Zorgvuldig bestuur in het secundair onderwijs

  • referentie
    SO 78
  • publicatiedatum
    27/11/2001
  • datum laatste wijziging
    22/04/2014
  • wettelijke basis
  • opheffing
    Omzendbrief NO 266/RB/FG/W.I./4.30.21/840 van 28 december 1976 betreffende de vervreemding of verhuring van de door de onderwijsinrichtingen geproduceerde goederen of diensten en omzendbrief Kab./JUR/6 van 5 juni 1989 betreffende laakbare praktijken in de onderwijsinstellingen
  • contactpersoon
    Chris Dockx, 02/553.96.01
  • contactpersoon
    Marc Van de Meirssche, 02/553.87.03
  • contactpersoon
    Ingrid Hugelier, 02/553.93.83
  • Deze omzendbrief geeft een korte toelichting bij de wel of niet toegelaten praktijken van scholen en schoolbesturen die kaderen in een beleid van zorgvuldig bestuur. Voornaamste doelstellingen zijn de vrijwaring van de rechten van onderwijsverstrekkers, onderwijsgebruikers en derden en de realisatie van de onderwijsopdracht

1. Inleiding.

Onder de problematiek van het zorgvuldig bestuur worden een aantal praktijken verstaan die voor scholen en schoolbesturen hetzij absoluut verboden hetzij voorwaardelijk toegelaten zijn.

Bij de vastlegging hiervan hebben enerzijds gebruikelijke principes zoals de vrijheid van onderwijs en de intrinsieke doelstellingen van het onderwijs en anderzijds beleidsaccenten zoals flexibiliteit, vermindering van administratieve taakbelasting, deregulering en de harmonische relatie tussen onderwijs- en bedrijfswereld vooropgestaan.

Bedoelde praktijken of thema's, die in deze omzendbrief verder aan bod komen, zijn :

- oneerlijke concurrentie

- politieke propaganda

- handelsactiviteiten

- sponsoring en reclame

- kosteloosheid.

De decreetgever heeft de Vlaamse regering opgedragen om bij het ministerie van Onderwijs en Vorming een zogenaamde commissie zorgvuldig bestuur op te richten. De commissie is een onafhankelijk orgaan van actief bestuur. Door haar samenstelling zal ze vertrouwd zijn met het onderwijsveld, in die zin dat ze zich zal kunnen uitspreken over specifieke onderwijsgebonden problemen.

De commissie behandelt vragen en klachten van onderwijsverstrekkers en particulieren in verband met voormelde thema's en heeft beslissings- en sanctioneringsbevoegdheid.

Met betrekking tot klachten kunnen de beslissingen, die administratieve rechtshandelingen zijn en geen gerechtelijke uitspraken, tot een gedeeltelijke terugbetaling van werkingsmiddelen leiden. De klachtenprocedure is aan bepaalde termijnen gekoppeld en in een beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse regering is voorzien; tegen de beslissingen die de Vlaamse regering op haar beurt neemt, kan bij de Raad van State beroep worden aangetekend.

2. Oneerlijke concurrentie.

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen pedagogisch project en over het onderwijsaanbod, maar zij mag onder geen beding oneerlijke concurrentie voeren. De aanprijzing van een bepaald onderwijs moet dan ook objectief blijven en mag geen gebruik maken van vergelijkingen met, verwijzingen naar of aanvallen tegen een andere onderwijsinrichter.

In het secundair onderwijs hebben inbreuken op het verbod op oneerlijke concurrentie zich tot hiertoe slechts zeer sporadisch voorgedaan. Zo kon bijvoorbeeld onmogelijk worden aanvaard dat in de publiciteitscampagne van een school beoordelingen worden vermeld die door een verbruikersorganisatie aan een aantal scholen na vergelijkend onderzoek werden toegekend en die de bewuste school als beste rangschikt.

3. Politieke propaganda.

Politieke propaganda en politieke activiteiten in de scholen of centra, door welke persoon of instantie dan ook, zijn evenzeer verboden.

In afwijking hierop :

1) is de syndicale werking ten aanzien van het personeel van de school toegelaten;

2) zijn politieke activiteiten in de school toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling. Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Politieke debatten tijdens de lesuren, georganiseerd door een school, in het kader van het bereiken van de eindtermen worden noch beschouwd als politieke propaganda noch als politieke activiteit. Ook in de periode van 90 dagen voor de verkiezingen zijn politieke debatten toegelaten.

4. Handelsactiviteiten.

4.1. Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met haar onderwijsopdracht.

Onder handelsactiviteiten moet worden verstaan :

a) verkoop van producten gericht hetzij op onmiddellijke consumptie hetzij op eenheid in het pedagogisch-didactisch handelen van de school (bijvoorbeeld op het vlak van schoolbenodigdheden);

b) verkoop van producten en levering van diensten ter gelegenheid van occasionele activiteiten (bijvoorbeeld ter gelegenheid van opendeurdagen);

c) verkoop van producten en levering van diensten die voortvloeien uit de afwerking van de goedgekeurde leerplannen in het technisch en hetberoepssecundair onderwijs. Een goed beheer van de school impliceert immers de mogelijkheid van verkoop van de geproduceerde goederen (bijvoorbeeld in de studierichtingen hout, hotel, bakkerij, slagerij ...) of van aanbod van diensten (bijvoorbeeld in de studierichtingen haartooi, lichaamsverzorging ...).

Deze opsomming van beperkt toegelaten activiteiten is op zich niet nieuw. Het voorkomen van concurrentie met het bedrijfsleven moet immers nog steeds onverkort vooropstaan. Wel nieuw is het volgende.

a) De decreetgever heeft expliciet bepaald dat handelsactiviteiten geen daden van koophandel mogen zijn. Een daad van koophandel is namelijk in essentie gericht op persoonlijke verrijking.

Een school kan dus geen daad verrichten louter en alleen ter verrijking van haar bestuur of ter verrijking van natuurlijke personen die al dan niet als personeelslid bij het onderwijs zijn betrokken. Een school kan echter wel een beperkt vermogensvoordeel (een marginaal winstoogmerk) nastreven ter bekostiging van haar werking. Dit criterium geldt trouwens ook voor vzw's, instellingen van openbaar nut en vennootschappen met een sociaal oogmerk.

Als bijkomende decretale voorwaarde wordt gesteld dat de handelsverrichtingen verenigbaar moeten zijn met de onderwijsopdracht van de school. Dit betekent dat de verrichtingen moeten kaderen in de normale dienstverlening aan de leerlingen of in de afwerking van het leerprogramma. Indien de handelsactiviteiten echter niet rechtstreeks bijdragen tot de realisatie van de onderwijsopdracht, dan moeten ze alleszins een strikt occasioneel karakter hebben.

b) De regelgever definieert niet langer onder welke voorwaarden, aan welke personen en tegen welke prijzen de door scholen geproduceerde voorwerpen mogen worden verkocht of diensten mogen worden geleverd. De regelgeving van 1976 en 1978, die thans is opgeheven, was immers achterhaald en moeilijk correct toepasbaar. Rekening houdend met het hierboven gestelde, zullen de betrokken scholen zelf een redelijke en billijke handelswijze bepalen.

4.2. In het kader van de bovenstaande principes met betrekking tot toegelaten handelsactiviteiten, is het belangrijk te wijzen op de problematiek van de schoolfotografie. Het nemen van zowel individuele foto's van leerlingen als klasfoto's wordt binnen onderwijs beschouwd als een handelsactiviteit met strikt occasioneel karakter die relatief beperkte financiële middelen genereert en die derhalve toegelaten is. De scholen en centra moeten er wel over waken dat de normale verloop van de onderwijsverstrekking en het volledig afwerken van de leerprogramma's, niet in het gedrang komen door de tijd die aan het nemen van foto's wordt besteed. Dit betekent dat, voor zover deze activiteit tijdens de lesuren plaatsvindt, het verlet tot een minimum moet worden herleid. Tenslotte geldt ook dat ouders en leerlingen nooit enige aankoopverplichting hebben.

5. Sponsoring en reclame.

Een school is geen wereldvreemde gemeenschap. Sponsoring en reclame zijn niet langer in alle scholen een taboe. Het tot hiertoe bestaand juridisch vacuüm dient evenwel te worden doorbroken. Daarom heeft de decreetgever een aantal beginselen vastgelegd, waaraan scholen die reclame en sponsoring door derden toelaten zich moeten houden.

In het decreet wordt het begrip reclame niet gebruikt, maar is sprake van de langere omschrijving die is opgenomen in de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, meer bepaald : mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen. In deze omzendbrief wordt de term reclame daarentegen gemakshalve wel gehanteerd.

Voornoemde principes, waarover de schoolbesturen moeten waken, zijn de volgende :

a) Leermiddelen blijven vrij van reclame. Hierbij dient opgemerkt dat er een verschil bestaat tussen het louter vermelden van een naam of logo van een merk of bedrijf op een didactisch middel (bijvoorbeeld een verwijzing naar de fabrikant, wat meestal niet te vermijden is) enerzijds en een uitdrukkelijke reclameboodschap voor een merk of bedrijf anderzijds.

b) Onderwijsactiviteiten blijven eveneens vrij van reclame, tenzij de reclame enkel attendeert op het feit dat de activiteit tot stand wordt gebracht met medewerking (via een gift, schenking of prestatie) van een persoon of onderneming.

c) Sponsoring en reclame mogen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school.

d) Sponsoring en reclame mogen tenslotte de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.

6. Kosteloosheid.

Internationale verdragen en de Belgische grondwet vertalen het beginsel van de kosteloosheid naar het secundair onderwijs door het verbieden van een direct of een indirect inschrijvingsgeld in de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds of deeltijds onderwijs.

Directe inschrijvingsgelden kunnen enkel in het niet-leerplichtonderwijs (d.i. het onderwijs buiten het basis- en secundair onderwijs) worden gevraagd. Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het jaar, door schoolbesturen of nevenorganisaties, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven.

In het secundair onderwijs bestaat er dus geen absolute kosteloosheid. Voor bepaalde onderwijsactiviteiten en voor didactisch materiaal mogen aan ouders en meerderjarige leerlingen bepaalde kosten worden doorgerekend. Het is evident dat het om effectieve, aantoonbare en verantwoordbare kosten moet gaan die in evenwichtige verhouding staan tot de eigenheid en de doelgroep van het secundair onderwijs.

De lijst van de bijdragen die aan ouders en meerderjarige leerlingen kunnen worden gevraagd evenals de regeling inzake afwijkingen op deze bijdrageregeling, dient door het schoolbestuur, ongeacht het onderwijsnet, te worden vastgelegd na overleg met de schoolraad; onder afwijkingen worden specifieke maatregelen of tegemoetkomingen verstaan voor financieel minder begoede gezinnen.

Voor wat specifiek het gesubsidieerd onderwijs betreft, stelt het participatiedecreet van 2 april 2004 dat de schoolraad ten behoeve van al het personeel, leerlingen en ouders een communicatie- en informatieplicht heeft over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.

De bijdrageregeling is een verplicht onderdeel van het schoolreglement of centrumreglement.

Het schoolbestuur is bevoegd om de betalingsmodaliteiten te bepalen.