Besluit van de Vlaamse regering betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.

  • goedkeuringsdatum
    24 MEI 2002
  • publicatiedatum
    B.S.07/09/2002
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 1-10-2010 - B.S. 17-11-2010

B.Vl.R. 9-9-2011 - B.S. 20-10-2011

B.Vl.R. 12-10-2012 - B.S. 21-11-2012; err. B.S. 4-2-2013

B.Vl.R. 6-9-2013 - B.S. 4-10-2013

B.Vl.R. 15-4-2016 - B.S. 19-5-2016

B.Vl.R. 30-8-2016 - B.S. 12-9-2016

B.Vl.R. 21-4-2017 - B.S. 30-5-2017

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 68 en 70;

Gelet op het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool, inzonderheid op artikel 6;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 1997;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 27 november 2000;

Gelet op het protocol nr. 390 van 13 juli 2001 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering op 13 juli 2001, betreffende de aanvraag om advies van de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies 32.071/1 van de Raad van State, gegeven op 18 oktober 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaams minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied [en definities]

B.Vl.R. 9-9-2011

Artikel 1.

Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing op de tijdelijke en de benoemde personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool, die behoren tot de categorieën van het onderwijzend, het bestuurs- en onderwijzend of van het administratief en technisch personeel.

Dit besluit is eveneens van toepassing op de personeelsleden :

- die hun ambt op persoonlijke titel hebben behouden met toepassing van de artikelen 326bis, 333, 334, § 1 en 335, § 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap,

- bedoeld in [artikel 36, § 1, punten 1 tot en met 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen], die benoemd waren aan een hogeschool.

[De bepalingen in hoofdstuk 2, afdeling 2, subafdeling 3 en 4, over het ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid zijn ook van toepassing op de contractuele personeelsleden van de [[publiekrechtelijke hogescholen]] en de rechtsopvolgers van deze hogescholen.]

B.Vl.R. 12-10-2012; [[ ]] B.Vl.R. 6-9-2013

[In afwijking van artikel 5, 11 en 17 kan een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking, een loopbaanonderbreking voor het volgen van een beroepsopleiding en een deeltijdse loopbaanonderbreking vanaf 55 jaar uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.]

B.Vl.R. 30-8-2016

[Art. 1/1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder gedeeltelijke loopbaanonderbreking verstaan : het halftijds of voor een vijfde onderbreken van de beroepsloopbaan.

Bij een halftijdse onderbreking van de beroepsloopbaan blijft het personeelslid een opdracht van 50 % vervullen aan de hogeschool, aan meerdere hogescholen of aan andere onderwijsinstellingen. De nog te verrichten prestaties worden afgerond naar de hogere eenheid.

Bij een onderbreking van de beroepsloopbaan met een vijfde blijft het personeelslid een opdracht van 80 % vervullen aan de hogeschool, aan meerdere hogescholen of aan andere onderwijsinstellingen. De nog te verrichten prestaties worden afgerond naar de hogere eenheid.]

B.Vl.R. 9-9-2011

HOOFDSTUK II. - Onderbreking van de beroepsloopbaan

Afdeling 1. - Algemene bepalingen betreffende de volledige en de gedeeltelijke loopbaanonderbreking

Art. 2.

[De personeelsleden die belast zijn met ten minste een halftijdse opdracht mogen hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk onderbreken.]

B.Vl.R. 9-9-2011

Art. 3.

[Onverminderd het bepaalde in artikel 2, mogen de tijdelijke personeelsleden hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk onderbreken op voorwaarde dat zij :

1° in het academiejaar voorafgaand aan de loopbaanonderbreking een aanstelling hebben gekregen voor het volledige academiejaar in een vacante of niet-vacante betrekking;

2° bij de aanvang van het academiejaar van de loopbaanonderbreking opnieuw voor een volledig academiejaar worden aangesteld.]

Voor tijdelijke personeelsleden die loopbaanonderbreking nemen, eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als hun aanstelling eindigt.

B.Vl.R. 9-9-2011

Art. 4.

[De totale duur van de volledige loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [[60 maanden]] bedragen.

De totale duur van de gedeeltelijke loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [[60 maanden]] bedragen.]

B.Vl.R. 9-9-2011; [[ ]] B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 5.

Binnen de perken gesteld bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt de volledige en de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint op 1 september, op 1 oktober of 1 november begint en respectievelijk eindigt op 31 augustus, 30 september of 31 oktober van hetzelfde academiejaar.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de personeelsleden die op 1 september en/of op 1 oktober of 1 november met bevallingsverlof zijn, de onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het bevallingsverlof en eindigt de laatste dag van het lopende academiejaar.

In afwijking van het eerste lid wordt de onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het ouderschapsverlof toegestaan op grond van artikel 13 van dit besluit en eindigt de laatste dag van het lopende academiejaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wenst te onderbreken.

In afwijking van het eerste lid behouden de leden van het administratief en technisch personeel en de personeelsleden bedoeld in artikel 333 § 1 en artikel 335 § 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit genieten van een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking, de regelgeving van artikel 3 § 1, b) van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

Art. 6.

Elke onderbreking van de beroepsloopbaan eindigt uiterlijk op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid dat de loopbaanonderbreking geniet, [aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist].

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 7.

Tijdens de onderbreking van zijn beroepsloopbaan is het personeelslid met verlof. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Voor de prestaties waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, krijgt het geen salaris; het krijgt wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991.

Art. 8.

§ 1. Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op verzoek van het personeelslid en mits inachtneming van een opzeggingsperiode van één maand, om uitzonderlijke [...] redenen toestaan vervroegd een einde te maken aan de loopbaanonderbreking. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.

§ 2. [De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken voor het volgen van een beroepsopleiding, als vermeld in artikel 11.]

§ 3. Het hogeschoolbestuur brengt, binnen vijftien dagen na de beslissing, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte van de datum waarop het personeelslid een einde maakt aan zijn loopbaanonderbreking.

B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 9.

§ 1. Bij beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau kan aan een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, het recht op uitkeringen worden ontzegd.

§ 2. [...]¹

§ 3. [Het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een loopbaanonderbreking op basis van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau of op basis van de bepalingen van dit besluit, wordt ambtshalve omgezet in een [[afwezigheid voor verminderde prestaties]].]¹

In dit geval mag de duur overschreden worden van de [afwezigheid voor verminderde prestaties]² waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die ter zake op hem van toepassing zijn. [Die afwezigheid]² eindigt alleszins bij het verstrijken van de lopende periode waarvoor een verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan was aangevraagd.

§ 4. [...]²

[ ]¹ B.Vl.R. 6-9-2013; [ ]² B.Vl.R. 21-4-2017; [[ ]] B.Vl.R. 21-4-2017

Art. 10.

Voor het bepalen van het opdrachtvolume bedoeld in de artikelen 2, 3 en 17 wordt eveneens rekening gehouden met de prestaties verstrekt in een onderwijsinstelling van een ander niveau, met uitzondering van de universiteiten.

De volledige loopbaanonderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent, in hoofdambt, in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.

Afdeling 2. - Specifieke stelsels

Subafdeling 1. - Loopbaanonderbreking voor het volgen van een beroepsopleiding

Art. 11.

In afwijking van artikel 5 wordt de volledige en de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor de periode van het volgen van een beroepsopleiding.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsopleiding verstaan :

1°[de beroepsopleiding zoals bepaald door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;]

2° elke vorm van onderwijs en opleiding georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse overheid, waarvan het programma ten minste 120 uren op jaarbasis omvat.

B.Vl.R. 12-10-2012

Subafdeling 2. - Loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging

Art. 12.

§ 1. In afwijking van artikel 5 hebben de personeelsleden het recht om hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken voor een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand, voor het verstrekken van palliatieve verzorging aan een persoon.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging verstaan elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.

De voorwaarden vermeld in punt 1 en 2 van het eerste lid van artikel 3 zijn niet van toepassing indien tijdelijke personeelsleden een loopbaanonderbreking wensen te nemen voor palliatieve verzorging.

[ [[De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid]], zijn niet van toepassing op de volledige loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging.]

§ 2. Voor de berekening van de termijn van [60 maanden]¹ voorzien in artikel 4 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging.

In afwijking van artikel 19 geldt de vervangingsplicht niet voor de personeelsleden die hun beroepsloopbaan onderbreken voor palliatieve verzorging.

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 15-4-2016; [[ ]] B.Vl.R. 30-8-2016

Subafdeling 3. - Ouderschapsverlof

Art. 13.

In afwijking van artikel 5 hebben de personeelsleden het recht om hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken om voor hun kind te zorgen. [ [[De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid]]², zijn niet van toepassing op de volledige loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof.]³

[De volledige onderbreking van de beroepsloopbaan kan [[in periodes van een maand of een veelvoud daarvan,]]¹ met een maximumduur van 4 maanden worden genomen.]¹

De [halftijdse]¹ onderbreking van de beroepsloopbaan [kan worden genomen in periodes van twee maanden of een veelvoud daarvan, met een maximumduur van acht maanden]².

[De onderbreking van de beroepsloopbaan met een vijfde [[kan worden opgenomen in periodes van vijf maanden of een veelvoud daarvan]]¹, met een maximumduur van 20 maanden.]²

Voor de berekening van de termijn van [60 maanden]¹ voorzien in artikel 4 wordt geen rekening gehouden met de periodes van ouderschapsverlof zoals bedoeld in dit artikel.

De voorwaarden vermeld in punt 1 en 2 van het eerste lid van artikel 3 zijn niet van toepassing indien tijdelijke personeelsleden een loopbaan wensen te onderbreken om voor hun kind te zorgen.

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 6-9-2013; [ ]³ B.Vl.R. 15-4-2016; [[ ]]¹ B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]]² B.Vl.R. 30-8-2016

Art. 14.

[Het personeelslid heeft recht op het ouderschapsverlof :

1° naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;

2° in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, en dit uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt.

[[Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, wordt de leeftijdsgrens vastgesteld op 21 jaar.]]

Aan de voorwaarde van de twaalfde [[of de eenentwintigste]] verjaardag moet zijn voldaan uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.]

B.Vl.R. 1-10-2010; [[ ]] B.Vl.R. 12-10-2012

Subafdeling 4. - Loopbaanonderbreking voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid

Art. 15.

§ 1. In afwijking van artikel 5 hebben de personeelsleden het recht hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of een familielid tot de tweede graad dat lijdt aan een zware ziekte. [ [[De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid]], zijn niet van toepassing op de volledige loopbaanonderbreking voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid.]²

De voorwaarden vermeld in punt 1 en 2 van het eerste lid van artikel 3 zijn niet van toepassing indien de tijdelijke personeelsleden een loopbaanonderbreking wensen te nemen voor van een ziek gezinslid of ziek familielid.

Voor de toepassing van deze subafdeling wordt verstaan onder gezinslid, elke persoon die samenwoont met het personeelslid en als familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.

Voor de toepassing van deze subafdeling wordt onder zware ziekte verstaan, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.

§ 2. Voor de berekening van de termijn van [60 maanden]¹ voorzien in artikel 4 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid.

In afwijking van artikel 19 geldt de vervangingsplicht niet voor de personeelsleden die hun beroepsloopbaan onderbreken voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid.

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 15-4-2016; [[ ]] B.Vl.R. 30-8-2016

Art. 16.

[§ 1.]² De onderbrekingsperiodes kunnen enkel opgenomen worden met periodes van minimum één en maximum drie maanden, al dan niet aaneensluitend, tot een maximumperiode van 12 maanden per patiënt [bij een volledige loopbaanonderbreking of 24 maanden per patiënt bij een gedeeltelijke loopbaanonderbreking]¹.

[§ 2. Voor het personeelslid dat alleenstaand is, wordt, in geval van zware ziekte van zijn kind dat ten hoogste 16 jaar is, de maximumperiode van 12 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de volledige loopbaanonderbreking uitgebreid naar 24 maanden per patiënt, en wordt de maximumperiode van 24 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de gedeeltelijke loopbaanonderbreking uitgebreid naar 48 maanden per patiënt.

Onder alleenstaande wordt het personeelslid verstaan dat uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn kinderen. Voor de toepassing van het eerste lid moet het personeelslid het bewijs leveren van de samenstelling van het gezin met een attest van de gemeentelijke overheid waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag van de loopbaanonderbreking uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn kinderen. Voor iedere verlenging van een periode van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking moet het personeelslid het vereiste attest indienen.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 9-9-2011; [ ]² B.Vl.R. 12-10-2012

[Art. 16/1.

§ 1. In afwijking van de duur van minimum één maand, vermeld in artikel 16, kan het personeelslid voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.

§ 2. De mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, staat open voor :

1° het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;

2° het personeelslid dat samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.

Als de personeelsleden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, dan kunnen ook de volgende personeelsleden op die mogelijkheid een beroep doen :

1° het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;

2° als het personeelslid vermeld onder 1° geen gebruik kan maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, een familielid van het zwaar zieke kind tot de tweede graad.

§ 3. Als het personeelslid aansluitend op de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, zijn recht uitoefent op loopbaanonderbreking voor medische bijstand zoals vermeld in artikel 15 voor datzelfde zwaar zieke kind, kan de minimale periode voor de opname van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan korter zijn dan één maand.]

B.Vl.R. 6-9-2013

Subafdeling 5. - Deeltijdse loopbaanonderbreking vanaf [55 jaar]

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 17.

§ 1. De benoemde personeelsleden kunnen vanaf 1 september, 1 oktober of 1 november volgend op het bereiken van de leeftijd van [55 jaar]²[tot aan de vooravond van hun pensionering]³, een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen.

Die personeelsleden moeten benoemd zijn zowel voor het volume van de opdracht waarvoor zij gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen, als voor het volume van de opdracht die zij blijven uitoefenen.

Voor de berekening van de termijn van [60 maanden]² voorzien in artikel 4 wordt geen rekening gehouden met de periodes van deeltijdse loopbaanonderbreking vanaf [55 jaar]².

[§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken met een vijfde, de leeftijd op 50 jaar gebracht voor de personeelsleden die op het ogenblik van de begindatum van de loopbaanonderbreking een beroepsloopbaan van ten minste 28 jaar, zoals bepaald in artikel 3, § 4, van het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, doorlopen hebben.]²

§ 2. De personeelsleden die van een gedeeltelijke loopbaanonderbreking bedoeld in § 1, genieten en die tijdens vermelde periode hun opdracht opnieuw volledig opnemen, behouden de onderbrekingsuitkeringen die hun werden uitbetaald op grond van artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

De personeelsleden genoemd in voorgaand lid, kunnen niet opnieuw een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen zoals bedoeld in § 1 van dit artikel en kunnen niet opnieuw het voordeel krijgen van het artikel 4, § 3 van het voormelde koninklijk besluit van 12 augustus 1991.

[§ 3. De personeelsleden die van een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten, kunnen ieder jaar met ingang van de datum waarop de loopbaanonderbreking ingegaan is, de omvang van de loopbaanonderbreking aanpassen.]¹

[§ 4. In afwijking van paragraaf 1 behouden de personeelsleden die voor 1 juli 2012 al van een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf 50 jaar genieten, dit recht, ook al zijn zij op dat moment nog geen 55 jaar.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1 wordt de leeftijd op vijftig jaar gebracht voor de personeelsleden van wie de eerste aanvraag of verlengingsaanvraag voor 1 september 2012 werd ontvangen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voor zover de inrichtende macht of de Vlaamse Regering vóór 16 maart 2012 de schriftelijke aanvraag van het personeelslid ontving.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 9-9-2011; [ ]² B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]³ B.Vl.R. 21-4-2017

HOOFDSTUK III. - Procedure en administratieve verplichtingen

Art. 18.

§ 1. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken, dient daartoe een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. Deze aanvraag vermeldt de gewenste aanvangsdatum en de duur van de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking.

Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing aan het personeelslid mee binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.

Het invullen en overhandigen van het formulier bedoeld in artikel 16, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 12 augustus 1991, geldt als toestemming.

§ 2. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken om een beroepsopleiding te volgen, voegt bij zijn aanvraag een attest van de onderwijs- of opleidingsinstelling. Dit attest vermeldt de inschrijving van het personeelslid en de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de opleiding.

§ 3. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken voor het verstrekken van palliatieve verzorging, deelt dit mee aan zijn hogeschoolbestuur. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verstrekken. Het attest vermeldt in geen geval de identiteit van de patiënt.

De onderbreking van de beroepsloopbaan voor het verstrekken van palliatieve verzorging begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip mits akkoord van het hogeschoolbestuur.

In geval het personeelslid wenst gebruik te maken van de verlenging van de periode met één maand, moet hij opnieuw een doktersattest indienen. Een personeelslid kan maximum twee attesten indienen voor de palliatieve verzorging van eenzelfde persoon.

Het hogeschoolbestuur vult het formulier bedoeld in artikel 16, § 2 van het voormelde koninklijk besluit van 12 augustus 1991 in, en overhandigt het aan het personeelslid.

§ 4. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken om voor zijn kind te zorgen in het kader van het ouderschapsverlof, deelt dit mee aan zijn hogeschoolbestuur.

Bij deze mededeling moeten de begin- en einddatum van het ouderschapsverlof worden vermeld.

Het personeelslid verstrekt uiterlijk op het ogenblik dat het ouderschapsverlof ingaat, naar gelang van het geval, volgende stavingdocumenten :

1° een uittrekstel uit de geboorteakte van het kind;

2° een attest waaruit de adoptie blijkt.

Bij de in het derde lid, 1° en 2°, vermelde documenten moet steeds een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister worden gevoegd, waaruit de samenstelling van het gezin blijkt.

§ 5. Het personeelslid dat zijn loopbaanonderbreking wenst te onderbreken voor de verzorging van een ziek gezinslid of ziek familielid deelt dit mee aan zijn hogeschoolbestuur. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek gezins- of familielid tot de tweede graad, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon. [In geval van hospitalisatie van het kind wordt het bewijs van hospitalisatie geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.]¹

[De loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, mits akkoord van het hogeschoolbestuur.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 6-9-2013; [ ]² B.Vl.R. 30-8-2016

Art. 19.

[...]

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 20.

[§ 1 De volgende vormen van onderbreking van de beroepsloopbaan zijn geen absoluut recht voor het personeelslid :

1° de volledige loopbaanonderbreking;

2° de gedeeltelijke loopbaanonderbreking;

3° de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf 55 jaar, met toepassing van artikel 17;

4° de volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor het volgen van een beroepsopleiding.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, moeten de in die paragraaf vermelde vormen van onderbreking van de beroepsloopbaan wel worden toegestaan als er een kandidaat-vervanger is die in het bezit is van het bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

De bepalingen van het eerste lid gelden voor een periode van 60 maanden onderbreking van de beroepsloopbaan, ongeacht of de loopbaan volledig of gedeeltelijk onderbroken wordt. De bepalingen van het eerste lid gelden ook voor de volledige periode van de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan vanaf 1 september, 1 oktober of 1 november volgend op het bereiken van de leeftijd van vijfenvijftig jaar of de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 17, § 1bis, § 4 of § 5 van toepassing is.

In geval van weigering deelt het hogeschoolbestuur uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van de loopbaanonderbreking haar gemotiveerde beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid dat de loopbaanonderbreking aanvraagt en aan de kandidaat-vervanger]

B.Vl.R. 12-10-2012

HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepalingen

Art. 21.

Het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt opgeheven wat betreft de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, met uitzondering van artikel 3 § 1b .

HOOFDSTUK VI. -. Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen

Art. 22.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996 met uitzondering van :

1° de artikelen 3, 4 en 9 § 4, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1996;

2° de artikelen 6 en 17 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1997;

3° de artikelen 5, derde lid, 13, 14 en 18 § 4 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1998;

4° de artikelen 5, vierde lid, 15, 16 en 18 § 5, die in werking treden op 1 juni 2002.

Art. 23.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.