Organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs

  • Voor bijkomende inlichtingen in verband met deze onderrichtingen, kan contact worden opgenomen met het departement Onderwijs en Vorming.

1. Inleiding.

Overeenkomstig de schoolpactwet van 29 mei 1959 moet de Vlaamse regering de organisatie van het schooljaar vastleggen als één der voorwaarden voor de erkenning van het onderwijs. De organisatie van het schooljaar houdt verband met de tijdsordening, nl. de spreiding van respectievelijk de onderwijstijd en de vrije tijd op dag-, week- en jaarbasis.

De betrokken regelgeving is opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001, zoals gewijzigd, en is van toepassing op het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de deeltijdse vorming. De regelgeving strekt ertoe om :

a) de rol van de overheid te beperken tot het vastleggen van de grote krachtlijnen, waardoor de lokale autonomie en de responsabilisering van de onderwijsverstrekkers worden versterkt;

b) de administratieve taakbelasting te verminderen door middel van het opheffen van de procedure van verplichte afwijkingsaanvragen;

c) een evenwichtige verhouding na te streven tussen de tijd die wordt uitgetrokken enerzijds voor de afwerking van het leerprogramma en anderzijds voor de evaluatie, m.a.w. evaluatie als middel en niet als doel;

d) via flexibele stagetijden bij te dragen tot een optimalisering van de leerlingenstages.

De regelgeving op de benutting van de beschikbare onderwijstijd, die hierna gedetailleerd wordt beschreven, moet de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen en het individueel leerlingenbelang (zowel van de min- als van de meerderjarigen) in het bijzonder vrijwaren. In die zin kan het voor een schoolbestuur opportuun zijn om binnen eenzelfde school de concrete organisatiemodaliteiten te differentiëren naar leerlingengroep, d.w.z. naar graad, onderwijsvorm, studierichting of groep van studierichtingen, ja zelfs naar klas.

Hoewel elke bevoegdheid bij het schoolbestuur berust, is het op het vlak van de organisatie van het schooljaar denkbaar dat aan de directies delegatie wordt verleend om voor bepaalde onderdelen beslissingen te nemen.

Voor het DBSO wordt onder "schoolbestuur" het "centrumbestuur" en onder "school" het "centrum" DBSO verstaan.

2. Duur van het schooljaar.

Het schooljaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend. Na laatstgenoemde datum is geen enkele onderwijsactiviteit (ook geen leerlingenstage) meer mogelijk die betrekking heeft op het voorbije schooljaar; uitzondering hierop vormen waar mogelijk, laattijdige beslissingen van de klassenraad of beroepen tegen omstreden beslissingen van voornoemde klassenraad.

Indien 31 augustus de einddatum van het schooljaar is, dan betekent dit anderzijds dat regelmatige leerlingen ertoe gehouden zijn om aan alle onderwijsactiviteiten die de school in de zomerperiode organiseert, deel te nemen, bv. een leerlingenstage, een vakantietaak. In voorkomend geval geldt het principe van uitstel op 30 juni van de eindbeslissing van de klassenraad, aangezien het onderwijsprogramma nog niet volledig is afgewerkt of aangezien de klassenraad over onvoldoende gegevens beschikt om de beslissing over het al dan niet geslaagd zijn te nemen.

3. Duur van de schoolweek.

In het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs worden de lessen gespreid over 9 halve dagen van maandag tot en met vrijdag; leerlingenstages worden hierbij buiten beschouwing gelaten. De vrije halve dag (voormiddag of namiddag) kan naar keuze worden bepaald en hoeft niet per se op woensdagnamiddag te vallen (wat overigens nu ook al het geval is). Deze regeling geldt ook voor de deeltijdse vorming in zover het de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten betreft.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Deze regeling blijft gelden indien het deeltijds beroepssecundair onderwijs beroep doet op de deeltijdse vorming voor organisatie van de algemene vorming. Deze regeling doet anderzijds geen afbreuk aan de mogelijkheid om, de lessen in een ander week- of jaarritme te organiseren op voorwaarde dat het totale aantal uren op jaarbasis wordt bereikt.

4. Duur van de schooldag.

De lessen vangen ten vroegste om 8 u. aan en eindigen tussen 15 en 17 u.

Er is een middagpauze van minimaal 50 min. Die moet vallen op een voor het nuttigen van een middagmaal aanvaardbaar tijdstip.

Bij afwezigheid van de leraar en de onmogelijkheid om in vervanging of een vervangende activiteit te voorzien, kan beslist worden dat de leerlingen de school mogen verlaten. Het gezond verstand en het belang van de leerlingen moeten hierbij vooropstaan; elementen zoals het akkoord van de ouders, de verzekeringsdekking, de mate van overmacht, het tijdstip, de leeftijd van de leerlingen e.d. zullen in overweging worden genomen.

5. Leerlingenstageperiodes.

5.1. Opzet.

Leerlingenstages komen uitsluitend voor in het voltijds onderwijs; in het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt de component werkplekleren op een andere wijze ingevuld.

In het kader van de herwaardering van het T.S.O. en B.S.O. nemen leerlingenstages een belangrijke plaats in omdat ze een hefboom vormen voor de noodzakelijke aansluiting tussen de onderwijs- en de beroepswereld.

Voor alle leerlingen TSO en BSO betekent een zinvolle leerlingenstage, in blok of alternerend, dan ook een absolute meerwaarde. Idem voor de leerlingen van de kwalificatiefase van de BUSO-opleidingsvorm 3 en voor de leerlingen van opleidingsvorm 1, 2 en 4.

Indien bedrijven en ondernemingen worden gesensibiliseerd om voldoende leerlingenstageplaatsen beschikbaar te stellen, dan is het tezelfdertijd maar logisch dat de overheid een soepel en niet betuttelend leerlingenstagekader schept. Dit vertaalt zich in de reglementaire bepaling dat, binnen een aantal grenzen, leerlingenstages op elk ogenblik van het schooljaar vrij kunnen worden georganiseerd. Hierna worden deze grenzen (= restricties of limieten die niet noodzakelijkerwijze moeten worden uitgeput of bereikt !) en de bijbehorende uitgangspunten weergegeven.

5.2. Uitgangspunten.

a) De federale arbeidswet van 16 maart 1971 en zijn uitvoeringsreglementering zijn niet alleen van toepassing op werknemers in dienstverband, maar evenzeer op personen die, ook zonder een arbeidsovereenkomst, arbeidsprestaties "onder gezag" leveren. Leerling-stagiairs vallen bijgevolg onder het toepassingsgebied van de wet, wat onder meer impliceert dat ze onderworpen zijn aan het verbod op nachtarbeid en arbeid op zon- en feestdagen.

Het verbod op nachtarbeid slaat op arbeid die wordt verricht tussen 20 en 6 u. Voor leerlingen ouder dan 16 jaar kan deze grens verlegd worden naar 22 en 6 uur, hetzij 23 en 7 uur, enkel wanneer dit arbeid in ploegen betreft of wanneer de arbeid wegens de aard der werken niet mag onderbroken worden. Daarnaast kunnen afwijkingen op deze nachtarbeid door de bevoegde overheid eveneens worden toegestaan na advies van het (de) betrokken paritaire comité(s) voor bepaalde sectoren, beroepen, werken of categorieën van werknemers. In het verlengde van een Europese norm bestaat er echter een absoluut verbod op arbeid tussen 24 en 4 u voor jeugdige werknemers (= werknemers tussen 15 en 18 jaar).

Rond het verbod op arbeid op zon- en feestdagen vigeert een identiek afwijkingsscenario.

b) Op de werkvloer moet de uurregeling van werknemers en van leerling-stagiairs zoveel als mogelijk gelijklopend zijn. Indien leerlingenstages zouden rekening houden met de begin- en einduren van de lessen op de school, dan wordt niet alleen de werkorganisatie en het mentorschap in het bedrijf of de onderneming ernstig gehypothekeerd maar neemt ongetwijfeld ook de bereidwilligheid van de stagegevers af.

c) Indien in beginsel op elk tijdstip van het schooljaar leerlingenstages kunnen worden gepland, dan mag dit geen alibi zijn om de verhouding tussen les- en vrije dagen scheef te trekken. De leerlingenstagespreiding wordt daarom geplafonneerd, zodat het onderwijskarakter steeds aanwezig blijft. De flexibiliteit inzake toegelaten stageperiodes wordt daarenboven gekoppeld aan de volgende uitdrukkelijke voorwaarden:

1° de school is verplicht tot voldoende stagebegeleiding op de stageplaats;

2° stagedoelstellingen zijn leerdoelstellingen, waarbij leerrendement vooropstaat. Stages kunnen derhalve nooit een middel zijn ter compensatie van de afwezigheid of ontstentenis van reguliere werknemers, waardoor stagiairs als goedkope werkkrachten zouden fungeren. Ook de stagegever moet via de stagementor voorzien in voldoende begeleiding.

5.3. Restricties.

a) Leerlingenstages verlopen conform de in de stageverlenende onderneming of school geldende arbeids- of dienstregeling.

b) Zoals voor reguliere tewerkstelling bestaat er ook voor leerlingenstages een verbod op arbeidsprestaties tussen 20 en 6 u. (of tussen 22u en 6u, of tussen 23u en 7u, onder bovenvermelde voorwaarden) en een verbod op arbeidsprestaties op zon- en feestdagen.

Indien er echter voor reguliere tewerkstelling in bepaalde sectoren of beroepen een afwijking op desbetreffend verbod geldt, dan :

1° geldt die afwijking van rechtswege ook voor leerling-stagiairs die meerderjarig zijn;

2° is het hanteren van een afwijking slechts toegelaten voor leerling-stagiairs die minderjarig zijn, indien expliciet voorzien in bijlage aan deze omzendbrief.

M.a.w., de leeftijd van de leerling-stagiair (al dan niet 18 jaar) is determinerend voor het vaststellen of stages tussen 20 en 6 u. respectievelijk op zon- en feestdagen wel of niet (voorwaardelijk) toegelaten zijn.

c) Het maximum aantal effectieve lesuren met inbegrip van stageuren per leerling, uitgedrukt in uren van 60 (!) min., bedraagt :

- per dag : 8

- per week : 38 (in de privésector wettelijk doorgevoerde arbeidsduurvermindering)

- per schooljaar : 1200 (dit cijfer stemt overeen met het resultaat van de vermenigvuldiging van 40 = aantal weken-openstelling, met 36 = aantal uren, uitgedrukt in 50 min., van een normale wekelijkse lessentabel in TSO en BSO).

Voor alle duidelijkheid : bovenstaande maxima zijn uitsluitend toepasselijk op het onderwijs waarin leerlingenstages daadwerkelijk aan bod komen; met "effectieve lesuren" wordt bedoeld "met uitsluiting van alle lesvrije uren ingevolge vakantie, verlof of schorsing om welke reden dan ook".

d) Voor leerlingenstages tijdens vakantie- of verlofperiodes wordt verondersteld dat de school een evenwichtige compensatieregeling zal treffen, tenzij het gaat om inhaalstages voor individuele leerlingen die de oorspronkelijke stages wegens ziekte of andere reden niet hebben kunnen lopen.

Indien zomerstages worden opgelegd, dan is de school hoe dan ook steeds verplicht aan elke betrokken leerling in de periode juni tot en met augustus tenminste 4 aaneensluitende weken vakantie toe te kennen. Indien de maand juni als vakantie zou worden toegekend, dan wordt het dus voor de onderwijsverstrekkers haalbaar om in bepaalde beroepssectoren (toerisme, hotel …) stages te plannen voor de volledige maanden juli en augustus.

De hierboven opgesomde limieten worden op een "minimalistische" wijze geïnterpreteerd. Dit wil zeggen dat enkel de duur tijdens dewelke de leerling-stagiair ter beschikking staat van de stagegever om prestaties te verrichten, in rekening wordt gebracht; van alle andere activiteiten die direct of indirect uit de leerlingenstage voortvloeien, wordt abstractie gemaakt.

Ter illustratie : tellen alleszins niet mee voor het bereiken van de toegelaten maximale leerlingenstageduur :

* in algemene zin :

- de duur van de verplaatsingen naar de leerlingenstageplaats, tenzij deze verplaatsingen collectief geregeld worden door de stagegever vanaf een vast vertrekpunt;

- de verblijfsduur op of in de nabijheid van de leerlingenstageplaats in geval van meerdaagse stage in binnen- of buitenland;

- de duur van de pauzes, al dan niet voor het nuttigen van een maaltijd, die voorzien zijn in het arbeidsreglement en tijdens dewelke de betrokkene niet voor arbeidsprestaties onmiddellijk beschikbaar moet staan;

* meer opleidingsspecifiek :

- de verblijfsduur in de stuurhut zonder dat de leerling-stagiair van de opleiding vrachtwagenchauffeur het voertuig bestuurt of begeleidend werk verricht.

Het afbakenen van toegelaten leerlingenstageperiodes poogt de belangen van het onderwijs en de belangen van de socio-economische milieus met elkaar te verenigen. Vermits leerlingenstages niet enkel onder de controlebevoegdheid van de onderwijsinspectie ressorteren maar ook onder die van de inspectie van de sociale wetten, is de nieuwe regelgeving tot stand gekomen in nauw overleg met het ministerie van tewerkstelling en arbeid.

Op deze wijze zal worden voorkomen dat zich toestanden herhalen waarbij scholen, die te goeder trouw handelen, toch moeilijkheden met de inspectie van de sociale wetten ondervinden. Anderzijds zullen scholen zich evenmin achter een onduidelijke onderwijsregelgeving kunnen verschuilen om manifeste overtredingen te verrechtvaardigen. Per slot wordt de rechtszekerheid voor alle partijen vergroot.

6. Evaluatieperiodes.

Onderstaande richtlijnen gelden enkel voor het voltijds onderwijs (voor wat het BSO betreft : al dan niet modulair georganiseerd).

Evaluatie is een instrument om leervorderingen en leerrendement te toetsen. Soms, en ten onrechte, krijgt het in scholen echter de status van doelstelling op zich waarrond alles draait.

Vermits, zeker in vergelijking met andere landen, de onderwijstijd in Vlaanderen relatief beperkt is, werd gekozen voor de piste om het toegelaten aantal evaluatiedagen te contingenteren.

Geenszins is het de bedoeling om zich op enigerlei wijze in te laten met de manier waarop een school het evaluatieproces gestalte geeft noch met de beoordelingscriteria. De pedagogische autonomie van de onderwijsverstrekkers blijft op dit terrein onaangeroerd.

Het maximum aantal dagen dat aan evaluatie kan worden besteed is 30 (= 60 halve dagen); voor scholen die uitsluitend het systeem van permanente evaluatie hebben ingevoerd enerzijds en voor de opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs anderzijds, is het maximum 9 (= 18 halve dagen).

De regelgever heeft bewust slechts één contingent vastgelegd en geen differentiatie ingebouwd in functie van graad en onderwijsvorm. Het inbouwen van eventuele verschillen tussen de leerlingengroepen wordt daarom overgelaten aan de scholen zelf. Zo zal in de praktijk het aantal evaluatiedagen voor bijvoorbeeld het ASO normaliter hoger liggen dan voor het BSO.

Onder "evaluatie" wordt binnen onderhavige context verstaan :

a) de organisatie van vooraf aangekondigde examens of proeven over grotere leerstofgehelen (alle mogelijke vakken). Meestal behelst het de evaluatiereeks voorafgaand aan respectievelijk de kerst-, de paas- en de zomervakantie;

b) het besluitvormingsproces inzake leerlingenevaluatie door respectievelijk de begeleidende klassenraad en de delibererende klassenraad;

c) de evaluatiegesprekken (feedback) met de leerlingen, al dan niet met aanwezigheid van de ouders.

In het bijzonder moet met het volgende rekening worden gehouden :

a) vallen niet onder het opgegeven maximum aantal dagen :

- de geïntegreerde proef;

- de bekwaamheidsproeven die opgelegd worden door instanties, extern aan de school, met betrekking tot bepaalde technische of beroepsopleidingen (bvb. ADR-examen voor vrachtwagenchauffeur), de zogenaamde externe certificering

b) om het maximum van 30 (of 9) dagen te bereiken, wordt in termen van halve dagen gerekend.

Bv. een lesdag waarop in de voormiddag een proef wordt afgenomen en in de namiddag gewoon les wordt gegeven, telt voor 1 halve dag; een lesdag waarop in de voormiddag een proef wordt afgenomen en de leerlingen zich in de namiddag thuis of op de school op de volgende proef voorbereiden, telt voor 1 volledige dag; een serie evaluatiegesprekken die een ganse dag bestrijken en waarop beurtelings alle leerlingen van een leerlingengroep aan bod komt, telt voor 1 volledige dag;

c) de deliberaties door de bevoegde klassenraden kunnen ten vroegste van start gaan op :

- hetzij de vijfde laatste lesdag van de maand juni (bv. indien 30 juni op een dinsdag valt, dan kunnen de deliberaties niet eerder aanvangen dan op woensdag 24 juni)

- hetzij de vijfde laatste lesdag van de maand januari, doch uitsluitend voor de opleidingen Se-n-Se en de modules van de opleiding verpleegkunde die eindigen op 31 januari van het lopende schooljaar;

d) scholen kunnen opteren voor een regeling waarbij tijdens evaluatieperiodes de leerlingen enkel tijdens examens of proeven of tijdens evaluatiegesprekken op school moeten aanwezig zijn. Indien ouders niet akkoord gaan met die beperkte aanwezigheid, is de school verplicht in opvang te voorzien zoals op gewone lesdagen. Opdat ouders van die verplichte opvangmogelijkheid maximaal gebruik zouden maken, is het essentieel om aan de opvang een zinvolle invulling te geven. Dit kan het best worden gerealiseerd door ouders en leerlingen bij de keuze voor zinvolle schoolactiviteiten te betrekken. Het schoolbestuur is dan ook verplicht om de inhoudelijke invulling van de opvang vooraf te overleggen met de schoolraad;

e) de lesdagen tussen het laatste examen of de laatste proef en het begin van de daaropvolgende vakantie worden als evaluatiedagen beschouwd, tenzij op die dagen onderwijsactiviteiten worden georganiseerd. Indien onderwijsactiviteiten worden georganiseerd, dan geldt het volgende:

1° de vaststelling van de inhoudelijke invulling, de pedagogische aanpak en de didactische werkvorm(en)behoren tot de bevoegdheid van de school;

2° de aanwezigheid van de leerlingen is verplicht (behoudens gewettigde afwezigheid); in voorkomend geval kan het onder punt d) hiervoor gestelde niet van toepassing zijn;

3° de op lesdagen gebruikelijke uurregeling van de school/structuuronderdeel blijft van toepassing;

4° indien het een leerlingenstage betreft, waarvan de resultaten sowieso worden meegenomen in de eindevaluatie van de betrokken leerling, dan kan de deliberatie pas beëindigd worden van zodra deze stage is beëindigd, onverminderd het in punt c) hiervoor gestelde.

7. Vakanties en andere lesvrije dagen.

Aan de bestaande vakantieregeling wordt niet getornd. Ze is niet enkel ingeburgerd en niet-controversieel, ook heeft het raakvlakken met tal van domeinen uit het maatschappelijk leven (bedrijfsvakanties, toerisme, kinderopvang).

Als vakantieperiodes blijven dan ook :

a) de herfstvakantie, die begint op de maandag van de week waarin 1 november valt en 1 week duurt. Indien 1 november op een zondag valt, dan begint de herfstvakantie op 2 november;

b) de kerstvakantie, die begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en 2 weken duurt. Indien 25 december op een zaterdag of zondag valt, dan begint de kerstvakantie de maandag na 25 december;

c) de krokusvakantie, die begint op de zevende maandag vóór Pasen en 1 week duurt;

d) de paasvakantie, die begint op de eerste maandag van april en 2 weken duurt. Indien Pasen in de maand maart valt, dan begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Indien Pasen na 15 april valt, dan begint de paasvakantie op de tweede maandag vóór Pasen;

e) de zomervakantie, die begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus;

f) 11 november, paasmaandag, hemelvaartsdag en de dag nadien, 1 mei, pinkstermaandag;

g) voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de deeltijdse vorming : 1 volledige of 2 halve facultatieve vakantiedag(en), eventueel verschillend per vestigingsplaats. Voor het buitengewoon secundair onderwijs : 2 volledige of 4 halve facultatieve vakantiedagen, eventueel verschillend per vestigingsplaats.

Naast de vakantieperiodes, zijn er 3 andere gevallen waarin de lessen kunnen worden geschorst :

a) 1 halve dag per schooljaar, eventueel verschillend per leerlingengroep, om bij het begin van dat schooljaar administratieve en onthaalformaliteiten voor te bereiden;

b) 1 dag per schooljaar, eventueel verschillend per leerlingengroep, voor het houden van een pedagogische studiedag voor leraars;

c) 1 halve dag, onmiddellijk na parlementaire, provinciale of gemeentelijke verkiezingen in die scholen waar stem- en/of stemopnemingsbureaus waren gevestigd.

8. Afwijkingen.

Buitengewone organisatorische, onderwijskundige of levensbeschouwelijke argumenten kunnen scholen er toe brengen om occasioneel of permanent en voor heel de school of enkel voor een bepaalde leerlingengroep, af te wijken van de standaard-tijdsordening inzake :

a) de duur van de schoolweek (cf. rubriek 3), en/of

b) de duur van de schooldag (cf. rubriek 4), en/of

c) de periode van herfst-, kerst-, krokus-, paas- en/of zomervakantie (cf. rubriek 7, a) tot en met e)).

Dit moet scholen in staat stellen om zich bv. te schikken naar bepaalde religieuze feestdagen of gebruiken, om didactisch materiaal efficiënter te benutten, om zich aan te passen aan lokale culturele of sportieve manifestaties.

Indien de school voor afwijking kiest, dan moet ze zich houden aan volgende twee voorwaarden :

a) het normaal aantal lessen op schooljaarbasis en de afwerking van de goedgekeurde leerplannen dient gewaarborgd;

b) elke leerling moet tijdens de maanden juli/augustus ten minste 4 aaneensluitende weken vakantie genieten.

Schoolgebonden afwijkingen op de bepalingen rond leerlingenstages zijn niet mogelijk omdat in het nieuwe systeem reeds vergaande flexibiliteit (onder meer door algemene afwijkingen op verbodsbepalingen) is geïntegreerd.

Voor extramuros activiteiten daarentegen, zeker indien meerdaags, is het dikwijls niet uitvoerbaar om het uurschema van de school te volgen; ze worden derhalve per definitie als afwijkend opgevat (cf. ministeriële omzendbrief SO/2004/06 van 5 mei 2004 betreffende de extramuros activiteiten).

De beslissingsbevoegdheid inzake alternatieve lesspreiding wordt integraal aan het lokaal initiatief toevertrouwd, zodat er geen afwijkingsaanvragen aan de overheid dienen voorgelegd te worden.

De kwaliteitsbewakende rol van de onderwijsinspectie behoort hiermee echter niet tot het verleden, maar verplaatst zich van een preliminair schriftelijk advies over een afwijkingsvoorstel naar een meer doorgedreven controle in het veld (zowel tijdens als buiten de schooldoorlichting). In rubriek 11 wordt hierop verder ingegaan.

9. Inspraak.

Over de organisatie van het schooljaar in elke school (met uitzondering van de deeltijdse vorming) :

a) kunnen in alle onderwijsnetten de personeelsleden inspraak uitoefenen door middel van onderhandeling in het bevoegde personeelsorgaan;

b) kan voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs met ingang van 1 april 2005 de schoolraad uit eigen beweging schriftelijk advies uitbrengen aan de directie, zoals bepaald in het participatiedecreet van 2 april 2004. Dit decreet stelt immers dat de schoolraad bevoegdheid heeft facultatief advies te verstrekken over aspecten van algemene organisatie en werking van de school; een dergelijk advies leidt binnen de dertig dagen tot een door de directie als reactie geformuleerd voorstel. Wat evenwel ontwerpen van beslissing inzake de duur en het tijdstip van leerlingenstages betreft, als onderdeel van de globale schooljaarorganisatie, gaat het participatiedecreet verder vermits het schoolbestuur verplicht om dienaangaande overleg te plegen met de schoolraad in een gezamenlijke vergadering. Indien bedoeld overleg niet tot een akkoord leidt, dan neemt het schoolbestuur de eindbeslissing. Het participatiedecreet stelt ook dat de schoolraad ten behoeve van al het personeel, leerlingen en ouders een communicatie- en informatieplicht heeft over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent;

c) wordt in het gemeenschapsonderwijs adviesbevoegdheid ten aanzien van de directie toegekend enerzijds aan de schoolraad, in aansluiting op het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, en anderzijds aan de leerlingenraad.

10. Het organisatiemodel.

Met inachtname van al wat voorafgaat zal het schoolbestuur voor elk van haar scholen, uiterlijk op 30 juni voorafgaand, de organisatie van het volgend schooljaar op punt stellen. In afwijking op deze datum, wordt het organisatiemodel schooljaar 2013-2014 uiterlijk op 20 september 2013 vastgelegd. Dit moet toelaten om rekening te houden met de nieuwe onderrichtingen inzake evaluatieperiodes die vanaf het schooljaar 2013-2014 ingaan.

Voor wat de leerlingenstages betreft gaat het daarbij slechts om de grote krachtlijnen, bv. de selectie van bedrijfssectoren, de alternerende en/of blokvorm, de leerlingenstageduur, de al dan niet buitenlandse leerlingenstages), doch niet over het afsluiten van de stageovereenkomsten zelf. Immers, stagecontracten kunnen pas echt worden aangegaan na inschrijving van de leerlingen, terwijl bedrijfsprocessen zo wisselend zijn dat stagecontracten niet altijd door bedrijven in een halflange tot lange termijnplanning kunnen worden opgenomen.

Hoewel de organisatie van het schooljaar geen materie is waarrond de decreetgever de scholengemeenschappen verplicht om onderling afspraken te maken, is het niet uitgesloten dat de partnerscholen in het kader van hun samenwerking vrijwillig beslissen om hun aanpak te stroomlijnen.

Hoe dan ook, van de schoolbesturen wordt verwacht dat het organisatiemodel, van zodra definitief, onmiddellijk ter kennis wordt gebracht van leerlingen, ouders en personeelsleden. Een duidelijk inzicht in wat het nieuwe schooljaar, van bij de start, aan tijdsordening betekent, zal de rechtszekerheid bevorderen en tegenstellingen of misvattingen in de loop van het jaar voorkomen. Dit gebeurt door middel van het schoolreglement in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs respectievelijk centrumreglement in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Voor wat de deeltijdse vorming betreft, wordt het organisatiemodel gecommuniceerd via het deeltijds beroepssecundair onderwijs vermits de leerlingen daar zijn ingeschreven en vermits de deeltijdse vorming niet met een eigen centrumreglement werkt. Het organisatiemodel dat een bepaald schoolbestuur in de deeltijdse vorming vastlegt, mag geacht worden de instemming van een schoolbestuur in het deeltijds beroepssecundair onderwijs weg te dragen indien hun centra onderling samenwerken conform de decreetgeving leren en werken.

De schoolbesturen dienen noch aan de onderwijsadministratie, noch aan de onderwijsinspectie of verificatie systematisch mee te delen hoe het schooljaar in elke school wordt georganiseerd. Alle documenten die hierop betrekking hebben moeten wél in de school ter beschikking liggen.

11. De inspectie.

Ook binnen het raam van meer organisatorische schoolvrijheid blijft de overheid aan de onderwijsinspectie de verantwoordelijkheid toekennen om op te volgen en te controleren hoe de scholen hun lessen en leerlingenstages roosteren. De netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten kunnen de scholen op dit vlak desgewenst proactief bijstaan.

De onderwijsinspectie zal bij haar onderzoek of de onderwijsdoelstellingen en de leerlingbelangen niet in het gedrang komen, steunen op diverse parameters.

Zonder exhaustief te zijn, zijn mogelijke parameters : het profiel van de school, de aard van de opleiding, de leeftijd van de leerlingen, de beschikbare infrastructuur, de geografische inplanting, de samenwerking met het bedrijfsleven (via convenants, regionale technologische centra e.d.).

De vaststellingen door de onderwijsinspectie kunnen van tweeërlei aard zijn.

a) Ofwel maakt de school op een oneigenlijke of ondoordachte manier gebruik van haar bewegingsvrijheid inzake tijdsbesteding aan evaluaties of leerlingenstages of inzake afwijkingen op de duur van de schooldag, de schoolweek of de vakantieregeling; in dit geval wordt over anomalieën gesproken, bv.

- een school organiseert op zaterdag leerlingenstages in studierichtingen waar weekendstages geen enkele toegevoegde waarde genereren;

- een school organiseert leerlingenstages op buitengewone tijdstippen zonder afdoende stagebegeleiding;

- een school put het contingent van 30 evaluatiedagen volledig uit door een beperkt aantal examens met tussentijdse onderbrekingen over relatief veel dagen te spreiden;

- een school verplaatst de herfst- of krokusvakantie naar een andere periode zonder aantoonbare reden;

- de school omzeilt impliciet de geest van de arbeidswet door haar intra- of extramurale klassikale praktijklessen (dus geen leerlingenstages), die het werkmilieu soms zeer sterk nabootsen, in te richten op tijdstippen dat leerlingenstages zelf reglementair verboden zijn.

b) Ofwel handelt de school in strijd met die bepalingen van de regelgeving die eenvormig vastliggen; in dit geval wordt van overtredingen gesproken, bv.

- een school overschrijdt het maximum van 30 (of 9) evaluatiedagen;

- een school laat een leerling tijdens de zomervakantie twee maanden (inhaal)stage lopen;

- geen enkel document levert het bewijs dat het advies van de school- of participatieraad met betrekking tot het schoolbeleid werd ingewonnen.

Naast de onderwijsinspectie is ook de inspectie van de sociale wetten, waarvan eerder sprake, actief op het vlak van de controle van de stageplaatsen. Stagegevers én schoolbesturen dragen hier een co-verantwoordelijkheid. De onderwijsinspectie en de inspectie van de sociale wetten opereren weliswaar los van elkaar doch gecoördineerd; door centralisatie en uitwisseling van bestanden, zullen ten aanzien van scholen gelijklopende standpunten worden ingenomen.

Het zou immers volstrekt onlogisch zijn indien de ene inspectie tolereert wat de andere als inbreuk aanziet.

12. Anomalieën en overtredingen.

Indien de onderwijsinspectie anomalieën constateert, dan zal het schoolbestuur in overleg met deze inspectie onmiddellijk (of alleszins binnen de kortst mogelijke haalbare tijd) haar aanpak bijsturen.

Pas indien het schoolbestuur medewerking weigert, obstructie voert of een overeengekomen regeling niet in de praktijk omzet, gaat de anomalie van rechtswege over in een overtreding. Op dat ogenblik wordt de gefaseerde procedure opgestart die reeds langer voor rechtstreeks vastgestelde overtredingen vigeert.

Deze procedure bestaat erin dat :

a) aan het in overtreding zijnde schoolbestuur per aangetekende brief een mededeling wordt gestuurd;

b) dat binnen een termijn van 1 maand na betekening van de aangetekende brief (betekening die geacht wordt te gebeuren op de derde werkdag na de versturing) het schoolbestuur verweer kan instellen;

c) dat de minister van onderwijs finaal beslist over een eventuele sanctie op basis van het inspectieverslag en het eventueel verweerschrift.

De sanctie is van financiële aard en bedraagt maximum 1/5 bij een eerste en maximum 1/3 bij een tweede of volgende overtreding, berekend op de werkingsmiddelen die aan de betrokken school werden toegekend voor het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar van de overtreding.

Door de inspectie van de sociale wetten vastgestelde inbreuken worden anderzijds bij het arbeidsauditoraat aanhangig gemaakt.

13. Bijlage.