Overdracht onderwijsbevoegdheid

  • referentie
    BaO/2002/12
  • publicatiedatum
    (16/08/2002)
  • datum laatste wijziging
    27/09/2010
  • wettelijke basis
    Decreet betreffende onderwijs XIV; invoeging van een nieuw artikel 173bis in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
  • contactpersoon
    Marie-Hélène Sabbe, 02/553 93 78

Een lokaal bestuur (provincie of gemeente) kan de behartiging van zijn bevoegdheden als schoolbestuur opdragen aan een ander openbaar bestuur, waaronder het gemeenschapsonderwijs, of aan een vrij schoolbestuur.

Kiest het lokaal schoolbestuur de privaatrechtelijke weg, dan mag dit niet leiden tot een strijdigheid met een dwingende positiefrechtelijke regeling of met algemene rechtsbeginselen. Eén en ander leidt ertoe dat de overdracht naar een vrij schoolbestuur met bijzondere waarborgen dient te worden omkleed.

Concreet betekent dit dat de ouders dezelfde waarborgen moeten krijgen als wanneer voor de overdracht naar een officiële school geopteerd zou zijn. De voornaamste waarborg ter zake ligt in artikel 24, § 1, vierde lid van de Grondwet, dat de scholen ingericht door openbare besturen oplegt tot het einde van de leerplicht de keuze aan te bieden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Het aanbieden van de keuze tussen onderricht in één der erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer door een officiële school doet bij de lokale bevolking uiteraard een bepaald verwachtingspatroon ontstaan, dat door een overdracht niet mag worden geschonden. De overdrachtsbeslissing en de overeenkomst tussen het lokaal bestuur en het vrije schoolbestuur moeten dit in rekening brengen.

Bij de overdracht van een officiële school zal een lokaal bestuur in samenspraak met het vrij schoolbestuur daarom garanties dienen uit te werken om deze keuzevrijheid verder te zetten. De concrete invulling van deze garanties wordt aan de lokale autonomie overgelaten.

De uitgetekende waarborgregeling ten gunste van de ouders heeft uiteraard effecten voor de betrokken vrije school. Het feit dat in de schoot van deze school de keuze tussen verschillende levensbeschouwingen wordt aangeboden, wordt evenwel gelegimiteerd door de zorg om (de passieve onderwijsvrijheid van) levensbeschouwelijke groepen op een billijke manier te beschermen. Er wordt echter niet aan het pedagogisch project van de betrokken vrije school geraakt. Voor het vrij onderwijs heeft de waarborgregeling geen repercussies voor de vrijheid om het pedagogisch project uit te bouwen. Uiteraard dient de niet- of anders-confessionele instelling van een aantal leerlingen als legitiem te worden aanvaard.