijs, in de eerste graad en in de tweede graad worden herhaald, gepreciseerd en verruimd.

2 Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument voor verworven buitenschoolse informatie.

Tijdskader

3 Het historisch referentiekader bevat de geschiedenis van prehistorie tot heden.

4 Het wordt opgebouwd met de klemtoon op diachronie, d.w.z. doorwerking en verandering.

5 De periodisering gebeurt aan de hand van grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.

6 Er wordt aandacht besteed aan andere jaartellingen dan de christelijke.

Ruimtelijk kader

7 In het ruimtelijk kader is een mondiale dimensie aanwezig, die kan worden ingevuld op het niveau van "systemen", imperia, grootschalige regio's en invloedssferen, zowel als een lokale dimensie.

8 Er wordt aandacht besteed aan de relaties tussen en binnen al deze entiteiten.

Socialiteit

9 Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische begrippen.

10 Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden onderzocht op hun vergelijkbaarheid zowel in een tijd- als in een ruimtelijk perspectief.

Benaderingswijze

11 In de derde graad krijgen de algemene historische begrippen een duidelijk gedifferentieerde invulling.

12 Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de leerlingen concreet en herkenbaar zijn. "Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd onder rubrieken als verhouding mens - levensonderhoud, verhouding individu - groep, verhouding mens - macht, verhouding mens - cultuur, verhouding mens -omgeving.

1.2. Criteria in verband met de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

13 Men kiest uit het referentiekader zowel de ontwikkelingsfasen van de westerse als minstens één andere samenleving die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.

Tijdskader

14 Aandacht wordt besteed aan de invulling van de categorieën van de dimensie tijd in de bestudeerde samenlevingen.

15 Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie vanuit de wisselwerking tussen de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een samenleving.

16 Er is daarbij oog voor de gelaagdheid van de tijd en dus voor verschillen in tempo en duur van de evolutie van de maatschappelijke domeinen.

Ruimtelijk kader

17 Aandacht wordt besteed aan de invloed van de categorieën van de dimensie historische ruimte op de bestudeerde samenlevingen.

18 Er is oog voor de wisselende rol van geografische determinanten.

Socialiteit

19 De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit wordt gesitueerd, komen in de bestudeerde samenlevingen voor.

20 Er is aandacht voor de interferentie van de bestudeerde samenleving met andere samenlevingen.

21 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling, krijgen een historische inhoud.

Benaderingswijze

22 De studie getuigt van een probleemgerichte benadering die oog heeft voor belangrijke actuele vraagstellingen.

23 De bestudeerde problematieken dienen voor de leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.

1.3. Criteria in verband met de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen

Algemeen

24 De bedoeling van de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen uit andere fasen van het referentiekader. Dit gebeurt met eerbiediging van de respectieve historische context en met inbegrip van de voor leerlingen waarneembare actuele werkelijkheid.

25 Vertrekkend vanuit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad wordt een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.

Tijdskader

26 Omwille van de aansluiting bij de diachronische benadering van het historisch referentiekader wordt bij de bestudeerde samenlevingen ook aandacht besteed aan elementen van respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, verandering en status-quo, evolutie en revolutie.

Ruimtelijk kader

27 Het kader bestrijkt alle ruimten, van de lokale tot en met de mondiale, zodanig dat alle categorieën van de dimensie historische ruimte bij de integratie tussen referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase of samenleving worden behandeld.

Socialiteit

28 De socialiteitdimensie wordt opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen met de klemtoon op het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere samenlevingen en vooral met de hedendaagse.

29 Bijzondere aandacht wordt besteed aan de manier waarop samenlevingen betekenis gaven aan hun sociale werkelijkheid.

30 Er is aandacht voor onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie. Categorieën van de dimensie socialiteit zoals structuren, mechanismen en processen, relaties, sociale netwerken, spanningsvelden tussen individuen en groepen en tussen groepen onderling krijgen vorm.

Benaderingswijze

31 Naarmate begrippen en maatschappelijke problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis uit het lager onderwijs, de eerste graad en de tweede graad, en aan het historisch referentiekader.

32 De invulling van begrippen, hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht. Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen. Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische begrippen.

33 Eigen aan het streven naar integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van relaties tussen de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit en meer in het bijzonder tussen maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen en de manieren waarop die vanuit verschillende waardeoriëntaties werden benaderd.

2. Eindtermen

2.1. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. tijd, ruimte en socialiteit

2.1.1 Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. het historisch referentiekader.

De leerlingen

1 verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze in in een bredere historische context.

2 geven een overeenkomst en een verschil aan tussen ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en tussen ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen.

3 tonen de krachtlijnen aan van het historisch referentiekader in termen van tijd, ruimte en socialiteit.

2.1.2. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw

De leerlingen

4 omschrijven fundamentele conflicten en breuklijnen waarmee samenlevingen worden geconfronteerd.

5 omschrijven de breuklijnen in de evoluerende Belgische samenleving vanaf 1830.

6 omschrijven voor enkele ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving een belangrijk element van het culturele domein, in samenhang met andere domeinen van de socialiteit.

7 situeren de rol van onze gewesten als medespeler in Europese en mondiale context.

2.1.3. Kennis, inzicht en vaardigheden i.v.m. de integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen uit de 19de en 20ste eeuw

De leerlingen

8 tonen de structurele verschillen aan tussen enerzijds agrarische en anderzijds industriële en postindustriële samenlevingen.

9 tonen aan dat ideologieën of mentaliteiten of waardestelsels of wereldbeschouwingen invloed uitoefenen op samenlevingen, menselijke gedragingen.

10 stellen vragen aan het verleden om actuele spanningsvelden te verhelderen.

2.2. Vaardigheden i.v.m. de methodologische onderbouwing

2.2.1. Verzameling van historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

11 doeltreffend informatie selecteren uit gevarieerd informatiemateriaal omtrent een historische of actuele probleemstelling.

12 hun selectie van informatie kritisch verantwoorden.

2.2.2. Bevraging van het historisch informatiemateriaal

De leerlingen kunnen

13 zelfstandig de nodige gegevens voor het beantwoorden van een beperkte historische probleemstelling halen uit het historisch informatiemateriaal zoals beeldmateriaal, schema's, tabellen, diagrammen, kaarten, cartoons, dagboekfragmenten, reisverslagen, memoires.

14 een vraagstelling ontwikkelen om de historische informatie kritisch en vanuit verschillende standpunten te benaderen.

2.2.3. Historische redenering

De leerlingen kunnen

15 verschillende argumentaties tegen elkaar afwegen.

16 via een historische redenering hun standpunt t.o.v. een maatschappelijk probleem nuanceren.

17 bij hun historisch onderzoek de aangewende methode evalueren en eventueel bijsturen.

2.2.4. Historische rapportering

18 De leerlingen kunnen het resultaat van een eigen deelopdracht of van een groepswerk op een heldere manier weergeven in een mondelinge of schriftelijke uiteenzetting, of uitbeeldend of grafisch.

2.3. Attitudes

De leerlingen

19 * zijn bereid om actuele spanningsvelden aan de historische ontwikkelingen te relateren.

20 * zijn bereid om actuele/historische spanningsvelden vanuit verschillende gezichtshoeken kritisch te bekijken.

21 * zijn bereid ook hun ingenomen standpunten te confronteren met conflicterende gegevens en die van daaruit te relativeren.

22 * durven vanuit een intellectueel eerlijke omgang met informatie te reageren op vormen van desinformatie.

23 * aanvaarden dat historische evoluties een verscheidenheid aan sociale identiteiten genereren.

24 * erkennen de maatschappelijke dynamiek van de spanning tussen het blijvende en het veranderende.

25 * zijn bereid vanuit het historisch besef dat individuen en groepen interfereren in maatschappelijke processen, actief en constructief te participeren aan de evoluerende maatschappij.

C. LICHAMELIJKE OPVOEDING - TSO (46)

1. Ontwikkeling van de motorische competenties

1.1. Verantwoord en veilig bewegen

De leerlingen kunnen

1 in nieuwe bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen door gezamenlijk afgesproken veiligheidsregels toe te passen.

2 medeleerlingen helpen wanneer de bewegingssituatie dit vereist.

1.2. Zelfstandig leren

De leerlingen kunnen

3 uit een aanbod een aan hun mogelijkheden aangepaste leerweg kiezen voor het aanpakken en oplossen van bewegingsopdrachten.

4 zelfstandig leertaken uitvoeren om een bewegingsopdracht tot een goed einde te brengen, rekening houdend met hun eigen kunnen.

5 bewegingssituaties alleen of in groep organiseren en aanpassen aan de deelnemers.

6 volgens vooropgestelde criteria bij zichzelf nagaan of ze vorderingen maken bij het uitvoeren van bewegingsopdrachten en hun leerproces bijsturen.

1.3. Reflecteren over bewegen

De leerlingen kunnen

7 op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria, bij zichzelf en anderen, aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt en eenvoudige oplossingen geven.

8 over bewegingssituaties hun mening geven, bewegingservaringen uitwisselen en hieruit conclusies trekken voor hun eigen uitvoering.

1.4. Verbreden en verdiepen van motorische competenties; keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden : atletiek, gymnastiek, dans en expressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden

De leerlingen kunnen

9 eerder geleerde vaardigheden uit verschillende bewegingsgebieden toepassen in andere bewegingscontexten.

10 motorische eigenschappen op een inzichtelijke wijze gebruiken in bewegingscombinaties met en zonder toestellen, alleen en met anderen.

11 met gekende motorische vaardigheden een creatieve combinatie samenstellen en uitvoeren, alleen of met anderen.

12 gekende motorische vaardigheden uitvoeren op een hoger beheersingsniveau zoals :

- een betere controle;

- een meer esthetische uitvoering;

- een hogere moeilijkheidsgraad;

- een grotere efficiëntie;

- ...

13 in aangepaste vormen van een doelspel of een terugslagspel eenvoudige aanvallende en verdedigende strategieën toepassen.

14 * kritisch omgaan met het bewegingsaanbod in hun leefomgeving.

De leerlingen

15 * ervaren duurzame bewegingsvreugde op basis van competente deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten.

2. Ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl

De leerlingen kunnen

16 het verband leggen tussen bewegen, gezondheid en samenleving.

17 hun kennis rond reanimatie vertalen naar risicovolle bewegingssituaties.

18 eerste hulp bieden bij ongevallen in bewegingssituaties.

19 basisregels van houdings- en rugscholing integreren in nieuwe bewegingssituaties en in werk- en studiesituaties.

20 met betrekking tot "fitheid" hun eigen doelen bepalen.

De leerlingen

21 * zijn bereid "bewegen" te integreren in hun levensstijl en zijn zich bewust van verschillende mogelijkheden hiervoor.

22 * zien het belang in van een goede fysieke conditie.

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

De leerlingen kunnen

23 in bewegingssituaties leiding nemen over en leiding aanvaarden van medeleerlingen.

24 samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school.

25 aanduiden in welke bewegingsactiviteiten ze zich goed voelen en welke bewegingsactiviteiten het best aansluiten bij hun fysieke en relationele mogelijkheden.

D. MODERNE VREEMDE TALEN - TSO (47)

ENGELS - FRANS

1. Luisteren

De leerlingen kunnen

1 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen en relevante informatie selecteren in niet al te complexe mededelingen, waarschuwingen, publieke aankondigingen en instructies.

2 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, relevante informatie selecteren, een spontane mening/appreciatie vormen en de gedachtegang volgen in niet al te complexe, door beeldmateriaal ondersteunde :

- informatieve teksten zoals een tv-nieuwsitem;

- prescriptieve teksten zoals een gebruiks- en plaatsingsvoorschrift, een reclameboodschap;

- narratieve teksten zoals een reportage, een film- en feuilletonfragment.

3 het globale onderwerp bepalen en een spontane mening/appreciatie vormen bij eenvoudige, door tekst- of beeldmateriaal ondersteunde artistiek-literaire teksten.

4 begrijpen wat een gesprekspartner aanbrengt om een niet al te complex rechtstreeks gesprek en een eenvoudig telefoongesprek te kunnen voeren.

De teksten m.b.t. de eindtermen 1 - 4 :

- hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke, werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard;

- geven redundante informatie en zijn vrij concreet;

- worden in een normaal spreektempo gebracht en zijn goed gearticuleerd;

- vertonen weinig afwijking t.o.v. de standaardtaal.

De leerlingen kunnen

5 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de luistertaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

6 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het luisterdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het luisterdoel bepalen;

- zich niet laten afleiden als ze in een klankstroom niet alles begrijpen.

7 reflecteren over de eigenheid van de spreektaal. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

- conclusies kunnen trekken i.v.m. de bedoelingen en emoties van de schrijver.

8 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

- gebruik maken van beeldmateriaal, context, redundantie;

- vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen, iets te spellen, iets in andere woorden te zeggen.

Attitudes

9 * De leerlingen zijn bereid :

- belangstelling op te brengen voor wat de spreker zegt;

- grondig en onbevooroordeeld te luisteren;

- luisterconventies te respecteren;

- zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de spreker;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

2. Lezen

De leerlingen kunnen

10 het globale onderwerp bepalen, de hoofdgedachte achterhalen, een spontane mening/appreciatie vormen, de gedachtegang volgen, relevante informatie selecteren en de tekststructuur en -samenhang herkennen bij :

- niet al te complexe informatieve teksten zoals een diagram, een grafiek, een statistiek, een nota, een krantenbericht, een jobadvertentie, een brief, een e-mail, een hypertekst;

- niet al te complexe prescriptieve teksten zoals een handleiding, een gebruiksaanwijzing, een veiligheidsvoorschrift, een instructie;

- niet al te complexe narratieve teksten zoals een (reis)verhaal;

- eenvoudige argumentatieve teksten zoals een lezersbrief, een recensie uit een jongerentijdschrift.

11 het globale onderwerp bepalen,hoofdgedachte achterhalen en een spontane mening vormen bij zeer eenvoudige artistieke literaire teksten zoals een gedicht, een stripverhaal, een kortverhaal.

De teksten m.b.t. eindterm 10 en 11 :

- hebben te maken met courante situaties uit het dagelijks leven, met mogelijke werksituaties en af en toe met onderwerpen van meer algemene aard; - zijn over het algemeen relatief kort;

- zijn over het algemeen vrij concreet, geven redundante informatie en bevatten weinig impliciete informatie.

De leerlingen kunnen

12 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de leestaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

13 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het leesdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten en hun kennis tegelijkertijd uitbreiden;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- het leesdoel bepalen;

- de tekstsoort herkennen;

- de lay-out interpreteren (b.v. subtitels);

- zich niet laten afleiden als ze in een tekst niet alles begrijpen;

- belangrijke informatie aanduiden;

- hypothesen opbouwen over de inhoud of bedoeling van de tekst.

14 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- het onderscheid kunnen maken tussen verschillende tekstsoorten;

- weet hebben van verschillende taalregisters (formeel, informeel, vertrouwelijk taalgebruik);

- elementen van tekstopbouw kunnen aanduiden.

15 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- de betekenis van ongekende woorden afleiden uit de context;

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (foto's, cartoons, tabellen, schema's).

Attitudes

16 * De leerlingen zijn bereid :

- onbevooroordeeld te lezen en zich te concentreren op wat ze willen vernemen;

- zich in te leven in de socio-culturele en emotionele wereld van de schrijver;

- te reflecteren op hun eigen leesgedrag;

- zich open te stellen voor esthetische beleving.

3. Spreken/gesprekken voeren

De leerlingen kunnen

17 informatie geven en vragen en een spontane mening geven over onderwerpen die tot hun interessesfeer behoren.

18 informatie geven en vragen bij documenten zoals een afbeelding, een formulier, een gebruiksaanwijzing, een ontwerp, een prijsofferte.

19 een spontane mening/appreciatie geven over beluisterde of gelezen teksten.

20 een korte beschrijving geven van een handeling, een gebeurtenis of een ervaring.

21 een niet al te complexe rechtstreekse conversatie voeren.

22 een eenvoudig telefoongesprek voeren.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 17 - 22 :

- hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke vertrouwde werksituaties;

- zijn eenvoudig geformuleerd en gebracht in een spreektempo dat de verstaanbaarheid niet in het gedrang brengt;

- leggen de nadruk op doeltreffendheid eerder dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

23 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de spreektaak/gesprekstaak :

- m.b.t. vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. uitspraak, spreekritme en intonatiepatronen;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

24 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun spreektaak/gesprekstaak leerstrategieën toepassen die het bereiken van het spreekdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- bij een gemeenschappelijke spreektaak de taken verdelen, met elkaar overleggen, elkaar helpen, zich aan afspraken houden, elkaars inbreng benutten en gezamenlijk een resultaat presenteren.

25 reflecteren over taal en taalgebruik. Dit betekent dat ze :

- vertrouwd zijn met elementaire omgangsvormen;

- vertrouwd zijn met non-verbaal gedrag.

26 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- gebruik maken van non-verbaal gedrag;

- zeggen dat ze iets niet begrijpen, vragen om langzamer te spreken, om iets te herhalen, iets aan te wijzen;

- zelf iets herhalen om te verifiëren of ze de andere begrepen hebben;

- navragen bij de gesprekspartner of hun formulering correct is.

Attitudes

27 * De leerlingen zijn bereid :

- actief te luisteren om tot goed spreken te komen;

- het woord te nemen en actief deel te nemen aan een gesprek.

4. Schrijven

De leerlingen kunnen

28 formulieren en vragenlijsten invullen.

29 een mededeling schrijven.

30 een formele en een informele brief en een e-mail schrijven.

De te produceren teksten m.b.t. eindtermen 28 - 30 :

- hebben voornamelijk te maken met courante situaties uit het dagelijks leven en met mogelijke werksituaties;

- zijn over het algemeen vrij kort en eenvoudig geformuleerd;

- vertonen een zekere vormcorrectheid bij voorspelbaar taalgebruik (standaardformules) maar zijn bij eigen formuleringen meer gericht op de doeltreffendheid dan op vormcorrectheid.

De leerlingen kunnen

31 de functionele kennis gebruiken die nodig is voor het uitvoeren van de schrijftaak :

- m.b.t. vorm, betekenis en reële gebruikscontext van woorden en grammaticale constructies;

- m.b.t. spelling en interpunctie;

- m.b.t. de socio-culturele diversiteit binnen de Franstalige/Engelstalige wereld.

32 bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken leerstrategieën toepassen die het bereiken van het schrijfdoel bevorderen :

- relevante voorkennis i.v.m. de inhoud inzetten;

- hun functionele kennis inzetten en deze tegelijkertijd uitbreiden;

- informatie verwerven, ook via elektronische weg, en ze verwerken;

- rekening houden met het doelpubliek;

- passende lay-out gebruiken.

33 reflecteren over de eigenheid van de schrijftaal. Dit betekent dat ze :

- weten dat schrijftaal formeler en meer geordend is dan spreektaal;

- de betekenis van spelling, interpunctie en lay-out begrijpen;

- vertrouwd zijn met de opbouw van een geschreven tekst.

34 communicatiestrategieën aanwenden. Dit betekent dat ze :

- zelfstandig traditionele en elektronische hulpbronnen raadplegen;

- bij het schrijfproces gebruik maken van de mogelijkheden van ICT;

- gebruik maken van een model.

Attitudes

35 * De leerlingen zijn bereid

- hun geschreven teksten kritisch na te lezen op vorm en inhoud en van fouten te leren;

- zorg te besteden aan de presentatie van hun geschreven teksten;

- desgevallend de schrijfwijze van een woord op te zoeken; hun belangrijke teksten te laten nakijken door iemand die de Franse/Engelse taal beheerst.

E. NEDERLANDS - TSO (48)

1. Luisteren

1 De leerlingen kunnen op structurerend niveau luisteren naar uiteenzettingen, en probleemstellingen door een bekende volwassene m.b.t. een leerstofonderdeel bestemd voor bekende leeftijdgenoten en ze kunnen die schriftelijk weergeven (cf. schrijven).

2 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau via diverse media en multimediale informatiedragers luisteren naar de volgende tekstsoorten bestemd voor een onbekend publiek :

- diverterende teksten zoals praatprogramma's;

- informatieve teksten, zoals verslagen van feiten en ervaringen;

- persuasieve teksten, zoals standpunten en meningen in probleemoplossende discussies;

- activerende boodschappen.

3 De leerlingen kunnen verschillende strategieën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

4 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de luistertaken kunnen de leerlingen :

- hun luisterdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- hun voorkennis inzetten;

- onderwerp en hoofdgedachte identificeren;

- gericht informatie selecteren en ordenen;

- bijkomende informatie vragen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de functie van bijgeleverde visuele informatie vaststellen (koppeling kijken);

- het taalgebruik van de spreker inschatten;

- aandacht tonen voor het non-verbale gedrag van de gesprekspartner/spreker.

5 De leerlingen kunnen de geschikte luisterstrategieën toepassen naar gelang van hun luisterdoel(en), achtergrondkennis en tekstsoort (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

6 * De leerlingen zijn bereid om :

- te luisteren;

- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

- een ander te laten uitspreken;

- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;

- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.

2. Spreken/gesprekken voeren

7 De leerlingen kunnen op structurerend niveau aan een bekende volwassene vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in de schoolvakken.

8 De leerlingen kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek :

- instructies geven;

- gedocumenteerde informatie presenteren;

- een sollicitatiegesprek voeren.

9 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau aan een onbekend publiek :

- inlichtingen vragen, aanvragen doen, klachten/bezwaren formuleren (rechtstreeks of door middel van de telefoon);

- standpunten/meningen of oplossingen voor problemen uiteenzetten en motiveren in een gedachtewisseling, discussie, (werk)vergadering;

- gevoelens in een gepast register uitdrukken en persoonlijke ervaringen presenteren;

- activerende boodschappen formuleren.

10 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over de spreektaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;

- zich een beeld vormen van hun publiek;

- hun voorkennis inzetten;

- naargelang van de spreek-, gespreksdoel(en) en publiek :

- gericht informatie selecteren en in een duidelijke vorm verwoorden;

- bijkomende info vragen;

- hun taalgebruik aanpassen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen en verwoorden;

- visuele informatie gebruiken;

- non-verbaal gedrag inschatten en inzetten;

- gespreksconventies hanteren om gesprekken te beginnen, te onderbreken, gaande te houden en af te sluiten;

- argumenten herkennen en aanbrengen;

- adequaat reageren op de inbreng van gesprekspartner(s).

11 * De leerlingen zijn binnen de gepaste communicatiesituaties bereid om :

- te spreken;

- algemeen Nederlands te spreken;

- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.

3. Lezen

12 De leerlingen kunnen op structurerend niveau formulieren en administratieve teksten voor een onbekend publiek lezen.

13 De leerlingen kunnen op beoordelend niveau teksten met studiedoeleinden voor onbekende leeftijdgenoten lezen.

14 De leerlingen kunnen volgende tekstsoorten voor een onbekend publiek op beoordelend niveau lezen :

- niet-fictionele teksten :

- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen : zoals schema's en tabellen, verslagen, hyperteksten en uiteenzettingen;

- persuasieve teksten : zoals een opiniestuk, een betoog;

- activerende teksten : zoals reclameteksten en advertenties, instructies.

- fictionele teksten (cf. literatuur).

15 De leerlingen kunnen verschillende strategiën aanwenden om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen. Het gaat om het gebruiken van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

16 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun taken kunnen de leerlingen :

- hun eigen leesdoel(en) bepalen;

- het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

- de tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

- inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

- de structuur van een tekst aanduiden;

- onderwerp en hoofdgedachten aanduiden en parafraseren om tekstbegrip te bevorderen;

- gelezen teksten kort samenvatten;

- feiten en meningen onderscheiden;

- argumenten in een tekst op hun waarde en relevantie beoordelen;

- info selecteren en gebruiken met behulp van verschillende informatiekanalen.

17 De leerlingen kunnen een leesstrategie kiezen naar gelang van hun leesdoel en tekstsoort, en ze toepassen (oriënterend, zoekend, globaal en intensief).

18 * De leerlingen zijn bereid om :

- te lezen;

- lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen en te vergelijken met informatie uit andere bronnen;

- te reflecteren op inhoud en vorm van de teksten;

- hun persoonlijk oordeel over bepaalde teksten te formuleren, in vraag te stellen en eventueel te herzien.

4. Schrijven

19 De leerlingen kunnen op structurerend niveau voor een onbekend publiek tekstsoorten schrijven zoals :

- schema's en samenvattingen van gelezen en beluisterde informatie;

- instructies.

20 De leerlingen kunnen voor een onbekend publiek op beoordelend niveau tekstsoorten schrijven zoals :

- verslagen;

- sollicitatiebrieven en cv's;

- zakelijke brieven;

- gedocumenteerde en beargumenteerde teksten.

21 Bij de planning, uitvoering van en bij de reflectie over hun schrijftaken kunnen de leerlingen :

- hun eigen schrijfdoel(en) bepalen;

- hun bedoeld publiek bepalen;

- hun tekstsoort bepalen;

- hun voorkennis inzetten;

- gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

- een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

- eigen tekst reviseren;

- inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

- lay-out verzorgen;

- correct citeren (bronvermelding);

- gebruik maken van ICT.

22 * De leerlingen zijn bereid om :

- te schrijven;

- schriftelijk informatie te verstrekken;

- te reflecteren over inhoud en vorm van hun eigen schrijfproces en -product;

- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.

5. Literatuur

23 De leerlingen kunnen vanuit een tekstervarende manier van lezen vormelijke en inhoudelijke elementen van bijvoorbeeld proza, poëzie, theatervoorstelling, (tv)-drama, (ver)film(ing) herkennen.

24 De leerlingen kunnen hun tekstkeuze toelichten, over hun leeservaring spreken en ze documenteren in een leesdossier.

25 De leerlingen kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en gebruiken. Zij maken hierbij gebruik van informatiekanalen : zoals bibliotheek, kranten en tijdschriften, radio- en tv-programma's, internet en cd-rom.

26 De leerlingen kunnen doelbewust gegevens en werkwijzen hanteren om de taken uit te voeren.

27 * De leerlingen zijn bereid om :

- literaire teksten te lezen;

- over hun eigen leeservaring met anderen te spreken en erover te schrijven;

- hun leeservaring in maatschappelijke context(en) te plaatsen.

6. Taalbeschouwing

28 De leerlingen kunnen volgende verschijnselen in het taalgebruik herkennen en benoemen :

- register, sociaal bepaalde varianten, regionale varianten, vaktalen;

- gevoelswaarde;

- non-verbale elementen;

- een aantal tekststructuren : evaluatie-, probleem-, maatregel- en onderzoeksstructuur.

29 De leerlingen kennen de verschillende strategieën om aan onbekende woorden betekenis toe te kennen en kunnen die hanteren. Het gaat om het gebruik van :

- de context;

- de eigen voorkennis;

- de principes van woordvorming (afleiding, samenstelling, kennis van vreemde talen);

- het woordenboek.

30 De leerlingen kennen strategieën om een tekst juist te spellen.

31 De leerlingen kunnen hun taaltaken bijsturen door middel van herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen.

32 * De leerlingen zijn bereid om over hun taalgebruik na te denken.

F. WISKUNDE- TSO (49)

1. Algemene eindtermen

De leerlingen kunnen

1 wiskundige informatie analyseren, schematiseren en structureren.

2 gebruik maken van wiskundige technieken zoals figuren maken en tabellen opstellen.

3 bij het oplossen van problemen functioneel gebruik maken van ICT.

4 bij het oplossen van een vraagstuk :

- relevante gegevens scheiden van niet relevante;

- gegevens met elkaar en met de probleemstelling in verband brengen;

- gegevens en gevraagde weergeven in een geschikt wiskundig model;

- het vraagstuk planmatig uitwerken.

5 wiskundige rekenregels en conventies correct hanteren en toepassen.

6 keuzes m.b.t. representatie en gevolgde werkwijze verantwoorden.

7 voorbeelden geven van het gebruik van wiskunde in andere vakgebieden en in de maatschappij.

De leerlingen

8 * zijn kritisch tegenover het gevonden resultaat.

9 * zijn bereid hun leerproces bij te sturen op basis van reflectie over de wijze waarop ze wiskundige problemen oplossen en wiskundige informatie verwerven en verwerken.

2. Reële functies en algebra

De leerlingen kunnen

10 bijzonderheden van grafieken, eventueel aangevuld met tabellen, aflezen zoals periodiciteit, symmetrieën, stijgen en dalen, extreme waarden, lineaire en exponentiële groei.

11 grafieken tekenen van enkele eenvoudige functies (mede met behulp van ICT).

12 veranderingen beschrijven en vergelijken met behulp van differentiequotiënten.

13 problemen, waarbij een functioneel verband gegeven is, oplossen en die oplossing interpreteren (eventueel met behulp van ICT).

3. Statistiek

De leerlingen kunnen

14 aan de hand van voorbeelden het belang uitleggen van de representativiteit van een steekproef voor het formuleren van statistische besluiten over de populatie.

15 met behulp van ICT gemiddelde en standaardafwijking berekenen van statistische gegevens.

16 het gemiddelde en de standaardafwijking gebruiken als karakteristieken van een normale verdeling.

De leerlingen

17 * staan kritisch tegenover het gebruik van statistiek in de media.

Nota's

(1) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(2) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(3) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(4) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(5) De eindtermen moeten gerealiseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken. Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(6) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(7) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(8) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(9) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(10) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(11) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(12) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(13) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(14) De eindtermen moeten worden gerealiseerd, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken. Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(15) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(16) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(17) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(18) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(19) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(20) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(21) De eindtermen moeten worden gerealiseerd, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.

(22) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(23) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(24) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.

(25) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(26) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(27) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(28) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(29) Op basis van Onderwijsdecreet - II hebben de inrichtende machten de keuze tussen Engels en Duits.

(30) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(31) Op basis van Onderwijsdecreet - II hebben de inrichtende machten de keuze tussen Engels en Duits.

(32) De eindtermen moeten gerealiseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken. Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(33) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(34) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(35) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(36) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(37) De eindtermen moeten worden gerealiseerd ongeacht de keuze die de inrichtende machten maken op basis van Onderwijsdecreet-II.

(38) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(39) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(40) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(41) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid. Op basis van Onderwijsdecreet-II hebben de inrichtende machten de keuze tussen Frans en Engels.

(42) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(43) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(44) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(45) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(46) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(47) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid. Op basis van Onderwijsdecreet-II hebben de inrichtende machten de keuze tussen Frans en Engels.

(48) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.

(49) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid.