Aanstellingsvoorwaarden voor de godsdienstleraars en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer.

  • referentie
    PERS/2003/12
  • publicatiedatum
    13/08/2003
  • datum laatste wijziging
    18/08/2003
  • wettelijke basis
    Decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 Art. 17
  • wettelijke basis
    Decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 Art. 4 en 19
  • contact
  • Vanaf 1 september 2003 kan de aanstelling van leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer slechts op voordracht van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer

1. Inleiding

In de decreten rechtspositie van 27 maart 1991 staan de aanstellingsvoorwaarden vermeld om onderwijspersoneel te kunnen aanwerven (artikel 17 van het DRP voor het gemeenschapsonderwijs en artikel 4 §§ 3 en 4 en artikel 19 van het DRP voor het gesubsidieerd onderwijs).

Hierin staan ook enkele bijzondere bepalingen met betrekking tot de aanstelling van leraars voor het geven van de levensbeschouwelijke vakken.

Er bestond een decretaal bepaald verschil tussen de aanstellingsvoorwaarden voor godsdienstleraars enerzijds, en die voor de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer anderzijds.

De godsdienstleraars konden door de directeur / inrichtende macht maar tijdelijk aangesteld of vast benoemd worden op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst.

Voor de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer gebeurde de aanstelling door de directeur / inrichtende macht, in consensus met de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.

Dit verschil werd nu weggewerkt in het decreet betreffende het onderwijs XIV van 14 februari 2003.

2. Toepassingsgebied

- de gefinancierde en erkende / gesubsidieerde instellingen van het secundair onderwijs;

- godsdienstleraars en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer;

- vanaf 1/9/2003.

3. Aanstellingsvoorwaarden

De decreten rechtspositie van 27 maart 1991 zijn van toepassing op de godsdienstleraars en op de personeelsleden die als leraar secundair onderwijs met niet-confessionele zedenleer belast worden.

Dit betekent dat respectievelijk de directeur (gemeenschapsonderwijs) of de inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) rekening houdt met alle aanstellingsvoorwaarden.

Hieronder wordt verder ingegaan op twee specifieke aanstellingsvoorwaarden voor het ambt van leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer.

Voor de godsdienstleraars blijven de huidige bepalingen onverminderd van toepassing.

4. Voordracht i.p.v. consensus

De aanstelling van leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer behoorde tot de bevoegdheid van respectievelijk de directeur (gemeenschapsonderwijs) of de inrichtende machten (gesubsidieerd onderwijs), in consensus met de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.

Vanaf 1/9/2003 kan de aanstelling van leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer slechts op voordracht van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (zie artikel 17 § 5 van het DRP voor het gemeenschapsonderwijs en artikel 4 §§ 3 en 4 van het DRP voor het gesubsidieerd onderwijs).

5. Bekwaamheidsbewijzen, weddenschalen en bezoldigingsregeling

Vanaf 1 september 2001 werden er nieuwe bekwaamheidsbewijzen voor het algemeen vak niet-confessionele zedenleer bepaald (zie omzendbrief van 24 juli 2001 betreffende bekwaamheidsbewijzen voor het algemeen vak niet-confessionele zedenleer vanaf 1september 2001 in het secundair onderwijs (13CC/S.O./NCZ/CV).

Voor de bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen voor het ambt van godsdienstleraar wordt verwezen naar het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.

( http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=12564)