OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering houdende regeling van de procedure en voorwaarden voor het verzekeren van een nascholingsaanbod in het kader van het beleid rond nieuwe media.

  • goedkeuringsdatum
    10 DECEMBER 1999
  • publicatiedatum
    B.S.15/12/2000
  • datum laatste wijziging
    29/06/2004

COORDINATIE

opgeheven door B.Vl.R. 20-2-2004 - B.S. 28-6-2004

De Vlaamse regering,

Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991;

Gelet op het decreet van 19 december 1998 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 tot regeling van de begrotingscontrole, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 1997;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 september 1998 en bij besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1998;

Gelet op het gunstig advies van de inspectie van Financiën gegeven op 28 juni 1999;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor Begroting, gegeven op 9 juli 1999;

Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 28 oktober 1999 met toepassing van het artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Binnen de daartoe jaarlijks op de begroting uitgetrokken kredieten kunnen onder de hierna volgende voorwaarden, nascholingsprojecten worden betoelaagd, ingediend door regionale expertisenetwerken. Deze regionale expertisenetwerken vormen een structureel kader waarbinnen nascholingsprojecten worden uitgevoerd.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :

1° minister : de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs;

2° Secretaris-generaal : de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap of de door hem aangewezen ambtenaar;

3° scholen : alle door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde of gefinancierde instellingen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs en voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en alle door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinscentra voor sociale promotie, ziekenhuisscholen, scholen van het deeltijds kunstonderwijs en de onderwijsinstellingen voor basiseducatie;

4° penvoerende instelling : de door alle betrokken instellingen aangeduide partner die het voorstel indient, instaat voor de coördinatie, de middelen beheert, de voortgang ervan bewaakt en verantwoording en rekenschap aflegt;

5° ICT : informatie- en communicatietechnologie.

HOOFDSTUK II. - Omschrijving, opdracht en samenstelling van de regionale expertisenetwerken

Art. 3.

Regionale expertisenetwerken zijn allerlei vormen van samenwerking, die erop gericht zijn een nascholingsaanbod te ontwikkelen om leerkrachten te leren hoe ze ICT in al zijn aspecten kunnen integreren in hun lessen. Bij de vorming van Regionale expertisenetwerken moeten vier functionele voorwaarden worden vervuld :

- expertise inzake nascholing in de pedagogische, technische en organisatorische aspecten van de introductie van nieuwe media in het onderwijs dient aanwezig te zijn;

- het netwerk dient voldoende (geografisch en/of digitaal) uitgebouwd te zijn zodat de scholen er een beroep op kunnen doen;

- netoverschrijdende samenstelling;

- niveau- en netoverschrijdende werking.

Art. 4.

De opdracht van de regionale expertisenetwerken bestaat erin een nascholingsaanbod uit te werken rond educatief gebruik van nieuwe media en dit op het pedagogisch, technisch en organisatorisch vlak.

Art. 5.

Regionale expertisenetwerken worden samengesteld uit diverse instellingen en initiatieven die over de gevraagde expertise beschikken en die de gevraagde nascholing en ondersteuning kunnen aanbieden. Een departement lerarenopleiding van een erkende universiteit en een departement lerarenopleiding van een hogeschool zoals gedefinieerd in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap dienen deel uit te maken van elk regionaal expertisenetwerk.

HOOFDSTUK III. - Oproep tot het indienen van nascholingsprojecten door regionale expertisenetwerken

Art. 6.

Het departement Onderwijs doet ten laatste op 15 december 1999 een oproep tot het indienen van nascholingsprojecten aan alle erkende universiteiten en hogescholen evenals aan de door haar gesubsidieerde nascholingsinitiatieven informatie- en communicatietechnologie (ICT). Het departement Onderwijs zal de oproep tevens verder verspreiden via de daartoe geëigende kanalen. De oproep bevat alle inhoudelijke en vormelijke vereisten waaraan de voorstellen moeten voldoen. De oproep omvat tevens de timing van de procedure voor het indienen en beoordelen van de voorstellen. Om nascholingsprojecten te kunnen indienen, verenigen universiteiten, hogescholen en eventueel andere betrokken partners zich in een regionaal expertisenetwerk.

Art. 7.

De ingediende projectvoorstellen worden beoordeeld aan de hand van volgende criteria en vragen :

- Kwaliteit. Kwaliteit van het geïntegreerde nascholingsaanbod en relevantie voor de onderscheiden onderwijsniveaus op het vlak van de educatieve, de organisatorische en de technische integratie van ICT in het onderwijs.

- Realiseerbaarheid. Duidelijkheid en haalbaarheid van planning en begroting. Realistische afstemming van de begroting op de planning.

- Bereik. Geografische en/of digitale reikwijdte van het voorgestelde regionale expertisenetwerk; aantal scholen en hun spreiding die efficiënt kunnen worden ondersteund.

- Openheid. Mate waarin net- en niveauoverschrijdend wordt gewerkt.

- Expertise. Mate waarin de gevraagde expertise op technisch, pedagogisch en organisatorisch vlak bij de partners aanwezig is.

- Doelstelling en resultaatgerichtheid. Duidelijkheid, operationalisering, resultaatgerichtheid en controleerbaarheid van de vooropgestelde doelstelling.

- Indiener. Minstens één departement voor lerarenopleiding van een erkende universiteit en één departement voor lerarenopleiding van een hogeschool zoals gedefinieerd in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap moeten deel uitmaken van het voorgestelde samenwerkingsverband dat het project indient.

Art. 8.

Voor de beoordeling van de voorstellen wordt een commissie opgericht. Deze bestaat uit 12 leden, de voorzitter en secretaris inbegrepen :

- Vier onderwijsexperts waarvan twee experten die buiten de Vlaamse Gemeenschap werkzaam zijn.

- Zes ambtenaren van het departement Onderwijs, waarvan één uit de Bovenbouw, één uit de administratie Basisonderwijs, één uit de administratie Secundair Onderwijs, één uit de administratie Hoger Onderwijs, één uit de administratie Ondersteuning en één uit de administratie Permanente Vorming.

- Een vertegenwoordiger van de Dienst Voor Onderwijsontwikkeling.

- Een secretaris.

Art. 9.

De voorzitter, de secretaris en de leden van de commissie worden aangeduid door de secretaris-generaal van het departement Onderwijs. De commissie beoordeelt de ingediende voorstellen aan de hand van hierboven vermelde criteria. De commissie bezorgt de minister een gemotiveerde rangschikking van de ingediende voorstellen. Indien de commissie oordeelt dat de begroting niet realistisch is, maar het project op grond van andere criteria positief beoordeelt, kan de commissie de promotor een bijsturing vragen. De commissie kan ook aanpassingen vragen met betrekking tot het bereik.

Art. 10.

Op basis van het advies van de commissie en binnen het beschikbare krediet stelt de minister een gemotiveerde lijst van voorstellen op die voor betoelaging in aanmerking komen. Hij legt deze lijst ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering.

Art. 11.

Voor elk project wordt een overeenkomst gesloten tussen, enerzijds, de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de minister of zijn gemachtigde, en anderzijds, de vertegenwoordiger van de penvoerende instelling van het regionale expertisenetwerk dat het project indient.

HOOFDSTUK IV. - Financiering, voortgangsbewaking en rapportering

Art. 12.

De vereffening gebeurt na het indienen van volgende documenten: een financieel verslag, een beknopt verslag van de activiteiten die hebben plaatsgevonden in het kader van de overeenkomst, een origineel ondertekende schuldvordering (in drievoud) en in de mate dat de uitbetaling gerechtvaardigd wordt door documenten (facturen, aanwezigheidslijsten,...) die de exacte uitvoering van de opdracht staven.

Art. 13.

Binnen de drie maanden na het aflopen van het contract en tegen uiterlijk 30 november van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop het project werd betoelaagd, moet de penvoerende instelling een eindrapport bij het departement Onderwijs indienen.

Art. 14.

In de tussentijdse rapporten en in het eindrapport moet verslag gedaan worden van de wijze waarop de netwerken de nascholing op technisch, organisatorisch en pedagogisch vlak naar de scholen toe hebben gerealiseerd.

Art. 15.

De regionale expertisenetwerken worden van nabij gevolgd en zonodig bijgestuurd door een stuurgroep. De leden van de stuurgroep worden aangeduid door de secretaris-generaal. De stuurgroep brengt een advies uit omtrent de uitbetaling van de tweede en derde schijf.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 16.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 6 december 1999.

Art. 17.

De Vlaamse minister, bevoegd voor Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.