OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse regering houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek.

  • goedkeuringsdatum
    23 FEBRUARI 2001
  • publicatiedatum
    B.S.28/04/2001
  • datum laatste wijziging
    03/01/2007

COORDINATIE

B.Vl.R. 30-11-2001 - B.S. 31-8-2002

B.Vl.R. 19-12-2001 - B.S. 26-11-2004

B.Vl.R. 13-12-2002 - B.S. 28-2-2003

B.Vl.R. 2-4-2004 - B.S. 5-7-2004

B.Vl.R. 15-9-2006 - B.S. 4-12-2006

opgeheven door B.Vl.R. 15-9-2006 - B.S. 4-12-2006

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op artikel 169bis, § 2, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999;

Gelet op besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 2000 betreffende de erkenning van een universitair steunpunt werkgelegenheid, arbeid en vorming, inzonderheid artikel 1, § 2;

Gelet op het feit dat het besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 1999 houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van erkenning en subsidiering van universitaire steunpunten vooral betrekking heeft op steunpunten rond maatschappelijk relevante thema's;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 1 december 2000;

Gelet op het advies dat de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid op 4 januari 2000 heeft verstrekt krachtens artikel 3, § 4 van het decreet van 15 december 1993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat het aangewezen is om, onder de voorwaarden zoals bepaald in dit reglementair besluit terstond de procedure op te starten voor het erkennen van steunpunten voor het beleidsrelevant onderzoek. Immers rond een aantal voorgestelde thema's heeft de Vlaamse overheid dringend behoefte aan wetenschappelijk onderbouwd beleidsadvies en gegevensmateriaal. In het belang van een objectieve benadering en beoordeling van de aanvragen moeten diverse procedurestappen gevolgd worden en is het de bedoeling om, in het kader van de rechtszekerheid, voor de steunpunten zo spoedig mogelijk, en zeker voor de aanvang van het academiejaar 2001-2002 een beslissing te nemen over de ondersteuning. Bovendien is het wenselijk dat de implementatie van de bestuurlijke vernieuwing van de Vlaamse overheid in zekere mate parallel verloopt met het opstarten van de steunpunten. Dit laat toe op een harmonieuze wijze de samenwerking tussen de steunpunten en de nieuwe administratieve structuren uit te bouwen. Een beslissing voor het begin van het academiejaar laat ook toe indien dit nodig is dat een steunpunt onderzoekers aanwerft uit de groep pas afgestudeerden. Zeker voor een aantal domeinen die worden bestreken door de steunpunten is er immers een schaarste op de arbeidsmarkt. In het bijzonder dient het thema "O&O Statistieken" zo spoedig mogelijk te worden opgestart om het basisgegevens aan te leveren die zullen gebruikt worden om een gedeelte van de middelen van de Bijzonder Onderzoeksfondsen aan de Vlaamse universiteiten te verdelen op basis van criteria gebaseerd op productiviteit en impact. Hiervoor kan onder meer worden verwezen naar het verslag aan de regering bij het besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, waarin gesteld wordt :

"Tenslotte dient te worden vermeld dat de herziening van de verdeelsleutel voor de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds, waarbij meer nadruk zal worden gelegd op criteria verbonden aan wetenschappelijke productiviteit en kwaliteit, evenals op de verdere uitbouw van een systeem voor kwaliteitsbewaking, het voorwerp zal uitmaken van een herziening van dit besluit.";

evenals naar de beleidsbrief "Wetenschaps- en Technologisch Innovatiebeleid 2000-2001", die stelt : "Zoals aangegeven in de beleidsnota, zullen in de loop van 2001, aanpassingen worden doorgevoerd aan de criteria die worden gebruikt om de middelen voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen toe te wijzen aan de universiteiten. Hierbij zal meer nadruk worden gelegd op de wetenschappelijke productiviteit evenals op de Europese en mondiale herkenbaarheid en kwaliteit van het onderzoek.";

Gelet op het advies 31.174/1 van de Raad van State, gegeven op 18 januari 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging;

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° het steunpunt : een entiteit [binnen een universiteit of een hogeschool], of een samenwerkingsverband van meerdere zulke entiteiten uit verschillende universiteiten verder consortium genoemd -, die, daartoe erkend, op een geïntegreerde manier wetenschappelijke ondersteuning biedt aan de overheid en aan relevante actoren met betrekking tot door de Vlaamse regering vastgestelde thema's. inzake beleidsrelevant onderzoek. De entiteit of het consortium voeren hiertoe een afzonderlijke boekhouding;

2° een partner : een Vlaamse hogeschool, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, een andere Belgische of buitenlandse universiteit dan deze bedoeld in het 6° van dit lid of publieke onderzoeksinstelling, waarmee of waarvoor een steunpunt op een structurele manier samenwerkt en hiervoor een langlopend contract afsluit;

3° het thema : een bij besluit van de Vlaamse regering afgebakend onderwerp dat kadert binnen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en dat wegens zijn bestuurlijke of beleidsmatige relevantie een bijzondere en op wetenschappelijke inzichten gebaseerde ondersteuning vraagt;

4° de minister : de functioneel bevoegde minister(s);

5° de administratie : het/de door de minister aangewezen departement(en) en/of administratie(s) van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die belast zijn met de uitvoering en de opvolging van de krachtens dit besluit genomen beslissingen;

6° de universiteit : een universiteit zoals vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

B.Vl.R. 15-9-2006

HOOFDSTUK II. Erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden

Art. 2.

Per thema wordt slechts één steunpunt erkend. De erkenning wordt toegekend voor vijf jaar. De Vlaamse regering beslist [...] over de verlenging of intrekking van het thema. De uitvoering van het thema wordt vervolgens opnieuw in mededinging gesteld.

Om in aanmerking te komen voor erkenning als steunpunt moet de entiteit of het consortium het bewijs leveren van adequate inzet van middelen voor de competente behandeling van het thema.

Daartoe :

1° moet een aanvraag tot erkenning van een entiteit worden ingediend door een lid van het [zelfstandig academisch personeel van een universiteit of het onderwijzend personeel van een hogeschool] behorend tot die entiteit, of door een lid van [het zelfstandig academisch personeel c.q. onderwijzend personeel van elke entiteit binnen een universiteit c.q. hogeschool] die deel uitmaakt van het consortium; in geval van een consortium dient de keuze voor een consortium te worden verantwoord en moet een duidelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten worden aangegeven alsook de wijze waarop de samenwerking plaatsvindt; meer bepaald moet worden aangegeven wie de verantwoordelijke(n) van het te erkennen steunpunt is/zijn, met opgave van de relevante beroepservaring;

2° moet de aanvraag mede ondertekend worden door [de rector van betrokken universiteit(en) c.q. de algemeen directeur van de betrokken hogescho(o)l(en)];

3° dient de aanvraag een inhoudelijk verantwoorde en financieel begrote meerjarenplanning m.b.t. de opvolging van het thema alsook een omschrijving van de eigen doelstellingen en de beoogde resultaten te bevatten. Meer in het bijzonder dient de wetenschappelijke ondersteuning minstens beleidsondersteunende onderzoekstaken evenals taken van kennisoverdracht te omvatten, desgevallend aangevuld met taken van dataverzameling en -analyse. Voor een consortium dient duidelijk te worden aangegeven over welke middelen elk van de entiteiten dient te beschikken; ook moet de wijze worden aangegeven waarop de bereikte resultaten en effecten en de geleverde prestaties worden beschikbaar gesteld aan de minister en zo mogelijk bekendgemaakt;

4° indien de entiteit of het consortium op een structurele manier met een partner of partner(s) samenwerkt, dient te worden aangegeven welke taken door of voor deze partner(s) worden uitgevoerd en begroot worden welke financiële of andere bijdrage elkeen daartoe levert;

5° dient [de universiteit c.q. de hogeschool] of in geval van een consortium dienen [de universiteiten c.q. de hogescholen] het te erkennen steunpunt te huisvesten in een omgeving die geschikt is voor de activiteiten en dient het te erkennen steunpunt een duidelijke herkenbaarheid te hebben voor de gebruiker; zij moet(en) aangeven hoe zij zulks verwezenlijken;

6° dient [de universiteit c.q. de hogeschool] of in geval van een consortium dienen [de universiteiten c.q. de hogescholen] aan te geven welke middelen in de ruime zin, zij inzet of inzetten voor het ondersteunen van de werking van het steunpunt, alsmede de duur van deze inzet.

Elke wijziging aan een der voormelde gegevens moet dadelijk worden medegedeeld. Een erkenning kan worden ingetrokken wanneer niet meer aan de erkenningsvoorwaarden of aan de engagementen medegedeeld door [de universiteit(en) c.q. de hogescho(o)l(en)] bij de erkenningsaanvraag is voldaan. In zulk geval kan de Vlaamse regering beslissen voor de nog lopende duur van de aanvankelijke erkenning een nieuwe oproep te verrichten volgens de procedure voorzien in artikel 5 hierna.

B.Vl.R. 15-9-2006

Art. 3.

Bij zijn aanvraag tot erkenning dan wel op een later tijdstip tijdens de duur van zijn erkenning kan een entiteit of een consortium voor de dan lopende duur van de erkenning tot de Vlaamse regering een verzoek richten tot toekenning van een subsidie in het kader van dit besluit.

In zulk geval dienen de gegevens vereist voor erkenning te worden aangevuld met een duidelijke beschrijving van de omvang en aanwendingsmodaliteiten van de gevraagde middelen. De aanvrager moet aantonen dat de middelen dienstig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen omschreven [in art.2, derde lid, 3°]. Het verzoek moet dan tevens het rekeningnummer van de universiteit vermelden waarop de subsidie gestort kan worden.

B.Vl.R.13-12-2002

HOOFDSTUK III. Procedure voor erkenning

Art. 4.

§ 1. Nadat de Vlaamse regering de thema's heeft vastgesteld verricht de minister belast met de uitvoering van dit besluit een oproep tot indiening van aanvragen tot erkenning, al dan niet met een betoelagingsaanvraag, aan de universiteiten. Deze minister coördineert het procedureverloop en rapporteert hierover aan de Vlaamse regering.

Naast het opvragen van gegevens vermeld in de artikelen 3 en 4 van dit besluit wordt per thema het volgende vermeld :

1° de termijn waarbinnen de aanvragen ingediend moeten worden;

2° de administratie waar de aanvragen ingediend moeten worden;

3° de criteria op basis waarvan de aanvragen beoordeeld zullen worden;

4° de begrotingspost en de basisallocatie waarop de betoelaging zal aangerekend worden;

5° in voorkomend geval, de grenzen en/of voorwaarden van de financiële tegemoetkoming.

§ 2. De thema's samen met een uitnodiging om aanvragen in te dienen, worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Art. 5.

De coördinerend minister beoordeelt de aanvragen op hun ontvankelijkheid.

De ontvankelijke dossiers worden doorgestuurd naar een door de Vlaamse regering aangesteld adviesorgaan. Het adviesorgaan brengt aan de Vlaamse regering een advies uit.

Het adviesorgaan kan, voor de beoordeling van de aanvragen, bijkomende inlichtingen vragen aan de universiteiten en hen uitnodigen deze te komen toelichten.

De Vlaamse regering neemt een beslissing over de erkenning en de toekenning van de betoelaging op basis van het advies van het adviesorgaan. Als de beslissing afwijkt van dit advies bevat deze tevens de motieven hiervoor. De beslissing vermeldt het steunpunt, de universiteit(en) waar het steunpunt wordt gevestigd, het thema waarvoor de erkenning wordt verleend, de datum van inwerkingtreding en, desgevallend, het maximale bedrag dat als betoelaging voor de activiteiten kan worden toegekend aan de entiteit of, in geval van een consortium, aan elk van de entiteiten. [Tussen de Vlaamse regering en de betrokken universiteit of universiteiten wordt een beheersovereenkomst gesloten die de essentiële elementen van de erkenning en de subsidiëring en de verwachte resultaten van het steunpunt vastlegt.]

B.Vl.R.13-12-2002

HOOFDSTUK IV. - Uitvoerings- en financieringsbepalingen

Art. 6.

De activiteiten van het steunpunt worden opgevolgd door een door de Vlaamse regering samengestelde stuurgroep. De minister ordent de werkzaamheden van deze stuurgroep. De stuurgroep heeft als opdracht de uitgevoerde jaaractiviteiten en de planning voor het komende jaar te toetsen aan het meerjarenplan en kan terzake aanbevelingen geven aan het steunpunt en aan de Vlaamse regering. De administratie van de minister verzorgt het secretariaat.

Jaarlijks legt het steunpunt aan de Vlaamse regering een jaarverslag voor met de uitgevoerde activiteiten en de planning voor het volgende werkingsjaar.

Art. 7.

De Vlaamse regering wordt vermeld bij alle mededelingen en publicaties over de activiteiten en/of de resultaten van het steunpunt.

Art. 8.

[§ 1. De toegekende subsidies worden jaarlijks uitgekeerd in drie schijven :

(voetnoot 1)

- een eerste schijf van 40 % vóór 1 februari;

- een tweede schijf van 30 % vóór 30 juni;

- een derde schijf van maximaal 30 % vóór 1 oktober voorzover het jaarverslag van het vorige werkingsjaar werd goedgekeurd; indien van toepassing wordt deze schijf verminderd met het positief saldo van het vorig werkingsjaar.

De derde schijf van de subsidie van het laatste jaar waarin het steunpunt wordt erkend en betoelaagd, wordt uitgekeerd vóór 30 juni van het volgend jaar, voorzover het jaarverslag van het vorig werkingsjaar werd goedgekeurd; deze schijf wordt verminderd met het positief saldo van het vorige werkingsjaar.

§ 2. De subsidie kan worden aangewend voor personeelskosten, werkingskosten, uitrustingskosten, centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten, eventueel beperkt tot de krachtens artikel 4, § 1, tweede lid, 5° bepaalde grenzen.

Voor het uitvoeren van specifieke opdrachten kan het steunpunt overeenkomsten sluiten met derden en hieruit voortvloeiende kosten betalen met de ontvangen subsidie.

De besteding van de als subsidie ontvangen middelen moet bewezen worden door middel van een afzonderlijke boekhouding voor het steunpunt. Wanneer het een consortium betreft, moeten afzonderlijke boekhoudingen worden gevoerd voor de verschillende entiteiten.

§ 3. Het steunpunt kan een reserve opbouwen. Het totaal bedrag aan opgebouwde reserve mag gecumuleerd volgende maxima niet overschrijden :

- in het eerste werkingsjaar : maximaal 40 % van de in het betrokken jaar toegekende subsidie;

- in het tweede werkingsjaar : maximaal 25 % van de in het betrokken jaar toegekende subsidie;

- in het derde werkingsjaar : maximaal 10 % van de in het betrokken jaar toegekende subsidie;

- vanaf het vierde werkingsjaar : maximaal 5 % van de in het betrokken jaar toegekende subsidie.

Een werkingsjaar valt samen met een kalenderjaar, met uitzondering van de afwijking voorzien in artikel 9, § 2.

De reserve moet worden aangewend voor personeelskosten, werkingskosten, uitrustingskosten, onderaannemingskosten, centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten, die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van het steunpunt.]

B.Vl.R.13-12-2002

HOOFDSTUK V. Slot- en overgangsbepalingen

Art. 9.

[§ 1. In afwijking van artikel 2, neemt de erkenning van de steunpunten die in het kader van dit besluit door de Vlaamse regering op 24 juli 2001 en 8 maart 2002 werden erkend, een einde op 31 december 2006. De thema's die door deze steunpunten worden behandeld, worden in de loop van 2005 opnieuw vastgesteld.

§ 2. In afwijking van artikel 8, § 3, tweede lid van dit besluit, loopt voor de in §1 vermelde steunpunten het eerste werkingsjaar over de periode vanaf de in artikel 5 vermelde datum van inwerkingtreding tot 31 december 2002.

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8, § 3, eerste lid, geldt deze periode als eerste werkingsjaar.

§ 3. In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van dit besluit worden de subsidies van het eerste werkingsjaar aan de steunpunten vermeld in §1 als volgt uitgekeerd :

- ten laatste dertig dagen na de in § 2 vermelde datum van inwerkingtreding worden de middelen voorzien voor het begrotingsjaar 2001 uitgekeerd;

- de middelen voorzien voor het begrotingsjaar 2002 worden uitgekeerd als volgt :

- een eerste schijf van 40 % vóór 1 februari 2002;

- een tweede schijf van 30 % vóór 30 juni 2002;

- een derde schijf van 30 % vóór 1 oktober 2002.]

B.Vl.R.13-12-2002

Art. 10.

1° [...].

2° In artikel 1, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 2000 betreffende de erkenning van een universitair steunpunt werkgelegenheid, arbeid en vorming worden de woorden "vijf jaar" vervangen door de woorden "zes jaar".

B.Vl.R.2-4-2004

Art. 11.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De werkingssubsidies, bepaald in dit besluit, kunnen toegekend worden met ingang van 1 januari 2001.

Art. 12.

De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): De werkingssubsidies kunnen toegekend worden met ingang van 1 januari 2001 (B.Vl.R. 13-12-2002; Art. 6)