Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8

  • goedkeuringsdatum
    27 APRIL 2001
  • publicatiedatum
    B.S.18/09/2001
  • datum laatste wijziging
    14/02/2007

COORDINATIE

Decr. 18-1-2002 - B.S. 16-2-2002

B.Vl.R. 15-12-2006 - B.S. 8-2-2007

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, inzonderheid op artikel 44, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997 en 14 juli 1998;

Gelet op het eensluidend advies van de afdeling buitengewoon basisonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad gegeven op 22 juni 2000; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 december 2000;

Gelet op het verzoek tot spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de Vlaamse regering in toepassing van artikel 44, § 3, van het decreet basisonderwijs de lijst van ontwikkelingsdoelen binnen één maand na goedkeuring door de Vlaamse regering ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement moet voorleggen;

Gelet op het feit dat de ontwikkelingsdoelen vastgelegd in dit besluit van kracht zullen zijn op 1 september 2001 en dat de schoolbesturen voldoende voorbereidingstijd moeten krijgen om ze in hun planning te verwerken;

Gelet op het advies 31.277/1 van de Raad van State gegeven op 21 februari 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs zoals geformuleerd in het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs [zoals gewijzigd] gelden als ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8, zoals bedoeld in artikel 44 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

De ontwikkelingsdoelen die als bijlage bij dit besluit zijn gevoegd, zijn de bijkomende specifieke ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8, zoals bedoeld in hetzelfde decreet.

B.Vl.R. 15-12-2006

Art. 2.

De ontwikkelingsdoelen vastgesteld bij dit besluit moeten worden nagestreefd vanaf het [schooljaar 2002-2003].

Decr.18-1-2002

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Ook te raadplegen via : http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum

Lijst van ontwikkelingsdoelen

ONTWIKKELINGSDOELEN LEREN LEREN

1. Structurele componenten : aandacht en geheugen

1.1. Aandacht

1. De leerling schenkt doelgericht aandacht.

1.2. Geheugen

1.2.1. Onthoudstrategieën

2. De leerling memoriseert door het hanteren van gepaste onthoudstrategieën.

1.2.2. Zoekstrategieën

3. De leerling maakt gebruik van gepaste zoekstrategieën.

1.2.3. Algemeen

4. De leerling ontwikkelt zijn geheugen voor visuele, auditieve, motorische, smaak- en geurinformatie.

2. Informatieverwerking en probleemoplossing

2.1. Informatieverwerving

5. De leerling neemt systhematisch en gericht waar en heeft hierbij ook oog voor relevante details.

6. De leerling beheerst zijn impulsiviteit en gaat pas werkelijk aan de slag, nadat hij alle relevante informatie verworven heeft.

7. De leerling raadpleegt gepaste informatiebronnen.

8. De leerling weet bij welke personen hij informatie kan vragen.

2.2. Informatieverwerking en uitvoering

2.2.1. Algemeen

9. De leerling reflecteert vóór, tijdens en na het handelen.

10. De leerling is voldoende flexibel in zijn leren en denken.

11. De leerling komt tot zelfontdekkend leren.

12. De leerling komt tot abstract denken.

13. De leerling is creatief in zijn denken en leren.

14. De leerling komt tot inzichtelijk leren en denken.

2.2.2. Informatieverwerking

15. De leerling legt verbanden tussen nieuwe informatie en reeds verworven informatie.

16. De leerling ziet samenhang tussen verworven informatie.

2.2.3. Probleemoplossing

17. De leerling identificeert het probleem.

18. De leerling exploreert en analyseert het probleem.

19. De leerling zoekt en bedenkt verschillende mogelijke oplossingswijzen voor het probleem.

20. De leerling weegt de mogelijke oplossingswijzen af en selecteert de beste oplossingsweg.

21. De leerling voert de gekozen oplossingsweg daadwerkelijk en op een correcte manier uit.

22. De leerling zorgt ervoor dat zijn oplossing duidelijk en volledig is.

2.3. Evaluatie

2.3.1. Algemeen

23. De leerling kent vooraf de criteria waaraan zijn oplossing moet voldoen.

24. De leerling formuleert zelf controlecriteria.

25. De leerling geeft aan wat goed ging en wat fout is gegaan.

26. De leerling verwoordt waarom iets fout is gegaan, en geeft aan hoe bepaalde fouten in het vervolg kunnen vermeden worden.

2.3.2. Controle van de informatieverwerking

27. De leerling gaat na of hij op de gepaste manier de juiste informatie verworven heeft.

28. De leerling controleert regelmatig of hij de leerstof nog voldoende kent.

2.3.3. Controle van de probleemoplossing

29. De leerling controleert de gevonden oplossing.

30. De leerling controleert de oplossingsweg.

3. Monitor : metacognitieve aspecten

3.1. Metacognitieve vaardigheden

3.1.1. Voorspellen

31. De leerling is probleemgevoelig en probleembewust.

32. De leerling zoekt en geeft spontaan aan wat hij wel en wat hij niet zal kunnen of waar hij extra moeilijkheden verwacht.

33. De leerling zoekt en geeft spontaan aan bij welke taakaspecten hij snel en bij welke aspecten hij traag zal moeten werken.

34. De leerling durft (leer)problemen signaleren en hulp en uitleg vragen.

3.1.2. Plannen

35. De leerling bepaalt op basis van de verkregen informatie wat hij moet doen.

36. De leerling bouwt een planningsfase in vooraleer hij tot actie overgaat.

37. De leerling maakt een plan en legt prioriteiten.

38. De leerling werkt volgens plan.

3.1.3. Zelfreguleren en evalueren

39. De leerling formuleert op zijn niveau doelstellingen.

40. De leerling streeft realistische tussen- en einddoelen na.

41. De leerling reflecteert achteraf over een doorgemaakt leer- of probleemoplossingsproces.

42. De leerling maakt efficiënt gebruik van plannings- en ordenningsstrategieën.

43. De leerling is gericht op nauwkeurigheid en precisie.

44. De leerling houdt zich aan afspraken en regels.

45. De leerling heeft een adequaat werktempo en -ritme.

46. De leerling toont een wil tot zelfstandigheid.

47. De leerling zet ondanks moeilijkheden door en raakt niet onmiddellijk ontmoedigd.

48. De leerling maakt een onderscheid tussen toevallige en stabiele oorzaken van zijn succes/mislukking.

49. De leerling heeft kritische zin.

50. De leerling aanvaardt kritiek en is bereid uit zijn fouten te leren.

3.2. Metacognitieve kennis

3.2.1. Kennis over zichzelf

51. De leerling ziet in dat hij voortdurend bijleert en verandert en stelt vorderingen bij zichzelf vast.

52. De leerling maakt een onderscheid tussen de oorzaken van succes/mislukking die bij hemzelf liggen of elders.

53. De leerling beseft dat hij zijn sterke punten kan aanwenden om zijn zwakke punten te verbeteren of te compenseren.

3.2.2. Kennis over het leren

54. De leerling legt uit hoe hij tot een leerresultaat gekomen is.

55. De leerling weet en geeft met voorbeelden aan hoe hij zelfstandig kan werken.

56. De leerling weet dat hij gemaakte fouten in de toekomst en in andere situaties kan vermijden, wanneer hij de oorzaak van de fouten kent.

4. Transfer

57 De leerling legt relaties tussen nieuwe en oude situaties. Hij begrijpt dat iets wat hij vroeger leerde in toekomstige situaties kan gebruikt worden.

58. De leerling gaat systematisch en gericht zoeken naar kennis, inzichten en vaardigheden die hij in een bepaalde situatie of bij het oplossen van een probleem kan gebruiken.

59. De leerling zoekt naar algemene principes, wetmatigheden en regels die bruikbaar zijn in verschillende situaties.

ONTWIKKELINGSDOELEN SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING

1. Dynamisch affectieve ontwikkeling

1.1. Zelfwaardering

1. De leerling weet wat hij zelf al kan en wat nog niet.

2. De leerling leert omgaan met regelmatig terugkerende gevoelens van onmacht.

3. De leerling ziet zijn beperkingen en wil zich inzetten om ze te verbeteren.

4. De leerling aanvaardt zijn fouten en zoekt naar de oorzaak, zonder het geheel als een mislukking te beleven.

5. De leerling is zich bewust van zijn eigenheid als individu.

6. De leerling waardeert bepaalde veranderingen die hij bij zichzelf vaststelt als een vooruitgang.

7. De leerling kiest werkpunten om zijn zelfontplooiing te bevorderen.

1.2. Motivatie

8. De leerling zoekt zelf de zin van aangeboden taken.

9. De leerling neemt verantwoordelijkheid op voor zijn gedrag.

10. De leerling is intrinsiek gemotiveerd, leergierig en leerbereid.

11. De leerling kiest voor zichzelf haalbare doelen en staat daarbij open voor uitdagingen en zin voor initiatief.

12. De leerling reageert adequaat op mislukkingen en successen.

1.3. Zelfcontrole

13. De leerling onderkent al dan niet causaal verband tussen situaties, gedachten en gevoelens en handelt ernaar.

14. De leerling herkent situaties als "gevaarlijk" omdat ze hinderlijke of moeilijk controleerbare gevoelens oproepen.

15. De leerling uit zijn gevoelens op een voor hemzelf en zijn omgeving aanvaardbare wijze.

2. Sociale cognitie

2.1. Kennis van gevoelens, gedachten, wensen en intenties van zichzelf en de ander ("theory of mind") en perspectiefneming.

16. De leerling herkent en benoemt bij zichzelf positieve en negatieve emoties en de basisgevoelens.

17. De leerling herkent en herinnert zich bepaalde behoeften, verlangens, gedachten, bedoelingen en gevoelsuitdrukkingen.

18. De leerling uit positieve en negatieve emoties.

19. De leerling legt het verband tussen gevoelens, bijhorende gedachten en aansluitend gedrag.

20. De leerling herkent gevoelens bij de ander en let daarbij op diens lichaamstaal.

21. De leerling houdt er rekening mee dat situatiebeleving kan verschillen van situatie tot situatie en van persoon tot persoon.

22. De leerling ziet verbanden tussen bepaalde behoeften/verlangens en bepaalde oplossingen.

23. De leerling verplaatst zich in de gevoelens, gedachten en wensen van een ander en houdt er rekening mee.

24. De leerling geeft aan hoe gedachten, gevoelens of intenties van verschillende personen in een sociale situatie met elkaar samenhangen.

2.2. Sociale probleemoplossing

25. De leerling identificeert en omschrijft een sociaal probleem en zoekt gericht naar oplossingen.

26. De leerling genereert mogelijke oplossingen, weegt bijbehorende consequenties af en kiest voor één van de oplossingen.

27. De leerling evalueert de oplossing.

28. De leerling is bereid tot het bedenken van mogelijke oplossingen bij interpersoonlijke problemen.

29. De leerling houdt rekening met mogelijke onderliggende motieven van gedragingen van anderen.

3. Sociale vaardigheden en competentie

3.1. Ik en de ander

30. De leerling komt op voor eigen wensen.

31.De leerling komt op voor eigen wensen op een sociaal aanvaardbare wijze.

32. De leerling gaat op een onbevangen en respectvolle wijze om met anderen.

33. De leerling komt op voor anderen.

34. De leerling zoekt bij een conflict een oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar is.

3.2. Ik en de anderen : relatiewijzen

35. De leerling begroet een ander op gepaste wijze.

36. De leerling vraagt iets op gepaste wijze.

37. De leerling luistert naar de boodschap van een ander.

38. De leerling gaat naar anderen toe en legt contact.

39. De leerling vertelt spontaan iets over zichzelf.

40. De leerling verwoordt een eigen mening.

41. De leerling neemt het woord in een groepsgesprek.

42. De leerling laat op passende wijze afkeuring blijken bij onrechtvaardige situaties.

43. De leerling denkt kritisch na over bepaalde maatschappelijke toestanden.

44. De leerling zoekt na een gemaakte fout hoe hij aangerichte schade of aangedaan verdriet kan herstellen.

45. De leerling aanvaardt een sanctie na een begane fout of misstap.

3.3. Ik en de anderen : gespreksconventies

46. De leerling geeft in een gesprek aan dat hijzelf aan het woord wil komen.

47. De leerling spreekt in een gesprek duidelijk hoorbaar en met een zekere expressiviteit.

48. De leerling houdt in een gesprek rekening met de anderen.

49. De leerling stemt zijn verbale en non-verbale uitingen op elkaar af.

50. De leerling let in een gesprek zowel op de verbale als niet-verbale uitingen van de ander.

51. De leerling heeft respect voor communicatievormen uit een andere cultuur.

52. De leerling rondt een gesprek passend af. 3.4. Ik en de anderen : leven en samenwerken in groep

53. De leerling kent en begrijpt omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep.

54. De leerling maakt in concrete situaties afspraken en komt in groep gemaakte afspraken na.

55. De leerling voelt zich mede verantwoordelijk voor de groep en voor wat er in de groep gebeurt.

ONTWIKKELINGSDOELEN TAAL : NEDERLANDS

1. Luisteren

1.1. Taalvorm

1. De leerling kent de spraakklanken.

2. De leerling begrijpt morfologische aspecten.

3. De leerling begrijpt syntactische aspecten.

1.2. Taalinhoud

4. De leerling beschikt over voldoende passieve woordenschat.

5. De leerling begrijpt semantische relaties.

2. Spreken

2.1. Taalvorm

6. De leerling spreekt goed verstaanbaar.

7. De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

8. De leerling voegt woorden samen tot woordgroepen en zinnen.

2.2. Taalinhoud

9. De leerling beschikt over voldoende actieve woordenschat.

10. De leerling gebruikt semantische relaties.

3. Lezen 3.1.

Taalbeschouwing lezen

3.1.1. Afspraken m.b.t. het taalgebruik

11. De leerling begrijpt de structuur van een tekst.

3.2. Taalvorm

12. De leerling herkent de grafemen visueel en onderscheidt ze.

13. De leerling begrijpt morfologische aspecten.

14. De leerling begrijpt de structuur van een zin.

3.2.1. Leesstrategieën bij aanvankelijk lezen

15. De leerling gebruikt efficiënte leesstrategieën bij het aanvankelijk lezen.

3.2.2. Leesstrategieën bij voortgezet lezen

16. De leerling gebruikt efficiënte leesstrategieën bij het voortgezet lezen.

3.2.3. Leestechnische aspecten

17. De leerling maakt efficiënt gebruik van leestechnische vaardigheden.

3.3. Taalinhoud

3.3.1. Compensatievaardigheden

18. De leerling hanteert nuttige compensatievaardigheden.

4. Schrijven

4.1. Taalbeschouwing schrijven

4.1.1. Reflectie over gebruikte schrijfstrategieën

19. De leerling reflecteert over de gebruikte schrijfstrategieën : over het opdelen van de schrijftaak in deeltaken en over de planning en formulering.

4.2. Taalvorm

20. De leerling gebruikt efficiënte schrijfstrategieën op niveau van grafemen en klanken.

21. De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

22. De leerling voegt woorden samen tot woordgroepen.

4.2.1. Spellingstrategieën bij het aanvankelijk spellen

23. De leerling hanteert efficiënte spellingsstrategieën bij het aanvankelijk spellen.

4.2.2. Spellingstrategieën bij het voortgezet spellen

24. De leerling hanteert efficiënte spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen.

4.2.3. Hanteren van schrijfstrategieën

25. De leerling heeft voldoende inzicht in de woordvorming en de regels om nieuwe woorden te maken.

26. Om af te leiden om welke woordsoort het gaat heeft de leerling voldoende inzicht in de combinaties waarin woorden kunnen voorkomen, in de combinaties van zinsdelen en zinnen, en in de grammaticale structuur.

27. De leerling heeft voldoende inzicht in de betekenis die aan taaleenheden worden toegekend.

4.3. Fijnmotorische vaardigheden

28. De leerling bezit een correcte schrijfhouding en tonus.

29. De leerling heeft een functionele schrijfmotoriek.

4.4. Taalinhoud

4.4.1. Compensatievaardigheden

30. De leerling hanteert nuttige compensatievaardigheden.

ONTWIKKELINGSDOELEN WISKUNDE

1. Voorbereidende wiskunde

1.1. Wiskundige begrippen

1. De leerling kent en begrijpt wiskundige begrippen.

2. De leerling gebruikt adequaat de wiskundige begrippen.

1.2. Groeperen

3. De leerling groepeert op basis van opgegeven criteria.

4. De leerling groepeert volgens zelfgevonden criteria.

1.3. Ordenen en vergelijken

5. De leerling ordent : hij geeft een rangorde aan volgens een bepaald criterium (of meerdere criteria).

1.4. Verbanden leggen

6. De leerling legt relaties.

1.5. Conservatie

7. De leerling verwerft het inzicht dat bepaalde uiterlijke veranderingen (transformaties) geen invloed hebben op hoeveelheid, lengte, oppervlakte, gewicht en volume.

8. De leerling verwerft het inzicht dat bepaalde uiterlijke veranderingen (transformaties) ongedaan gemaakt kunnen worden.

1.6. Synthetiseren

9. De leerling bouwt een geheel op, op grond van delen.

10. De leerling vat eenvoudige informatie kernachtig samen, waarbij de essentie behouden blijft.

1.7. Analyseren

11. De leerling splitst een groter geheel op in delen, deelaspecten en/of tussenstappen.

2. Getallen

2.1. Natuurlijke getallen

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

2.1.1. Getalbegrip

12. De leerling kent en reproduceert de getallenrij (op- en aftellen).

13. De leerling maakt een onderscheid tussen het tellen van de hoeveelheid en het tellen van de rangorde.

14. De leerling ordent hoeveelheden volgens aantal, van klein naar groot en omgekeerd.

15. De leerling vergelijkt hoeveelheden.

16. De leerling gebruikt en begrijpt functies van getallen.

2.1.2. Notatiesysteem en positiestelsel

17. De leerling begrijpt en gebruikt cijfersymbolen en vergelijkingstekens.

18. De leerling heeft inzicht in het tiendelig wiskundesysteem.

19. De leerling ordent getallen volgens grootte (van klein naar groot of omgekeerd).

20. De leerling geeft de waarde van een cijfer aan in een getal.

21. De leerling begrijpt en gebruikt natuurlijke getallen.

Procedures

2.1.3. Bewerkingen

22. De leerling heeft inzicht in de eigenschappen van bewerkingen.

23. De leerling begrijpt de rekenhandeling en zet deze om in een formule.

24. De leerling begrijpt een formule en voert de rekenhandeling uit.

25. De leerling splitst geautomatiseerd.

26. De leerling beheerst optellingen en aftrekkingen.

27. De leerling past de opgedane kennis toe in bewerkingen met grote getallen.

28. De leerling reproduceert producten en quotiënten tot 100 onmiddellijk (de factoren deler en quotiënt < of = 10).

Ontwikkelen van rekenstrategieën bij wiskunde met grote getallen

29. De leerling legt het verband met het hoofdrekenen en hanteert deze strategie als oplossingsmiddel bij bewerkingen met grote getallen.

30. De leerling maakt vanuit een concreet geformuleerde situatie met grote getallen de relatie naar een optelling, aftrekking, vermenigvuldiging of deling in bewerkingsvorm en werkt deze uit.

Cijferalgoritmes bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen

31. De leerling lost bewerkingen op volgens het principe van schematisering.

32. De leerling heeft inzicht in de relatie tussen handelen met materiaal en algoritmes.

33. De leerling lost vanuit zijn geautomatiseerde kennis bewerkingen op met behulp van cijferalgoritmes.

34. De leerling controleert zijn bewerking en uitkomst door middel van het uitvoeren van een toepasselijke proef.

2.2. Eenvoudige breuken, decimale getallen en procenten

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

2.2.1. Inzicht in eenvoudige breuken vanuit een levensechte context

35. De leerling begrijpt eenvoudige breuken.

36. De leerling hanteert een eenvoudige breuk.

37. De leerling rangschikt eenvoudige breuken.

38. De leerling duidt een eenvoudige breuk aan op een figuur.

39. De leerling leest en noteert een eenvoudige breuk met de gepaste symbolen.

40. De leerling neemt een breuk van een getal.

2.2.2. Inzicht in eenvoudige decimale getallen vanuit een levensechte context

41. De leerling heeft inzicht in een tiendelig getal met 1 decimaal en het verband met het tiendelig stelsel.

42. De leerling heeft inzicht in decimale getallen.

2.2.3. Inzicht in eenvoudige procenten vanuit een levensechte context

43. De leerling leest en noteert het symbool %.

44. De leerling ontwikkelt inzicht in eenvoudige procenten.

2.2.4. Verhouding tussen eenvoudige breuken, decimalen en procenten

Procedures

2.2.5. Bewerkingen met eenvoudige breuken in zinvolle contexten

45. De leerling telt eenvoudige gelijknamige breuken op en trekt eenvoudige gelijknamige breuken af.

46. De leerling vereenvoudigt breuken.

47. De leerling maakt eenvoudige breuken gelijknamig.

2.2.6. Bewerkingen met eenvoudige decimale getallen in zinvolle contexten

48. De leerling maakt optellingen en aftrekkingen met decimale getallen.

49. De leerling rondt decimale getallen af.

50. De leerling vermenigvuldigt en deelt een tiendelig getal met 1 decimaal met een ander getal met 1 decimaal of een geheel getal zonder overbrugging.

2.2.7. Bewerkingen met eenvoudige procenten in zinvolle contexten

51. De leerling berekent eenvoudige procenten.

52. De leerling past eenvoudige percentberekeningen toe in concrete situaties.

2.3. Schattend rekenen

53. De leerling schat bij benadering de uitkomst voor en na het uitvoeren van een bewerking.

2.4. Zakrekenmachine

54. De leerling voert wiskundige bewerkingen uit op een eenvoudige zakrekenmachine.

55. De leerling vertaalt een opgave in handelingen die met de rekenmachine moeten worden uitgevoerd.

2.5. Compensatievaardigheden

56. De leerling gebruikt compensatietechnieken in geval van moeilijkheden bij wiskundige probleemsituaties.

3. Meten

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

3.1. Meten en maateenheden vanuit een levensechte context

57. De leerling geeft de grootte weer met de gepaste maateenheid.

58. De leerling hanteert het meest functionele meetinstrument voor het meten van een grootheid.

59. De leerling gebruikt, bij het meten vanuit reële situaties, notaties met kommagetallen bij de maateenheden.

3.2. Herleidingen vanuit een levensechte context

60. De leerling heeft inzicht in de verhouding van de maateenheden.

61. De leerling noteert het resultaat van een meting in gemengde maten.

Procedures

3.3. Lengtematen vanuit een realistische context

62. De leerling hanteert minimaal de lengtematen kilometer, meter, decimeter, centimeter, millimeter, en hun gebruikelijke afkorting.

63. De leerling meet en tekent nauwkeurig met verschillende meetinstrumenten en maateenheden.

3.4. Oppervlaktematen vanuit een realistische context

64. De leerling begrijpt en gebruikt het begrip "oppervlakte".

65. De leerling kent de maateenheden voor oppervlakte.

3.5. Inhoudsmaten vanuit een realistische context

66. De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen "inhoud" en "eenheid van inhoud".

67. De leerling gebruikt minimaal de inhoudsmaten liter, deciliter, centiliter en milliliter en hun gebruikelijke afkorting.

68. De leerling toetst standaard inhoudsmaten aan referentiematen uit zijn omgeving.

69. De leerling leest de inhoud af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan.

70. De leerling gebruikt de inhoudsmaten m3, dm3 en cm3.

71. De leerling kent de relatie van dm3, cm3 tot liter en ml.

3.6. Gewichtsmaten vanuit een realistische context

72. De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen "zwaar", "zwaarder", "even zwaar" en "gewicht".

73. De leerling gebruikt de gewichten ton, kg, en g en kent hun gebruikelijke afkortingen.

74. De leerling leest gewichten af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan.

3.7. Geld vanuit een realistische context

75. De leerling onderscheidt de waarde van muntstukken en bankbiljetten die in omloop zijn.

76. De leerling hanteert wisselgeld.

77. De leerling leest en gebruikt prijsaanduidingen/-lijsten in levensechte situaties.

78. De leerling kent andere betaalmiddelen.

3.8. Temperatuursmaten vanuit een realistische context

79. De leerling leest een thermometer af en geeft er betekenis aan.

80. De leerling kent enkele "vaste" temperaturen.

3.9. Tijdsmaten vanuit een realistische context

81. De leerling begrijpt en gebruikt tijdsbegrippen en verhoudingen.

82. De leerling koppelt tijdsbegrippen aan betekenisvolle situaties.

3.10. Hoekgrootte vanuit een realistische context

83. De leerling begrijpt dat de grootte van de hoek bepaald wordt door de stand van de benen ten opzichte van elkaar.

84. De leerling meet eenvoudige hoeken tussen 0° en 180°.

85. De leerling hanteert de begrippen en de maten voor het bepalen van de hoekgrootte.

3.11. Schattend meten vanuit een realistische context

86. De leerling schat concrete grootheden.

4. Meetkunde

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

4.1. Meetkunde en globale waarneming

87. De leerling herkent veelhoeken.

88. De leerling herkent en benoemt driehoeken, vierhoeken en cirkels.

89. De leerling herkent en benoemt kubus, balk, piramide, bol en cilinder.

Procedures

4.2. Meetkundige oriëntatie

90. De leerling begrijpt en gebruikt eenvoudige noties en begrippen waarmee hij ruimte meetkundig kan ordenen en beschrijven.

91. De leerling oriënteert zich ruimtelijk.

92. De leerling geeft of volgt eenvoudige aanwijzingen voor richting of verplaatsing.

4.3. Vormkenmerken

93. De leerling vergelijkt veelhoeken op grond van eigenschappen van hoeken en zijden.

94. De leerling vergelijkt rechte, stompe en scherpe hoeken.

4.4. Meetkunde : tekenen en bouwen

95. De leerling tekent eenvoudige meetkundige figuren.

96. De leerling construeert eenvoudige meetkundige figuren.