Gezondheidstoezicht en sociale voordelen. Vanaf het schooljaar 1991-1992

  • referentie
    JUR1/11/AVW
  • publicatiedatum
    25/07/1991
  • datum laatste wijziging
    08/01/2010
  • opheffing
    De circulaire van 1 juni 1960, zoals gewijzigd bij circulaire van 29 november 1963

1. Financiële tussenkomsten ten bate van ...

De financiële tussenkomsten van de provincies of van de gemeenten ten gunste van het vrij en het gemeenschapsonderwijs worden beperkt tot twee domeinen, namelijk:

  • - het gezondheidstoezicht;
  • - de aan de leerlingen verleende sociale voordelen (decreet 5 juli 1989).

Daaruit volgt dat bovengenoemde organen geen andere steun mogen of kunnen verlenen aan vrije en gemeenschapsscholen, behalve in de gevallen die in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving zijn vastgelegd.

Meteen is te onthouden dat het verlenen van sociale voordelen steeds rechtstreeks verbonden is met leerlingen, wat overigens duidelijk blijkt uit de verbinding "de aan de leerlingen verleende sociale voordelen".

2. Wat behelzen deze twee domeinen?

2.1. Onder gezondheidstoezicht valt het preventief medisch schooltoezicht zoals het wordt gerealiseerd door de diensten van het Medisch Schooltoezicht (MST) en door de Psycho-Medisch-Sociale Centra (P.M.S.-centra).

2.2. Onder sociale voordelen vallen drie specifieke gunsten :

  • - het ochtend- en het avondtoezicht;
  • - het middagtoezicht;
  • - het ter beschikking stellen van de gemeentelijke infrastructuur.

Nu volgt een nauwkeuriger omschrijving van elk van deze items:

2.2.1. Het ochtend- en het avondtoezicht is een sociaal voordeel voor zover dit toezicht buiten de normale aanwezigheid van de leerlingen valt. Voor de toepassing van de regelgeving is verband met sociale voordelen worden het kwartier voor de aanvang van de lessen 's ochtends en het kwartier aansluitend op het beëindigen van de lessen na de middag beschouwd als behorend tot de normale aanwezigheid van de leerlingen.

Voorbeeld :

Een school begint om 8u30. Van 8u15 tot 8u30 is er geen toezicht dat sociaal voordeel kan zijn. Er is wel een ochtendtoezicht van 7u45 tot 8u15 dat als sociaal voordeel wordt aangezien.

2.2.2. Het middagtoezicht naar rata van één uur per volle schooldag zal als sociaal voordeel worden erkend.

Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen middagtoezicht en middagmaaltoezicht in het kader van sociale voordelen.

Voorbeeld :

School Y eindigt om 11u45 en begint om 13u15. De periode van 12 u. tot 13 u. wordt erkend als sociaal voordeel voor de leerlingen als er toezicht is.

2.2.3. De inrichtende machten die van het sociale voordeel van het ochtend-, middag- en avondtoezicht willen genieten, zijn gehouden minimaal hetzelfde remgeld te vragen aan de ouders of aan de personen die de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben als het remgeld dat wordt gevraagd voor hetzelfde toezicht aan de leerlingen van de onderwijsinstellingen van de gemeente of provincie die het voordeel toekent.

Voorbeeld :

Sociaal voordeel gemeente X: 1 vergoeding voor 1 toezichter voor 1 uur ochtendtoezicht.

Gemeente X vraagt voor dezelfde opvang in haar onderwijsinstelling 0,25 euro per uur per leerling.

Om recht te hebben op deze tegemoetkoming moet de vrije en de gemeenschapsschool minimaal 0,25 euro per uur per leerling aan de ouders aanrekenen.

Dit bedrag wordt in mindering gebracht (cfr. artikel 4 van het besluit).

2.2.4. Wanneer een studieopvang wordt georganiseerd ten behoeve van de leerlingen van ( ... )het basisonderwijs moet deze opvang als een avondtoezicht worden geïnterpreteerd.

( ... )

2.2.5. Het in artikel 5 vermelde bedrag van 4,34 euro voor het middagtoezicht is het bedrag dat in het basisonderwijs vervat zit in de werkingstoelagen verstrekt door de overheid.

De verstrekker van het sociale voordeel bepaalt zelf welk normenstelsel hij hanteert. Voor het middagtoezicht zal dit neerkomen op een éénheid per groep van leerlingen. Onder éénheid wordt begrepen het toezicht van een personeelslid gedurende één uur. Voor het ochtend- en avondtoezicht zal dit neerkomen op een bepaalde tijdsduur. Wanneer de verstrekker een ochtend- of avondtoezicht van maximum 45' organiseert dan kunnen slechts 45' als sociaal voordeel gelden voor de andere netten.

Voorziet de verstrekker slechts 30' dan kunnen de andere netten slechts 30' als sociaal voordeel beschouwen, ook al zouden ze zelf een toezicht van 45' of meer voorzien.

Voorbeeld:

Een eenheid per volle schijf van 30 rechthebbende leerlingen. Dit betekent dat:

- ook met minder dan 30 rechthebbende leerlingen de instelling recht heeft op één eenheid;

- slechts vanaf 60 effectief rechthebbende leerlingen een beroep kan worden gedaan op een bijkomende eenheid. Indien er 50 rechthebbende leerlingen zijn dan kan er slechts één eenheid als sociaal voordeel worden verleend.

Het gesubsidieerd vrij onderwijs en het gemeenschapsonderwijs kunnen geen andere criteria inroepen om af te wijken van het door de verstrekker van het sociaal gehanteerde normenstelsel.

Zo kan het gebrek aan ruimte, c.q. infrastructuur niet worden ingeroepen om meer eenheden te bekomen.

Het remgeld (0,12, 0,25,...euro x aantal rechthebbende leerlingen x 160 dagen) wordt slechts in rekening gebracht voor die leerlingen die binnen een volledige schijf kunnen worden gesitueerd.

Voorbeeld:

50 rechthebbende leerlingen voor middagtoezicht. Er is slechts 1 beurt toegekend (volledige schijven van 30 lln.) Er wordt voor 30 leerlingen remgeld verrekend op jaarbasis. Zijn er 2 eenheden of beurten voor 70 rechthebbende leerlingen dan wordt er voor 60 leerlingen remgeld verrekend.

Voorbeeld school A:

- 300 ingeschreven leerlingen;

- gemiddeld (september, oktober en november) aantal op middagtoezicht rechthebbende leerlingen: 135;

- remgeld gevraagd door het gemeentebestuur aan de ouders van de kinderen van de gemeenteschool : 0,12 euro/ll. per beurt;

- gehanteerd normenstelsel : de volledige schijf van 30 leerlingen is een eenheid;

- vergoeding per eenheid : 8,68 euro;

- aantal toegekende eenheden : 4 (30 x 4 = 120 lln.)

Op jaarbasis ontvangt school A:

8,68 x 4 (toezichters) x 160 (dagen) = 5.555,2 euro

Dit bedrag wordt verminderd met a en b.

a) 300 (lln.) x 4,34 euro = 1.302 euro.

(in werkingstoelagen begrepen)

b) 120 (lln.) x 0,12 euro x 160 (dagen) = 2.304 euro

Totaal: 3.606 euro.

Het gemeentebestuur zal voor school A als sociaal voordeel voor 1.949,2 euro op jaarbasis tussenkomen.

Voorbeeld school B:

- 120 ingeschreven leerlingen (cfr. berekening werkingstoelagen);

- gemiddeld aantal op middagtoezicht rechthebbende leerlingen : 40;

- remgeld : 0,25 euro per leerling en per beurt gevraagd door het gemeentebestuur;

- normenstelsel : de volledige schijf van 25 leerlingen is een eenheid;

- vergoeding per eenheid : 8,06 euro;

- aantal toegekende eenheden : 1 (50 lln. zou 2 eenheden verantwoorden).

Op jaarbasis ontvangt school B:

8,06 x 1 x 160 = 1.289,6 euro.

Dit bedrag wordt verminderd met a en b.

a) 120 (lln.) x 4,34 euro = 520.8 euro.

b) 25 (lln.) x 0,25 euro x 160 (dagen) = 1.000 euro.

Totaal: 1.520,8 euro.

Het gemeentebestuur zal voor school B geen sociaal voordeel uitbetalen.

De reële vermindering kan slechts 1.289,05 euro bedragen. Met andere woorden de verstrekker van het sociale voordeel kan voor een instelling nooit meer in mindering brengen dan wat door hem als tussenkomst op jaarbasis aan de instelling wordt toegekend.

2.2.6. Toezichters worden in principe aangeworven door de inrichtende macht die het voordeel geniet. Voor de bezoldiging en de voorwaarden tot betaling door de verstrekker van het sociaal voordeel wordt verwezen naar artikel 6.

Indien de overheid personeelsleden ter beschikking stelt in het kader van een bijzonder tewerkstellingsprogramma, bijvoorbeeld GECO's, wordt het personeelslid aangeduid door de begunstigde inrichtende macht en aangeworven door de overheid die het sociale voordeel verstrekt.

2.2.7. Het ochtend-, middag- en avondtoezicht kunnen doorgaan in gemeenschappelijke lokalen. Dit kan evenwel slechts geschieden met uitdrukkelijk akkoord van al de betrokken inrichtende machten. Indien geen akkoord wordt bereikt, gaat het toezicht door in de lokalen van de verschillende onderwijsinstellingen.

2.2.8. De gemeentebesturen stellen hun infrastructuur, in het bijzonder de sportinfrastructuur, op gelijke wijze ter beschikking van alle leerlingen van alle scholen gelegen op het eigen grondgebied. Met andere woorden het gebruik van de voor het publiek toegankelijke gemeentelijke- en provinciale infrastructuur is voortaan erkend als een sociaal voordeel voor de leerlingen.

Natuurlijk geldt dit niet voor alle roerende en onroerende goederen rechtstreeks bestemd voor en gericht op het eigen onderwijs, respectievelijk voor de provinciale en de gemeentelijke scholen.

Voorbeeld :

1. De gemeentelijke sportzaal moet onder gelijke voorwaarden kunnen gebruikt worden door de leerlingen van alle scholen. Evenzo het gemeentelijk zwembad.

Dit betekent in concreto dat aan alle leerlingen van alle netten die in school- of klasverband bv. het gemeentelijk zwembad gebruiken eenzelfde inkomprijs wordt aangerekend.

Het vervoer van de leerlingen naar de vermelde infrastructuur kan niet als sociaal voordeel worden erkend.

2. De gymzaal, het zwembad e.d. van de eigen gemeenteschool, alsook het didactisch of ander materieel kan onder geen enkel beding als een sociaal voordeel worden beschouwd.

3. Over de toepassing van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

3.1. De provincie- en de gemeentebesturen mogen bij het toekennen van toelagen voor het gezondheidstoezicht en voor de aan de leerlingen verleende sociale voordelen GEEN onderscheid maken onder de kinderen van de scholen die onder hun eigen beheer vallen en die van de vrije en gemeenschapsscholen. Met andere woorden: wat aan hun leerlingen wordt toegekend, wordt ook gegeven aan de leerlingen van de andere scholen, voor zover het de twee domeinen geldt, zoals beschreven in nummer 2 hierboven. Let wel: vroeger bestond deze verplichting niet voor de leerlingen van het gemeenschapsonderwijs.

Nu verdwijnt elk onderscheid.

Telkens het provincie- of het gemeentebestuur een erkend sociaal voordeel toekent voor de rechthebbende leerlingen van de eigen school of voor de rechthebbende leerlingen van een andere school (indien er bijvoorbeeld geen gemeenteschool is), dan moet dit voordeel naar rata van het aantal rechthebbende leerlingen ook worden toegekend aan de rechthebbende leerlingen van alle scholen gelegen op het eigen grondgebied.

3.2. De provincie- en de gemeentebesturen mogen bij het toekennen van toelagen voor het gezondsheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen nog onderscheid maken naargelang:

Het niveau van het onderwijs (de verticale segmentering) en dan als volgt:

  • - het niveau kleuteronderwijs (onverdeeld);
  • - het niveau lager onderwijs (per leerjaar : structuur zes leerjaren);
  • - het secundair onderwijs : voltijds en deeltijds mag onderscheiden worden; onderscheid algemeen vormend, technisch en beroepssecundair onderwijs mag worden gemaakt (per leerjaar);
  • - het niveau van het buitengewoon onderwijs (per niveau, opleidingsvorm, type en leerjaar);
  • - het niveau hoger onderwijs (alleen voor het pedagogisch hoger onderwijs).

Voorbeeld 1:

Een gemeentebestuur geeft een sociaal voordeel (het uur middagtoezicht) voor het kleuteronderwijs, voor het lager onderwijs en voor de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs. Het is duidelijk dat de segmentering dezelfde is voor alle scholen gelegen op het grondgebied.

Voorbeeld 2:

Een gemeentebestuur geeft een sociaal voordeel (cfr. art. 2) aan het gemeentelijk beroepsonderwijs. Op het grondgebied heeft de vrije school A ook beroepsonderwijs, terwijl de vrije school B dit niet heeft. Zij geeft enkel algemeen vormend onderwijs. De vrije school B kan dus geen aanspraak maken op het verleende sociale voordeel.

Voorbeeld 3:

Een gemeentebestuur geeft een sociaal voordeel voor de leerlingen van de gemeentelijke kleuterschool (ochtend- en avondtoezicht). De gemeenschapsschool A, gelegen op het grondgebied van de gemeente, heeft noch kleuterschool noch kleuterafdeling. Deze school kan geen aanspraak maken op een financiële tussenkomst.

Voorbeeld 4:

Een gemeentebestuur geeft een sociaal voordeel (art. 2) aan het gemeentelijk beroepsonderwijs. Op het grondgebied heeft de vrije school A beroepsonderwijs, technisch en algemeen vormend onderwijs. De school A kan enkel sociale voordelen verwerven voor het beroepsonderwijs.

3.3. Het toekennen van toelagen voor gezondheidstoezicht en voor de aan de leerlingen verleende sociale voordelen geschiedt steeds in functie van en naar rata van het aantal rechthebbende leerlingen rekening houdend met het vastgelegd onderscheid (bijvoorbeeld de bovengenoemde segmentering).

De instellingen van het gesubsidieerd vrij en van het gemeenschapsonderwijs, waarvan de leerlingen genieten van sociale voordelen, moeten ieder afzonderlijk voor elk van de hen toegekende sociale voordelen, uiterlijk op 15 december van het jaar waarin het voordeel wordt toegekend, aan het gemeentebestuur een correcte opgave doen van het totaal aantal leerlingen van de betrokken instellingen op 1 februari van het vorige schooljaar en een gedetailleerd overzicht van het aantal rechthebbende leerlingen (cfr. artikelen 4 en 5) van het schooljaar waarin het sociale voordeel wordt toegekend. De opgave per 1 februari van het vorig schooljaar geldt enkel voor het gewoon lager onderwijs en voor het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs. Voor het gewoon kleuteronderwijs wordt het jaargemiddelde van het voorbije schooljaar genomen.

3.4. De beslissingen van de provincieraad, respectievelijk de gemeenteraad, die handelen over de voordelen die worden toegekend op grond van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 en het decreet van 5 juli 1989 aan de scholen waarvan zij niet de inrichtende macht zijn, worden aan de Gemeenschapsminister van Onderwijs meegedeeld. Samen met de beslissingen worden de gegevens gevoegd (aantal leerlingen die in aanmerking komen, aantal scholen en aard ervan,...) die toelaten om met volle kennis van zaken te beslissen.

De mededeling gebeurt via de provinciegouverneur, maar elke negatieve opmerking van de verificatie over deze aangelegenheid wordt via hiërarchische weg aan de Gemeenschapsminister gemeld.

Deze beslissingen kunnen wegens wetsovertreding, het niet naleven van het decreet, wegens schending van het algemeen belang binnen een tijdspanne van veertig dagen vanaf hun mededeling vernietigd worden.

Elk jaar, ten laatste op 30 maart, zenden de provincie- en de gemeentebesturen aan de Gemeenschapsminister van Onderwijs een overzichtelijke staat van de gedane uitgaven voor gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen.

Indien voordelen ten onrechte werden toegekend, kan de Gemeenschapsminister op grond van de wet van 11 juli 1973, het bedrag terugvorderen op de werkingstoelagen en -middelen van de school die ten onrechte het voordeel ontving.

4. Wijziging van wat bestaat.

Het toekennen van sociale voordelen (de 3 items van nummer 2.2) kan op elk ogenblik beginnen en eindigen. De respectieve onderwijsnetten worden van die beslissing op de hoogte gebracht voor het begin van een nieuw schooljaar. Niets belet de gemeentebesturen voordelen, indien ze niet begrepen zijn in de artikelen 1 en 2 van het besluit, toe te kennen aan de leerlingen van de eigen onderwijsinstelling.