Bekwaamheidsbewijzen in het gewoon basisonderwijs

  • Coördinatie van de reglementering over de bekwaamheidsbewijzen in het gewoon basisonderwijs
  • Vragen naar uw werkstation
  • Onder punt 5 worden de wijzigingen toegelicht die ingaan vanaf 1 september 2015. Die wijzigingen zijn van beperkte aard en hebben betrekking op de ambten van beheerder, kinderverzorger, kinderverzorger in het tehuis van het GO!, kleuteronderwijzer en studiemeester-opvoeder internaat.
  • Onder punt 6 worden de aandachtspunten gebundeld van de voorbije schooljaren.

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs wordt regelmatig geactualiseerd. De recente wijziging zal eerstdaags definitief door de Vlaamse regering worden goedgekeurd.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op:

- de leden van het bestuurs - en onderwijzend personeel (met uitzondering van de leermeesters godsdienst: zie hiervoor de omzendbrief PERS/2012/03 bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraar),

- de leden van het beleids - en ondersteunend personeel,

- de leden van het paramedisch personeel

van de scholen van het gewoon basisonderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het opvoedend hulppersoneel, paramedisch en sociaal personeel van het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp - en bijstandsregeling, de tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap.

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen:

Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.

Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op recente vernieuwingen, aandachtspunten.

De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in punt 6.

Ten slotte vindt u in punt 7 de website bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs.

4. De bekwaamheidsbewijzen in het gewoon basisonderwijs

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten van het gewoon basisonderwijs.

Als 'bekwaamheidsbewijs' geldt een 'basisdiploma' dat kan worden aangevuld met een 'bewijs van pedagogische bekwaamheid'(BPB) en uitzonderlijk met de vereiste nuttige ervaring.

De Vlaamse regering kan voor elk ambt, naast 'vereiste' ook 'voldoende geachte' en 'andere' bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De studiebewijzen die deel uitmaken van het bekwaamheidsbewijs moeten in principe uitgereikt zijn door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

In afwijking hiervan komen ook sommige studiebewijzen in aanmerking die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra); in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Concreet gaat het om:

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs)

- het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs).

Daarnaast heeft de bevoegde instantie niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken de bevoegdheid om de attesten uit te reiken die opgenomen zijn in de bijlage voor leermeester niet-confessionele zedenleer, ter aanvulling van het basisdiploma. Ook de hoofden van de erediensten kunnen studiebewijzen uitreiken. Zie hiervoor de omzendbrief PERS/2012/03 bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraar.

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

De bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld als volgt:

Vereiste bekwaamheidsbewijzen (VE)

Wie voor een ambt een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is specifiek opgeleid om dat ambt uit te oefenen. In de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, moet het personeelslid steeds over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Een bewijs van pedagogische bekwaamheid geeft aan dat de houder ervan een pedagogische opleiding heeft gevolgd. De basisdiploma's van kleuteronderwijzer, onderwijzer, GLSO, GVSO-groep 1 en bachelors in het onderwijs gelden tegelijkertijd als bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen (VO)

Wie voor een ambt een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, is niet specifiek voor dat ambt opgeleid. Wel moet het personeelslid in de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel ook hier telkens over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Het schoolbestuur kan bij een aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een vereist bekwaamheidsbewijs of kandidaten met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Andere bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend.

Een schoolbestuur moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Het kan enkel kandidaten met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet het schoolbestuur aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming op eer verklaren dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven. In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending. (Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het departement Onderwijs referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Het schoolbestuur hoeft die verklaring op eer niet af te leggen:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Deze periode is gelijk aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. De bedoelde periode loopt vanaf de 1e september volgend op de datum van de eerste aanstelling in het gewoon basisonderwijs;

- wanneer het de aanstelling van een personeelslid in het ambt van kleuteronderwijzer betreft, dat tezelfdertijd de opleiding bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs volgt, om zo een vereist bekwaamheidsbewijs te verkrijgen voor het ambt van kleuteronderwijzer;

- wanneer het de aanstelling van een personeelslid in het ambt van onderwijzer betreft, dat tezelfdertijd de opleiding bachelor in het onderwijs: lager onderwijs volgt, om zo een vereist bekwaamheidsbewijs te verkrijgen voor het ambt van onderwijzer.

Als het schoolbestuur een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanstelt buiten de vier bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, verhaal aantekenen bij het schoolbestuur. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs.

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Regeling voor buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden door Naric-Vlaanderen om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden. Naric-Vlaanderen kent twee grote systemen:

- de academische erkenning van buitenlandse diploma's;

- de professionele erkenning (EER-leerkrachten).

Voor meer informatie kunt u terecht op de website van Naric-Vlaanderen.

4.5. Regeling voor diploma's behaald in de Franstalige Gemeenschap

De diploma's uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België, zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma's die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken. Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen. Indien gewenst, kan NARIC- Vlaanderen wel een verklarend attest afleveren.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs. Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bekwaamheidsbewijzen zijn per ambt opgenomen in de bijlagen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990. U kunt ze raadplegen op de website bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs.

4.7.1. Basisdiploma's

Het overzicht van de aanvaarde basisdiploma's vindt u terug in artikel 6 van het besluit van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs. Deze lijst bevat een reeks studiebewijzen die gerangschikt zijn volgens niveau en gaan van de diploma's uitgereikt in overeenstemming met de wetgeving op de academische graden tot de studiebewijzen van het niveau lager secundair onderwijs.

Het komt voor dat voor een ambt geen specifiek studiebewijs wordt gevraagd maar een 'algemeen diplomaniveau', al dan niet aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Welke studiebewijzen tot een dergelijke verzamelbenaming behoren, kunt u terugvinden in artikel 7 van het besluit.

Voor de ambten van het gewoon basisonderwijs, komen de basisdiploma's van bachelor in het onderwijs, kleuteronderwijzer, onderwijzer en geaggregeerde voor het secundair onderwijs- groep 1 (vroegere GLSO /regenten) uiteraard het meest voor.

In het kader van de leertijd worden het getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) die na 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitgereikt werden, eveneens als basisdiploma aanvaard.

Opmerking :

Om in aanmerking te komen als basisdiploma, moet een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden hebben omvat.

4.7.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

De bewijzen van pedagogische bekwaamheid die gelden in het gewoon basisonderwijs, zijn strikt omschreven in artikel 4, §2 van het besluit.

Zoals opgenomen in artikel 4, §6 van het besluit worden een aantal diploma’s en studiebewijzen echter enkel als bewijs van pedagogische bekwaamheid erkend indien zij ten laatste in het academiejaar 2014-2015 uitgereikt worden. Meer informatie hierover vindt u onder punt 5.1 hieronder.

Opmerking :

Voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie en voor de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs moet de onderwijscyclus ten minste 450 lestijden hebben omvat.

Voorbeeld van enkele bekwaamheidsbewijzen voor het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding:

Voldoende geacht 

Licentiaat lichamelijke opleiding + BPB 

 

148 

Master in de revalidatiewetenschappen en de kinesitherapie + BPB 

 

148 

4.7.3. Website bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs sommen per ambt de bekwaamheidsbewijzen op. U kunt deze overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding. De website bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs biedt u 2 zoeksystemen. ”Van ambt naar diploma” kunt u per ambt de verscheidene bekwaamheidsbewijzen terugvinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar ambt” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welke ambten dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

Voor de ambten van het onderwijzend en paramedisch personeel worden bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen hoofdzakelijk concrete diploma's opgenomen, zoals bv. bachelor in het onderwijs: lager onderwijs, master in de kinesitherapie, kleuteronderwijzer, HSBO: kinderzorg, ...

Voor de overige ambten geldt een algemeen diplomaniveau, zoals bv. ten minste bachelor bij de ambten van ICT-coördinator of zorgcoördinator, ... .

Bij de 'andere' bekwaamheidsbewijzen wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van een algemeen diplomaniveau al dan niet aangevuld met enkele concrete studiebewijzen. Deze algemene niveaus worden aangeduid via een aantal 'definities'. Hieronder vindt u informatie over de belangrijkste definities.

4.7.3.1. 'Ten minste master'

De term ‘diploma van master’ omvat het diploma van

- een initiële master, aansluitend bij een bachelor, eventueel na een schakelprogramma.

Met ingang van 15 oktober 2013 vallen hier ook onder:

- de master, aansluitend op een master (Manama);

- de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

Onder de definitie 'ten minste master' worden niet alleen de bovenvermelde diploma's van master gerekend, maar ook de diploma’s van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, enz. Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 11° van artikel 6 van het besluit van 27 juni 1990.

4.7.3.2. 'Ten minste bachelor (tot 14 oktober 2013 ten minste PBA)

De term ‘diploma van bachelor’ omvat diploma’s van:

- professioneel gerichte bachelor, uitgereikt na het volgen van een initiële bacheloropleiding;

- bachelor, aansluitend op een bachelor (vanaf 15 oktober 2013);

- academisch gerichte bachelor (vanaf 15 oktober 2013).

Onder de definitie 'ten minste bachelor' worden in de eerste plaats de bovenvermelde diploma's van bachelor gerekend. Bovendien omvat de verzamelbenaming ook de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type (HOKT), de diploma's van gegradueerde (zowel de vroeger uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs), diploma's van technisch ingenieur, diploma's van hoger kunstonderwijs van de eerste of tweede graad met volledig leerplan, diploma's van een hogere technische leergang van de tweede graad, ...

Ook alle diploma's die onder de definitie 'ten minste master' vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 42° van artikel 6, van het besluit van 27 juni 1990.

De diploma's van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1, evenals de huidige bachelors in het onderwijs vallen eveneens onder de definitie 'ten minste bachelor, zij voldoen tezelfdertijd ook aan de definitie van 'bewijs van pedagogische bekwaamheid'.

Opmerking:

Onder de definitie van 'ten minste bachelor’ valt niet het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, noch het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, noch het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs. De bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden immers als basisdiploma uitgesloten.

Voorbeeld: bekwaamheidsbewijzen voor het ambt van administratief medewerker.

Vereist 

Ten minste HSO 

202 

ten minste bachelor 

158 

ten minste master 

542 

Een personeelslid met een diploma van het hoger secundair onderwijs (HSO) aangevuld met een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB) uitgereikt door het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie komt niet in aanmerking voor het ambt van administratief medewerker met het algemeen diplomaniveau ' ten minste bachelor’. Het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid behoort niet tot de groep van studiebewijzen die vermeld worden onder 'ten minste bachelor’.

4.7.3.3. 'ten minste HSO'

Onder deze definitie vallen ondermeer alle diploma's hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, ... Voor het volledige overzicht zie zowel punt 1° tot en met 56bis° van artikel 6als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 7 van het besluit van 27 juni 1990.

4.7.3.4. Andere definities

Andere definities, zoals bv. HOKT, HSTO, LSTO, LSBO, ... vindt u eveneens terug in artikel 7 van het besluit van 27 juni 1990.

5. Aandachtspunten voor het schooljaar 2015-2016

5.1. Overgangsregeling voor sommige diploma’s en getuigschriften die niet meer als bewijs van pedagogische bekwaamheid gelden

Bij een vorige wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering waarin de bekwaamheidsbewijzen voor het gewoon basisonderwijs vastgesteld worden, werd opgenomen dat de hierna vermelde studiebewijzen vanaf 15 oktober 2013 niet meer als bewijs van pedagogische bekwaamheid golden (zie hiervoor ook punt 6, schooljaar 2013-2014, punt 1.2). Het betrof concreet:

1° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren;

2° het diploma van bachelor in het onderwijs: zorgverbreding en remediërend leren;

3° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs;

4° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs en remedial teaching;

5° het diploma van de voortgezette studie van remedial teacher;

6° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;

7° het diploma van bachelor in het onderwijs: buitengewoon onderwijs;

8° het bekwaamheidsgetuigschrift tot het geven van buitengewoon onderwijs.

Bij die schrapping werd een overgangsregeling getroffen, zodat wie over zo een studiebewijs beschikte en ten laatste op 14 oktober 2013 vastbenoemd was of een aanstelling had in de loop van de schooljaren 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 of tijdens de periode van 1 september 2013 tot en met 14 oktober 2013, dat studiebewijs alsnog kon voorleggen als bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Na nieuw overleg met alle betrokkenen en onderhandelingen met de sociale partners werd die regeling aangepast. Vanaf het schooljaar 2014-2015 wordt voor diezelfde acht studiebewijzen in een aangepaste overgangsregeling voorzien: elk van de bovenvermelde studiebewijzen dat ten laatste in het academiejaar 2014-2015 behaald is, blijft als bewijs van pedagogische bekwaamheid gelden.

Dat heeft tot gevolg dat personen die bv. hun banaba-opleiding tijdens het academiejaar 2012-2013 begonnen waren, maar de opleiding op 15 oktober 2013 nog niet afgerond hadden, wel het diploma van die opleiding als bewijs van pedagogische bekwaamheid kunnen voorleggen, althans als zij dat diploma ten laatste in het academiejaar 2014-2015 behalen. Ook wie op het ogenblik van de schrapping al wel afgestudeerd was in de banaba-opleiding, maar nog niet voldeed aan de voorwaarden voor de overgangsmaatregel, beschikt hierdoor over een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Wie later dan het academiejaar 2014-2015 zo een studiebewijs behaalt, kan dat niet meer als bewijs van pedagogische bekwaamheid gebruiken.

Het effect van die wijziging blijft in het gewoon basisonderwijs uiteraard beperkt tot die ambten waar een ‘bewijs van pedagogische bekwaamheid’ als onderdeel van de bekwaamheidsbewijzen voorkomt, bv. directeur, leermeester lichamelijke opvoeding,... Voor het merendeel van de personeelsleden in het gewoon basisonderwijs, bv. kleuteronderwijzers, onderwijzers…, heeft de wijziging geen enkel effect.

5.2. Verruiming voldoende geachte bij het ambt van beheerder

De voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen bij het ambt van beheerder worden verruimd met het bekwaamheidsbewijs “opvoeders die vastbenoemd zijn, met ten minste bachelor”. Zo kunnen opvoeders, die de opvolgers zijn van de ambten die nu al opgenomen zijn bij de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen, ook dit ambt opnemen.

5.3. Certificaat jeugd- en gehandicaptenzorg uitgereikt in het secundair volwassenenonderwijs

Sinds 1 september 2011 wordt aan de in het secundair volwassenenonderwijs uitgereikte certificaten geen indeling TSO of BSO meer toegekend, zodat die certificaten reglementair niet onder de indeling HSTO of HSBS (HSBO) opgenomen kunnen worden. Die certificaten zijn wel allen onder de indeling ‘ten minste HSO’ opgenomen waardoor de betrokken personen wel al globaal gezien in dienst in het onderwijs konden komen.

Voor een aantal ambten in het gewoon basisonderwijs betekende dit echter dat de personeelsleden die een certificaat jeugd- en gehandicaptenzorg zonder indeling HSTO hebben, ten onrechte onder de indeling ‘AND’ bekwaamheidsbewijs werden ondergebracht of zelfs niet in dienst konden treden.

Voor de betrokken ambten in het gewoon basisonderwijs wordt daarom nu het bekwaamheidsbewijs ‘certificaat van de opleiding jeugd- en gehandicaptenzorg’ overal toegevoegd waar nu al HSTO jeugd- en gehandicaptenzorg opgenomen is. Op die manier wordt er in de bekwaamheidsbewijzen geen onderscheid meer gemaakt tussen certificaten jeugd- en gehandicaptenzorg die wel een indeling HSTO hebben en die certificaten die niet zo’n indeling hebben.

Concreet gaat het om de volgende ambten:

Ambt  

Bekwaamheidsbewijs  

Salarisschaal  

Kinderverzorger 

VO  

143 

Kinderverzorger tehuis Go! 

VO  

143 

Kleuteronderwijzer 

AND  

143 

Kleuteronderwijzer 

AND 

300 (bij volgen opleiding bachelor kleuteronderwijs) 

Studiemeester-opvoeder internaat 

VO  

125 

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen gewoon basisonderwijs