Besluit van de Vlaamse regering houdende oprichting en samenstelling van de lokale comités voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    28 AUGUSTUS 2000
  • publicatiedatum
    B.S.26/10/2000
  • datum laatste wijziging
    24/06/2011

COORDINATIE

B.Vl.R. 16-1-2009 - B.S. 12-3-2009

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

De Vlaamse regering,

Gelet op het bijzonder decreet van 19 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

Gelet op de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, inzonderheid op artikel 10, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1983;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, inzonderheid op artikel 34, tweede lid en 42, § 1, tweede lid;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 15 december 1999;

Gelet op het met redenen omklede advies van 21 december 1999, uitgebracht door het Hoog Overlegcomité, opgericht in het gebied van Sectorcomité X;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 17 maart 2000, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 11 mei 2000, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "comités" : de comités die zijn opgericht krachtens artikel 10 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, hierna de wet te noemen, en die bevoegd zijn om met betrekking tot het personeel van het gemeenschapsonderwijs te onderhandelen over de materies, vermeld in artikel 11, § 1, en te overleggen over de materies, bedoeld in artikel 11, § 2, van de wet.

Art. 2.

Voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs worden met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet, comités opgericht zoals bepaald in dit besluit.

Art. 3.

Voor de materies die tot de bevoegdheid van de schooldirecteur behoren, wordt telkens een basiscomité voor de school opgericht. De schooldirecteur zit het voor.

Art. 4.

§ 1. Voor de materies die tot de bevoegdheid van de directeur van een centrum voor leerlingenbegeleiding behoren, wordt telkens een basiscomité voor het centrum voor leerlingenbegeleiding opgericht. De directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding zit het voor.

[§ 2. Voor de materies die behoren tot de bevoegdheid van de directeur van de permanente ondersteuningscel, vermeld in artikel 89 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt een basiscomité voor de permanente ondersteuningscel opgericht. De directeur van de permanente ondersteuningscel zit het basiscomité voor.]

B.Vl.R. 16-1-2009

Art. 5.

Voor de materies die de personeelsleden betreffen die rechtstreeks onder de scholengroep ressorteren, wordt telkens een basiscomité voor de scholengroep opgericht. De algemeen directeur zit het voor.

Art. 6.

Voor de materies die de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst betreffen, wordt een basiscomité voor de pedagogische begeleidingsdienst opgericht. De voorzitter van de centrale raad en vanaf 1 januari 2003 de afgevaardigd bestuurder zitten het voor.

Art. 7.

Voor de materies die de bevoegdheid van één basiscomité van een bepaalde scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur, de algemene vergadering, de algemeen directeur of van het college van directeurs van de betreffende scholengroep behoren, wordt telkens één tussencomité voor de scholengroep opgericht. De algemeen directeur zit het voor.

[Het tussencomité van de scholengroep is eveneens bevoegd om te onderhandelen over de materies die tot de bevoegdheid van de scholengemeenschap behoren.

Het tussencomité is niet bevoegd voor de materies die zijn toegewezen aan het lokaal comité, opgericht op het niveau van de netoverschrijdende scholengemeenschappen opgericht bij artikel 125duodetricies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en bij [[artikel 84van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]].]

B.Vl.R. 16-1-2009; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 8.

Voor de materies die de bevoegdheid van één scholengroep overstijgen en die tot de bevoegdheid van het centrale niveau behoren, wordt een tussencomité voor het centrale niveau opgericht. De voorzitter van de centrale raad en vanaf 1 januari 2003 de afgevaardigd bestuurder zitten het voor.

Art. 9.

Onverminderd de bepalingen van artikel 42, § 4, en 44 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, worden de leden van de afvaardiging van de overheid van de comités, bedoeld in artikel 3 tot en met 8, door de voorzitter van het betrokken comité voor elke vergadering aangewezen naargelang van de dagorde.

Art. 10.

De voorzitter van een comité wijst zijn plaatsvervanger aan.

Art. 11.

Het besluit van de Vlaamse regering van 25 maart 1992 houdende oprichting en samenstelling van de basisoverlegcomités en het tussenoverlegcomité voor de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2000, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de basisoverlegcomités, opgericht in een PMS-centrum, die worden opgeheven op 1 september 2000.

Art. 12.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000, met uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt op 1 september 2000.

Art. 13.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.