Scholengemeenschappen basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2005/11
  • publicatiedatum
    30/06/2005
  • datum laatste wijziging
    07/06/2016
  • wettelijke basis
    Decreet basisonderwijs artikel 3, 52°bis en de artikelen 125bis tot en met 125quaterdecies
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs
  • contactpersoon
    Bart Bruylandt, 02/553.92.20
  • contactpersoon
    Johan Heymans, 02/553.92.02
  • Daar het kader rond de bestuurlijke optimalisatie nog verder uitgewerkt dient te worden en de gesprekken rond de bestuurlijke optimalisatie met het onderwijsveld en in het onderwijsveld de nodige tijd moet krijgen wordt de uitstap uit de scholengemeenschap om toe te treden tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken pas mogelijk vanaf 1 september 2018.

1. Algemeen

Kleine scholen beschikken niet steeds over voldoende draagkracht, middelen en specifieke expertise om hun maatschappelijke opdracht met succes te vervullen. In een kleine school kunnen organisatorische problemen een stuk moeilijker opgelost worden dan in een school die meer schaalgrootte heeft. Op pedagogisch vlak hebben grotere scholen en samenwerkingsverbanden een aantal voordelen. De mogelijkheden om gedifferentieerd te werken zijn ruimer, nascholing volgen tijdens de schoolopdracht is eenvoudiger omdat het makkelijker is om de leerkracht te vervangen en er zijn meer mogelijkheden tot overleg.

Uit talrijke voorbeelden blijkt dat scholen die samenwerken beter het hoofd kunnen bieden aan bepaalde beleids- en beheersproblemen en dat samenwerking een win-winsituatie betekent voor alle partners binnen het samenwerkingsverband.

Om samenwerking te stimuleren bestaat sinds 1 september 2003 de structuur “scholengemeenschappen”. De scholengemeenschappen leiden tot een bestuurlijke schaalvergroting en kunnen bijdragen tot een efficiënter beheer en gebruik van de beschikbare middelen van de afzonderlijke basisscholen. Deze structuur moet bijdragen tot het verhogen van het draagvlak van de scholen.

2. Criteria en voorwaarden

2.1. Vrijwillige toetreding

Geen enkele basisschool is verplicht om in een scholengemeenschap te stappen.

De toetreding tot een scholengemeenschap betekent niet dat de afzonderlijke scholen hun eigen identiteit moeten opgeven. Het vormen van een scholengemeenschap leidt immers tot een bundeling van krachten, met respect voor het pedagogisch project en de cultuur van elke individuele school.

2.2. Participanten

Scholengemeenschappen worden opgericht binnen het basisonderwijs.

De scholen voor buitengewoon onderwijs worden maximaal betrokken bij de vorming van scholengemeenschappen. Scholen voor buitengewoon basisonderwijs kunnen met hun specifieke expertise bijdragen aan de uitbouw van de zorgwerking binnen de scholengemeenschap. Scholen voor buitengewoon basisonderwijs werken zeer gedifferentieerd op basis van individuele handelingsplannen, werken multidisciplinair, hebben ervaring met (ICT-) materiaalontwikkeling enzovoort. Door intense samenwerking met scholen voor buitengewoon onderwijs, bij voorkeur van verschillende types, zal de scholengemeenschap meer in staat zijn om jongeren de hulp te kunnen bieden die ze nodig hebben, op de plaats die er het meest geschikt voor is. Daarbij moet niet enkel gedacht worden aan de specifieke expertise van de scholen voor type 8-onderwijs voor leerlingen met ernstige leerstoornissen (met het M-decreet evoluerend naar het type basisaanbod), ook scholen die andere handicap-specifiekere types aanbieden kunnen zinvol deel uitmaken van een scholengemeenschap. Ook schoolorganisatorisch kunnen de scholen voor buitengewoon onderwijs mee aan de weg timmeren. Een scholengemeenschap mag echter geen eenrichtingsverkeer zijn. Ook de scholen voor buitengewoon onderwijs winnen bij deze samenwerking.

Een scholengemeenschap bestaat steeds uit meerdere scholen.

Meerdere constructies zijn mogelijk:

- twee of meer scholen die behoren tot eenzelfde schoolbestuur;

- twee of meer scholen behorend tot verschillende schoolbesturen van hetzelfde onderwijsnet (gemeenschapsonderwijs, gesubsidieerd officieel onderwijs of gesubsidieerd vrij onderwijs);

- twee of meer scholen die behoren tot verschillende schoolbesturen en onderwijsnetten.

In principe treedt de volledige school met al haar vestigingsplaatsen toe tot één scholengemeenschap.

Uitzondering:

Vestigingsplaatsen van scholen, die van de regering bij afwijking een toelating gekregen hebben om over de gemeentegrenzen heen vestigingsplaatsen te hebben, kunnen toetreden tot een scholengemeenschap zonder dat de andere vestigingsplaatsen toetreden (zie ook artikel 62 4° decreet basisonderwijs).

2.3. Zones

Bij de vorming van de scholengemeenschappen is voor een geografische afbakening geopteerd.

De 44 onderwijszones die gelden voor de vorming van de scholengemeenschappen basisonderwijs zijn dezelfde zones die gelden voor de scholengemeenschappen secundair onderwijs (zie bijlage 1: Overzicht van de onderwijszones).

Als algemeen principe geldt dat elke scholengemeenschap binnen maximaal vijf aangrenzende zones moet gelegen zijn. Ze hoeven niet alle vijf aan elkaar te grenzen (vb. zone 1 en 5 hoeven elkaar niet te raken) maar ze moeten wel steeds een aaneenschakeling vormen. Het is bovendien mogelijk dat de scholengemeenschap verspreid is over vijf aangrenzende zones, maar dat er in één van deze vijf zones geen school is die deel uitmaakt van de scholengemeenschap.

Op dit algemene principe zijn er twee uitzonderingen:

1. Indien de scholen van eenzelfde groep binnen de grenzen van één provincie of binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de norm van 900 gewogen leerlingen niet bereiken, kunnen de scholen van deze groep scholengemeenschappen vormen over méér dan vijf aangrenzende zones. De definitie van groep is terug te vinden in artikel 3, 21° van het decreet basisonderwijs.

Voorbeeld

Als alle vrije niet-confessionele scholen uit de provincie Antwerpen samen geen 900 gewogen regelmatige leerlingen tellen, dan kunnen de vrije niet-confessionele scholen in gans Vlaanderen scholengemeenschappen vormen die zich over méér dan 5 aangrenzende zones uitstrekken. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de vrije niet-confessionele scholen één of meerdere scholengemeenschappen kunnen vormen met scholen die over meer dan vijf aangrenzende zones verspreid zijn.

2. In de uitzonderlijke gevallen dat een school vestigingsplaatsen heeft in verschillende zones kan het schoolbestuur zelf bepalen in welke zone de school gelegen is voor de toepassing van de norm van 5 zones. In dit geval kan de scholengemeenschap zich, in de feiten, misschien over meer dan 5 zones uitstrekken.

Voorbeeld

Een school heeft vestigingsplaatsen in de zones 1 en 2. Het schoolbestuur beslist dat de school, voor de vorming van scholengemeenschappen, gelegen is in zone 2. Deze school treedt toe tot een scholengemeenschap met scholen uit de vijf aangrenzende zones 2, 3, 4, 5, 6. Aangezien de school zowel in de zones 1 en 2 vestigingsplaatsen heeft is de scholengemeenschap, in de feiten, verspreid over de zones 1, 2, 3, 4, 5 en 6.

2.4. Normen

Elke scholengemeenschap moet:

- zowel kleuter- als lager onderwijs bevatten

- op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap ten minste 900 gewogen leerlingen tellen.

Bij het tellen van de leerlingen gelden de volgende regels:

- Alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld.

Scholen die in programmatie zijn of die omwille van een herstructurering tellen op de eerste schooldag van oktober, brengen toch het aantal regelmatige leerlingen van de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in rekening.

Voor basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 worden de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

- Elke leerling telt voor één teleenheid met uitzondering van de leerlingen van scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 200 inwoners per km² (zie bijlage 2: gemeenten met minder dan 200 inwoners per km²) en met uitzondering van de leerlingen van de scholen voor buitengewoon basisonderwijs:

 

Wegingscoëfficiënt van de leerlingen 

 

Minder dan 200 inwoners per km² 

Vanaf 200 inwoners per km² 

Gewoon basisonderwijs 

1,2 

 

Buitengewoon basisonderwijs 

loonscategorie A: 2,5 

 

loonscategorie A: 2,1 

 

loonscategorie B: 2,3 

loonscategorie B: 1,9 

 

loonscategorie C: 2,3 

loonscategorie C: 1,9 

(voor de categorieën A, B of C zie omzendbrief BaO/2010/03- Bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijsbepaald: aandachtspunten- aandachtspunten schooljaar 2007-2008- 1.6 loonsverhoging directeurs.)

- Het aantal gewogen leerlingen wordt, op niveau van de scholengemeenschap, afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, hierbij zijn de gebruikelijke afrondingsregels van toepassing.

Indien het eerste cijfer na de komma kleiner is dan 5 wordt er afgerond naar beneden. Indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is wordt er afgerond naar boven.

De norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen dient behaald te worden op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap.

Scholengemeenschappen die in de loop van de zesjaarlijkse periode geen 900 gewogen regelmatige leerlingen meer tellen kunnen blijven voortbestaan. Deze scholengemeenschappen kunnen nog recht hebben op een stimulus (zie punt 8.1.3. met betrekking tot twee behoudsjaren). De scholen die deel uitmaken van een dergelijke scholengemeenschap kunnen er echter ook voor opteren om uit de scholengemeenschap te stappen (zie verder in punt 5 duur van het engagement).

3. Contingentering van de scholengemeenschappen

Een scholengemeenschap moet een zekere grootte hebben om een levenskrachtig geheel te vormen. Een evolutie naar kleine scholengemeenschappen is niet wenselijk. Vandaar dat er contingenten vastgelegd zijn.

3.1. De contingenten

De volgende contingenten gelden:

- gemeenschapsonderwijs: maximum 44 scholengemeenschappen;

- gesubsidieerd officieel onderwijs: maximum 95 scholengemeenschappen;

- gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs: maximum 248 scholengemeenschappen. Opmerking: onder confessioneel moeten alle erkende godsdiensten verstaan worden;

- gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs: maximum 5 scholengemeenschappen. Opmerking: deze categorie omvat de scholengemeenschappen die gevormd worden met scholen die niet tot de categorie van het Gemeenschapsonderwijs, de categorie van het gesubsidieerd officieel onderwijs of de categorie van het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs behoren.

3.2. Netoverschrijdende scholengemeenschappen

Scholengemeenschappen kunnen netoverschrijdend zijn, dat wil zeggen dat de deelnemende scholen niet moeten behoren tot hetzelfde onderwijsnet. Het criterium om te bepalen tot welk contingent een netoverschrijdende scholengemeenschap behoort, is het aantal scholen van elk net. Dit criterium werd gekozen omdat het aantal scholen veel stabieler is dan bijvoorbeeld andere criteria zoals het aantal leerlingen of het aantal personeelsleden van de scholen van de categorie in de scholengemeenschap.

- Als de meerderheid van de scholen tot het gemeenschapsonderwijs behoort, wordt de scholengemeenschap in rekening gebracht op het contingent van het gemeenschapsonderwijs.

- Als de meerderheid van de scholen tot het gesubsidieerd officieel onderwijs behoort, wordt de scholengemeenschap in rekening gebracht op het contingent van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

- Als de meerderheid van de scholen tot het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs behoort, wordt de scholengemeenschap in rekening gebracht op het contingent van het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs.

- Als de meerderheid van de scholen tot het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs behoort, wordt de scholengemeenschap in rekening gebracht op het contingent van het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs.

Is het aantal scholen uit de verschillende categorieën evenwel gelijk, dan wordt door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten (of de betrokken federatie) van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

3.3. Overschrijding van het contingent

Indien het maximum aantal scholengemeenschappen voor een bepaalde categorie overschreden wordt, is het, naar gelang van het specifieke geval, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de inrichtende machten (het kan ook de betrokken federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen (FOPEM) of de federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen zijn) van het gesubsidieerd onderwijs die beslissen welke scholengemeenschappen gevormd kunnen worden.

4. Formele bevestiging

Scholen die overeengekomen zijn om samen te werken in een scholengemeenschap, moeten dit formeel en schriftelijk vastleggen.

Scholen van eenzelfde schoolbestuur vormen een scholengemeenschap bij beslissing van het schoolbestuur.

Scholen van verschillende schoolbesturen vormen een scholengemeenschap door het afsluiten van een overeenkomst tussen de verschillende schoolbesturen.

De beslissing of overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap. Er dient uitdrukkelijk vermeld te worden welke bevoegdheden (via beheersoverdracht) door de schoolbesturen gedelegeerd worden naar de scholengemeenschappen, voor zover dit krachtens een wet, een bijzonder decreet of een decreet niet wordt verboden.

5. Duur van het engagement

Alle scholengemeenschappen werden op 1 september 2014 opnieuw gevormd voor een zesjaarlijkse periode. Scholen kunnen tijdens deze periode, los van de hieronder vermelde uitzonderingen, niet uit de scholengemeenschap stappen. Dit betekent dat alle scholengemeenschappen lopen tot 31 augustus 2020. Het is wel mogelijk dat de samenstelling van de scholengemeenschap ongewijzigd blijft t.o.v. het schooljaar 2013-2014.

Een uitstap kan alleen maar in volgende gevallen:

  • De scholengemeenschap telt minder d an 900 gewogen leerlingen.

Scholen die deel uitmaken van een scholengemeenschap die de norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen niet behaalt, kunnen uit de scholengemeenschap stappen. Deze scholen kunnen dan eventueel aansluiting zoeken bij een andere scholengemeenschap.

Voor de scholen die niet uitstappen, blijft de in samenstelling gewijzigde scholengemeenschap bestaan tot het einde van de zesjarige periode. Deze scholengemeenschap dient wel nog uit minstens twee scholen te bestaan en zowel kleuter- als lager onderwijs te bevatten.

De uitstap uit de scholengemeenschap heeft, voor het Ministerie van Onderwijs en Vorming, uitwerking op de eerste schooldag van september na de beslissing om uit te stappen.

  • De school wordt overgenomen door een schoolbe stuur van een andere groep.

Een school die overgenomen wordt door een schoolbestuur van een andere groep kan uit de scholengemeenschap stappen op voorwaarde dat er binnen de scholengemeenschap een akkoord is over de uitstap. Deze scholen kunnen dan eventueel aansluiting zoeken bij een andere scholengemeenschap. (Voor definitie van groep zie punt 1.2 van de omzendbrief “Programmatie en Rationalisatie in het Gewoon Basisonderwijs”).

Voor de scholen die niet uitstappen, blijft de in samenstelling gewijzigde scholengemeenschap bestaan tot het einde van de zesjarige periode. Deze scholengemeenschap dient wel nog uit minstens twee scholen te bestaan en zowel kleuter- als lager onderwijs te bevatten.

De uitstap uit de scholengemeenschap heeft, voor het Ministerie van Onderwijs en Vorming, uitwerking op de eerste schooldag van september na de beslissing om uit te stappen.

  • De school behoort tot een “schoolbestuur met bepaalde kenmerken”. De kenmerken dienen nog nader vastgelegd te worden door de Vlaamse Regering.

Een dergelijke uitstap kan alleen op 1 september 2018 of 2019. De Vlaamse Regering dient nog verder te bepalen welke die kenmerken zijn waaraan het schoolbestuur moet voldoen. Een dergelijk schoolbestuur kan niet meer tot een scholengemeenschap behoren.

De school die in voorkomend geval uit de scholengemeenschap stapt, zal extra financiering of subsidiëring volgens een lineaire berekeningswijze genereren (voor het betrokken schoolbestuur), zoals door de Vlaamse Regering zal worden bepaald.

Voor de scholen die niet uitstappen, blijft de in samenstelling gewijzigde scholengemeenschap bestaan tot het einde van de zesjarige periode. Deze scholengemeenschap dient wel nog uit minstens twee scholen te bestaan en zowel kleuter- als lager onderwijs te bevatten.

De uitstap uit de scholengemeenschap heeft, voor het Ministerie van Onderwijs en Vorming, uitwerking op de eerste schooldag van september na de beslissing om uit te stappen.

Toetreden tot een scholengemeenschap.

Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap of die deel uitmaken van een scholengemeenschap met minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen of die overgenomen worden door een schoolbestuur van een andere groep (volgens de hierboven vermelde voorwaarde) kunnen, in de loop van de 6 jaar (dus tot 1 september 2019), toetreden tot een bestaande scholengemeenschap. Voor deze scholengemeenschappen geldt dezelfde einddatum van 31 augustus 2020.

Vanaf 1 september 2018 geldt dat scholen van een schoolbestuur met bepaalde kenmerken, nog nader te bepalen door de Vlaamse Regering niet meer tot een scholengemeenschap kan behoren (zie hoger bij de derde uitstapmogelijkheid).

Nieuwe scholengemeenschap.

Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap of scholen die behoren tot een scholengemeenschap met minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen of die overgenomen worden door een schoolbestuur van een andere groep kunnen, volgens de hierboven vermelde voorwaarde, tijdens de zesjaarlijkse periode ook een nieuwe scholengemeenschap vormen, op voorwaarde dat de contingenten dit nog toelaten. Ook voor deze scholengemeenschappen geldt dezelfde einddatum van 31 augustus 2020.

Vanaf 1 september 2018 geldt dat scholen van een schoolbestuur met bepaalde kenmerken, nog nader te bepalen door de Vlaamse Regering niet meer tot een scholengemeenschap kan behoren (zie hoger bij de derde uitstapmogelijkheid).

6. Formaliteiten

Bestaande scholengemeenschappen die ten opzichte van het vorige schooljaar geen wijzigingen ondergaan sturen geen documenten naar AgODi.

Bestaande scholengemeenschappen die de norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, niet halen zullen van AgODi een brief krijgen om hun samenstelling voor de volgende schooljaren te bevestigen.

Bestaande scholengemeenschappen wiens samenstelling na 1 september 2014 wijzigt (zie punt 5) en nieuwe scholengemeenschappen, moeten voor 15 juni voorafgaand aan de aanpassing van deze scholengemeenschap een ingevuld formulier “Melding van wijziging van scholengemeenschap” (bijlage 4) bezorgen aan de hieronder vermelde contactpersoon:

Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi)

Afdeling Scholen Basisonderwijs, CLB en DKO

t.a.v. Delphine Strobbe

Hendrik Consciencegebouw - toren 4A

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel.

7. Bevoegdheden

De oprichting van scholengemeenschappen in het basisonderwijs heeft tot doel deze structuur ook te responsabiliseren en de nodige beslissingsbevoegdheid te geven. Daartoe is vereist dat er de noodzakelijke juridische instrumenten voor handen zijn. Het/de schoolbestu(u)r(en) kan(kunnen) in deze kiezen voor een organisatiemodel waarbij ze aan de scholengemeenschap al dan niet beslissingsbevoegdheid toeken(t)(nen) over welbepaalde bevoegdheden.

- Kiest het schoolbestuur (de schoolbesturen) om bevoegdheden over te dragen aan de scholengemeenschap dan neemt ze dit op in de overeenkomst of beslissing. Over deze overgedragen bevoegdheden kan het schoolbestuur toezicht blijven uitoefenen. Dit toezicht kan voortvloeien uit het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs of de regelgeving op de lokale besturen. Schoolbesturen uit het gesubsidieerd vrij onderwijs kunnen zelf een toezichtsvorm bepalen.

- Kiest het schoolbestuur (de schoolbesturen) om geen bevoegdheden over te dragen aan de scholengemeenschap dan maakt de scholengemeenschap afspraken over deze bevoegdheden en legt deze voor aan het schoolbestuur dat de beslissing neemt. Het schoolbestuur kan slechts beslissen als een afspraak voorhanden is, waarbij geldt dat geen afspraak (formeel kenbaar gemaakt) ook een afspraak is.

- Kiest het schoolbestuur (de schoolbesturen) ervoor om een aantal bevoegdheden aan de scholengemeenschap toe te wijzen neemt ze dit op in de overeenkomst of beslissing.

Daarnaast zijn er een aantal bevoegdheden opgenomen die niet kunnen worden overgedragen. Indien de scholengemeenschap op eigen initiatief hierover afspraken gemaakt heeft, dan moet ze deze kenbaar maken aan de betrokken schoolbesturen, die de uiteindelijke beslissing nemen.

7.1. Bevoegdheden vatbaar voor beheersoverdracht indien het schoolbestuur hiervoor kiest.

Al naargelang de keuze van het schoolbestuur (de schoolbesturen) omtrent beheersoverdracht zal de scholengemeenschap zelf beslissen dan wel afspraken maken die ze aan het schoolbestuur (de schoolbesturen) ter beslissing voorlegt over:

- de aanwending van de puntenenveloppe stimulus binnen de scholengemeenschap. (zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten).

- de aanwending van de punten uit de enveloppen voor ICT en administratie die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengelegd (zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten).

- de wijze waarop de puntenenveloppe voor ICT aangewend wordt binnen de scholengemeenschap.

- de wijze waarop de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid aangewend wordt.

- het zorgbeleid binnen de scholengemeenschap. De scholengemeenschap duidt tevens een zorgcoördinator aan als aanspreekpunt voor de overheid voor de kleuterparticipatie binnen de scholengemeenschap.

- de wijze waarop de school voor buitengewoon onderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt. Het feit dat een school voor buitengewoon onderwijs behoort tot een bepaalde scholengemeenschap betekent niet dat zij met geen andere scholen (die behoren tot een andere scholengemeenschap of scholen die afzonderlijk blijven) meer kan samenwerken.

- het afsluiten van samenwerkingsakkoorden met basisscholen (zowel voor gewoon als buitengewoon onderwijs) die niet tot de scholengemeenschap behoren, met een scholengemeenschap basisonderwijs of secundair onderwijs, met één of meer instellingen voor secundair, deeltijds kunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs. Deze bepaling geldt niet voor samenwerkingsovereenkomsten die door de individuele scholen afgesloten zijn vooraleer de scholengemeenschap gevormd werd.

- het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap;

- algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;

- algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap. Binnen de scholengemeenschap kunnen een aantal punten die werden toegekend aan de verschillende scholen, gezamenlijk aangewend worden en kunnen ook uren en lestijden overgedragen worden. Het is dan ook evident dat de schoolbesturen binnen een scholengemeenschap afspraken maken over werving, taakinvulling en inzetbaarheid van de personeelsleden die zij met deze punten of lestijden/uren willen belasten.

Personeelsleden die in een school van een scholengemeenschap worden aangesteld met overgedragen lestijden (zie ook punt 7.2.) kunnen ingezet worden voor de vervulling van opdrachten voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Scholen kunnen bijvoorbeeld kiezen om hun ‘restlestijden’ over te dragen naar één school zodat men een personeelslid een volwaardige betrekking kan aanbieden voor een volledig schooljaar. Het personeelslid wordt dan weliswaar aangesteld door één school, maar is toch inzetbaar voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Binnen de scholengemeenschap moet onderhandeld worden over deze ruimere inzetbaarheid. Het personeelslid kan o.a. ingezet worden om vervangingen uit te voeren in alle scholen van de scholengemeenschap (= ‘mini-pool’), maar kan uiteraard ook ingezet worden voor andere pedagogische opdrachten in één of meer scholen van de scholengemeenschap (splitsing van een klas, een duobaan met een andere leerkracht,…).

Deze mogelijkheid is in de regelgeving ingeschreven als één van de maatregelen die worden genomen in het kader van het tekort aan (kleuter)onderwijzers dat zich de komende jaren sterk zal laten voelen in sommige regio’s. Het is mogelijk dat op schoolniveau restlestijden niet ingevuld raken en dat men bovendien geen vervangers vindt voor afwezige leerkrachten. Het tekort aan (kleuter)onderwijzers laat zich immers het eerst voelen bij het zoeken naar vervangers van afwezige personeelsleden in de loop van een schooljaar (= tijdelijke opdracht) of naar personeelsleden die zich tevreden moeten stellen met een onvolledige opdracht. Daarom biedt deze maatregel één van de mogelijke invalshoeken om adequaat om te gaan met het tekort aan (kleuter)onderwijzers.

De inzetbaarheid van deze personeelsleden is echter niet onbeperkt. Het schoolbestuur moet rekening houden met een maximale afstand van 25 km tussen de school van aanstelling of affectatie en de school van tewerkstelling. Het personeelslid kan echter instemmen om over een verdere afstand ingezet te worden.

Wanneer een personeelslid ruimer wordt ingezet, moet dit opgenomen worden in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld en in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid. Als de inzetbaarheid niet uitdrukkelijk schriftelijk is vastgelegd, betekent dit dat het personeelslid alleen kan worden ingezet in de school van aanstelling of affectatie.

Uiteraard sluit deze mogelijkheid niet uit dat in de toekomst ook binnen een scholengemeenschap school A nog steeds lestijden kan overdragen naar school B, waarmee school B een (kleuter)onderwijzer kan aanstellen die enkel in school B inzetbaar is.

Het begrip “scholengemeenschap” is ingeschreven in de rechtspositieregeling van de personeelsleden van het basisonderwijs. De personeelsleden bouwen rechten en plichten op die gelden ten aanzien van alle schoolbesturen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap (op vlak van tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, vacantverklaring, vaste benoeming, ...). In deze context is het noodzakelijk dat de verschillende partners in een scholengemeenschap duidelijke afspraken maken over het wervings- en benoemingsbeleid dat zij wensen te voeren.

7.2. Bevoegdheden niet vatbaar voor beheersoverdracht

De hierna opgesomde bevoegdheden zijn niet vatbaar voor beheersoverdracht. De scholengemeenschap zal afspraken maken en deze aan het/de schoolbestu(u)r(en) voorleggen:

- Overdracht van lestijden en uren. In principe is dit beperkt tot 3% van het lestijden- respectievelijk urenpakket. Binnen de scholengemeenschap kan echter méér dan 3% overgedragen worden naar andere scholen binnen de scholengemeenschap. De overdracht mag evenwel niet tot gevolg hebben dat er personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. (zie omzendbrief personeelsformatie scholen gewoon basisonderwijs en omzendbrief personeelsformatie scholen buitengewoon basisonderwijs)

- Als een school een scholengemeenschap A verlaat (zie punt 5 uitzondering 1 en 2) en toetreedt tot een andere scholengemeenschap B(zie punt 5) kan de scholengemeenschap A aan de schoolbesturen van haar scholen de overdracht van punten voor het voeren van een zorgbeleid naar de scholengemeenschap B waartoe de “uittredende” school “toetreedt” voorleggen.

- De scholengemeenschap kan het initiatief nemen om aan de schoolbesturen de overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen voor te leggen teneinde speciale projecten met betrekking tot zorg mogelijk te maken. Deze overdrachten zijn enkel mogelijk naar scholengemeenschappen die binnen dezelfde zone(s) of aangrenzende zone(s) liggen (Bijvoorbeeld om specifieke aandacht te geven aan autisme).

- De scholen binnen de scholengemeenschap kunnen hun infrastructuur ter beschikking stellen aan elkaar. Over het gebruik van de infrastructuur dienen zij dan ook de nodige afspraken te maken (bv. de school stelt haar computerlokaal, gymzaal, refter, enz ter beschikking aan de andere scholen van de scholengemeenschap). Dit betekent niet dat scholen in elkaars gebouwen leerlingen kunnen onderbrengen zonder dat de bepalingen rond fusies en herstructureringen gerespecteerd worden (zie omzendbrief “programmatie en rationalisatie in het gewoon basisonderwijs” en omzendbrief “programmatie en rationalisatie in hetbuitengewoonbasisonderwijs”).

Voor de rol van de scholengemeenschappen m.b.t. de engagementsverklaring zie omzendbrief Engagementsverklaring in het basisonderwijs”.

7.3. Bijkomende bevoegdheden

Het/de schoolbestu(u)r(en) kan/kunnen bijkomende bevoegdheden aan het niveau van de scholengemeenschap toekennen, tenzij dit krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen inzake bevoegdheidsverdeling wordt verboden.

Deze bijkomende bevoegdheden dienen te worden opgenomen in de beslissing of overeenkomst. Deze niet uitdrukkelijk bij wet of decreet aan de schoolbesturen voorbehouden bevoegdheden zijn vatbaar voor beheersoverdracht.

Voorbeeld:

De scholengemeenschap kan afspraken maken om een gezamenlijk aankoopbeleid te voeren van goederen en diensten, wat de kostprijzen kan drukken.

Het aanhouden van één gemeenschappelijke boekhouding voor verschillende scholen van de scholengemeenschap die niet onder hetzelfde schoolbestuur ressorteren is niet toegelaten. Dit vloeit voort uit de boekhoudkundige verplichtingen eigen aan de V.Z.W.-wetgeving en de reglementering betreffende de controle op het gebruik van de werkingstoelagen.

8. Voordelen

Scholen die samenwerken kunnen bepaalde beleids- en beheersproblemen beter het hoofd bieden. Het nauwer samenwerken tussen de scholen van een scholengemeenschap kan ook een positieve invloed hebben op hun onderwijskwaliteit. Het feit dat meer mensen samen denken, organiseren, taken verdelen, leidt tot beter en efficiënter onderwijs. Wanneer bovendien ook de menselijke expertise, het materiaal en de infrastructuur samen gebruikt worden en zo ter beschikking komen van meer kinderen leidt dit tot een aanzienlijke versterking van de draagkracht van elke school op zich.

Daarnaast worden de volgende voordelen toegekend aan de scholengemeenschappen:

8.1. Elke scholengemeenschap krijgt als stimulus een puntenenveloppe

Om het beleidsvoerend vermogen van de scholengemeenschappen te versterken wordt er een puntenenveloppe voorzien. De grootte van deze puntenveloppe is afhankelijk van het aantal gewogen regelmatige leerlingen dat de scholengemeenschap telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

Met deze puntenenveloppe wordt aan de scholengemeenschappen de kans geboden om te starten met de uitbouw van een managementfunctie en een echt middenkader, dat de organisatie van de scholengemeenschap op zich neemt, zowel administratief, pedagogisch, financieel, ... enz.

Hoe de aanwending van deze stimulus (en van de samengelegde punten op niveau scholengemeenschap) precies kan gebeuren, vindt u terug in de omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten.

8.1.1. Op hoeveel punten stimulus heeft een scholengemeenschap recht?

Elke scholengemeenschap heeft jaarlijks recht op een stimulus. De grootte van deze stimulus is afhankelijk van het aantal regelmatig gewogen leerlingen dat de scholengemeenschap telt. De onderstaande tabel vermeldt hoeveel punten stimulus een scholengemeenschap krijgt.

Aantal gewogen leerlingen 

Stimulus 

900 - 1349 

66 

1350 - 1799 

91 

1800 - 2699 

126 

2700 - 3599 

192 

3600 - 4499 

252 

4500 - 5399 

312 

5400 - ... 

372 

8.1.2. Hoe wordt de stimulus berekend?

De stimulus van de scholengemeenschap wordt jaarlijks bepaald op basis van het gezamenlijke aantal gewogen regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

Het jaarlijks hertellen zorgt ervoor dat de stimulus in overeenstemming is met het reële leerlingenaantal van de scholengemeenschap. Door het jaarlijks hertellen voor de stimulus worden groter wordende scholengemeenschappen onmiddellijk gevaloriseerd.

Bij het tellen van de leerlingen gelden de volgende regels:

- Alleen de regelmatig ingeschreven leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld.

Scholen die in programmatie zijn of die omwille van een herstructurering tellen op de eerste schooldag van oktober, brengen toch het aantal regelmatige leerlingen van de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar in rekening.

Voor basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 worden de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

- Elke leerling telt voor één teleenheid met uitzondering van de leerlingen van scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 200 inwoners per km² en met uitzondering van de leerlingen van de scholen voor buitengewoon basisonderwijs:

 

Wegingscoëfficiënt van de leerlingen 

 

Minder dan 200 inwoners per km² 

Vanaf 200 inwoners per km² 

Gewoon basisonderwijs 

1,2 

 

Buitengewoon basisonderwijs 

loonscategorie A: 2,5 

 

loonscategorie A: 2,1 

 

loonscategorie B: 2,3 

loonscategorie B: 1,9 

 

loonscategorie C: 2,3 

loonscategorie C: 1,9 

(voor de categorieën A, B of C zie omzendbrief BaO/2010/03 - Bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs. Meer bepaald: aandachtspunten vorige schooljaren - aandachtspunten schooljaar 2007-2008- 1.6 loonsverhoging directeurs.)

Het aantal gewogen regelmatige leerlingen wordt, op niveau van de scholengemeenschap, afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid. Hierbij zijn de gebruikelijke afrondingsregels van toepassing.

Indien het eerste cijfer na de komma kleiner is dan 5 wordt er afgerond naar beneden. Indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is wordt er afgerond naar boven.

- Bij nieuwe scholengemeenschappen, die gevormd worden tijdens de zesjaarlijkse periode, worden enkel de leerlingen van de scholen geteld die het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakten van een andere scholengemeenschap en voor zover de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

- Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

8.1.3. Twee 'behoudsjaren'

Om de mogelijke negatieve gevolgen van het jaarlijks hertellen op te vangen, worden er “twee behoudsjaren” geïntroduceerd.

Indien een scholengemeenschap in de loop van de zesjaarlijkse periode op een teldag de norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen niet meer haalt, gelden twee opeenvolgende behoudsjaren waarin de stimulus behouden blijft. De scholengemeenschap heeft dan recht op een stimulus van 66 punten.

Indien de norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen na de twee opeenvolgende behoudsjaren niet bereikt wordt, wordt geen stimulus meer toegekend. De scholengemeenschap kan blijven bestaan.

Indien de scholengemeenschap na één of twee behoudsjaren de norm van 900 gewogen regelmatige leerlingen opnieuw behaalt, heeft de scholengemeenschap, volgens de werkwijze in punt 8.1.1 en 8.1.2, opnieuw recht op een stimulus.

8.1.4. Aanwending van de stimulus

Zie hiervoor de omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten.

8.2. Elke scholengemeenschap heeft recht op een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid.

8.2.1. Berekeningswijze puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid

8.2.1.1. Algemene principes

Aan elke scholengemeenschap wordt één puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend.

Het normenstelsel voor de berekeningswijze bestaat uit 2 componenten:

- een sokkel per school voor gewoon basisonderwijs in de scholengemeenschap;

- de overige punten worden lineair toegekend op basis van het aantal leerlingen (kleuter én lager) gewoon basisonderwijs en het aantal kleuters buitengewoon basisonderwijs in de scholengemeenschap.

Voor wat het lineaire gedeelte betreft worden puntengewichten vastgelegd voor:

- een kleuter in het gewoon basisonderwijs;

- een kleuter in het buitengewoon basisonderwijs;

- een leerling lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs.

8.2.1.2. Sokkels en puntengewichten.

De sokkel en de puntengewichten zijn de volgende:

Per school voor gewoon basisonderwijs 

14 punten 

Per kleuter in het gewoon basisonderwijs 

0,18128 punten 

Per leerling lager in het gewoon basisonderwijs 

0,14122 punten 

Per kleuter in het buitengewoon basisonderwijs 

0,03055 punten 

Het puntentotaal dat elke school genereert, wordt afgerond op schoolniveau. Indien het eerste cijfer na de komma van het totaal op schoolniveau groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal. Het aantal punten waar de scholengemeenschap recht op heeft, is de som van het aantal punten dat elke school genereert.

8.2.1.3. Teldag

Bij het tellen van de leerlingen gelden de volgende regels:

1° In het gewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld.

2° Voor de CKG-scholen worden de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

3° In het buitengewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld.

4° In de scholen voor type 5 worden de kleuters geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

5° Bij nieuwe scholengemeenschappen, die gevormd worden tijdens de zesjaarlijkse periode, worden enkel de leerlingen van de scholen geteld die het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakten van een andere scholengemeenschap en voor zover de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

6° Leerlingen van scholen die toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap worden al het schooljaar van hun toetreding meegeteld voor de berekening van de enveloppe zorg op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap.

7° Leerlingen van scholen die toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap worden al het schooljaar van hun toetreding meegeteld voor de berekening van de enveloppe zorg op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan.

8° Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

Bij het tellen van het aantal scholen voor gewoon basisonderwijs geldt de volgende regel:

In de scholengemeenschap worden alleen de scholen voor gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld. Bij nieuwe scholengemeenschappen, die gevormd worden tijdens de zesjaarlijkse periode, worden enkel de scholen voor gewoon basisonderwijs geteld die het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakten van een andere scholengemeenschap en voor zover de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

Scholen voor gewoon basisonderwijs die toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap worden al het schooljaar van hun toetreding meegeteld voor de berekening van de enveloppe zorg op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap.

Scholen voor gewoon basisonderwijs die toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap worden al het schooljaar van hun toetreding meegeteld voor de berekening van de enveloppe zorg op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan.

Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.

8.2.1.4. Voorbeeld

- De scholengemeenschap is op basis van de teldag van de eerste schooldag van februari als volgt samengesteld:

1. Een kleuterschool voor gewoon basisonderwijs met 200 kleuters.

2. Een basisschool voor gewoon basisonderwijs met:

· 200 kleuters

· 500 leerlingen lager onderwijs

3. Een basisschool voor buitengewoon basisonderwijs met:

· 20 kleuters

· 90 leerlingen lager onderwijs

- De inbreng van de leerlingen van de kleuterschool voor gewoon basisonderwijs:

· 200 kleuters X 0,18128 = 36,256

· Afronden = 36 punten.

- De inbreng van de leerlingen van de basisschool voor gewoon basisonderwijs:

· 200 kleuters

§ 200 kleuters X 0,18128 = 36,256

· 500 leerlingen lager onderwijs

§ 500 leerlingen lager onderwijs X 0,14122 = 70,61

· Totaal: 106,866

· Afronden: 107 punten

- De inbreng van de leerlingen van de basisschool voor buitengewoon basisonderwijs:

· 20 kleuters

§ 20 kleuters X 0,03055 = 0,611

§ Afronden = 1 punt.

· 90 leerlingen lager onderwijs

§ Genereren geen punten.

- Sokkel voor elke school voor gewoon basisonderwijs:

§ 2 X 14 = 28 punten

- De totale puntenenveloppe voor het voeren van het zorgbeleid van de scholengemeenschap bedraagt: 36+107+1+28 = 172 punten.

8.2.2. Aanwending

Zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs : personeelsformatie en personeelsaspecten

Zie punt 8.4. omzendbrief de personeelsformatie Scholen in het buitengewoon basisonderwijs

8.2.3. Overgangsmaatregel: scholen niet in een scholengemeenschap

De scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap blijven recht hebben op een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid.

Meer informatie is terug te vinden in de omzendbriefpersoneelsformatiein het gewoon basisonderwijs

8.2.4. Duiding bij de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid

Zie bijlage3

9. Bijlagen