OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijke project onderwijsvoorrang in het secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    17 DECEMBER 1999
  • publicatiedatum
    B.S.28/12/2000
  • datum laatste wijziging
    07/11/2002

COORDINATIE

B.Vl.R. 6-9-2002 - B.S. 31-10-2002

opgeheven door B.Vl.R. 6-9-2002 - B.S. 7-11-2002

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, inzonderheid op artikel 46, § 1, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998;

Gelet op het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, inzonderheid op artikel 5, § 1, 6°, gewijzigd bij decreet van 28 april 1993;

Gelet op het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, inzonderheid op artikel 8;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 16 maart 1999;

Gelet op het protocol nr. 330 van 27 april 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergadering van het sectorcomité X en van de onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en de plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 105 van 27 april 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in het overkoepelende onderhandelingscomité van het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering op 4 mei 1999 betreffende de vraag om advies bij de Raad van State binnen de maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 1 juli 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State,

Besluit :

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde scholen van het voltijds secundair onderwijs.

Het is niet van toepassing op de vierde graad van het secundair onderwijs en op het buitengewoon secundair onderwijs.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° leerling onderwijsvoorrang : de regelmatige leerling in het secundair onderwijs, van wie :

a) de grootmoeder langs moederszijde, niet in België is geboren en niet in het bezit is van de Belgische of Nederlandse nationaliteit door geboorte, en

b) de moeder hoogstens tot het einde van het schooljaar van het jaar waarin ze achttien werd, onderwijs heeft gevolgd;

2° aanwendingsplan : plan waarin beschreven wordt op welke wijze de wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang worden aangewend;

3° wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang : uren-leraar die gebruikt worden om :

a) de doorstroming van leerlingen onderwijsvoorrang in het secundair onderwijs te bevorderen en

b) de wijze van leren, het omgaan met leerlingen en de werking van de school af te stemmen op de culturele en sociale diversiteit van haar leerlingpopulatie;

4° doorstroming :

a) het bevorderen van een optimale instroom van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang en in de A-stroom van de eerste graad en het verhogen van een gekwalificeerde uitstroom van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang en in een van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs, en

b) het verhogen van het aantal studiebewijzen in het algemeen;

5° intercultureel onderwijs (ICO) : het geheel van globale maatregelen en specifieke acties die een school onderneemt om al haar leerlingen vaardigheden en kennisinhouden bij te brengen die nodig zijn om op een adequate en flexibele wijze om te gaan met culturele en sociale diversiteit;

6° Nederlands als Tweede Taal (NT2) : de specifieke aanpak binnen het vak Nederlands die erop gericht is de taalvaardigheid van het Nederlands te bevorderen bij leerlingen van wie het Nederlands niet de moedertaal is, maar die het Nederlands wel nodig hebben om succesvol te kunnen functioneren in school en maatschappij;

7° Nederlands als Instructietaal (NIT) : het specifiek gebruik van het Nederlands, voor eender welk vak in het Nederlandstalig onderwijs, om leerprocessen bij leerlingen op te zetten, waardoor deze in staat moeten zijn om formele boodschappen in het schoolse Nederlands te begrijpen en te produceren;

8° leerlingbetrokkenheid : initiatieven die de betrokkenheid tussen school, leerlingen en ouders verstrekken en onderbouwen;

9° leerlingbegeleiding : initiatieven inzake sociaal-emotionele begeleiding, studiekeuzebegeleiding en studiebegeleiding van de leerlingen, met het oog op het opvolgen van de schoolloopbaan van een leerling met behulp van een leerlingvolgsysteem;

10° leerlingvolgsysteem : het geheel van individuele leerlingdossiers waarin de schoolloopbaan van de leerlingen wordt beschreven met betrekking tot de vooropleiding, de in de school gevolgde studierichting(en), de leerresultaten en -evoluties, en eventueel de voortgezette opleiding of eerste beroepsenvaring(en);

11° Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) : onderwijs in de moedertaal van de doelgroep;

12° non-discriminatiebeleid : het geheel van maatregelen in het gewoon onderwijs die tot doel hebben te komen tot een meer bewuste opstelling van de school betreffende het voorkomen en tegengaan van discriminatie, enerzijds, en tot het bevorderen van een meer evenredige aanwezigheid van de leerlingen onderwijsvoorrang over de scholen, anderzijds;

13° overeenkomst inzake toelatingsbeleid : een overeenkomst tussen alle inrichtende machten die secundair onderwijs inrichten in eenzelfde gemeente, eventueel regio, of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die tot doel heeft de toegang van de leerlingen onderwijsvoorrang te maximaliseren tot alle scholen in deze gemeente, eventueel regio, om een meer evenredige aanwezigheid van deze leerlingen onderwijsvoorrang te verkrijgen.

De overeenkomst gaat in op 1 september volgend op het afsluiten van de overeenkomst en geldt voor de duur van vijf opeenvolgende schooljaren [en kan telkens met één schooljaar verlengd worden].

B.Vl.R.6-9-2002

Art. 3.

§ 1. Binnen de vastgestelde begrotingskredieten kunnen per school een aantal voorwaardelijke wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang toegekend worden aan die scholen die gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° a) behoren tot een scholengemeenschap en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;

of

b) niet behoren tot een scholengemeenschap en :

- minstens een eerste graad en een van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs met meer dan twee studierichtingen aanbieden en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;

- of wanneer ze niet beantwoorden aan de voorwaarden zoals gesteld in de eerste gedachtenstreep van sub b), een samenwerkingsakkoord afsluiten met één of meer scholen die minstens één van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs met meer dan twee studierichtingen aanbieden en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;

2° [driejaarlijks] een aanvraag en een aanwendingsplan indienen bij de bevoegde administratie van het departement Onderwijs, met opgave van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang verdeeld over de verschillende graden en onderwijsvormen.

B.Vl.R.6-9-2002

De aanvragende scholen zoals bedoeld in 1° sub a) moeten in de aanvraag aanduiden met welke school of scholen van de scholengemeenschap samengewerkt wordt.

De aanvragende scholen zoals bedoeld in 1° sub b), tweede gedachtenstreep, moeten het door alle betrokken partijen ondertekend samenwerkingsakkoord insluiten bij het aanwendingsplan.

De vaststelling omtrent het behoren tot de doelgroep gebeurt op grond van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft;

3° over een door de beoordelingscommissie goedgekeurd aanwendingsplan beschikken;

4° geen negatief oordeel ontvangen hebben van de onderwijsinspectie over de aanwending van de wekelijkse extra uren-leraar;

5° verklaren met andere onderwijsinstellingen samen te werken aan een meer evenredige aanwezigheid en een optimale doorstroming van leerlingen onderwijsvoorrang.

Dit moet na hoogstens [drie] jaar tot uiting komen in een actieve en schriftelijk vastgelegde deelname aan het non-discriminatiebeleid dat minimaal het uitwerken van een toelatingsbeleid en een non-discriminatiecode inhoudt;

B.Vl.R.6-9-2002

6° verklaren een samenwerkingsakkoord af te sluiten met een PMS-centrurn en vanaf het schooljaar 2000-2001 met een Centrum voor Leerlingenbegeleiding, dat door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd wordt voor de ondersteuning van de school bij het opzetten van de leerlingbegeleiding;

7° verklaren zich te laten begeleiden door de pedagogische begeleiding van het net of de koepel waartoe de school behoort;

8° verklaren de leerkrachten nascholing te laten volgen inzake de actieterreinen zoals bedoeld in artikel 4, 1° en hen steunen bij deelname aan activiteiten in het kader van de netoverschrijdende coördinatie en ondersteuning;

9° verklaren samen te werken met een erkende welzijnsinstelling of socio-culturele instelling of met een integratiecentrum of integratiedienst voor migranten zoals bepaald in het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden.

§ 2. Het voordeel van de wekelijkse extra uren-leraar wordt toegekend voor [drie] schooljaren.

B.Vl.R.6-9-2002

Art. 4.

In het aanwendingsplan zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, moet de inrichtende macht van een school of de inrichtende machten van samenwerkende scholen binnen of buiten een scholengemeenschap, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 1° :

1° beschrijven op welke manier in elke vestigingsplaats van de school of van de samenwerkende scholen gewerkt wordt aan de volgende actieterreinen en hoe deze werking kadert binnen het schoolbeleid :

a) Nederlands als Tweede Taal en Nederlands als Instructietaal;

b) Intercultureel Onderwijs;

c) leerlingbegeleiding;

d) leerlingbetrokkenheid;

e) Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur, als de school daarvoor opteert;

2° voor elk van de actieterreinen beschrijven :

a) hoe het geheel van het pakket uren-leraar wordt aangewend om resultaten te bereiken;

b) hoe de wekelijkse extra uren-leraar worden ingezet om resultaten te bereiken;

c) hoe de planmatige werking wordt opgezet;

d) hoe het overleg binnen het schoolteam en de nascholing van leerkrachten georganiseerd zijn en hoe samengewerkt wordt met externe instanties;

e) hoe de werking en de resultaten worden geëvalueerd;

3° beschrijven hoe de wekelijkse extra uren-leraar worden verdeeld over de verschillende graden, de verschillende onderwijsvormen en de verschillende vestigingsplaatsen van de school of van de samenwerkende scholen binnen of buiten een scholengemeenschap.

Art. 5.

§ 1. De gegevens over de leerlingenaantallen en vormelijke vereisten voor de aanvraag en het aanwendingsplan worden door het departement Onderwijs gecontroleerd.

§ 2. De inhoud van het aanwendingsplan wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie, samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie, leden van het departement Onderwijs en externe deskundigen. Wil een school in aanmerking komen voor wekelijkse extra uren-leraar dan moet het aanwendingsplan op grond van het vervullen van de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, gunstig beoordeeld worden. De negatieve beslissing van de beoordelingscommissie wordt omstandig gemotiveerd. Tegen deze beslissing kan een gemotiveerd beroep ingesteld worden bij de administratie secundair onderwijs - afdeling beleidsvoorbereiding binnen de vijf werkdagen na de dag van berekening van de negatieve beslissing.

Art. 6.

Als de op de begroting voorziene kredieten voor onderwijsvoorrang niet voldoende zijn om alle verantwoorde aanvragen te honoreren, worden de wekelijkse extra uren-leraar op basis van de beoordeling door de beoordelingscommissie, door de overheid toegekend aan de scholen waarvan het aanwendingsplan de beste beoordeling krijgt. Bij gelijke beoordeling wordt rekening gehouden met het percentage van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang. De keuze wordt door de beoordelingscommissie verantwoord.

Art. 7.

§ 1. De wekelijkse extra uren-leraar worden aan de school toegekend voor een periode van [drie] schooljaren.

B.Vl.R.6-9-2002

Het aantal wekelijkse extra uren-leraar wordt per schooljaar en per school berekend door op het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen onderwijsvoorrang van de eerste graad en van de tweede graad Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs op 1 februari van het voorafgaand schooljaar een coëfficiënt toe te passen.

Voor de eerste graad betreft het een coëfficiënt van 0,47 per leerling onderwijsvoorrang, voor de tweede graad een coëfficiënt van 0,3 per leerling onderwijsvoorrang.

Nadat de aantallen leerlingen onderwijsvoorrang met hun respectievelijke coëfficiënten zijn vermenigvuldigd, worden de producten opgeteld. De som wordt afgerond naar de hogere eenheid zodra het eerste cijfer na de komma, groter is dan of gelijk is aan vijf. De som wordt afgerond naar de lagere eenheid zodra het eerste cijfer na de komma kleiner is dan vijf.

§ 2. Scholen die het [tweede of het derde] schooljaar de minimumdrempel, bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, niet meer bereiken, behouden de mogelijkheid op wekelijkse extra uren-leraar.

Een school kan nooit voor het [tweede of het derde] schooljaar meer wekelijkse extra uren-leraar krijgen dan wat ze verkregen heeft voor het eerste schooljaar.

B.Vl.R.6-9-2002

§ 3. De scholen die in het schooljaar 1998-1999 voor een eerste schooljaar een basispakket van 28 wekelijkse extra uren-leraar verkregen plus 0,25 wekelijkse extra uren-leraar per regelmatig ingeschreven leerling onderwijsvoorrang in de eerste graad op 1 februari van het voorafgaand schooljaar, blijven zich daarop beroepen voor de schooljaren [1999-2000, 2000-2001 en 2001-2002].

B.Vl.R.6-9-2002

Het vaste basispakket van 28 wekelijkse extra uren-leraar moet als volgt aangewend worden :

a) 4 uren-leraar voor schoolinterne coördinatie;

b) 20 uren-leraar voor bijscholing en overleg tussen de betrokken leerkrachten;

c) 4 uren-leraar voor schooloverstijgende activiteiten.

§ 4. Wanneer er in het [tweede of het derde] jaar meer kredieten beschikbaar komen, kunnen aan de scholen die door de toepassing van artikel 6 geen wekelijkse extra uren-leraar hebben gekregen, toch voor [één of twee schooljaren] wekelijkse extra uren-leraar toegekend worden. Deze toekenning gebeurt volgens de criteria van artikel 6.

B.Vl.R.6-9-2002

Art. 8.

§ 1. In afwijking van artikel 7 en bij daling van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang wordt in een gemeente, eventueel regio, waarin een overeenkomst inzake toelatingsbeleid loopt, het totaal aantal wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang behouden en op het aantal van het schooljaar voorafgaand aan het ingaan van de overeenkomst voor de duur van de overeenkomst.

§ 2. In een gemeente, eventueel regio, waarin een overeenkomst inzake toelatingsbeleid loopt, dragen de inrichtende machten, in gemeenschappelijk overleg, de scholen voor die in aanmerking komen voor het saldopakket wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang.

Dit saldopakket wekelijkse extra uren-leraar ontstaat ten gevolge van een daling onder het niveau van het totaal aantal wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang van het schooljaar voorafgaand aan het ingaan van de overeenkomst op voorwaarde dat deze daling het rechtstreeks gevolg is van een vermindering van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang in de gemeente, eventueel regio, overeenkomstig het non-discriminatiebeleid.

§ 3. Elke school die op basis van de voordracht van het lokale overleg in aanmerking komt voor de in § 2 bedoelde wekelijkse extra uren-leraar, moet een aanwendingsplan indienen conform artikel 3 en 4.

Art. 9.

Het gebruik van de wekelijkse extra uren-leraar wordt beoordeeld door de onderwijsinspectie. Die beoordeling kan aanleiding geven tot de maatregelen zoals bedoeld in artikel 10. Tegen de gestelde maatregelen kan een gemotiveerd beroep ingesteld worden bij de administratie secundair onderwijs - afdeling beleidsvoorbereiding binnen de vijf werkdagen na de dag van de berekening van de beslissing waaien de maatregel wordt vermeld.

Art. 10.

§ 1. De extra subsidiëring of financiering aan de scholen wordt stopgezet in de twee volgende gevallen :

1° als het aanwendingsplan onjuiste gegevens bevat, of

2° als het aanwendingsplan niet nageleefd wordt.

§ 2. De stopzetting gaat in principe het daaropvolgend schooljaar in. In afwijking hierop, gaat de stopzetting onmiddellijk in wanneer er frauduleuze handelingen werden vastgesteld, met terugvordering van de verkregen subsidiëring of financiering tot op het ogenblik dat de frauduleuze handeling werd gesteld.

Art. 11.

§ 1. De wekelijkse extra uren-leraar worden beschouwd als "uren die geen lesuren zijn" voor de reglementering inzake bekwaamheidsbewijzen, weddenschalen, prestatiestelsel en bezoldigingsregeling en inzake de ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie.

§ 2. In de wekelijkse extra uren-leraar bedoeld in § 1 kunnen personeelsleden niet vast benoemd worden. Een vaste benoeming in deze uren-leraar heeft geen uitwerking ten aanzien van de overheid. De betrekkingen die ontstaan uit deze wekelijkse extra uren-leraar kunnen niet vacant verklaard worden.

Art. 12.

De vaststelling van de criteria en de aanwending van het pakket extra uren-leraar, alsmede van het aanwendingsplan worden onderhandeld in het bevoegde lokale onderhandelingscomité en overlegd in het bevoegde lokale participatieorgaan.

Art. 13.

De volgende regelingen worden opgeheven :

1° het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 houdende maatregelen tot uitvoering van het onderwijsbeleid voor migranten in het voltijds secundair onderwijs van de eerste graad, en

2° het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 houdende maatregelen tot uitvoering van het onderwijsbeleid voor migranten in het voltijds secundair onderwijs van de tweede graad.

Art. 14.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1999.

Art. 15.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.