Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1.

  • goedkeuringsdatum
    23 NOVEMBER 2001
  • publicatiedatum
    B.S.10/04/2002
  • datum laatste wijziging
    14/02/2007

COORDINATIE

B.Vl.R. 15-12-2006 - B.S. 8-2-2007

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, inzonderheid op artikel 44, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997 en 14 juli 1998;

Gelet op het eensluidend advies van de afdeling buitengewoon basisonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad gegeven op 17 mei 2001;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 26 september 2001;

Gelet op het verzoek tot spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de Vlaamse regering in toepassing van artikel 44, § 3, van het decreet basisonderwijs de lijst van ontwikkelingsdoelen binnen één maand na goedkeuring door de Vlaamse regering ter bekrachtiging aan het Vlaams parlement moet voorleggen;

Gelet op het feit dat de ontwikkelingsdoelen vastgelegd in dit besluit van kracht zullen zijn op 1 september 2002 en dat de schoolbesturen voldoende voorbereidingstijd moeten krijgen om ze in hun planning te verwerken;

Gelet op het advies 32.425/1 van de Raad van State gegeven op 25 oktober 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De ontwikkelingsdoelen die als bijlage bij dit besluit zijn gevoegd, zijn de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1, zoals bedoeld in artikel 44 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997.

Art. 2.

De ontwikkelingsdoelen vastgesteld bij dit besluit moeten worden nagestreefd vanaf het schooljaar 2002-2003.

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Ook te raadplegen via : http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum

LIJST VAN ONTWIKKELINGSDOELEN

LEREN LEREN

1. Structurele componenten : aandacht en geheugen

1.1. Aandacht

1. De leerling schenkt doelgericht aandacht.

2. De leerling heeft voldoende concentratie en laat zich niet afleiden door irrelevante prikkels.

3. De leerling schenkt volgehouden aandacht aan de relevante informatie.

1.2. Geheugen

4. De leerling ontwikkelt zijn geheugen voor visuele, auditieve, motorische, smaak- en geurinformatie.

5. De leerling verwerft en gebruikt losse gegevens door ze betekenis te geven en te memoriseren.

6. De leerling memoriseert door het hanteren van gepaste onthoudstrategieën.

7. De leerling maakt gebruik van gepaste zoekstrategieën.

2. Informatieverwerking en probleemoplossing

2.1. Informatieverwerving

8. De leerling neemt systematisch en gericht waar en heeft hierbij ook oog voor relevante details.

9. De leerling weet in welke aan zijn leeftijd en niveau aangepaste informatiebronnen hij gepaste informatie kan vinden.

10. De leerling weet bij welke personen hij informatie kan vragen.

11. De leerling beheerst zijn impulsiviteit en gaat pas aan de slag, nadat hij alle relevante informatie verworven heeft.

2.2. Informatieverwerking en uitvoering

2.2.1. Algemeen

12. De leerling reflecteert vóór, tijdens en na het handelen.

13. De leerling komt tot zelfontdekkend leren.

14. De leerling komt tot inzichtelijk en abstract leren en denken.

15. De leerling is creatief en flexibel in zijn denken en leren.

2.2.2. Informatieverwerking

16. De leerling is gericht op het juist begrijpen en gebruiken van informatie.

17. De leerling legt verbanden tussen nieuwe informatie en reeds verworven informatie.

2.2.3. Probleemoplossing

18. De leerling identificeert het probleem.

19. De leerling exploreert en analyseert het probleem.

20. De leerling zoekt en bedenkt verschillende mogelijke oplossingswijzen voor het probleem.

21. De leerling weegt de mogelijke oplossingswijzen af en selecteert de beste oplossingsweg.

22. De leerling verwoordt de gekozen oplossingsweg.

23. De leerling voert de gekozen oplossingsweg daadwerkelijk en op een correcte manier uit.

24. De leerling zorgt ervoor dat zijn oplossing duidelijk en volledig is.

2.3. Evaluatie

2.3.1. Algemeen

25. De leerling kent vooraf de criteria waarop hij geëvalueerd zal worden.

26. De leerling formuleert zelf formulecriteria.

27. De leerling geeft aan wat goed ging en wat fout is gegaan.

28. De leerling verwoordt waarom iets fout is gegaan, en geeft aan hoe bepaalde fouten in het vervolg kunnen vermeden worden.

2.3.2. Controle van de informatieverwerking

29. De leerling gaat na of hij op de gepaste manier de juiste informatie verworven heeft.

30. De leerling controleert regelmatig of hij de leerstof nog voldoende kent.

2.3.3. Controle van de probleemoplossing

31. De leerling controleert de gevonden oplossing.

32. De leerling controleert de oplossingsweg.

3. Monitor : metacognitieve aspecten

3.1. Metacognitieve vaardigheden

3.1.1. Voorspellen

33. De leerling is probleemgevoelig en probleembewust.

34. De leerling zoekt en geeft spontaan aan wat hij wel en wat hij niet zal kunnen.

35. De leerling zoekt en geeft spontaan aan bij welke taakaspecten hij snel en bij welke aspecten hij traag zal moeten werken.

36. De leerling geeft aan waar hij extra moeilijkheden verwacht.

37. De leerling durft (leer)problemen signaleren en hulp en uitleg te vragen.

3.1.2. Plannen

38. De leerling bepaalt op basis van de verkregen informatie wat nu juist de opdracht is m.a.w. wat hij moet doen.

39. De leerling bouwt een planningsfase in vooraleer hij tot actie overgaat.

40. De leerling maakt een plan.

41. De leerling werkt volgens het plan en blijft daarbij de verschillende stappen van het plan voor ogen houden.

3.1.3. Zelfreguleren en evalueren

42. De leerling formuleert op zijn niveau doelstellingen.

43. De leerling streeft realistische tussen- en einddoelen na.

44. De leerling stuurt zijn denken en handelen door innerlijke spraak.

45. De leerling stuurt zijn gedrag gericht naar een bepaald doel.

46. De leerling stuurt indien nodig het proces en/of het product bij op basis van de evaluatie.

47. De leerling reflecteert achteraf over een doorgemaakt leer- of probleemoplossingsproces.

48. De leerling heeft belangstelling voor het resultaat van zijn werk en inspanningen.

49. De leerling streeft efficiëntie na.

50. De leerling is gericht op nauwkeurigheid en precisie.

51. De leerling houdt zich aan afspraken en regels.

52. De leerling heeft een adequaat werktempo en -ritme.

53. De leerling toont een wil tot zelfstandigheid.

54. De leerling toont geduld bij het leren, werken en probleemoplossen.

55. De leerling zet ondanks moeilijkheden toch door en raakt niet onmiddellijk ontmoedigd.

56. De leerling maakt een onderscheid tussen toevallige en stabiele oorzaken van zijn succes/mislukking.

57. De leerling heeft kritische zin.

58. De leerling aanvaardt kritiek en is bereid uit zijn fouten te leren.

3.2. Metacognitieve kennis.

3.2.1. Kennis over zichzelf

59. De leerling ontwikkelt inzicht in de eigen mogelijkheden en beperkingen op het vlak van probleemoplossing en informatieverwerking.

60. De leerling kent en houdt rekening met de mogelijkheden en de grenzen van zijn geheugen.

61. De leerling kent en houdt rekening met de mogelijkheden en de beperkingen van zijn aandacht.

62. De leerling houdt bij het verwerken van informatie en het oplossen van problemen rekening met zijn mogelijkheden en beperkingen.

63. De leerling ziet in dat hij voortdurend bijleert en verandert en stelt vorderingen bij zichzelf vast.

64. De leerling maakt een onderscheid tussen de oorzaken van succes/mislukking die bij hemzelf liggen of bij een ander.

65. De leerling beseft dat hij zijn sterke punten kan aanwenden om zijn zwakke punten te verbeteren of te compenseren.

66. De leerling weet hoe hij zijn leermoeilijkheden kan aanpakken of compenseren.

3.2.2. Kennis over het leren.

67. De leerling heeft een elementaire kennis over aandacht en geheugen.

68. De leerling weet en legt aan de hand van eigen ervaringen uit hoe hij leert.

69. De leerling weet en geeft met voorbeelden aan hoe hij zelfstandig kan werken.

70. De leerling weet dat sommige dingen regelmatig herhaald moeten worden.

71. De leerling weet dat gewoon herlezen of kopiëren meestal niet effectief is om te leren.

72. De leerling weet dat hij gemaakte fouten in de toekomst en in andere situaties kan vermijden, wanneer hij de oorzaak van de fouten kent.

4. Transfer

73. De leerling legt relaties tussen nieuwe en oude situaties.

74. De leerling past verworven kennis, inzichten en vaardigheden automatisch en adequaat toe in situaties die sterk gelijken of wezenlijk verschillend zijn van de aanvankelijke leersituatie.

75. De leerling gaat systematisch en gericht zoeken naar kennis, inzichten en vaardigheden die hij in een bepaalde situatie of bij het oplossen van een probleem kan gebruiken.

76. De leerling zoekt naar algemene principes, wetmatigheden en regels die bruikbaar zijn in verschillende situaties.

SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING

1. Dynamische affectieve ontwikkeling

1.1. Zelfwaardering

1. De leerling heeft zicht op wat hij zelf al kan.

2. De leerling leert omgaan met regelmatig terugkerende gevoelens van onmacht.

3. De leerling ziet zijn beperkingen en wil zich inzetten om ze te verbeteren.

4. De leerling is zich bewust van zijn eigenheid als individu.

5. De leerling waardeert bepaalde veranderingen die hij bij zichzelf vaststelt als een vooruitgang.

6. De leerling kiest onder begeleiding werkpunten om zijn zelfontplooiing te bevorderen.

7. De leerling weet welke zijn aandeel is, zowel in zijn successen als zijn mislukkingen.

8. De leerling vertoont voldoende zelfvertrouwen om te leren.

1.2. Motivatie

9. De leerling heeft zicht op de zin van aangeboden taken.

10. De leerling neemt verantwoordelijkheid op voor zijn gedrag.

11. De leerling staat open voor uitdagingen en heeft zin voor initiatief.

12. De leerling heeft een houding van openheid om van anderen te leren.

1.3. Zelfcontrole

13. De leerling legt een verband tussen situaties, gedachten en gevoelens.

14. De leerling herkent situaties als "gevaarlijk" omdat ze hinderlijke of moeilijk controleerbare gevoelens oproepen of kunnen leiden tot oncontroleerbaar gedrag.

15. De leerling uit zijn gevoelens op een voor hemzelf en zijn omgeving aanvaardbare wijze.

2. Sociale cognitie

16. De leerling herkent bij zichzelf positieve en negatieve emoties en basisgevoelens.

17. De leerling legt het verband tussen gevoelens, bijhorende gedachten en aansluitend gedrag.

18. De leerling herkent gevoelens bij de ander en let daarbij op diens lichaamstaal.

19. De leerling leert rekening houden met de gedachten, wensen of gevoelens van een ander.

20. De leerling beschrijft wat hij voelt en doet in een concrete situatie en weet dat zowel zijn gedrag als zijn gevoelens situatiegebonden zijn.

21. De leerling geeft aan hoe gedachten, gevoelens of intenties van verschillende personen in een sociale situatie met elkaar samenhangen.

22. De leerling kan in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen uitdrukken.

23. De leerling herkent en benoemt een sociaal probleem.

24. De leerling zoekt naar de mogelijke oorzaken van een sociaal probleem.

25. De leerling overweegt mogelijk oplossingen voor een sociaal probleem en weegt bijhorende consequenties af.

26. De leerling volgt een plan om een niet direct bereikbaar doel in het sociale domein te realiseren.

3. Sociale vaardigheden en competentie

3.1. Ik en de ander

27. De leerling leeft mee met gevoelens van anderen en laat dit blijken.

28. De leerling houdt er rekening mee dat mensen kunnen veranderen.

29. De leerling laat blijken dat hij op een onbevangen en respectvolle wijze rekening houdt met en omgaat met leeftijdsgenoten.

30. De leerling komt op voor leeftijdsgenoten.

31. De leerling houdt er rekening mee dat conflicten ontstaan door tegengestelde wensen, opvattingen en gevoelens.

32. De leerling zoekt bij een conflict een geweldloze oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar is.

3.2. Ik en de anderen : relatiewijzen

33. De leerling begroet een ander op gepaste wijze.

34. De leerling vraagt iets op gepaste wijze.

35. De leerling luistert naar de boodschap van een ander.

36. De leerling gaat naar anderen toe, legt contact en slaat een praatje.

37. De leerling verwoordt een eigen mening.

38. De leerling neemt het woord in een groepsgesprek.

39. De leerling stelt zich discreet op.

40. De leerling geeft de andere de kans en de ruimte om te zijn zoals hij is.

41. De leerling uit zijn waardering.

42. De leerling staat een ander in moeilijkheden bij.

43. De leerling brengt zorg op voor iets of iemand anders.

44. De leerling vraagt hulp en laat zich helpen.

45. De leerling laat op passende wijze afkeuring blijken bij onrechtvaardige situaties.

46. De leerling denkt kritisch na over bepaalde maatschappelijke toestanden.

47. De leerling beluistert kritiek, gaat na of die terecht is of niet, en aanvaardt desgevallend die kritiek.

48. De leerling verontschuldigt zich na een begane fout of misstap.

49. De leerling zoekt hoe hij aangerichte schade of aangedaan verdriet kan herstellen.

50. De leerling aanvaardt een sanctie na een begane fout of misstap.

3.3. Ik en de anderen : gespreksconventies

51. De leerling geeft in een gesprek aan dat hijzelf aan het woord wil komen.

52. De leerling spreekt in een gesprek duidelijk hoorbaar en met een zekere expressiviteit.

53. De leerling haakt in een gesprek in op wat de andere gezegd heeft, in plaats van "zijn eigen verhaal" verder te zetten.

54. De leerling geeft de andere de ruimte om zich te uiten en is tolerant tegenover een andere mening.

55. De leerling stemt zijn verbale en non-verbale uitingen op elkaar af.

56. De leerling let in een gesprek zowel op de verbale als niet-verbale uitingen van de ander, en betrekt ze op elkaar.

57. De leerling heeft respect voor uitingen van leeftijdsgenoten uit een andere cultuur.

58. De leerling rondt een gesprek passend af.

3.4. Ik en de anderen : leven en samenwerken in groep

59. De leerling kent en begrijpt omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep.

60. De leerling leert samenwerken met anderen.

61. De leerling spreekt regels en een taakverdeling af met het oog op een vlotte groepswerking.

62. De leerling komt in groep gemaakte afspraken na.

63. De leerling voelt zich mede verantwoordelijk voor de groep en voor wat er in de groep gebeurt.

64. De leerling werkt samen met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine.

LICHAMELIJKE OPVOEDING

1. Motorische competenties

1.1. Fundamentele basiscompetenties

1.1.1. Lichaams- en bewegingsbeheersing

1. De leerling beweegt zich doorheen diverse ruimtelijke hindernissen.

2. De leerling behoudt het evenwicht in verplaatsingen en bij houdingen op diverse steunvlakken.

3. De leerling vangt het eigen lichaamsgewicht veilig op door middel van landen en vallen.

4. De leerling heft, draagt en verplaatst veilig, aan zijn mogelijkheden aangepast materiaal.

5. De leerling wendt de motorische basisbewegingen voldoende flexibel en beheerst aan in gevarieerde bewegingssituaties.

1.1.2. Lichaams- en bewegingsorganisatie

6. De leerling schakelt voor verschillende basisbewegingen de ledematen functioneel en gecoördineerd in.

7. De leerling combineert verschillende basisbewegingen.

1.1.3. Opbouw, grenzen en verhoudingen van het lichaam

8. De leerling toont in het bewegen dat hij spontaan rekening houdt met de opbouw, de grenzen en de verhoudingen van zijn lichaam.

9. De leerling ervaart en beseft dat de lichaamsopbouw en -organisatie dezelfde blijft ondanks houdings- en ruimtelijke veranderingen.

1.1.4. Lichaamsbesef en lateraliteit

10. De leerling is zich bewust van zijn eigen lichaam en de verschillende lichaamsdelen.

11. De leerling ervaart en is zich bewust van de beide lichaamshelften.

12. De leerling voert symmetrische en asymmetrische bewegingen uit.

13. De leerling kent zijn voorkeurhand en -voet en gebruikt deze ook efficiënt.

14. De leerling kent en gebruikt zijn voorkeurzijde om te wenden en te draaien rond de lengteas.

15. De leerling duidt bij zichzelf de linker- en de rechterkant aan.

16. De leerling draagt links en rechts over op een voorwerp of een andere persoon.

17. De leerling verwoordt welke bewegingen moeten worden uitgevoerd om een opdracht te volbrengen, zonder deze beweging effectief uit te voeren (bewegings- en houdingsvoorstelling).

1.1.5. Rustervaringen

18. De leerling creëert een sfeer van rust en stilte of is in staat om deze sfeer over te nemen.

19. De leerling heeft in rust controle over de ademhaling en de spieren.

20. De leerling benut rustervaringen om lichaamsgevoeligheid (proprioceptie) te bevorderen.

1.1.6. Ruimte- en tijdsfactoren

21. De leerling lokaliseert zichzelf, anderen of voorwerpen in de ruimte.

22. De leerling houdt tijdens het bewegen rekening met plaatsaanduidingen en ruimtelijke afbakeningen.

23. De leerling gaat tijdens het bewegen adequaat om met tijdsduur, richting en te overbruggen afstand.

24. De leerling houdt in bewegingssituaties rekening met tempo.

25. De leerling voert bewegingen uit op een opgelegd metrum of ritme.

26. De leerling houdt in bewegingssituaties rekening met verschillende ruimte- en/of tijdsfactoren tegelijkertijd.

27. De leerling stemt het eigen bewegen zowel af op de verplaatsingsrichting als op de bewegingssnelheid van personen of voorwerpen.

28. De leerling beweegt efficiënt onder tijdsdruk zowel bij grootmotorische als bij kleinmotorische activiteiten.

1.2. Grootmotorische vaardigheden en acties in gevarieerde situaties

1.2.1. Grootmotorische basisbewegingen

29. De leerling toont een toenemende bedrevenheid in basisbewegingen met betrekking tot de kind-eigen bewegingscultuur.

30. De leerling balanceert op de grond en op diverse soorten toestellen.

31. De leerling beheerst verschillende vormen van springen.

32. De leerling voert verschillende vormen van rollen uit.

33. De leerling voert aan een toestel draaibewegingen rond de breedte-as uit.

34. De leerling klimt op diverse klimtoestellen en daalt er veilig van af.

35. De leerling past zijn loopstijl en -tempo aan de afstand aan.

36. De leerling werpt en vangt verschillende voorwerpen op diverse manieren op.

37. De leerling kent mogelijke vormen van rollend en/of glijdend materiaal en kan er veilig mee omgaan en/of er zich veilig mee voortbewegen.

1.2.2. Bewegen in verschillende milieus

38. De leerling beweegt op een aangepaste manier in de vrije natuur.

39. De leerling voelt zich veilig in het water en zwemt in het water.

1.3. Kleinmotorische vaardigheden in gevarieerde situaties.

40. De leerling bezit een correcte lichaamshouding, -tonus en differentiatie in de beweging van de bovenste ledematen.

41. De leerling toont een toenemende bedrevenheid in het functioneel aanwenden van kleinmotorische vaardigheden.

42. De leerling gebruikt de functionele grepen gedifferentieerd voor het hanteren van voorwerpen.

43. De leerling brengt onder tijdsdruk kleinmotorische taken tot een goed einde.

1.4. Zelfstandig en bewust functioneren in bewegingssituaties.

1.4.1. Sensorische prikkels

44. De leerling concentreert zich op de relevante prikkel(s).

1.4.2. Handelend omgaan met betekenisinhouden van bewegingssituaties

45. De leerling toont een toenemend begrijpen, toepassen en verwoorden van betekenisinhouden in bewegingssituaties.

1.4.3. Bewegingsantwoorden

46. De leerling begrijpt eenvoudige bewegingssituaties en speltaken en kan er gepast op reageren.

1.4.4. Opeenvolgende handelingen

47. De leerling onderbreekt doelgericht een beweging en laat ze opvolgen door een andere beweging.

48. De leerling zoekt zelf een uitvoeringsvolgorde in een bepaalde opstelling van toestellen.

49. De leerling onthoudt een aantal bewegingspatronen of opeenvolgende handelingen en voert ze uit.

1.4.5. Oplossen van kind-aangepaste bewegingsproblemen

50. De leerling blijft geconcentreerd bezig met een bewegingstaak of -probleem.

51. De leerling zoekt naar een oplossing voor een bewegings- of spelprobleem.

52. De leerling past geleerde bewegingsprincipes toe in andere bewegingssituaties.

53. De leerling is bereid om over zijn aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een bewegingsprobleem na te denken.

1.5. Spel en sportspel

54. De leerling beheerst fundamentele bewegingsvaardigheden die nodig zijn om een eenvoudig bewegings- of sportspel te kunnen spelen.

55. De leerling leeft zich in een spel in en kan hierbij verschillende rollen waarnemen.

56. De leerling past de afgesproken spelregels toe en aanvaardt sancties.

1.6. Beweging als expressie- en communicatiemiddel

57. De leerling wendt lichaamstaal aan als expressiemiddel.

58. De leerling gebruikt lichaamstaal als communicatiemiddel.

2. Gezonde en veilige levensstijl

2.1. Fitheid

59. De leerling ontwikkelt uithouding, kracht, lenigheid, snelheid en spierspanning om de motorische competenties te bereiken en te onderhouden.

60. De leerling heeft notie over eigen constitutie (houdings- en bewegingsbewustzijn) en ontwikkelt een correcte lichaamshouding.

61. De leerling herkent vermoeidheidsverschijnselen en beseft het belang van opwarming voor en tot rust komen na fysieke activiteiten.

62. De leerling kent de mogelijkheden om buiten de les Lichamelijke Opvoeding een voorkeursport te beoefenen.

2.2. Verantwoord en veilig bewegen

63. De leerling kent elementaire regels om zichzelf en anderen te beschermen en past ze ook toe.

64. De leerling beheerst zijn impulsiviteit in bewegingssituaties.

65. De leerling beweegt zich veilig in zijn leefomgeving.

66. De leerling herkent gevaarlijke situaties en reageert gepast.

3. Zelfconcept en sociaal functioneren

3.1. Zelfconcept

3.1.1. Positieve bewegingsgezindheid

67. De leerling leeft zich uit in spel en beweging.

68. De leerling toont belangstelling om diverse bewegingssituaties te verkennen.

69. De leerling is bereid zich in te zetten voor een bewegingsopdracht, de opdracht vol te houden en af te werken.

3.1.2. Positief en realistisch zelfbeeld

70. De leerling voelt zijn eigen mogelijkheden en begrenzingen aan.

71. De leerling heeft voldoende zelfvertrouwen en durf.

72. De leerling streeft ernaar zijn motorische en lichamelijke capaciteiten maximaal te ontplooien.

3.1.3. Zich motorisch en emotioneel op een aanvaardbare wijze uiten

73. De leerling durft de eigen bewegingsvormen en behendigheden op een sociaal aanvaardbare wijze tonen.

74. De leerling toont een persoonlijke stijl op een sociaal aanvaardbare wijze.

3.2. Sociaal functioneren

75. De leerling geeft anderen ruimte om te spelen zodat iedereen zinvol kan deelnemen aan spel.

76. De leerling neemt deel aan bewegingsactiviteiten in een geest van fair-play.

77. De leerling heeft respect en draagt zorg voor materiaal en kleding.

78. De leerling volgt binnen een eenvoudige spelvorm één tot twee spelregels op.

79. De leerling gaat spontaan over tot het maken van eenvoudige afspraken binnen het functioneren in subgroepjes.

MUZISCHE VORMING

1. Algemeen

1. De leerling gaat op een speelse manier met beeldtaal, klanktaal, lichaamstaal, woordtaal en audiovisuele taal om.

2. De leerling durft zijn eigen fantasierijke en inventieve uitingen tonen.

3. De leerling uit zich muzisch in een sociaal aanvaardbare context.

4. De leerling ervaart en verwerkt de vormgevingsmogelijkheden en beperkingen van materialen en beelden, instrumenten en klanken, bewegingen en lichaamstaal, woorden en stem.

5. De leerling stelt zich open voor kunst.

6. De leerling kiest een aangepaste muzische techniek of werkvorm om een impressie over te brengen of een muzische creatie samen te stellen.

2. Beeld

7. De leerling doet impressies op door betasten en voelen (tactiel), door kijken en zien (visueel), hij verwerkt deze impressies en praat erover.

8. De leerling onderscheidt en verwoordt verscheidene beeldaspecten (kleur, lijn, vorm, vlak, en ritme).

9. De leerling onderscheidt materialen en technieken door observeren, exploreren en experimenteren.

10. De leerling ontwikkelt een toenemende vaardigheid in het gebruik van materialen en het toepassen van technieken (o.a. knippen, plakken, schilderen, boetseren, een lat hanteren,...).

11. De leerling wendt verschillende beeldende, technische middelen aan en gebruikt ze samen om tot beeldend werk te komen.

12. De leerling geeft zintuiglijke impressies, informatie, ervaringen, gevoelens en fantasieën op een beeldende manier weer in een persoonlijke, authentieke creatie.

13. De leerling herkent de materialen en technieken die in een beeldend werk zijn gebruikt.

3. Muziek

14. De leerling ervaart, herkent en bootst het ritme in beluisterde muziek en de geluidsomgeving na.

15. De leerling ervaart en herkent signalen in beluisterde muziek en in de geluidsomgeving.

16. De leerling heeft aandacht voor de klankeigenschappen.

17. De leerling ervaart en herkent de functie en gebruikssituatie van klanken, geluiden en muziek.

18. De leerling ontdekt het gevarieerde muziekaanbod in de wereld van geluiden.

19. De leerling doet muzikale impressies op uit de geluidsomgeving.

20. De leerling experimenteert met klank, stem, instrument en test verschillende klankbronnen uit op hun klankwaarde en maakt er gebruik van in een muzikaal (samen)spel.

21. De leerling ontwikkelt een toenemende stembeheersing.

22. De leerling speelt met liederen en muziekfragmenten.

23. De leerling houdt bij het samenspel of de samenzang rekening met eenvoudige afspraken.

24. De leerling ervaart dat hijzelf in staat is om eenvoudige composities te maken.

4. Drama

25. De leerling experimenteert met verschillende verbale en non-verbale spelvormen.

26. De leerling neemt verschillende spelvormen waar.

27. De leerling ervaart en ziet in dat de juiste verhouding tussen woord en beweging de expressie kan vergroten.

28. De leerling ontwikkelt een aan de speelsituatie aangepaste spreektechniek (articulatie, adembeheersing, tempo, toonhoogte).

29. De leerling luistert geconcentreerd naar een gesproken tekst (verteld of voorgelezen) en geeft die mondeling, schriftelijk, beeldend of dramatisch weer.

30. De leerling uit zintuiglijke impressies, ervaringen, gevoelens, fantasieën en gedachten in symbolisch spel.

31. De leerling maakt onderscheid tussen spel en werkelijkheid.

32. De leerling hanteert spelvormen in een sociale en maatschappelijke context.

5. Beweging

33. De leerling experimenteert met verschillende bewegingsmogelijkheden van het eigen lichaam.

34. De leerling beweegt spontaan mee op muziek.

35. De leerling bouwt een eenvoudig bewegingsverhaal op met als vertrekpunt iets wat gehoord, gezien, gelezen, gevoeld of meegemaakt wordt.

36. De leerling beweegt op een creatieve manier en bespeelt daarbij één of meerdere basiselementen van de beweging.

37. De leerling beweegt samen met anderen, waarbij al improviserend gereageerd wordt op elkaars beweging.

38. De leerling begrijpt dat beweging en dans verschillende functies en betekenissen kunnen hebben zowel hier als in andere culturen.

6. Media

39. De leerling experimenteert en stelt daarbij vast dat klanken, beelden en bewegingen elkaar wederzijds beïnvloeden.

40. De leerling ervaart en beseft dat een audiovisuele boodschap verschillend kan geïnterpreteerd worden.

41. De leerling ervaart dat in een audiovisuele boodschap het aanbrengen van minimale veranderingen een andere betekenis kan veroorzaken.

42. De leerling herkent en begrijpt eenvoudige audiovisuele informatie uit de eigen omgeving.

43. De leerling onderzoekt en vergelijkt informatie uit de eigen omgeving naar betrouwbaarheid, eenzijdigheid en oppervlakkigheid.

44. De leerling beoordeelt audiovisuele boodschappen (van zichzelf en van anderen) op hun geslaagde en minder geslaagde aspecten.

45. De leerling wijst soorten van eenvoudige hedendaagse audiovisuele opname- en weergavetoestellen (informatiedragers) aan, benoemt ze en bedient ze creatief.

46. De leerling maakt zelf een audiovisuele boodschap met tekens, kleuren, vormen, gebaren, bewegingen, woorden, geluiden...

47. De leerling relativeert het massale audiovisuele aanbod en plaatst het in zijn context. 48. De leerling maakt een bewuste keuze binnen het audiovisuele aanbod.

7. Attitudes

49. De leerling staat open en blijft alert voor nieuwe dingen uit zijn omgeving.

50. De leerling geniet van het muzisch handelen.

51. De leerling vertrouwt op zijn eigen expressiemogelijkheden.

52. De leerling betoont respect voor uitingen van leeftijdgenoten, behorend tot de eigen en de andere culturen.

53. De leerling geniet van de fantasie, de originaliteit, de creativiteit en de zelfexpressie in "kunstwerken".

54. De leerling durft een eigen mening te geven over kunstwerken.

NEDERLANDS

1. Luisteren

1.1. Taalgebruik

Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven

1. De leerling begrijpt de functie van taal ondersteund door lichaamstaal, beeld of geluid.

2. De leerling begrijpt voor hem bestemde boodschappen.

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren

3. De leerling begrijpt eenvoudige instructies, eventueel ondersteund door lichaamstaal.

4. De leerling begrijpt een verhaal.

5. De leerling onderscheidt oorzaak en gevolg in het verhaal.

6. De leerling begrijpt hoofd- en bijzaken in een verhaal.

7. De leerling begrijpt kritiek in gesprekken.

8. De leerling begrijpt argumenten in een discussie.

1.2. Taalbeschouwing

9. De leerling begrijpt het verschil tussen zender en ontvanger.

10. De leerling hanteert luisterstrategieën.

11. De leerling bemerkt verschillende betekenissen van woorden naargelang de context.

12. De leerling onderscheidt soorten zinnen.

13. De leerling hoort het verschil tussen dialect en Algemeen Nederlands.

1.3. Luisterattitudes

14. De leerling toont een adequate luisterbereidheid.

15. De leerling reageert gepast op wat hij hoort.

1.4. Taalvorm

16. De leerling kent de spraakklanken.

17. De leerling begrijpt de voornaamste morfologische aspecten van taal.

18. De leerling begrijpt de voornaamste syntactische aspecten van taal.

1.5. Taalinhoud

19. De leerling begrijpt woorden in situaties binnen zijn leefwereld.

20. De leerling begrijpt de betekenis van woorden die naar iets concreets verwijzen.

21. De leerling begrijpt de voornaamste begrippen.

22. De leerling begrijpt de voornaamste tijd- en ruimteaanduidingen.

23. De leerling begrijpt de voornaamste woordsoorten.

24. De leerling begrijpt tegenstellingen en synoniemen.

25. De leerling begrijpt enkelvoudige zinnen.

26. De leerling begrijpt gebiedende taal in zinnen.

27. De leerling begrijpt een negatie.

28. De leerling begrijpt eenvoudige vraagzinnen.

29. De leerling begrijpt samengestelde zinnen.

30. De leerling begrijpt woorden die relaties tussen woorden en zinnen betekenis geven.

2. Spreken

2.1. Taalgebruik

Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau beschrijven

31. De leerling gebruikt functioneel taal in alledaagse situaties.

Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau structureren

32. De leerling gebruikt taal om tot interactie te komen.

33. De leerling gebruikt taal die aansluit bij de leersituatie.

34. De leerling vertelt een verhaal na.

35. De leerling vertelt relevant over zichzelf.

36. De leerling vertelt een verhaal.

37. De leerling geeft instructie, zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren.

38. De leerling verwoordt zijn mening.

2.2. Taalbeschouwing spreken

39. De leerling past zijn taal aan in functie van de context.

40. De leerling maakt gebruik van hulpmiddelen om zich te verduidelijken.

2.3. Spreekattitudes

41. De leerling heeft spreekdurf.

42. De leerling is bereid te reflecteren op eigen spreekgedrag.

43. De leerling toont respect voor de gesprekpartners.

2.4. Taalvorm

44. De leerling spreekt met correct mondgedrag.

45. De leerling spreekt goed verstaanbaar.

46. De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

47. De leerling voegt woorden samen tot woordgroepen die een zinsdeel vormen.

48. De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.

2.5. Taalinhoud

49. De leerling beschikt over voldoende actieve woordenschat waarvan hij actief gebruik maakt.

50. De leerling gebruikt voldoende woordsoorten.

51. De leerling gebruikt semantische relaties.

3. Lezen

3.1. Taalgebruik

Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven.

52. De leerling begrijpt een geschreven tekst.

53. De leerling kan informatie achterhalen uit teksten, ze beoordelen en functioneel gebruiken.

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren

54. De leerling vindt en herkent elementen en relaties in de tekst.

55. De leerling raadpleegt bronnen en haalt er informatie uit.

56. De leerling past gebruiksaanwijzingen en instructies toe.

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau beoordelen.

57. De leerling beoordeelt een tekst.

3.2. Taalbeschouwing

58. De leerling begrijpt de variatie in taalgebruik tussen zakelijke teksten, verhalende teksten en poëzie. 3.3. Leesattitudes

59. De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude.

60. De leerling is bereid te reflecteren over zijn leesgedrag.

3.4. Taalvorm

61. De leerling identificeert pictogrammen en reageert adequaat.

62. De leerling herkent de grafemen.

63. De leerling begrijpt morfologische aspecten.

64. De leerling begrijpt de structuur van een zin.

Leesstrategieën

65. De leerling leest door analyse en synthese.

66. De leerling leest door herkenning van woorden of woorddelen.

67. De leerling leest vlot door directe woord- en woordgroepherkenning.

Leestechnische aspecten

68. De leerling leest met een goede leeshouding.

69. De leerling leest hardop.

3.5. Taalinhoud

70. De leerling maakt onderscheid tussen verschillende soorten zinnen.

71. De leerling maakt onderscheid tussen verschillende tekstsoorten.

72. De leerling legt relaties tussen zinnen in een tekst.

73. De leerling haalt de hoofdgedachte uit een tekst.

4. Schrijven

4.1. Taalgebruik

74. De leerling kopieert eenvoudige schriftelijke informatie.

75. De leerling schrijft zelf met een minimum aan schrijffouten.

76. De leerling gebruikt zijn creativiteit bij het schrijven.

77. De leerling gebruikt hulpmiddelen om correct te spellen.

4.2. Taalbeschouwing schrijven

78. De leerling past zijn taalkeuze aan met het oog op het publiek.

79. De leerling pakt een complexe schrijftaak stapsgewijze aan.

4.3. Schrijfattitudes

80. De leerling schrijft wanneer het van hem verlangd wordt.

81. De leerling schrijft om iets voor zichzelf te bekomen.

82. De leerling schrijft spontaan ter communicatie.

83. De leerling leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig.

4.4. Taalvorm

84. De leerling maakt de juiste koppeling klank-grafeem en schrijft de grafemen correct.

85. De leerling maakt de juiste verbindingen tussen de grafemen.

86. De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.

87. De leerling voegt woorden samen tot zinsdelen.

88. De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.

Spellingstrategieën

89. De leerling hanteert gepaste spellingstrategieën bij het aanvankelijk spellen.

90. De leerling hanteert gepaste spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen.

Schrijftechnische aspecten

91. De leerling heeft een goede schrijfhouding en schrijfbeweging.

92. De leerling schrijft leesbaar en verzorgd.

4.5. Taalinhoud

93. De leerling schrijft verschillende soorten teksten.

94. De leerling legt chronologie en structuur in zijn teksten.

WERELDORIENTATIE

1. Natuur

1.1. Levende natuur

1.1.1. Gelijkenissen en verschillen

1. De leerling onderscheidt, benoemt en vergelijkt delen van mensen, planten en dieren.

2. De leerling ordent mensen, dieren en planten aan de hand van eenvoudige, zelfgevonden criteria.

3. De leerling kan in een beperkte verzameling van mensen, dieren en planten gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden.

1.1.2. Aanpassing

4. De leerling kent in zijn omgeving een paar biotopen en kan erin enkele veel voorkomende dieren en planten herkennen en benoemen.

5. De leerling kan bij organismen kenmerken aangeven waaruit hun aangepastheid blijkt aan hun voeding, aan bescherming tegen vijanden en aan omgevingsinvloeden.

1.1.3. Samenhang

6. De leerling geeft voorbeelden van bedreigde en beschermde plant- en diersoorten.

7. De leerling kan illustreren dat de mens de aanwezigheid van planten en dieren in zijn omgeving beïnvloedt.

8. De leerling kan de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van een voedselketen.

1.1.4. Levensprocessen en functies

9. De leerling geeft in verband met voortplanting van mensen en dieren, getuigenis van het inzicht dat :

- een levend wezen steeds voorkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort;

- de geboorte wordt voorafgegaan door een periode van gedragen worden door de moeder of door de ontwikkeling van het jong in een ei;

- de geboorte het verlaten van het moederlichaam of van het ei betekent.

10. De leerling geeft in verband met groei en ontwikkeling getuigenis van het inzicht dat een levend wezen vanaf het prille begin ontwikkelt en uiteindelijk (af)sterft.

11. De leerling kan belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen bij de mens (geboorte, groei, ademhaling en transport van stoffen) lokaliseren, benoemen en hun functie op een eenvoudige wijze verwoorden.

12. De leerling illustreert dat mens en dier dankzij de zintuigen zien, horen, ruiken, voelen, proeven...

13. De leerling geeft bij zichzelf aan welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen.

14. De leerling illustreert de functie van de zintuigen, van het skelet en van de spieren op een eenvoudige wijze.

15. De leerling kan lichamelijke veranderingen die hij bij zichzelf en leeftijdgenoten waarneemt, herkennen als normale aspecten in de ontwikkeling.

1.2. Niet-levende natuur

1.2.1. Weer

16. De leerling kan verschillende weersomstandigheden gericht waarnemen, vergelijken en benoemen.

17. De leerling geeft voorbeelden van de gevolgen van weersomstandigheden voor zichzelf.

18. De leerling kan de weersituatie op een bepaald moment en over een beperkte periode meten en beschrijven.

19. De leerling geeft de natuurverschijnselen aan, die een bepaald seizoen kenmerken.

20. De leerling kan het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven. 1.2.2. Heelal

21. De leerling herkent en benoemt de zon, de maan, de aarde.

22. De leerling toont hoe de aarde om zichzelf en de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen.

1.2.3. Bodem en grondstoffen

23. De leerling kan van courante voorwerpen uit zijn omgeving zeggen uit welke materialen en grondstoffen ze gemaakt zijn.

1.3. Algemene vaardigheden natuur

24. De leerling noteert systematisch observaties van zaaiproeven.

25. De leerling geeft betekenis aan weerswaarnemingen.

26. De leerling beschrijft tijdens uitstappen verschillen in geluiden en geuren.

27. De leerling experimenteert en exploreert de aanpak om meer te weten te komen over de natuur.

28. De leerling toetst eigen ideeën en veronderstellingen i.v.m. licht, geluid, magnetisme, energie of factoren die de groei van planten beïnvloeden op een eenvoudige wijze.

29. De leerling kan minstens één natuurlijk verschijnsel dat hij waarneemt via een eenvoudig onderzoekje toetsen aan een hypothese.

1.4. Gezondheidseducatie

1.4.1. Gezond - ziek

30. De leerling herkent bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn.

31. De leerling geeft aan dat sommige mensen van bij de geboorte een handicap hebben.

32. De leerling beschrijft dat sommige mensen door ouderdom een aantal ongemakken gaan ondervinden.

1.4.2. Levensstijl

33. De leerling herkent in concrete situaties gedragingen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor de gezondheid.

34. De leerling kent de basisregels voor een gezonde voeding en begrijpt het belang van gewichtscontrole.

35. De leerling geeft aan dat regelmatig gebruik van bepaalde producten in bepaalde omstandigheden kan leiden tot verslaving.

1.4.3. Hygiëne

36. De leerling toont goede gewoonten inzake dagelijkse hygiëne.

37. De leerling beseft dat het nemen van voorzorgen de kans op besmettelijke ziekten, parasieten of schimmels vermindert of uitsluit.

1.4.4. Veiligheid

38. De leerling herkent gangbare pictogrammen inzake gezondheid en veiligheid en handelt overeenkomstig.

39. De leerling weet dat hij door de inname van sommige producten en planten ziek kan worden.

40. De leerling roept hulp in bij ongeval.

41. De leerling kan passende elementaire hulp toedienen bij lichte schaafwonden en brandwonden.

42. De leerling past de evacuatieregels toe bij alarm op school.

43. De leerling herkent in zijn omgeving plekken waar hij veilig kan spelen en waar niet.

1.5. Milieu-educatie 44. De leerling toont een houding van zorg en respect voor de natuur.

45. De leerling gaat bij de verzorging van planten en dieren na, of de voorwaarden inzake voedsel, water, lucht, beweging- en slaapruimte, beschutting, hygiëne... vervuld zijn.

46. De leerling geeft aan welke dieren wel en welke dieren niet als huisdier kunnen gehouden worden.

47. De leerling kan bij de verzorging van dieren en planten uit zijn omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren.

48. De leerling toont zich in zijn gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met papier, water, afval en energie.

49. De leerling kan met een concreet voorbeeld uit eigen omgeving illustreren hoe mensen op een negatieve maar ook op een positieve wijze omgaan met het milieu en dat aan een milieuprobleem vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen.

2. Technologie

2.1. Basisinzichten techniek

2.1.1. Constructieprincipes

50. De leerling toont aan dat voorwerpen uit zijn omgeving bestaan uit verschillende onderdelen.

51. De leerling toont aan de hand van concrete voorwerpen of gebouwen uit zijn omgeving aan dat de brede basis van een constructie van belang is voor de stabiliteit ervan.

52. De leerling herkent bij eenvoudige voorwerpen uit zijn omgeving de meest courante verbindingen en hechtingswijzen.

53. De leerling maakt een eenvoudige constructie, waarbij hij geschikt materiaal, geschikte hechtingswijzen en geschikt gereedschap kiest.

54. De leerling toont aan dat de aard en de kwaliteit van verbindingen en hechtingen in een constructie de stevigheid van die constructie mee bepalen.

55. De leerling herkent in zijn directe omgeving toepassingen van hefbomen, katrollen en bewegingsoverbrenging via tandwielen.

2.1.2. Energie

56. De leerling kan van voorzieningen of voorwerpen uit zijn omgeving aangeven welke de energiebron is die verantwoordelijk is voor de waargenomen beweging, verwarming of verlichting.

57. De leerling kent als bronnen van energie : spierkracht, de zon, de wind, water, de brandstoffen hout, steenkool, aardolie en aardgas en atoomkernen.

2.1.3. Informatieverwerking

58. De leerling kan in zijn omgeving informatieverwerkende toepassingen herkennen.

59. De leerling leert effectief met informatica en informatieverwerking omgaan.

2.2. Technisch proces

2.2.1. Definiëren van het technisch proces

60. De leerling formuleert vragen, ideeën en voorspellingen over alledaagse ervaringen met materialen en constructies en gaat er experimenterend mee om.

61. De leerling kan van een bestaande constructie en van een constructie die hij zelf wil maken, zeggen aan welke eisen ze moet voldoen.

62. De leerling kan materialenkennis en kennis van constructie- en bewegingsprincipes aanwenden bij het plannen en maken van een eigen constructie.

2.2.2. Plannen en voorbereiden van het technisch proces

63. De leerling deelt een constructieactiviteit op in opeenvolgende fasen.

64. De leerling tekent een ruwe schets van de constructie die hij wil maken.

65. De leerling interpreteert een eenvoudige, aan zijn niveau aangepaste werktekening of handleiding.

66. De leerling kiest geschikt materiaal en gereedschap voor een eenvoudige constructie.

2.2.3. Uitvoeren van het technisch proces

67. De leerling kan aan de hand van een al dan niet zelfgemaakte eenvoudige werktekening of handleiding het geschikte materiaal en gereedschap kiezen en daarmee de constructieactiviteit stap voor stap juist en veilig uitvoeren.

68. De leerling kan bij het monteren/demonteren van een constructie materialenkennis en kennis van constructie- en bewegingsprincipes functioneel toepassen.

2.2.4. Evalueren van het technisch proces

69. De leerling beschrijft de werking van een bestaande of zelfgemaakte constructie op een eenvoudige wijze.

70. De leerling controleert of een zelfgemaakte constructie voldoet aan de zelf vooropgestelde eisen.

71. De leerling kan eigen werkwijzen vergelijken met andere werkwijzen en een oordeel vellen daarover.

2.3. Attitudes

72. De leerling brengt waardering op voor eenvoudige, inventieve technieken en voor esthetische aspecten van technische constructies en voorwerpen.

73. De leerling toont zich bereid nauwkeurig en veilig te werken, geen materiaal te verkwisten en zorg te dragen voor gereedschap.

3. Maatschappij

3.1. Sociaal-economische verschijnselen

3.1.1. Beroepen

74. De leerling beschrijft beroepen.

75. De leerling rubriceert beroepen.

76. De leerling ziet in dat een beroep als bezoldigde bezigheid een belangrijke plaats inneemt in het leven van een volwassene.

77. De leerling geeft aan dat vakmanschap nodig is voor het uitoefenen van een beroep en dat vakmanschap scholing veronderstelt.

78. De leerling illustreert hoe door technologische ontwikkelingen en veranderde behoeften de arbeidsmarkt en -situatie verandert.

79. De leerling illustreert dat werken en niet werken en verschillende vormen van arbeid maatschappelijk verschillend gewaardeerd worden.

80. De leerling kan illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.

3.1.2. Basisprincipes

81. De leerling maakt in een concrete situatie het onderscheid tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen.

82. De leerling illustreert met een zelf gekozen voorbeeld hoe de prijs van een product afhankelijk is van o.m. de productiekosten, de winst en de vraag en het aanbod.

83. De leerling kan met een zelfgekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.

3.1.3. Welzijn

84. De leerling kan met een zelfgekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.

85. De leerling kan illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.

3.1.4. Consument

86. De leerling houdt als consument rekening met relevante criteria voor de aankoop van een product. 87. De leerling herkent reclame als middel om verkoop te stimuleren. 88. De leerling beseft dat zijn gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.

89. De leerling stelt zich kritisch en weerbaar op tegenover reclame.

3.1.5. Vrijetijdsbesteding

90. De leerling noemt verschillende vormen van vrijetijdsbesteding en geeft het nut ervan aan.

91. De leerling toont zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en evalueren.

3.2. Sociaal-culturele verschijnselen

3.2.1. Gezinsvormen

92. De leerling situeert zichzelf binnen het gezin en de familiale structuur.

93. De leerling herkent verschillende gezinsvormen.

94. De leerling kan er in de omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als hij.

3.2.2. Samenleving

95. De leerling illustreert dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel te ontwikkelen.

96. De leerling geeft de betekenis aan van verschillende feesten en gebeurtenissen binnen de culturen die hij kent.

97. De leerling herkent aspecten waarin mensen verschillen en waarin mensen gelijk zijn.

98. De leerling herkent vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders zijn van mensen.

99. De leerling beseft dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan hijzelf, in de confrontatie met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur.

100. De leerling kan illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.

101. De leerling kan voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.

102. De leerling weet dat hij in contact met mensen met een handicap attent moet zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.

103. De leerling kan illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.

104. De leerling ziet in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.

3.3. Politieke en juridische verschijnselen

3.3.1. Rechten en plichten

105. De leerling illustreert met concrete voorbeelden dat mensen die samenleven, zich organiseren via regels waaraan iedereen zich moet houden.

106. De leerling weet dat er mensen zijn die waken over het naleven van regels en wetten in de samenleving.

107. De leerling kan het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Hij ziet daarbij dat rechten en plichten complementair zijn.

108. De leerling maakt een onderscheid tussen geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten.

3.3.2. Organisatie

109. De leerling weet dat samenlevingsvormen als stad, gemeente, provincie, gemeenschap en land een georganiseerd bestuur hebben.

110. De leerling illustreert dat er in het bestuur van een land, gemeenschap, stad of gemeente een taakverdeling is. 111. De leerling weet dat mensen zich groeperen in politieke partijen, om hun opvattingen en overtuigingen in het bestuur van het land aan bod te laten komen.

112. De leerling weet dat de burgers bij politieke verkiezingen een stem uitbrengen op de politieke partij van hun keuze. 113. De leerling kan op een eenvoudige manier uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.

114. De leerling kan illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.

115. De leerling weet dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Hij weet daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.

116. De leerling kent de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).

4. Tijd

4.1. Dagelijkse tijd

4.1.1. Tijdsbesef

117. De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen gisteren, morgen, vandaag, dag, nacht.

118. De leerling geeft een aantal vaste gebeurtenissen in het verloop van zijn dag in de juiste volgorde aan.

119. De leerling kan de tijd die hij nodig heeft voor een voor hem bekende bezigheid realistisch inschatten.

120. De leerling toont tijdsbesef aan de hand van het functioneel gebruik van verschillende soorten kalenders.

121. De leerling kan een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.

4.1.2. Planning

122. De leerling ziet in de tijd vooruit door minstens twee activiteiten na elkaar te plannen.

123. De leerling kan zelfstandig of in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.

124. De leerling plant een uitstap in de tijd, gebruikmakend van één openbaar vervoermiddel.

125. De leerling kan tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.

4.2. Historische tijd

4.2.1. Ordening

126. De leerling kan belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Hij kan daarvoor eigen indelingscriteria vinden.

127. De leerling kan zijn afstamming aangeven tot twee generaties terug.

128. De leerling kent de grote periodes uit de geschiedenis (Prehistorie/Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe Tijd, Onze Tijd) en kan belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee hij kennis maakt situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdsband.

129. De leerling kan aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.

130. De leerling toont belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.

4.3. Algemene vaardigheden tijd

131. De leerling beseft dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.

5. Ruimte

5.1. Oriëntatie- en kaartvaardigheid

5.1.1. Oriëntatie

132. De leerling vindt zelfstandig zijn weg in een vertrouwde omgeving.

133. De leerling zegt aan een bekende volwassene zijn naam en de gemeente en de straat waar hij woont.

134. De leerling kent de betekenis van de volgende pictogrammen :

- de pijl;

- de uitgang;

- het toilet.

135. De leerling herkent voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen.

5.1.2. Kaartvaardigheid

136. De leerling vindt op een plattegrond van de eigen school, gemeente of stad de voor hem bekende plaatsen terug.

137. De leerling beschrijft aan een andere leerling een te volgen weg binnen de eigen school.

138. De leerling kan aan een andere leerling een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Hij kan deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.

139. De leerling kan aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.

140. De leerling zoekt plaatsen en gebeurtenissen waar hij kennis mee maakt op een in de context passende kaart.

141. De leerling kan in praktische toepassingssituaties op een gepaste kaart en op de globe de evenaar, de polen, de oceanen, de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.

142. De leerling kan bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.

143. De leerling kan begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gewest, land en continent in een juiste context gebruiken.

144. De leerling heeft een voorstelling van de kaart van zijn omgeving, zodat hij in een praktische toepassingssituatie vlot de gehuchten, zijn dorp of gemeente en aangrenzende gemeenten op een kaart kan aanwijzen.

145. De leerling heeft een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat hij in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen op een kaart kan aanwijzen.

146. De leerling heeft een voorstelling van de kaart van Europa zodat hij in een praktische toepassingssituatie de betrokken landen op een kaart situeert.

5.2. Ruimtebeleving

147. De leerling richt een ruimte in, in functie van zijn spel. 148. De leerling brengt mits aanwijzingen, orde in een beperkte ruimte.

149. De leerling hanteert ruimtelijke begrippen en relaties ertussen.

150. De leerling kan aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen subjectieve en absolute afstand illustreren.

151. De leerling kan suggesties geven voor het inrichten van zijn eigen omgeving.

5.3. Ruimtelijke ordening/bepaaldheid

152. De leerling verwoordt verschillen in landschappen en omgevingen.

153. De leerling herkent op een daarvoor geschikte kaart typische patronen in ruimtelijke spreiding van het wonen, het werken (industrie, landbouw), het vervoer (weg, water), en de recreatie (groen, andere).

5.4. Algemene vaardigheden ruimte

154. De leerling kan een atlas raadplegen en enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.

5.5. Verkeer en mobiliteit

155. De leerling beseft dat het verkeer risico's inhoudt.

156. De leerling kan onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen.

157. De leerling kan de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere omgeving lokaliseren.

158. De leerling kent de verkeersborden die relevant zijn voor voetgangers en fietsers.

159. De leerling past de verkeers- en gedragsregels toe die relevant zijn voor de passagiers van een voertuig.

160. De leerling kent de onderdelen van de fiets die belangrijk zijn voor de veiligheid en past de in dit verband relevante veiligheidsregels toe.

161. De leerling beschikt over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en kent de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hem vertrouwde route.

162. De leerling vertoont voldoende aandacht, impulsbeheersing en risico-inschatting, in functie van een veilig weggebruik bij wisselende verkeersomstandigheden.

163. De leerling toont zich in zijn gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.

164. De leerling kent de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kan de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken.

165. De leerling gebruikt zelfstandig het openbaar vervoer op voor hem vertrouwde routes.

166. De leerling kan een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.

6. Bronnengebruik

167. De leerling hanteert met behulp van een volwassene, eenvoudige bronnen om meer te weten te komen over de natuur, het dagelijkse leven van mensen in eigen streek, eigen land en elders op de wereld.

168. De leerling kan op zijn niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.

WISKUNDE

1. Voorbereidende wiskunde

1.1. Wiskundige begrippen

1. De leerling kent en begrijpt wiskundige begrippen.

2. De leerling gebruikt adequaat wiskundige begrippen.

1.2. Groeperen

3. De leerling groepeert op basis van een opgegeven criterium (of meerdere criteria).

4. De leerling groepeert volgens zelfgevonden criteria.

1.3. Ordenen en vergelijken

5. De leerling ordent door een rangorde te geven volgens een bepaald criterium (of meerdere criteria).

6. De leerling vergelijkt voorwerpen of hoeveelheden.

1.4. Verbanden leggen

7. De leerling legt relaties.

1.5. Conservatie

8. De leerling verwerft het inzicht dat bepaalde uiterlijke veranderingen (transformaties) geen invloed hebben op hoeveelheid, lengte, oppervlakte, gewicht en volume.

9. De leerling verwerft het inzicht dat bepaalde uiterlijke veranderingen (transformaties) ongedaan gemaakt kunnen worden.

1.6. Synthetiseren

10. De leerling bouwt een geheel op, op grond van delen.

11. De leerling vat een eenvoudige informatie kernachtig samen, waarbij de essentie behouden blijft.

1.7. Analyseren

12. De leerling splitst een groter geheel op in delen, deelaspecten en/of tussenstappen.

2. Getallen

2.1. Natuurlijke getallen

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

2.1.1. Getalbegrip

Tellen

13. De leerling kent en reproduceert de getallenrij (op- en aftellen).

14. De leerling bepaalt een hoeveelheid via tellen.

15. De leerling maakt een onderscheid tussen het tellen van de hoeveelheid en het tellen van de rangorde.

16. De leerling kan tellen, terugtellen met eenheden, tweetallen, vijftallen en machten van 10.

17. De leerling ordent hoeveelheden volgens aantal.

18. De leerling vergelijkt hoeveelheden.

Functies van de getallen

19. De leerling gebruikt de rangtelwoorden adequaat.

20. De leerling gebruikt een getal als maatgetal.

21. De leerling gebruikt en begrijpt functies van natuurlijke getallen.

2.1.2. Notatiesysteem en positiestelsel

22. De leerling begrijpt en gebruikt de vergelijkingstekens < , > en =.

23. De leerling benoemt, leest en noteert natuurlijke getallen.

24. De leerling kan volgende symbolen benoemen, noteren en hanteren : + - x : / %.

25. De leerling kan gevarieerde hoeveelheidsaanduidingen uit de eigen leefwereld lezen en interpreteren.

26. De leerling stelt getallen voor met ongestructureerd en gestructureerd materiaal.

27. De leerling stelt zich getallen voor en plaatst ze op de getallenlijn.

28. De leerling geeft de waarde van een cijfer aan in een getal.

29. De leerling heeft inzicht in het tiendelig wiskundesysteem.

Procedures

2.1.3. Bewerkingen in context

30. De leerling begrijpt een eenvoudige rekenhandeling en zet deze om in een formule.

31. De leerling begrijpt en verwoordt een eenvoudige formule en voert de rekenhandeling uit.

32. De leerling leidt bewerkingen af uit concrete en schematische situaties.

33. De leerling heeft inzicht in enkele eigenschappen van bewerkingen.

34. De leerling splitst met hulp van concreet aanschouwelijk materiaal.

35. De leerling splitst geautomatiseerd.

36. De leerling beheerst eenvoudige optellingen en aftrekkingen.

37. De leerling schematiseert de begrippen "keer" en "maal" vanuit verschillende concrete situaties en zet deze begrippen om in een x - formule.

38. De leerling reproduceert eenvoudige producten en quotiënten onmiddellijk (factoren, deler en quotiënt < of = 10).

39. De leerling vertaalt bewerkingen in een concrete en/of schematische situatie.

40. De leerling hanteert hoofdrekenen als oplosstrategie bij het optellen en aftrekken van grote getallen.

41. De leerling maakt eenvoudige vermenigvuldigingen of delingen met grotere getallen uit het hoofd.

42. De leerling vertaalt een situatie naar een optelling, aftrekking, vermenigvuldiging of deling en werkt deze uit.

43. De leerling past aangeleerde vaardigheden met getallen toe in de persoonlijke leefwereld.

2.2. Eenvoudige breuken-decimale getallen-procenten

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

2.2.1. Inzicht in eenvoudige breuken vanuit een levensechte context

44. De leerling begrijpt eenvoudige breuken.

45. De leerling hanteert een eenvoudige breuk.

2.2.2. Inzicht in eenvoudige decimale getallen vanuit een levensechte context

46. De leerling leest eenvoudige decimale getallen met betrekking tot zijn leefwereld.

2.2.3. Inzicht in eenvoudige procenten vanuit een levensechte context

47. De leerling ontwikkelt inzicht in eenvoudige procenten.

Procedures

2.3. Schattend rekenen

48. De leerling rondt getallen af.

49. De leerling schat bij benadering de uitkomst voor en na het uitvoeren van een bewerking.

2.4. Zakrekenmachine

50. De leerling voert in betekenisvolle situaties een enkelvoudige wiskundige bewerking uit met een zakrekenmachine.

51. De leerling voert in betekenisvolle situaties een samengestelde bewerking uit met de zakrekenmachine.

52. De leerling vertaalt een betekenisvolle opgave in handelingen die met de rekenmachine moeten worden uitgevoerd.

53. De leerling controleert de uitkomst van uitgevoerde bewerkingen met de zakrekenmachine.

3. Meten

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

3.1. Meten en maateenheden vanuit een levensechte context

54. De leerling kent de belangrijkste maateenheden met betrekking tot lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht (massa), tijd, snelheid en temperatuur.

55. De leerling geeft een grootheid weer met de gepaste maateenheid.

56. De leerling gebruikt het juiste meetinstrument voor het meten van een grootheid.

57. De leerling brengt veel voorkomende maten in verband met betekenisvolle situaties.

3.2. Herleidingen vanuit een levensechte context

58. De leerling heeft inzicht in de verhoudingen tussen functionele maateenheden voor lengte, inhoud en gewicht.

59. De leerling noteert het resultaat van een meting in gemengde maten.

Procedures

3.3. Geld vanuit een realistische context

60. De leerling onderscheidt de waarde van muntstukken en de bankbiljetten die in omloop zijn.

61. De leerling hanteert geld in reële situaties.

62. De leerling leest en gebruikt prijsaanduidingen/-lijsten.

63. De leerling kent andere betaalmiddelen.

64. De leerling hanteert functionele hulpmiddelen om adequaat met geld te kunnen omgaan.

65. De leerling legt relaties tussen hoeveelheid, kwaliteit en prijs.

3.4. Lengtematen vanuit een realistische context

65. De leerling hanteert de lengtematen : meter, centimeter, millimeter en kilometer en hun gebruikelijke afkorting.

66. De leerling meet en tekent nauwkeurig met verschillende soorten meetinstrumenten in gekende lengtematen.

67. De leerling geeft aan hoe de omtrek van een veelhoek bepaald wordt.

3.5. Gewichtsmaten vanuit een realistische context

68. De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen : "zwaar", "zwaarder", "even zwaar" en "gewicht".

69. De leerling gebruikt de gewichten ton, kg en g en kent hun gebruikelijke afkortingen.

70. De leerling leest gewichten af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan.

3.6. Inhoudsmaten vanuit een realistische context

71. De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen "inhoud" en "eenheid van inhoud".

72. De leerling toetst de standaard inhoudsmaat aan een referentiemaat uit zijn onmiddellijke omgeving.

73. De leerling gebruikt de inhoudsmaten liter, deciliter en centiliter en de gebruikelijke afkorting.

74. De leerling leest de inhoud af op verpakkingen en in reclamefolders en geeft er betekenis aan.

3.7. Temperatuursmaten vanuit een realistische context

75. De leerling leest een thermometer af en geeft er betekenis aan.

76. De leerling berekent het aantal graden stijging of daling van de temperatuur ook over het nulpunt.

77. De leerling kent enkele "vaste" temperaturen.

3.8. Oppervlaktematen vanuit een realistische context

78. De leerling begrijpt en gebruikt het begrip "oppervlakte".

3.9. Tijdsmaten vanuit een realistische context

79. De leerling begrijpt en gebruikt de tijdsbegrippen en -verhoudingen.

80. De leerling drukt de tijdsduur tussen 2. momenten uit in dagen, uren of minuten.

81. De leerling leest de klok (analoog en digitaal).

82. De leerling geeft betekenis aan tijdsbegrippen en uurtabellen.

3.10. Schattend meten vanuit een realistische context

83. De leerling schat concrete grootheden.

4. Meetkunde

4.1. Meetkunde en globale waarneming

Begripsvorming - wiskunde taal - feitenkennis

84. De leerling herkent en benoemt driehoeken, vierhoeken en cirkels.

85. De leerling benoemt veelhoeken op grond van het aantal zijden en hoeken.

86. De leerling herkent rechte, stompe en scherpe hoeken.

87. De leerling gebruikt de termen "lengte" en "breedte" adequaat bij een rechthoekig voorwerp in levensechte situaties.

Procedures

4.2. Meetkundige oriëntatie

88. De leerling begrijpt en gebruikt eenvoudige noties en begrippen waarmee hij ruimte meetkundig kan ordenen en beschrijven.

89. De leerling oriënteert zich ruimtelijk.

4.3. Meetkunde : tekenen en bouwen

90. De leerling tekent driehoeken, vierhoeken en cirkels.

91. De leerling bouwt een model na in een vlak.

5. Strategieën en probleemoplossende vaardigheden

92. De leerling gebruikt memotechnische hulpmiddelen bij het automatiseren.

93. De leerling haalt relevante gegevens uit een wiskundige context.

94. De leerling geeft met concrete voorbeelden uit zijn leefwereld aan welke de rol en het praktisch nut van wiskunde is.

6. Attitudes

95. De leerling ontwikkelt een kritische houding ten aanzien van cijfermateriaal, tabellen en berekeningen waarvan in de eigen omgeving gebruik of misbruik gemaakt wordt.

96. De leerling is bereid zichzelf vragen te stellen over zijn aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een wiskundig probleem en wil op basis hiervan zijn aanpak bijsturen.

[INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE

INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE (ICT)

1 De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.

2 De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.

3 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.

4 De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.

5 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.

6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.

7 De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.

8 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.]

B.Vl.R. 15-12-2006