OPGEHEVEN : Ministerieel besluit houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake onderwijs aan ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

  • goedkeuringsdatum
    26 AUGUSTUS 2002
  • publicatiedatum
    B.S.24/09/2002
  • datum laatste wijziging
    30/06/2006

COORDINATIE

opgeheven door B.Vl.R. 31-3-2006 - B.S. 30-6-2006.

De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,

Gelet op artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

Gelet op de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, inzonderheid op artikel 6;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering;

Overwegende dat het, met het oog op een efficiënte beleidsuitvoering, aangewezen is sommige bevoegdheden te delegeren aan ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de hiernavolgende administraties van het departement Onderwijs :

- BOVENBOUW;

- Administratie Basisonderwijs;

- Administratie Secundair Onderwijs;

- Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek;

- Administratie Permanente Vorming;

- Administratie Ondersteuning.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor Onderwijs en Vorming;

2° secretaris-generaal : de secretaris-generaal die aan het hoofd staat van het departement Onderwijs;

3° leidend ambtenaar : de ambtenaar die belast is met de leiding van de in artikel 1 bedoelde administratie.

Art. 3.

De bij dit besluit verleende delegaties worden tevens verleend aan de ambtenaar die met de waarneming van het ambt van de titularis is belast of die hem vervangt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering. In geval van tijdelijke afwezigheid of verhindering plaatst de betrokken ambtenaar, boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening en onverminderd de bepaling van artikel 12, § 2, de formule "voor de (graad van de titularis), afwezig".

HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheden van de secretaris-generaal

Art. 4.

De secretaris-generaal is belast met alle administratieve maatregelen inzake begrotingsuitvoering en inzonderheid met de ondertekening van vastleggings- en betalingsdocumenten inzake verbintenissen die door de minister of de daartoe overeenkomstig hoofdstuk 3 gedelegeerde ambtenaar werden aangegaan.

Hij is tevens gemachtigd om minnelijke schikkingen aan te gaan, die voorafgaan aan het ontstaan van een rechtsgeding, voorzover het bedrag van de uitgaven die eruit voortvloeien 1.250 EUR niet overschrijdt en ze geen betrekking hebben op geschillen bij de uitvoering van overheidsopdrachten.

Art. 5.

De secretaris-generaal is gemachtigd om personeelsleden aan te duiden die het departement zullen vertegenwoordigen bij congressen, colloquia, studiedagen en conferenties of die als afgevaardigde van het departement een interview mogen toestaan of een voordracht of toespraak mogen houden met betrekking tot de materies die binnen de taakomschrijving vallen van de in artikel 1 vermelde administraties.

Art. 6.

Om een efficiënte organisatie te waarborgen subdelegeert de secretaris-generaal de hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden aan ambtenaren van zijn departement, tot op het meest functionele niveau. Elke subdelegatie wordt meegedeeld aan de minister en aan het Rekenhof.

HOOFDSTUK 3. - Bevoegdheden van de leidend ambtenaar

Afdeling 1. - Delegaties van algemene aard

Art. 7.

De leidend ambtenaar is gemachtigd om :

1° de dagelijkse briefwisseling die verband houdt met zijn opdracht te ondertekenen, onverminderd de bijzondere regeling die geldt voor de antwoorden op brieven van het Rekenhof met betrekking tot de door het Hof geformuleerde opmerkingen;

2° gewone en aangetekende zendingen, bestemd voor zijn administratie in ontvangst te nemen, met uitzondering van de dagvaardingen, betekend aan de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaams Gewest;

3° uittreksels en afschriften van documenten die verband houden met de taken van zijn administratie eensluidend te verklaren en af te leveren;

4° staten van verschuldigde sommen betreffende presentiegelden en reis- en verblijfkosten, in zover ze verband houden met de werking van aan zijn administratie verbonden advies- en overlegorganen, goed te keuren.

Afdeling 2. - Bepalingen betreffende het gunnen en de uitvoering van overheidsopdrachten en het doen van andere uitgaven

Art. 8.

De leidend ambtenaar is gemachtigd om, in het kader van de uitvoering van de taken van zijn administratie, bestekken voor werken, leveringen of diensten of de bescheiden die ze vervangen goed te keuren, de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund, opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en in te staan voor de uitvoering ervan. Deze machtiging geldt slechts binnen de perken van de geopende kredieten en van de in hiernavolgende tabel opgenomen bedragen.

Openbare aanbesteding of algemene offerte-aanvraag

Beperkte aanbesteding of beperkte offerte-aanvraag

Onderhandelingsprocedure

Werken

500.000 EUR

250.000 EUR

125.000 EUR

Leveringen

500.000 EUR

250.000 EUR

125.000 EUR

Diensten

500.000 EUR

250.000 EUR

125.000 EUR

Hij staat bovendien in voor de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die ter uitvoering van voormelde taken werden gegund door de minister of de Vlaamse regering. Onder eenvoudige uitvoering dient te worden verstaan het treffen van alle maatregelen en beslissingen die ertoe strekken het voorwerp van de opdracht te verwezenlijken en die binnen de perken van de aanneming blijven, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling vanwege de gunnende overheid vereisen.

Art. 9.

De leidend ambtenaar is gemachtigd om :

1° met betrekking tot de in artikel 8, eerste lid vermelde opdrachten :

a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden met toepassing van artikel 8 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;

b) boeten kwijt te schelden;

2° met betrekking tot de in artikel 8, eerste en tweede lid vermelde opdrachten :

a) prijsherzieningen voortvloeiend uit de betrokken overeenkomsten goed te keuren zonder beperking van bedrag;

b) verrekeningen, andere dan voormelde herzieningen, goed te keuren in zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 12.500 EUR of 25 % t.a.v. het gunningsbedrag voortvloeien;

3° allerlei uitgaven die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten en betrekking hebben op de uitvoering van taken van zijn administratie goed te keuren tot een bedrag van maximum 12.500 EUR per beslissing, in zover het niet gaat om subsidies en de betrokken uitgaven niet voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen.

Art. 10.

De in deze afdeling vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.

Afdeling 3. - Specifieke delegaties

Art. 11.

§ 1. De Secretaris-generaal is voor de bovenbouw gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° de verandering van uitgavencategorie en de vervanging van personeel tijdens het laatste jaar zoals bedoeld in de artikelen 3.4 en 4.4 van de overeenkomst als bijlage van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek;

2° het gunstig beantwoorden van verzoeken om een wetenschappelijke paper over de methodologische aspecten inzake OBPWO-projecten;

3° het behandelen en ondertekenen van de voorstellen van de promotoren tot verlenging van hun OBPWO-projecten voor zover die geen financiële consequenties met zich meebrengen;

4° het vrijgeven tot publicatie van de resultaten van OBPWO-onderzoek indien de minister twee maanden na overhandiging van het definitieve eindrapport (met advies) geen ontvangstmelding stuurt;

5° de aanstelling van de effectieve en plaatsvervangende leden en van de secretarissen in de Kamers van Beroep van het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding en de gesubsidieerde officiële centra voor leerlingenbegeleiding, met toepassing van de artikelen 70 en 71 van het decreet rechtspositie van 27 maart 1991 betreffende sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en de artikelen 9 en 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

6° het bepalen van het modelformulier voor de mededeling aan het departement Onderwijs van iedere toelating tot de proeftijd of vaste benoeming aan de hand van een formulier, met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 januari 1995 betreffende de mededeling van vaste benoeming aan het departement Onderwijs.

§ 2. De directeuren-generaal van de administraties basisonderwijs, secundair onderwijs, hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en permanente vorming zijn, ieder voor hun administratie, gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° het wijzigen en voortijdig beëindigen van de loopbaanonderbreking met toepassing van artikel 17, §§ 1 en 4 en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

2° het verlenen van afwijkingen in geval van laattijdige aanvragen van terbeschikkingstelling en de beëindiging van reaffectatie en wedertewerkstelling zoals bedoeld in de artikelen 25, § 3, en 41, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;

3° de vaststellingen van hoofdambt en bijbetrekking met toepassing van :

- het artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 tot regeling van de cumulatie van een activiteit als zelfstandige met een ambt in het onderwijs;

- het artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 december 1993 tot regeling van de cumulatie van een andere bezigheid of een pensioen met uitzondering van het overlevingspensioen, met een ambt in het onderwijs;

4° het toekennen van afwijkingen op de cumulatiebeperking, nl. het optrekken van de grens van 1/3 tot 2/3 van de opdracht, zoals bedoeld in het artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 december 1978 ter uitvoering van het artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en houdende afwijking van sommige bepalingen van de koninklijke besluiten tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch en kunstonderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;

5° het verhaal tegen een aanstelling in bijbetrekking bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1993 tot uitvoering van het artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;

6° het toekennen van taalafwijkingen zoals bedoeld in het artikel 16 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;

7° het toekennen van vrijstellingen zoals bedoeld in :

- het artikel 17, § 1, 1° en 2°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

- het artikel 28, § 1, 1° en 2°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

8° de opname in de financiering of in de toelageregeling van structuuronderdelen met toepassing van :

- de artikelen 6 en 24 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en artikel 68 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

- het artikel 5 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, de dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

9° het bepalen van de vakpraktijk zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 19 juni 1967 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor de wervingsambten van het administratief personeel en van het meesters-, vak en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

10° de erkenning van de nuttige ervaring voor de bepaling van het bekwaamheidsbewijs en voor de toepassing van artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende de bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

11° de individuele aanvragen tot het bekomen van terugbetalingsfaciliteiten bij terugvorderingen van wedde of weddetoelagen;

12° de beslissing op basis van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

§ 3. De directeur-generaal van de administratie basisonderwijs is gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° de gelijkwaardigheden bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften;

2° de afwijkingen op de verlof-, vakantie- en uurregeling bedoeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basis- en secundair onderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

3° het individueel toetsen van de redenen van afwezigheid die als geldig kunnen worden aanvaard met toepassing van artikel 22, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

4° de vaststelling en toekenning van het werkingsbudget met toepassing van :

- de artikelen 76 en 79 tot en met 87 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

- het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 betreffende het omrekeningspercentage en het puntengewicht voor de vaststelling van het werkingsbudget van het basisonderwijs;

5° het verlenen van afwijkingen op de verplichting gevestigd te zijn in eenzelfde complex van gebouwen of in elk geval in eenzelfde gemeente of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zoals bepaald in de artikelen 62 en 108 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;

6° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs;

7° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 10, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs;

8° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;

9° het toekennen van afwijkingen op de cumulatie, enkel nog van belang voor het verleden, zoals bedoeld in artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. De uitdrukking enkel van belang voor het verleden kan geen betrekking hebben op de periode waarop artikel 18 van het decreet van 9 april 1992 van toepassing is;

10° de vaststelling en toekenning van de toelage voor vervoerskosten betreffende het tijdelijk onderwijs aan huis zoals bepaald in artikel 34 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997;

11° de vaststelling en de toekenning van de toelage voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997;

12° de vaststelling en de toekenning van de toelage voor nascholing met toepassing van artikelen 43 tot en met artikel 55 van het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996;

13° de vaststelling en de toekenning van de voervoerskosten met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerskosten van hun personeelsleden;

14° de vaststelling en de toekenning van een toelage voor leerplichtige kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben met toepassing van artikel 20 van het decreet betreffende het onderwijs IX van 14 juli 1998;

15° de vaststelling en de tegemoetkoming van de toelage voor geïntegreerd onderwijs zoals bepaald in artikel 11 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

16° het geven van de toelating om leerlingen tijdelijk buiten de bestaande vestigingsplaatsen onder te brengen wegens uitzonderlijke redenen van tijdelijke aard zoals bepaald in artikel 108 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

§ 4. De directeur-generaal van de administratie secundair onderwijs is gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° de gelijkwaardigheid bedoeld in het artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften;

2° de afwijkingen op de verlof-, vakantie- en uurregeling bedoeld in het artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basis- en secundair onderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

3° de afwijkingen en de in aanmerkingneming als gewettigde afwezigheden, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

4° de afwijkingen op de datum van inschrijving in het deeltijds beroepssecundair onderwijs zoals bedoeld in het artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

5° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;

6° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 10, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs;

7° de verhaalprocedure zoals beschreven in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars;

8° de aanvragen met betrekking tot de lessenspreiding, bedoeld in het artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

9° het individueel toetsen van de redenen van afwezigheid die als geldig kunnen worden aanvaard met toepassing van het artikel 3, § 3, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

10° de vaststelling en de toekenning van werkingstoelagen met toepassing van :

- het artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

- de artikelen van titel I van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, zoals gewijzigd;

- de artikelen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1991 tot vaststelling van het puntengewicht per leerling, student of interne, bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

11° de afwijkingen op de leeftijdsgrens in het buitengewoon onderwijs, met toepassing van het artikel 4 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

12° het toekennen van afwijkingen op de cumulatie, enkel nog van belang voor het verleden, zoals bedoeld in artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. De uitdrukking enkel van belang voor het verleden kan geen betrekking hebben op de periode waarop artikel 18 van het decreet van 9 april 1992 van toepassing is;

13° het verlenen van afwijkingen op de verplichting gevestigd te zijn in eenzelfde complex van gebouwen of in elk geval in eenzelfde gemeente of agglomeratie zoals bepaald in artikel 24, § 2, 8°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

14° de vaststelling en de toekenning van de toelage voor nascholing met toepassing van artikelen 43 tot en met 47 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing;

15° de vaststelling en de toekenning van de toelage voor vervoerskosten met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerskosten van hun personeelsleden, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995;

16° de vaststelling en de toekenning van de toelage voor geïntegreerd onderwijs zoals bepaald in artikel 20 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII.

§ 5. De directeur-generaal van de administratie hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° het erkennen van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's of studiegetuigschriften, zoals bedoeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 1997 houdende de vaststelling van de voorwaarden voor en de procedure tot individuele erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's of studiegetuigschriften met de diploma's, uitgereikt door de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

2° het erkennen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften;

3° de gelijkstelling van de wetenschappelijke graden zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 15 oktober 1996 houdende de procedure en de vorm voor de gelijkstelling van de diploma's van een wetenschappelijke graad met de diploma's van een academische graad;

4° de juridische erkenning van arbeidsongevallen en van ongevallen op de weg naar en van het werk en de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

5° het erkennen van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's van de academische graden zoals bedoeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 1992 houdende vaststelling van de voorwaarden tot en van de procedure van de erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften met de diploma's van de academische graden met uitzondering van de academische graden van de eerste cyclus;

6° het goedkeuren van staten van verschuldigde sommen betreffende kosten in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten;

7° het sluiten van dadingen en het aangaan van schulderkenningen in ongevallendossiers met aansprakelijke derden.

§ 6. De directeur-generaal van de administratie Permanente Vorming is gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° het beslissen over de gelijkwaardigheid van diploma's, zoals bepaald in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften;

2° het toestaan van het omzetten van uren-leraar in uren studiemeester-opvoeder of opsteller a rato van één uur-leraar voor twee uren studiemeester-opvoeder teneinde een instelling die op basis van artikel 35 op 1 september 1990 en op 1 september 1991 minder financierbare of betoelaagbare uren-opsteller had dan uren studiemeester-opvoeder tijdens het schooljaar 1989-1990, in afwijking van artikel 35 en na overleg zoals bedoeld in artikel 37, toe te laten het verschil onder de vorm van een vast aantal uren opsteller toegevoegd aan het aantal uren overeenkomstig artikel 35 voor onbepaalde tijd te behouden op voorwaarde dat de inrichtende macht hiertoe vóór 1 oktober een verzoek indient zoals bepaald in artikel 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs - studierichting beeldende kunst, gewijzigd bij artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 1991;

3° de vaststelling en de toekenning van werkingstoelagen met toepassing van :

- het artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

- de artikelen van titel I van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, zoals gewijzigd;

- de artikelen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1991 tot vaststelling van het puntengewicht per leerling, student of interne, bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

4° het verlenen van een afwijking op de vereiste bekwaamheidsbewijzen voor individuele gevallen in het hoger onderwijs van het korte type en het hoger technisch onderwijs van de tweede en de derde graad, zoals bepaald in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 oktober 1991 tot uitvoering van artikel 17, § 4, van de wet van 7 juli 1970;

5° de opname in de financiering of in de toelageregeling van structuuronderdelen met toepassing van de artikelen 6 en 24 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

6° de betaling van de inschrijvingsgelden met toepassing van artikel 12, § 5, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en met toepassing van artikel 50, § 4, tweede lid, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;

7° de goedkeuring van de structuurschema's voor het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd volgens het modulair stelsel, zoals bepaald in artikel 5, § 1, van het ministerieel besluit van 6 november 1987 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie volgens het modulair stelsel;

8° het ondertekenen van de besluiten betreffende de uitbetaling van voorschotten aan de centra voor basiseducatie en het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie, zoals bepaald in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 1990 ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;

9° de aanstelling van de mentor en de hernieuwing hiervan met toepassing van artikel 91, § 1, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;

10° de beroepsprocedure tegen de aanwerving van een houder van een "ander" bekwaamheidsbewijs, zoals bepaald in artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting "beeldende kunst" en artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "muziek, woordkunst en dans";

11° het verlenen van een afwijking op de vastgestelde groepsgrootte voor leerlingen die gegroepeerd worden, zoals bepaald in artikel 10, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst" en artikel 11, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans";

12° het verlenen van afwijking van de verplichting de inschrijvingsgelden uiterlijk op 15 oktober over te maken, zoals bepaald in art. 31, 1°, van het decreet betreffende het onderwijs III van 9 april 1992.

§ 7. De directeur-generaal van de administratie Ondersteuning is gemachtigd om elke beslissing te nemen met betrekking tot :

1° het verhaal tegen een aanstelling in bijbetrekking bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1993 tot uitvoering van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;

2° het wijzigen en voortijdig beëindigen van de loopbaanonderbreking met toepassing van artikel 17, §§ 1 en 4 en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

3° het verlenen van afwijking in geval van laattijdige aanvragen van terbeschikkingstelling en de beëindiging van reaffectatie en wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 25, § 3 en artikel 41, § 2, zesde streepje, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de verdeling van betrekkingen, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;

4° de individuele aanvragen tot het bekomen van terugbetalingfaciliteiten bij terugvorderingen van wedde of weddentoelagen;

5° de erkenning van de nuttige ervaring voor de bepaling van het bekwaamheidsbewijs en voor de toepassing van artikel 17, § 1 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende de bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

6° het toekennen van taalafwijkingen zoals bedoeld in het artikel 16 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;

7° het toekennen van nationaliteitsafwijkingen in het gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 17, § 1, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

8° het toekennen van nationaliteitsafwijkingen in het gesubsidieerd onderwijs zoals bedoeld in artikel 28, § 1, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

9° de beslissing op basis van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

10° de vaststelling en toekenning van werkingstoelagen aan de pedagogische begeleidingsdiensten, bedoeld in artikel 92, § 1, 1°, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

11° de vaststelling en toekenning van werkingstoelagen aan de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, bedoeld in artikel 27 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

12° het verlenen van afwijkingen aan de voorwaarden om te kunnen genieten van collectief of individueel vervoer zoals bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reiskosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat;

13° het verlenen van een toelating om gebruik te maken van het individueel vervoer, zoals bepaald in artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reiskosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden van de Staat;

14° het verlenen van een toelating tot het gebruik van een ander individueel vervoermiddel, zoals bepaald in artikel 14 van het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reiskosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden van de Staat;

15° het verlenen van studietoelagen in het raam van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van studietoelagen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

16° de juridische erkenning van arbeidsongevallen en van ongevallen op de weg naar en van het werk en de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk voor beroepsziekten in de overheidssector;

17° het goedkeuren van staten van verschuldigde sommen betreffende kosten in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten;

18° de vaststelling en de toekenning van de nascholingskredieten zoals bedoeld in de artikelen 50 en 51 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing;

19° de mededeling van de door de minister geselecteerde nascholingsprojecten bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering;

20° de ondertekening van de overeenkomsten voor de organisatie van nascholingsprojecten bedoeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing;

21° de uitbetaling van de nascholingsprojecten bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse regering;

22° al dan niet aanvaarden van te laat, na 31 oktober, ingediende aanvragen voor studietoelagen met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de procedure voor het indienen van aanvragen en van de voorwaarden voor het toekennen van de studietoelagen voor secundair onderwijs en artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor het hoger onderwijs;

23° financiële gegevens m.b.t. het in aanmerking te nemen jaar van inkomen voor de vaststelling van het recht en de berekening van de studietoelagen, in afwachting van officiële gegevens van de administratie der directe belastingen, via attesten op te vragen bij de aanvrager voor een studietoelage met toepassing van de artikelen 6, 7 en 8 van het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 voor wat betreft het secundair onderwijs, en met toepassing van artikel 10, §§ 1, 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 in het raam van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van studietoelagen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

24° de vaststelling en de toekenning van de werkingsbudgetten van de centra voor leerlingenbegeleiding, de permanente ondersteuningscellen en de tijdelijke decretale stuurgroep, met toepassing van artikel 53 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

25° de vaststelling van de omkadering van de centra voor leerlingenbegeleiding met toepassing van de artikelen 67 tot en met 71 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

26° de beslissing omtrent de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling van de centra voor leerlingenbegeleiding met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 tot vaststelling van de procedure voor opname in de financiering of subsidiëringsregeling van de centra voor leerlingenbegeleiding;

27° de vaststelling en de toekenning van de subsidies aan de door de Vlaamse regering gesubsidieerde ondersteuningscentra voor ouderverenigingen zoals bedoeld in artikel 4 en 11 van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de ondersteuningscentra van ouderverenigingen en van erkende verenigingen die vorming voor ouders van schoolgaande kinderen organiseren;

28° de uitbetaling van de financiële tussenkomst voor vorming van ouders bedoeld in artikel 20 van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de ondersteuningscentra van ouderverenigingen en van erkende verenigingen die vorming voor ouders van schoolgaande kinderen organiseren;

29° de ondertekening van de overeenkomsten voor de organisatie van vormingsprojecten voor ouders van schoolgaande kinderen bedoeld in artikel 15 van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de ondersteuningscentra van ouderverenigingen en van erkende verenigingen die vorming voor ouders van schoolgaande kinderen organiseren en in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1996 tot vaststelling van de beoordelingsprocedure van de vormingsprojecten voor ouders;

30° het sluiten van dadingen en het aangaan van schulderkenningen in ongevallendossiers met aansprakelijke derden en het goedkeuren van staten in uitvoering van vonnissen en arresten;

31° de vaststelling en de toekenning van de informatiseringstoelagen aan de centra voor leerlingenbegeleiding bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 2000 betreffende informatiseringstoelagen voor de centra voor leerlingenbegeleiding;

32° de vaststelling en de toekenning van de toelagen voor de personeelsleden die met brugpensioen gaan of met brugpensioen zijn en voor de zelfstandige artsen van de centra voor leerlingenbegeleiding, bedoeld in de artikelen 190 § 3, 195 en 198 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

33° de vaststelling en de toekenning van de toelagen voor de busbegeleiders zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 17 december 1991 tot vaststelling van de bezoldigingsmodaliteiten van de personen, die ermede belast zijn de gehandicapten die een instelling, een afdeling of een instituut voor buitengewoon onderwijs bezoeken, tijdens het gemeenschappelijk vervoer te helpen en te bewaken;

34° de vaststelling en de toekenning van de onkosten voor het individueel vervoer zoals bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat;

35° de vaststelling en de toekenning van de onkosten voor het individueel vervoer zoals bedoeld in artikel 25 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

36° de vaststelling en de toekenning van de onkosten voor het individueel vervoer zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 12.

§ 1. De leidend ambtenaar subdelegeert de hiervoor in aanmerking komende bevoegdheden, na overleg met de secretaris-generaal, aan ambtenaren van zijn administratie tot op het meest functionele niveau. Elke subdelegatie wordt meegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.

§ 2. Bij gebruik van de in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk bedoelde delegaties plaatst de delegatiehouder boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening de formule "Namens de Vlaamse minister, bevoegd voor Onderwijs en Vorming".

Art. 13.

Over het gebruik van de in de afdeling 2 en 3 bedoelde bevoegdheden wordt semestrieel gerapporteerd door middel van een activiteitenverslag dat aan de minister wordt meegedeeld via de secretaris-generaal.

HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen

Art. 14.

1° Alle in bestaande delegaties opgenomen bepalingen met betrekking tot bij dit besluit gedelegeerde beslissingsbevoegdheden worden opgeheven.

2° Het ministerieel besluit van 6 juni 1995 houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake onderwijs aan ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij besluiten van 1 december 1995 en 6 juli 1999 wordt opgeheven.

Art. 15.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2002, met uitzondering van artikel 11, § 6, 14°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juni 2001.