Besluit van de Vlaamse regering betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    28 MEI 2004
  • publicatiedatum
    B.S.28/07/2004
  • datum laatste wijziging
    02/08/2004

De Vlaamse regering,

Gelet op artikel 22, § 4, artikel 23, § 3, artikel 27, artikel 32, § 2, artikel 36, artikel 40, artikel 50 en artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse gemeenschap;

Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 6 februari 2004 inzake de begrotingscontrole;

Gelet op het advies 36.965/1 van de Raad van State, gegeven op 6 mei 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° decreet : het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;

2° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad.

TITEL II. - Studiefinanciering

HOOFDSTUK I. - Pedagogische voorwaarden

Art. 2.

Ten laatste bij de inschrijving van de student levert de betrokken onderwijsinstelling de verschillende documenten af met de in artikel 22 van het decreet vermelde gegevens.

HOOFDSTUK II. - Categorieën van leefeenheden

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 3.

§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 5 en artikel 6 wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid waar de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat of bij een andere natuurlijke persoon van wie hij ten laste is.

§ 2. Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, ongeacht of zij gehuwd zijn, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van beide ouders.

Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze ouder.

Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat en die gehuwd is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van de ouder en van de partner.

Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat en een niet-verwant waarvan de student fiscaal ten laste is, zonder dat deze gehuwd zijn, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van beide.

Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat en één of meerdere niet-verwanten waarvan hij niet fiscaal ten laste is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van de ouder, waarbij de toepasselijke maximum- en minimum inkomensgrens binnen de leefeenheid, bepaald in artikel 14, met één punt wordt verminderd, tenzij de niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals bedoeld in artikel 25, 1°, 2°, 3°, 4° en 8°, van het decreet.

§ 3. Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit twee niet-verwanten, één of meerdere gemeenschappelijke kinderen en eventueel één of meerdere niet-gemeenschappelijke kinderen, waarbij minstens één van beide niet-verwanten de ouder van de student is van wie zijn afstamming vaststaat, wordt in afwijking van § 2 uitgegaan van het referentie-inkomen van beide niet-verwanten.

§ 4. Indien de student ingevolge een gerechtelijke uitspraak, een tussenkomst van een comité voor bijzondere jeugdzorg of van een andere publiekrechtelijke overheid of instelling, fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders of één van de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of al minstens drie jaar fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie de afstamming vaststaat, wordt voor de berekening van de studiefinanciering uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.

Indien de student al minstens drie jaar hoofdverblijfplaats heeft bij de leefeenheid van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, en waarbij de tenlasteneming als dusdanig erkend is door een ziekenfonds of kinderbijslagfonds, wordt voor de berekening van de studiefinanciering uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.

Indien in de gevallen bepaald in het eerste en tweede lid :

1° de student hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon;

2° de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon die gehuwd is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon en zijn partner;

3° de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon en één of meerdere niet-verwanten van deze natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon, waarbij de toepasselijke maximum- en minimum inkomensgrens binnen de leefeenheid, bepaald in artikel 14, met één punt wordt verminderd, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financièle middelen zoals bedoeld in artikel 25, 1°, 2°, 3°, 4° en 8° van het decreet;

4° de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon die één van beide niet-verwanten is, bedoeld in § 3, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van beide in § 3 bedoelde niet-verwanten.

Art. 4.

In geval van feitelijke scheiding in de gevallen bedoeld in artikel 3, § 2, eerste en derde lid en § 4, derde lid, 2°, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de persoon van wie de student ten laste is, voorzover een aparte aanslag werd gevestigd.

Afdeling 2. - Gehuwde student

Art. 5.

§ 1. Indien de student uiterlijk op 31 december van het betrokken academiejaar gehuwd is, wordt voor de berekening van de studiefinanciering uitgegaan van het referentie-inkomen van beide echtgenoten, op voorwaarde dat zij gedurende twaalf maanden vanaf het ogenblik van het huwelijk tot en met 31 december van het kalenderjaar dat volgt op de aanvang van het betrokken academiejaar, maandelijks financiële middelen hebben verworven waarvan het totaal overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken academiejaar overeenkomstig het artikel 14, § 1, 1°, en het artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op de maatschappelijke integratie jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met één of meerdere personen samenwoont.

Het statuut van gehuwd student is verworven vanaf het ogenblik dat wordt voldaan aan deze voorwaarden.

§ 2. Indien de gehuwde student tevens één van de beide personen is van wie het referentie-inkomen op basis van artikel 3 in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de studiefinanciering van een andere student, wordt deze gehuwde student beschouwd als behorende tot de leefeenheid bepaald in artikel 23, 1° en 2°, van het decreet waartoe die andere student behoort, en wordt voor de berekening van de studiefinanciering van die andere student, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de toepasselijke minimum- en maximumgrens maximum met één punt vermeerderd.

§ 3. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :

1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;

2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;

3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;

4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;

5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;

6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;

7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

8° het bestaansminimum toegekend in het raam van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;

9° een niet-belastbare beurs zoals opgesomd in artikel 53 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van artikel 90, 2°, tweede lid, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, voorzover onderworpen aan de sociale zekerheid.

§ 4. In geval van feitelijke scheiding, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de student, voorzover een aparte aanslag werd gevestigd.

Afdeling 3. - Zelfstandige student

Art. 6.

§ 1. Wordt beschouwd als zelfstandig student die een eigen leefeenheid vormt, de student die niet behoort tot de categorieèn omschreven in artikel 3 en artikel 5 en die gedurende twaalf maanden maandelijks financiële middelen heeft verworven waarvan het totaal overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken academiejaar overeenkomstig het artikel 14, § 1, 1°, en het artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijk integratie jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met één of meerdere personen samenwoont.

Indien de student voor de eerste keer zijn statuut van zelfstandig student aantoont, dient de in het eerste lid bedoelde periode van twaalf maanden zich te situeren tijdens een periode van twee aaneensluitende kalenderjaren eindigend op 31 december van het kalenderjaar waarin het betrokken academiejaar start, van het academiejaar waarin de hervatting of aanvatting van de studies valt of de studiefinanciering wordt aangevraagd.

§ 2. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :

1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;

2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;

3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;

4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;

5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;

6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;

7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

8° het bestaansminimum toegekend in het raam van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;

9° een niet belastbare beurs zoals opgesomd in artikel 53 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van artikel 90, 2°, tweede lid van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, voorzover onderworpen aan de sociale zekerheid.

Afdeling 4. - Alleenstaande student

Art. 7.

Wordt beschouwd als alleenstaand student met eigen leefeenheid, de student die niet behoort tot de categorieën bepaald in artikel 3, artikel 5, artikel 6, artikel 8 en artikel 9, maar die behoort tot één van de volgende categorieën :

1° de wees van wie beide ouders waarvan zijn afstamming vaststaat overleden zijn, de wees die hoofdverblijfplaats had bij een overleden ouder waarvan de afstamming vaststaat en waarvan de uit de echt gescheiden en overlevende ouder waarvan de afstamming vaststaat een andere hoofdverblijfplaats heeft dan de student, en de door de kinderbijslag erkende verlaten wees waarvan de overlevende ouder waarvan de afstamming vaststaat geen betrekkingen meer onderhoudt en niet geldelijk tussenkomt in de onderhoudskosten van de student;

2° diegene van wie de langstlevende ouder of beide ouders ontzet is of zijn uit het ouderlijke gezag;

3° diegene die in het verleden opgenomen werd in een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 7, zoals bepaald in het artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1994, inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en die :

a) ingevolge hun meerderjarigheid ophield onder de bevoegdheid te vallen van een comité voor bijzondere jeugdzorg of een jeugdrechtbank, of

b) in het verleden het voorwerp was van voortgezette hulpverlening na meerderjarigheid ingevolge van artikel 30 van de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand; en

diegene die zelfstandig woont en begeleid wordt door een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 6, zoals bepaald in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;

4° diegene die beschouwd wordt als vluchteling in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

5° de kandidaat-vluchteling van wie de asielaanvraag ontvankelijk is verklaard, en zijn kinderen;

6° diegene die uiterlijk op 31 december van het betrokken academiejaar valt onder het project voor maatschappelijke integratie bedoeld in artikel 11, § 2, a), en leefloon ontvangt overeenkomstig artikel 14, § 1, 2°, 3° en 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Afdeling 5. - Slotbepalingen

Art. 8.

§ 1. De student die vóór de inwerkingtreding van dit decreet een studietoelage heeft genoten op grond van de voorwaarden bepaald in artikel 6, respectievelijk artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt eveneens beschouwd als gehuwd, respectievelijk zelfstandig student, indien een van de volgende voorwaarden is vervuld :

1° de student en/of zijn partner, respectievelijk de student heeft tijdens het kalenderjaar waarbinnen de start van het academiejaar valt meer financiële middelen, zoals bepaald in artikel 5, respectievelijk artikel 6, verworven dan het in artikel 136 van het Wetboek van inkomstenbelasting bepaald nettobedrag;

2° hij voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, opgesomd in artikel 3 en artikel 6, respectievelijk artikel 5.

§ 2. De student die conform de voorwaarden van dit besluit het statuut van gehuwd, respectievelijk zelfstandig student, heeft aangetoond, behoudt het statuut van gehuwd, respectievelijk zelfstandig student, indien een van de volgende voorwaarden is vervuld :

1° de student en/of zijn partner, respectievelijk de student heeft tijdens het kalenderjaar waarbinnen de start van het academiejaar valt meer financiële middelen, zoals bepaald in artikel 5, respectievelijk artikel 6, verworven dan het in artikel 136 van het Wetboek van inkomstenbelasting bepaald nettobedrag;

2° hij voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, opgesomd in artikel 3 en artikel 6, respectievelijk artikel 5.

§ 3. Indien de student reeds eerder conform het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs of conform dit besluit zijn statuut heeft aangetoond op grond van de voorwaarden voor gehuwd, respectievelijk zelfstandig student, en die niet aan de voorwaarden voldoet om het statuut te behouden, zoals bepaald in § 1 en § 2, kan het statuut opnieuw verwerven indien de student en/of zijn partner, respectievelijk de student, gedurende twaalf maanden maandelijks financièle middelen heeft verworven waarvan het totaal overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken academiejaar, overeenkomstig het artikel 14, § 1, 1°, en het artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met één of meerdere personen samenwoont.

De bedoelde periode van twaalf maanden dient zich te situeren tijdens een periode van twee aaneensluitende kalenderjaren eindigend op 31 december van het kalenderjaar waarin het betrokken academiejaar start.

Art. 9.

Indien de student niet voldoet aan de voorwaarden van de categorie van alleenstaand student, wordt voor de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen eerst nagegaan of de student voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 5, zoniet of aan de voorwaarden bepaald in artikel 6 en tenslotte of aan de voorwaarden van de in artikel 3 bepaalde leefeenheden wordt voldaan, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de vorige hoofdverblijfplaats van de student.

Indien de student niet voldoet aan de voorwaarden van de categorie van gehuwd student, wordt voor de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen eerst nagegaan of de student voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 6, zoniet of aan de voorwaarden van de in artikel 3 bepaalde leefeenheden wordt voldaan, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de vorige hoofdverblijfplaats van de student.

Indien de student niet voldoet aan de voorwaarden van de categorie van zelfstandig student, wordt voor de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen uitgegaan van de onder artikel 3 opgesomde leefeenheden, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de vorige hoofdverblijfplaats van de student.

Art. 10.

Voor de student die een aanvraag tot studiefinanciering indient op basis van de categorie van gehuwd of zelfstandig student, bepaald in artikel 5 en artikel 6, waarbij voorlopig rekening werd gehouden met attesten van werkgevers, diensten of instellingen, kan een latere verificatie op basis van het aanslagbiljet van de betrokken kalenderjaren aanleiding geven tot het intrekken van het statuut. De studiefinanciering wordt vervolgens conform artikel 9 herbekeken en herberekend.

HOOFDSTUK III. - Berekening van het referentie-inkomen

Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 11.

§ 1. Het inkomen en kadastraal inkomen waarvan sprake is in artikelen 24, 25 en 28 van het decreet, is het inkomen en kadastraal inkomen dat blijkt uit de belastingtoestand van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het betrokken academiejaar begint.

Onder belastingtoestand wordt die toestand verstaan, die blijkt uit het aanslagbiljet met betrekking tot de aanslag van dat jaar, afgeleverd door de administratie der directe belastingen.

§ 2. Wanneer naar aanleiding van de latere verificatie de aanslag, bedoeld in § 1, herzien wordt, moet met de herziene aanslag rekening worden gehouden.

§ 3. Niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld aan de hand van attesten van werkgevers, diensten of instellingen.

Art. 12.

Het inkomen dat in het buitenland of bij een Europese of andere internationale instelling verworven wordt, wordt zowel voor de toelaatbaarheid als voor de voorlopige en de definitieve berekening van de studiefinanciering, vastgesteld op basis van attesten uitgereikt door de buitenlandse belastingdienst of, wanneer die ontbreken, door de werkgevers, diensten of instellingen.

Voor de omrekening naar het referentie-inkomen in de zin van artikel 25 van het decreet, worden de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.

Afdeling 2. - Afwijking van het referentiejaar

Art. 13.

§ 1. Van het in aanmerking te nemen jaar waarin inkomsten worden verworven, bepaald in artikel 11, § 1, kan worden afgeweken indien het inkomen van het kalenderjaar waarin het betrokken academiejaar begint, vermoedelijk lager ligt dan het inkomen in het artikel 11, § 1, bedoelde in aanmerking te nemen jaar. In dat geval kan worden rekening gehouden met het vermoedelijk inkomen van het kalenderjaar waarin het betrokken academiejaar begint.

Van het in aanmerking te nemen jaar waarin inkomsten worden verworven, bepaald in artikel 11, § 1, moet worden afgeweken indien de student slechts na het in artikel 11, § 1, bedoelde in aanmerking te nemen jaar :

a) hetzij voldoet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid die ressorteert onder artikel 3, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden van de betrokken leefeenheid gesteld onder artikel 3 wordt voldaan;

b) hetzij voldoet aan de voorwaarden gesteld onder artikel 5 en artikel 6, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de in artikel 5 en artikel 6 bedoelde twaalfde maand valt;

c) hetzij ressorteert onder artikel 7, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden van artikel 7 wordt voldaan.

§ 2. Voor de gevallen bepaald in § 1 waarbij rekening wordt gehouden met een vermoedelijk inkomen, wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de leefeenheid zoals dit blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.

§ 3. Het definitieve bedrag van de studiefinanciering dat bij toepassing van de mogelijkheden van § 1 voorlopig berekend wordt, wordt vastgesteld door middel van het aanslagbiljet vermeld onder artikel 11, § 1, tweede lid en § 3.

Afdeling 3. -- Bedrag van de studiefinanciering

Art. 14.

§ 1. De minimuminkomensgrenzen zijn :

1° 6.200,56 euro voor een leefeenheid met nul punten;

2° 11.205,50 euro voor een leefeenheid met één punt;

3° 12.957,25 euro voor een leefeenheid met twee punten;

4° 14.430,90 euro voor een leefeenheid met drie punten;

5° 15.320, 69 euro voor een leefeenheid met vier punten;

6° 16.201,22 euro voor een leefeenheid met vijf punten.;

7° 17.081,70 euro voor een leefeenheid met zes punten;

8° 17.962,19 euro voor een leefeenheid met zeven punten;

9° 18.842,69 euro voor een leefeenheid met acht punten;

10° 19.723,19 euro voor een leefeenheid met negen punten;

11° 20.603,68 euro voor een leefeenheid met tien punten;

12° 21.484,22 euro voor een leefeenheid met elf punten;

13° 22.364,69 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;

14° 23.245,19 euro voor een leefeenheid met dertien punten;

15° 24.125,72 euro voor een leefeenheid met veertien punten;

16° 25.006,19 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;

17° 25.886,71 euro voor een leefeenheid met zestien punten;

18° 26.767,23 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;

19° 27.647,71 euro voor een leefeenheid met achttien punten;

20° 28.528,22 euro voor een leefeenheid met negentien punten

21° 29.408,72 euro voor een leefeenheid met twintig punten.

§ 2. De maximuminkomensgrenzen zijn :

1° 13.667,62 euro voor een leefeenheid met nul punten;

2° 20.185,63 euro voor een leefeenheid met één punt;

3° 25.288,49,euro voor een leefeenheid met twee punten;

4° 29.362,26 euro voor een leefeenheid met drie punten;

5° 33.779,08 euro voor een leefeenheid met vier punten;

6° 39.225,02 euro voor een leefeenheid met vijf punten;

7° 42.912,83 euro voor een leefeenheid met zes punten;

8° 44.885,42 euro voor een leefeenheid met zeven punten;

9° 46.857,96 euro voor een leefeenheid met acht punten;

10° 48.873,36 euro voor een leefeenheid met negen punten;

11° 51.017,45 euro voor een leefeenheid met tien punten;

12° 52.904,27 euro voor een leefeenheid met elf punten;

13° 55.005,44 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;

14° 56.978,02 euro voor een leefeenheid met dertien punten;

15° 58.993,47 euro voor een leefeenheid met veertien punten;

16° 61.008,84 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;

17° 63.024,33 euro voor een leefeenheid met zestien punten;

18° 65.039,73 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;

19° 67.055,14 euro voor een leefeenheid met achttien punten;

20° 69.070,63 euro voor een leefeenheid met negentien punten;

21°. 71.086,03 euro voor een leefeenheid met twintig punten.

Art. 15.

In uitvoering van artikel 36 van het decreet worden de bedragen genoemd in artikelen 32 en 34 van het decreet aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van het indexcijfer bedoeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's Lands concurrentievermogen voor de maand december (basis 1996) van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het betrokken academiejaar begint, ten opzichte van het indexcijfer voor de maand december (basis 1996) van het derde kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het betrokken academiejaar begint. Deze stijging wordt afgerond naar het hogere tiende.

Het resultaat van de indexatie van de bedragen genoemd in artikelen 32 en 34 van het decreet wordt afgerond tot op de tweede decimaal.

HOOFDSTUK IV. - Procedure

Afdeling 1. - Aanvraag

Art. 16.

De aanvraag voor studiefinanciering wordt ingediend door middel van een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door de dienst.

Indien de aanvraag per post werd verzonden, geldt de poststempel als bewijs van datum van indiening.

Indien de aanvraag digitaal werd verzonden, geldt de ontvangstmelding als bewijs van datum van indiening.

Afdeling 2. - Terugvordering

Art. 17.

De terugvordering wordt aan de student gericht bij een ter post aangetekende brief waarin worden vermeld :

1° de uitgekeerde betalingen en de data ervan;

2° de reden waarop de terugvordering is gesteund;

3° het totaal van de teruggevraagde som; 4° het afbetalingsplan.

Art. 18.

Een ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering tot en met 50 euro wordt niet teruggevorderd.

Bedragen hoger dan 50 euro dienen te worden terugbetaald, hetzij in één geheel binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van terugvordering, hetzij in opeenvolgende maandelijkse afbetalingen van 50 euro.

Art. 19.

§ 1. Indien de student zich overeenkomstig zijn diplomacontract inschrijft voor een volledig academiejaar en zich uiterlijk op 30 november van het betrokken academiejaar uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt de volledige studiefinanciering teruggevorderd en worden de studiepunten als niet opgenomen beschouwd.

§ 2. Indien de student zich overeenkomstig zijn diplomacontract inschrijft voor een volledig academiejaar en zich in de periode van 1 december tot en met 28 februari, desgevallend 29 februari van het betrokken academiejaar uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt 50 procent van de studiefinanciering teruggevorderd en worden de studiepunten als opgenomen beschouwd.

§ 3. Indien de student zich overeenkomstig zijn diplomacontract inschrijft voor een volledig academiejaar en zich in de periode van 1 maart tot en met 31 mei van het betrokken academiejaar uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt 25 procent van de studiefinanciering teruggevorderd en worden de studiepunten als opgenomen beschouwd.

Art. 20.

§ 1. Indien de student zich uiterlijk op 31 oktober of 28 februari van het betrokken academiejaar, naargelang hij zich overeenkomstig zijn diplomacontract enkel heeft ingeschreven voor het eerste, dan wel tweede semester, uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt de volledige studiefinanciering teruggevorderd en worden de studiepunten als niet opgenomen beschouwd.

§ 2. Indien de student zich na 31 oktober of 28 februari van het betrokken academiejaar, naargelang hij zich overeenkomstig zijn diplomacontract enkel heeft ingeschreven voor het eerste, dan wel tweede semester, uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt 50 procent van de studiefinanciering teruggevorderd en worden de studiepunten als opgenomen beschouwd.

Art. 21.

Bij een uitschrijving zoals bepaald in artikel 19 en artikel 20 bezorgt de onderwijsinstelling aan de dienst een attest met de datum waarop de uitschrijving plaatsvond.

Art. 22.

Indien de student de studiefinanciering nog niet ontvangen heeft en zich uitschrijft voor de opleiding op basis waarvan de aanvraag tot studiefinanciering werd behandeld, wordt, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 19 en artikel 20, het bedrag waarop de student eventueel recht heeft, verminderd met het percentage dat moet worden teruggevorderd, uitbetaald, en worden de studiepunten in mindering gebracht.

TITEL III. - Inwerkingstreding

Art. 23.

Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2004.

Art. 24.

De Vlaamse minister, bevoegd voor Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.