Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    21 FEBRUARI 2003
  • publicatiedatum
    B.S.28/04/2003
  • datum laatste wijziging
    12/11/2013

COORDINATIE

B.Vl.R. 19-1-2007 - B.S. 28-2-2007

B.Vl.R. 11-10-2013 - B.S. 12-11-2013

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 152, 155 en 169;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 12 juli 2002;

Gelet op het protocol nr. 477 van 4 oktober 2002 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering op 8 november 2002, betreffende de aanvraag om advies van de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies 34.566 van de Raad van State, gegeven op 9 januari 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - De loopbaanstructuur

Artikel 1.

§ 1. Het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt ingedeeld in één van de hierna volgende niveaus :

1° Niveau A;

2° Niveau B;

3° Niveau C;

4° Niveau D.

§ 2. De personeelsleden verkrijgen één van de graden vermeld in de tabel van de loopbaanstructuur, opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Het hogeschoolbestuur kan voor elke graad de benaming van de ermee verbonden functies bepalen. De graad bepaalt de betrekkelijke waarde van een functie binnen zijn niveau.

Art. 2.

Elke graad wordt aangevuld met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de graad in zijn niveau.

De vier niveaus omvatten het volgende aantal graden :

1° Niveau A : [vijf graden, genummerd van A1 tot A5];

2° Niveau B : drie graden, genummerd van B1 tot B3;

3° Niveau C : twee graden, genummerd C1 en C2;

4° Niveau D : twee graden, genummerd D1 en D2.

Binnen elk niveau worden de graden genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste graad het hoogste cijfer toegewezen krijgt.

B.Vl.R. 11-10-2013

Art. 3.

§ 1. De bekwaamheidsbewijzen die mimimaal vereist zijn voor aanstelling, benoeming, ambtswijziging of bevordering in of naar de hierboven vermelde niveaus zijn :

1° niveau A : diploma academisch onderwijs of hogescholenonderwijs van academisch niveau;

2° niveau B : diploma hogescholenonderwijs van één cyclus;

3° niveau C : diploma secundair onderwijs;

4° niveau D : geen diplomavereiste.

§ 2. De bekwaamheidsbewijzen die, naargelang van het niveau, in aanmerking worden genomen voor de aanstelling, benoeming, ambtswijziging of bevordering, zijn die welke zijn opgenomen in bijlage 2 van het Vlaams personeelsstatuut.

§ 3. In afwijking van § 1 kan het vereist bekwaamheidsbewijs vervangen worden door een aan een niveau verbonden deskundigheid. Het personeelslid kan deze deskundigheid verwerven via werkervaring of bijkomende vorming.

1° niveau A : academische deskundigheid op denk- en werkniveau;

2° niveau B : hogere administratieve en technische deskundigheid;

3° niveau C : uitvoerende en technische deskundigheid.

Bij een inschaling op basis van niveauverbonden deskundigheid, geeft het hogeschoolbestuur een omstandige uiteenzetting van de gronden die de inschaling verantwoorden. De criteria hiervoor worden vastgesteld na onderhandelingen binnen het hogeschoolonderhandelingscomité.

Art. 4.

De dienst-, niveau- en schaalancienniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze gaan in op de eerste dag van een maand.

De gedeelten van maanden worden weggelaten en de anciënniteiten gaan in dat geval in op de eerste dag van de volgende maand.

HOOFDSTUK II. - De salarisschalen

Art. 5.

§ 1. De salarisschalen bestaan uit :

1° een minimumsalaris;

2° salaristrappen die het resultaat zijn van tussentijdse salarisverhogingen;

3° een maximumsalaris.

§ 2. De personeelsleden die de minimumleeftijd van de salarisschaal nog niet hebben bereikt, ontvangen het minimumsalaris.

Art. 6.

Aan elke graad worden één of meer salarisschalen verbonden. Het hogeschoolbestuur bepaalt welke salarisschaal wordt verleend, rekening houdend met de bepalingen van artikel 3 van dit besluit.

Het hogeschoolbestuur legt in een intern reglement de criteria vast volgens welke een hogere salarisschaal binnen eenzelfde graad kan worden toegekend. Het intern reglement dient minstens te bepalen aan welke voorwaarden hiervoor dient te worden voldaan.

Art. 7.

Elke salarisschaal behoort tot één van de vier niveaus, aangeduid met de letters A, B, C en D. De salarisschaal wordt verder aangeduid met cijfers. Het eerste cijfer duidt de graad aan, het tweede cijfer geeft de plaats aan van de salarisschaal met betrekking tot de andere salarisschalen die binnen dezelfde graad bestaan.

Art. 8.

De graden en salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden vanaf 1 januari 2003 vastgesteld zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit.

Art. 9.

Het maandsalaris schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regels voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De bedragen van de salarisschalen vermeld in de bijlage zijn bedragen tegen 100 % ten opzichte van het indexcijfer 138,01. Op 1 juni 2003 worden deze bedragen verhoogd met tweemaal hetzelfde nominaal bedrag als de verhoging die werd toegepast op 1 december 2001.

HOOFDSTUK III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 10.

[...]

B.Vl.R. 19-1-2007

Art. 11.

Wervings- en bevorderingsprocedures die voor de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad gestart zijn, worden voortgezet conform de regels van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Het hogeschoolbestuur rondt de lopende procedures uiterlijk zes maand na de bekendmaking van dit besluit af.

Art. 12.

Het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs is van toepassing op de leden van het administratief- en technisch personeel van de hogescholen.

Art. 13.

Artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt als volgt aangevuld :

"Op 1 december 2001 worden ze nogmaals met 1 procent verhoogd."

Art. 14.

Het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.

Art. 15.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering van artikel 13, dat uitwerking heeft met ingang van op 1 december 2001.

Art. 16.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage. - Tabel loopbaanstructuur en salarisschalen administratief en technisch personeel

Graden

Salarisschaal en Minimum leeftijd

Minimum Salaris

Maximum Salaris

Tussentijdse verhogingen

D1

D11 (18 j.)

13.594,46

16.717,41

3 x 1 :149,65

10 x 2 :267,40

D12 (18 j.)

13.856,83

18.652,59

3 x 1 :149,65

13 x 2 :334,37

D2

D21 (18 j.)

15.765,63

21.427,88

3 x 1 :237,89

13 x 2 :380,66

D22 (18 j.)

16.027,98

22.560,97

3 x 1 :237,89

13 x 2 :447,64

C1

C11 (20 j.)

14.485,34

19.001,78

3 x 1 :285,56

2 x 2 :333,40

8 x 2 :374,12

C12 (20 j.)

15.844,96

22.887,43

3 x 1 :285,56

13 x 2 :475,83

C2

C21 (20 j.)

16.316,20

24.890,80

3 x 1 :388,98

13 x 2 :569,82

C22 (20 j.)

18.153,64

26.972,99

3 x 1 :413,45

13 x 2 :583,00

B1

B11 (22 j.)

16.206,59

23.788,34

3 x 1 :309,45

12 x 2 :554,45

B12 (22 j.)

17.908,65

25.619,30

3 x 1 :309,45

10 x 2 :554,45

2 x 2 :618,90

B2

B21 (22 j.)

19.746,73

29.485,29

3 x 1 :285,56

14 x 2 :634,42

B22 (22 j.)

22.073,45

30.648,31

3 x 1 :489,99

7 x 3 :734,99

2 x 3 :979,98

B3

B31 (22 j.)

22.498,03

35.362,96

3 x 1 :567,23

12 x 2 :930,27

B32 (22 j.)

23.405,66

38.313,47

3 x 1 :612,63

12 x 2 :1.089,16

A1

A11 (24 j.)

21.828,46

33.833,22

3 x 1 :734,99

5 x 3 :1.469,97

2 x 3 :1.224,97

A12 (24 j.)

24.033,40

36.038,16

3 x 1 :734,99

5 x 3 :1.469,97

2 x 3 :1.224,97

A2

A21 (24 j.)

24.177,08

40.763,16

3 x 1 :703,36

11 x 2 :1.316,00

A22 (24 j.)

26.695,63

43.281,71

3 x 1 :703,36

11 x 2 :1.316,00

A3

A31 (24 j.)

28.320,72

44.245,34

3 x 1 :979,98

4 x 3 :1.959,95

3 x 3 :1.714,96

A32 (24 j.)

29.790,61

45.837,76

3 x 1 :1.102,49

4 x 3 :1.959,95

2 x 3 : 2.449,94

A33 (24 j.)

30.825,29

48.047,08

3 x 1 :748,76

11 x 2 :1.361,41

A34 (24 j.)

35.726,27

52.312,35

3 x 1 :703,36

11 x 2 :1.316,00

A4

A41 (24 j.)

39.261,44

54.579,64

1 x 3 :1.392,55

5 x 3 :1.856,75

2 x 3 :2.320,95

A5

A51

46.272,53

70.692,49

3 x 1 :972,13

11 x 2 :1.954,87