Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. (uittreksel - NO/Infrastructuur)

  • goedkeuringsdatum
    29 MEI 1959
  • publicatiedatum
    B.S.19/06/1959
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

(opschrift gewijzigd bij Wet 11-7-1973)

(voetnoot 1)

COORDINATIE

Decr. 5-7-1989 - B.S. 25-8-1989

Decr. 31-7-1990 - B.S. 18-8-1990

Decr. 18-12-1992 - B.S. 29-12-1992

Decr. 1-12-1998 - B.S. 10-4-1999

Decr. 20-10-2000 - B.S. 16-12-2000

Decr. 5-7-2002 - B.S. 19-9-2002

Decr. 7-5-2004 - B.S. 7-6-2004

Decr. 7-12-2007 - B.S. 25-1-2008

Decr. 7-5-2011 - B.S. 17-6-2011

Decr. 16-3-2012 - B.S. 2-4-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 18-12-2015 - B.S. 29-12-2015

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

BOUDEWIJN, Koning der Belgen.

Aan Allen, tegenwoordigen en toekomenden, Heil.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

...

[HOOFDSTUK II. - Infrastructuur

Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 13.

[[§ 1.]]¹ Kunnen slechts een beroep doen op de door de Vlaamse Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen :

1. de onderwijsinstellingen, internaten en de [[centra voor leerlingenbegeleiding]]² :

a. die beantwoorden aan de criteria van een rationalisatie- en programmatieplan dat de voorwaarden vastlegt enerzijds voor het voortbestaan of de betoelaging van bestaande centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen, en anderzijds de oprichting of opname in de toelageregeling van nieuwe centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen;

b. waarvan de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding is aangetoond door het niet beschikbaar zijn binnen een bepaalde gebiedsomschrijving van bestaande gebouwen of voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op kosten van de Vlaamse Gemeenschap zijn opgericht;

2. de werken die beantwoorden aan de vastgestelde fysische en financiële normen. Het plan, de voorwaarden waaronder de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding kan worden aangetoond en de normen worden vastgelegd door de Vlaamse Regering. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht.

[[3. [[[ de werken die beantwoorden aan de door de Vlaamse Gemeenschap gestelde normen op het vlak van energie.]]]4 ]]5

[[§ 2. De aan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs toegekende investeringsmiddelen en door de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs aan de gesubsidieerde onderwijsinstellingen toe te kennen investeringsmiddelen kunnen jaarlijks ten belope van maximaal 10 % worden aangewend voor de aankoop van zware didactische apparatuur.]]¹

[[Art. 13bis.

§ 1. De Vlaamse Regering kent aan de inrichtende machten of schoolbesturen infrastructuurmiddelen toe voor nieuwbouwprojecten die voldoen aan de passiefhuisstandaard en die door de selectiecommissie werden geselecteerd zoals hierna bepaald.

Voor de passiefhuisstandaard dient men ten minste te voldoen aan de volgende criteria :

1° een netto energiebehoefte voor verwarming <= 15 kWh/m2.jaar;

2° een netto energiebehoefte voor koeling <= 15 kWh/m2.jaar;

3° een luchtdichtheid (n50-waarde) <= 0,6 h-1;

4° een maximaal E-peil van E55.

§ 2. De selectiecommissie, vermeld in artikel 11 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, heeft tot taak een advies tot selectie en rangschikking van projecten te maken die in aanmerking komen als nieuwbouwprojecten in de zin van § 1.

§ 3. De selectiecriteria hebben betrekking op :

1° de mate waarin een project zich reeds bevindt in een stadium met zicht op snelle realisatie;

2° de mate waarin de inrichtende macht bereid is de status van pilootproject inzake energieprestaties op zich te nemen en het project open te stellen voor andere inrichtende machten en onderwijsactoren;

3° de representativiteit van het bouwproject;

4° de mate waarin de inrichtende macht de bereidheid en motivatie bewijst om de energieprestaties van het project permanent op te volgen of te laten opvolgen door de Vlaamse overheid;

5° de mate waarin het bouwproject deel uitmaakt van een totaalvisie van de inrichtende macht op duurzaamheid.

De criteria staan op gelijke voet van belangrijkheid.

§ 4. Binnen de in de begroting voorziene kredieten kan de Vlaamse Regering het minimum aantal te selecteren projecten vaststellen.

§ 5. Op advies van de selectiecommissie beslist de Vlaamse Regering over de selectie en rangschikking van de nieuwbouwprojecten.

§ 6. Voor de meerkosten die voortvloeien uit het bereiken van het energieverbruik zoals bepaald in § 1 van dit artikel wordt een afwijkende financiering toegekend.

§ 7. De Vlaamse Regering kan de aanwending van de in § 6 bedoelde bijkomende middelen controleren, nagaan of de bouwprojecten voldoen aan de voorwaarden van § 1 en de nadere regels voor dit toezicht bepalen.

§ 8. De in § 6 bedoelde middelen kunnen teruggevorderd worden indien de in § 1 vermelde voorwaarden niet zouden worden voldaan.]]5

Afdeling II. - Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd onderwijs

Onderafdeling 1. - Inleidende bepalingen, oprichting

Art. 14 en 15.

[[...]]4

Art. 16.

De bepalingen van deze afdelingen zijn van toepassing op het gesubsidieerd officieel en vrij onderwijs en op de gesubsidieerde officiële en vrije [[centra voor leerlingenbegeleiding]]².

Onderafdeling 2. - Opdracht

Art. 17.

[[§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, § 2 heeft de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs als opdracht de aankoop en de bouw-, modernisering-, uitbreidings-, geschiktmakingswerken en de eerste uitrusting te subsidiëren van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, [[[centra voor leerlingenbegeleiding]]]¹ of internaten ten belope van 70 % voor het gewoon- en buitengewoon basisonderwijs en ten belope van 60 % voor de andere onderwijsniveaus en de [[[centra voor leerlingenbegeleiding.]]]¹ ]]¹

(voetnoot 2)

[[§ 2. In afwijking op § 1 betoelaagt het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs aan de inrichtende machten of schoolbesturen de bijkomende kosten voor projecten die in toepassing van het [[[Energiedecreet van 8 mei 2009]]]³ onderworpen zijn aan een maximaal peil van primair energiegebruik, voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding of internaten, om een primair energieverbruik te bereiken dat overeenstemt met een peil van E70.

1° Voor de reguliere subsidiëring bedraagt deze eenmalige toelage : - voor projecten van het basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs : 6,3 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte; - voor projecten in het gesubsidieerd onderwijs van andere onderwijsniveaus dan het basisonderwijs, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding : 8,4 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte.

2° Voor de scholenbouwprojecten die gerealiseerd worden in het kader van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, bedraagt deze periodieke toelage :

- voor projecten van het basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs : 30% van de toename van de beschikbaarheidsvergoeding ten gevolge van de meerkosten die voortvloeien uit een peil van primair energieverbruik dat overeenstemt met een peil van E70;

- voor projecten in het gesubsidieerd onderwijs van andere onderwijsniveaus dan het basisonderwijs, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding : 40% van de toename van de beschikbaarheidsvergoeding ten gevolge van de meerkosten die voortvloeien uit een peil van primair energieverbruik dat overeenstemt met een peil van E70.

De in dit tweede punt bedoelde meerkosten worden gelijkgesteld aan 21 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte.

3° De in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn vastgesteld op 1 januari 2007 en exclusief de belasting op de toegevoegde waarde en de algemene kosten. De Vlaamse Regering kan een prijsherzieningsformule bepalen voor deze bedragen.]]5

[[§ 3. In afwijking op § 1 betoelaagt het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs aan de inrichtende machten of schoolbesturen de meerkosten die voortvloeien uit het bereiken van het energieverbruik zoals bepaald in § 1 van artikel 13bis van deze wet.

1° Voor de reguliere subsidiëring bedraagt deze eenmalige toelage :

- voor projecten van het basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs : 70,5 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte;

- voor projecten in het gesubsidieerd onderwijs van andere onderwijsniveaus dan het basisonderwijs, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding : 94 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte.

2° Voor deze projecten die terzelfdertijd scholenbouwprojecten zouden zijn die gerealiseerd worden in het kader van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, bedraagt deze periodieke toelage :

- voor projecten van het basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs : 30 % van de toename van de beschikbaarheidsvergoeding ten gevolge van de meerkosten die voortvloeien uit het in § 1 van artikel 13bis van deze wet bedoelde energieverbruik;

- voor projecten in het gesubsidieerd onderwijs van andere onderwijsniveaus dan het basisonderwijs, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding : 40 % van de toename van de beschikbaarheidsvergoeding tengevolge van de meerkosten die voortvloeien uit het in § 1 van artikel 13bis van deze wet bedoelde energieverbruik.

De in dit tweede punt bedoelde meerkosten worden gelijkgesteld aan 235 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte.

3° De in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn vastgesteld op 1 januari 2007 en exclusief de belasting op de toegevoegde waarde en de algemene kosten. De Vlaamse Regering kan een prijsherzieningsformule bepalen voor deze bedragen.]]5

Art. 18.

§ 1. De leningen moeten door de inrichtende macht, bij een daartoe door de Regering erkende financiële instelling worden aangegaan. De looptijd van de lening mag [[de duur van vijfentwintig jaar]]¹ niet overschrijden.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt onder "eerste uitrusting" begrepen : de uitrusting die is aangebracht in een nieuw of aangepast gebouw, die onontbeerlijk is voor het gebruik van de infrastructuur en die onroerend is uit haar aard of door bestemming.

Art. 19.

§ 1. Een inrichtende macht mag op de DIGO slechts een beroep doen voor een onroerend goed waarvan zij eigenaar is of waarop zij een zakelijk recht bezit dat haar het genot van het goed verzekert gedurende ten minste dertig jaar. Bij het einde van de erfpacht zal de vereniging-eigenares een vergoeding verschuldigd zijn aan de vereniging-pachtster gelijk aan de meerwaarde die op dat tijdstip zal ontstaan door de aan de gebouwen aangebrachte verbouwingen of nieuw opgerichte gebouwen.

De hiervoor gestelde voorwaarden gelden niet voor de aankoop van gebouwen of de eerste uitrusting.

Dit zakelijk recht zal slechts vervreemd of met een zakelijk recht bezwaard mogen worden met de instemming van de Raad van de DIGO.

§ 2. Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of een deel van een gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschikt gemaakt met tussenkomst van de DIGO, gaat de DIGO over tot terugvordering van het verstrekte subsidiebedrag, verminderd met 1/20 per jaar voor de periode waarbinnen het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide of geschikt gemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waarvoor de tussenkomst van de DIGO werd bekomen. De aanvangsdatum voor de berekening van de aldus toegekende vermindering is de eerste september van het schooljaar tijdens hetwelke de subsidie werd toegekend.

[[§ 3. Het bepaalde van de §§ 1 en 2 is niet van toepassing op de aankoop van de in artikel 13, § 2, bedoelde apparatuur.]]¹

[[§ 4. Bij een fusie van inrichtende machten waardoor er een nieuwe inrichtende macht ontstaat of bij een overname van de onderwijsbevoegdheid door een andere inrichtende macht, kan het gebouw waarvoor er een beroep werd gedaan op de DIGO, met behoud van de bestemming [[[...]]]², worden overgedragen of ter beschikking worden gesteld van de nieuw bevoegde inrichtende macht door gebruik te maken van één van de rechtsfiguren uit het burgerlijk recht.

De nieuw bevoegde inrichtende macht treedt ten aanzien van de DIGO in de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke inrichtende macht op voorwaarde dat de nieuw bevoegde inrichtende macht eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt dat noodzakelijk was voor het bekomen van de subsidie door de DIGO. Indien de nieuw bevoegde inrichtende macht de eigendom of het zakelijk recht niet overneemt, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.]]³

[[Art. 19bis.

§ 1. Elke inrichtende macht mag binnen de perken van de begrotingskredieten een dossier indienen bij AGIOn voor het huren van een schoolgebouw dat voorheen nog niet als onderwijsbestemming werd ingezet. Deze huursubsidie kadert in projecten voor bestaande gebouwen, vernieuwbouw of nieuwbouw waarbij ofwel nieuwe capaciteitsuitbreiding gerealiseerd wordt ofwel bedreigde capaciteit effectief hersteld wordt, binnen het basis- en secundair onderwijs en de internaten.

§ 2. De maximumtermijn van de huurovereenkomst bedraagt 18 jaar vanaf de aanvang van de huurovereenkomst.

§ 3. Op basis van een periodieke oproep bepaalt een selectiecommissie binnen AGIOn aan de hand van objectieve criteria, zoals de huurtermijn en multi-inzetbaarheid, de dossiers binnen de perken van de begrotingskredieten.

§ 4. Wijzigingen met betrekking tot de huurovereenkomst worden onmiddellijk voorgelegd aan AGIOn en kunnen leiden tot wijzigingen van de beslissing van AGIOn met betrekking tot de huursubsidie.

§ 5. Voor de huursubsidie die AGIOn toekent, geldt hetzelfde subsidiepercentage als in de reguliere subsidiëring, zoals vermeld in artikel 17, § 1.

§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt de werkwijze met betrekking tot de periodieke oproep, de samenstelling en werking van de selectiecommissie binnen AGIOn, de wijze van selectie van de dossiers, de normen met inbegrip van de financiële norm, de modaliteiten, de berekeningswijze en de wijze van toekenning, uitbetaling en verantwoording van de huursubsidie.]]6

[[Art. 19ter.

De huursubsidie vermeld in artikel 19bis kan met betrekking tot het betrokken schoolgebouw niet gecumuleerd worden met subsidies inzake schoolinfrastructuur voor of tijdens de periode van het huren.]]6

[[Art. 19quater.

AGIOn kan alle initiatieven nemen die het nodig acht om toe te zien of de voorwaarden voor de huursubsidie vervuld zijn of blijven en of de huursubsidie niet ten onrechte wordt uitbetaald.

AGIOn kan onder meer bijkomende documenten en gegevens opvragen, de inrichtende macht horen en een bezoek ter plaatse brengen.]]6

[[Art. 19quinquies.

Indien geen gevolg gegeven wordt aan de initiatieven van AGIOn zoals bepaald in artikel 19quater, kan de betaling van de huursubsidie opgeschort worden.]]6

[[Art. 19sexies.

§ 1. Indien de onderwijsbestemming van het schoolgebouw niet langer verzekerd is of in geval van oneigenlijk gebruik, stopt AGIOn met de betaling van de huursubsidie.

§ 2. Het behoort tot de appreciatie van AGIOn om te bepalen of de onderwijsbestemming niet langer verzekerd is of dat er sprake is van oneigenlijk gebruik, gebaseerd op alle feitelijke en juridische elementen die bekend zijn.]]6

[[Art. 19septies.

§ 1. De ten onrechte uitbetaalde huursubsidies worden verrekend met de nog verschuldigde huursubsidies.

§ 2. Bij gebrek aan verschuldigde huursubsidies, vordert AGIOn de ten onrechte uitgekeerde huursubsidies terug.]]6

[[Artikel 19octies.

De inrichtende macht die een beschikbaarheidstoelage voor een jaar werd toegekend door de raad van bestuur van AGIOn vóór de inwerkingtreding van artikel 19bis tot en met artikel 19septies over de huursubsidie, behoudt het recht op die beschikbaarheidstoelage krachtens de voorwaarden en modaliteiten die van kracht waren voor de inwerkingtreding van 19bis tot en met 19septies.]]6

[[Art. 19nonies.

§ 1. Ten laste van het begrotingsjaar 2016 wordt bij het Departement Onderwijs en Vorming op FB0-1FGE2AJ-IS - Interne stromen - Schoolinfrastructuur een krediet ingeschreven.

§ 2. Deze middelen kunnen enkel aangewend worden voor AGIOn en voor het GO! voor de volledige subsidiëring en financiering van de realisatie van tijdelijke schoolinfrastructuur, namelijk de huur en plaatsing van tijdelijke modulaire units in het kader van de opvang van instromende minderjarigen in het onderwijssysteem (zowel kleuters, leerlingen basis- en secundair onderwijs, niet begeleide minderjarigen) naar aanleiding van de vluchtelingencrisis.]]6

Art. 20 t.e.m. 20octies.

[[...]]4 ]

Decr. 5-7-1989; [[ ]]¹ Decr. 31-7-1990; [[ ]]² Decr. 1-12-1998; [[ ]]³ Decr. 20-10-2000; [[ ]]4 Decr. 7-5-2004; [[ ]]5 Decr. 7-12-2007; [[ ]]6 Decr. 18-12-2015; [[[ ]]]¹ Decr. 1-12-1998; [[[ ]]]² Decr. 5-7-2002; [[[ ]]]³ Decr. 16-3-2012; [[[ ]]]4 Decr. 16-6-2017

...

- (1): Opgeheven, voor zover het de hogescholen betreft, behalve Hoofdstuk II en Sectie E (B.Vl.R. 9-5-1996; Art. 2, 31°) Afdeling I van Hoofdstuk II wordt opgeheven voor de hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 (Decr. 15-7-1997; Art.76) Opgeheven voor het basisonderwijs, met uitzondering van de artikelen 4, 9de, 10de en 11de lid, 5, 13, § 2 tot en met 22ter, 28, § 2, 31 en 42 (Decr. 25-2-1997; Art. 182, 2°)

- (2): Voor de gesubsidieerde instellingen behorend tot het gemeentelijk en het provinciaal onderwijs : Inw. 1-1-1991, tesamen met het decreet betreffende het Investeringsfonds. (Decr. 20-3-1991 - B.S. 30-4-1991)