Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs

  • Deze omzendbrief geldt voor het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs met uitzondering van deel 3 dat alleen maar van toepassing is in het gewoon voltijds secundair onderwijs.
  • Het ondersteuningsaanbod voor scholen voor buitengewoon secundair onderwijs wordt toegelicht in een afzonderlijke omzendbrief.
  • Het doel van deze omzendbrief is toelichting verschaffen bij het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I en de besluiten van de Vlaamse regering die in uitvoering daarvan werden genomen
  • Op 1 september 2012 treedt het nieuwe inschrijvingsrecht in werking. De gewijzigde en nieuwe bepalingen m.b.t. het recht op inschrijving zijn opgenomen in de omzendbrief SO/2012/01 - ‘Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs’. Bijgevolg wordt deze omzendbrief aangepast.

(…)

1. De lokale overlegplatforms

1.1. Inleiding

Het decreet voorziet in de oprichting van lokale overlegplatforms voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.

Aangezien de deelname aan zo'n overlegplatform essentieel is, wordt het een financierings- of subsidiëringsvoorwaarde voor scholen en centra voor leerlingenbegeleiding.

Ook de correcte samenwerking binnen een lokaal overlegplatform wordt expliciet in de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden opgenomen. Scholen moeten met andere woorden de afspraken, die worden gemaakt, naleven. Scholen en centra die zich hieraan zouden onttrekken kunnen gesanctioneerd worden.

1.2. Werkingsgebied

Het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform is in beginsel de gemeente. De Vlaamse regering kan het werkingsgebied in grote steden verkleinen (tot op districtsniveau) of uitbreiden tot het grondgebied van verschillende aangrenzende gemeenten.

Lokale overlegplatforms in bepaalde gemeenten kunnen ook opteren voor een wijkgerichte werking maar dit kan niet leiden tot de oprichting van een lokaal overlegplatform op wijkniveau.

De lijst van gemeenten en regio's waar in het secundair onderwijs prioritair een lokaal overlegplatform wordt opgericht, vindt u in bijlage 5.

1.3. Samenstelling

Een lokaal overlegplatform wordt voorgezeten door een voorzitter, die aangesteld wordt door de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs, na overleg met het lokaal platform. De voorzitter moet vertrouwd zijn met het ruime onderwijsveld. Er is onverenigbaarheid met het zetelen in een schoolbestuur, het personeelslid zijn van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of CLB's.

Voor de ondersteuning van de lokale overlegplatforms wordt een deskundige aangesteld. U vindt een lijst van deze deskundigen op http://www.ond.vlaanderen.be/GOK/LOP/.

Deze vervult zowel een organisatorische als een inhoudelijke rol, die wordt vastgelegd in een functiebeschrijving en het huishoudelijk reglement. De deskundige kan niet aangesteld worden als voorzitter. Eenzelfde deskundige kan meerdere overlegplatforms ondersteunen, rekening houdend met de schaalgrootte en de kenmerken van de leerlingenpopulatie.

Verder bestaat een lokaal overlegplatform uit vertegenwoordigers van de diverse actoren die in de gemeente of regio aanwezig zijn en zich aanmelden:

1° de onderwijswereld, met name de directies en schoolbesturen van alle scholen en centra voor leerlingenbegeleiding binnen het werkingsgebied. Wanneer leerlingenstromen bestaan tussen scholen binnen het werkingsgebied en scholen voor buitengewoon onderwijs buiten het werkingsgebied, worden de directies en schoolbesturen van deze laatste scholen eveneens bij het overleg betrokken. De hierboven vermelde inrichtende machten kunnen zich respectievelijk laten vertegenwoordigen door een directie van de school van het eigen schoolbestuur of door een directie van een centrum voor leerlingenbegeleiding van het eigen schoolbestuur;

2° een vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van de in het werkingsgebied gelegen scholen behartigt;

3° twee vertegenwoordigers van erkende ouderverenigingen;

4° twee vertegenwoordigers van leerlingenraden (in overlegplatforms voor het secundair onderwijs);

5° ten hoogste tien vertegenwoordigers van lokale socio-economische en/of -culturele partners;

6° twee vertegenwoordigers van organisaties van etnisch-culturele minderheden;

7° twee vertegenwoordigers van een vereniging waar armen het woord nemen;

8° een vertegenwoordiger van de integratiesector;

9° een vertegenwoordiger van elk van de in het werkingsgebied gelegen onthaalbureaus;

10° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;

11° een vertegenwoordiger met een adviserende functie van het lokaal bestuur. Dit wil zeggen het gemeentebestuur of betrokken gemeentebesturen. Omdat de gemeente een lokaal beleid kan voeren inzake welzijn, mobiliteit, huisvesting e.d. kan ze een belangrijke adviserende rol vervullen in het overlegplatform. Deze adviesfunctie kan slechts worden vervuld door een persoon die niet optreedt in de hoedanigheid van de vertegenwoordiger van de gemeente als schoolbestuur.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal de adviesfunctie opgenomen worden door een vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Om de plaatselijke vertegenwoordigers onder 2°, 3°, 4°, 6°, 7° en 8° aan te duiden worden op initiatief van de minister de koepelorganisaties aangesproken zijnde: de vakorganisaties (2°), de erkende ouderverenigingen (3°), de Vlaamse Scholierenkoepel (4°), het Minderhedenforum (6°), het Vlaams Netwerk waar armen het woord nemen (7°) en het Kruispunt Migratie-Integratie (8°).

De vertegenwoordigers van de lokale socio-economische en/of -culturele partners (5°) en van het schoolopbouwwerk (10°) worden door de andere leden aangeduid.

Het is dus de bedoeling van bij de start alle genoemde actoren bij het overleg te betrekken.

Waar er nog geen lokaal overleg inzake non-discriminatie actief is, neemt de deskundige het initiatief tot een eerste samenkomst.

De werking van een lokaal overlegplatform wordt vastgelegd in een huishoudelijk reglement. Ook bij de opsplitsing in deelgebieden dienen de afspraken rond de opsplitsing en de werking van de deelgebieden vastgelegd te worden in het huishoudelijk reglement.

1.4. Bevoegdheden

Een lokaal overlegplatform heeft volgende opdrachten:

1° Het opmaken van een omgevingsanalyse inzake ongelijke onderwijskansen binnen het werkingsgebied. Het doel van die analyse is om op basis van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens de ongelijke kansenproblematiek in het werkingsgebied zowel met betrekking tot het onderwijs alsook ruimer in kaart te brengen. De participanten van het lokaal overleg leveren daartoe de noodzakelijke kwantitatieve en kwalitatieve gegevens;

2° Het maken van afspraken inzake het nastreven van de doelstellingen van het gelijke onderwijskansenbeleid, zijnde het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen, het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie, het bevorderen van sociale mix en cohesie en bijkomend voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, ook de bescherming van de gelijke onderwijs- inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs;

3° Het maken van afspraken inzake de opvang, het aanbod en de toeleiding van leerlingen naar het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers in het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs;

4° Het herberekenen van de relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen (definitie zie punt 5.3.5.2. van de omzendbrief SO/2012/01) in het werkingsgebied en het eventueel opdelen van het werkingsgebied in deelgebieden;

5° Het maken van afspraken inzake de uitoefening van de bemiddelingsbevoegdheid;

(…)

6° Het maken van afspraken omtrent scholen van het gewoon secundair onderwijs die de expliciete toelating krijgen om gedurende het schooljaar de inschrijving van een leerling, die omwille van een definitieve uitsluiting van school verandert, te weigeren. Deze weigeringsgrond kan enkel verleend worden aan scholen wiens draagkracht ernstig onder druk staat volgens criteria die vooraf afgesproken zijn binnen het lokaal overlegplatform.

7° Het maken van afspraken over de toepassing van de voorrangsregels, inzonderheid afspraken over het effectief voorzien in de scholen betrokken bij een LOP van een voorrangsrecht voor indicator- of niet-indicatorleerlingen.

Voor meer informatie over de voorrangsregels, raadpleeg de omzendbrief SO/2012/01 - Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

8° Het maken van afspraken over het hanteren van gezamenlijke inschrijvingsperiodes.

9° Het maken van afspraken met betrekking tot de communicatie over het inschrijvingsbeleid van de scholen.

10° Het ontwikkelen van instrumenten om dubbele inschrijvingen te voorkomen.

11° Het maken van afspraken over het verhogen van de kleuterparticipatie.

12 ° Het uitwerken van aanvullende bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal.

(…)

In het kader van het nieuw inschrijvingsrecht heeft een lokaal overlegplatform bijkomende bevoegdheden gekregen. Voor meer informatie, raadpleeg de omzendbrief SO/2012/01 – Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

Een lokaal overlegplatform kan beslissen om bijkomende opdrachten op te nemen en de Vlaamse regering kan beslissen om bijkomende opdrachten aan de LOP's toe te wijzen.

2. De Commissie inzake leerlingenrechten

2.1. Inleiding

Elke leerling heeft een principieel inschrijvingsrecht in de gekozen school of vestigingsplaats. Slechts in een beperkt aantal gevallen die decretaal vastgelegd zijn, kunnen schoolbesturen leerlingen weigeren.

Alle scholen moeten hun maatschappelijke opdracht opnemen ten aanzien van leerlingen met een minder gunstige achtergrond. Ook deze leerlingen hebben recht op optimale onderwijskansen.

Om dat fundamentele inschrijvingsrecht reëel te maken en te bewaken dat weigeringen en doorverwijzingen gerechtvaardigd zijn, voorziet het decreet in een rechtsbescherming voor de leerlingen en hun ouders.

De rechtsbescherming is het sluitstuk van het inschrijvingsrecht.

(…)

2.2. Oprichting en samenstelling

De Commissie inzake leerlingenrechten wordt opgericht bij het Ministerie van Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap en bestaat uit een voorzitter, zes leden aangesteld door de minister, een secretaris aangesteld door de administrateur-generaal van AgODi. (Voor ieder lid wordt telkens een plaatsvervanger voorzien).

De voorzitter van de commissie is een jurist. Van de leden zijn 2 personen vertrouwd met de onderwijsregelgeving en het onderwijsveld. Twee personen hebben een bijzondere kennis of verdienste op het vlak van de kinderrechtenbescherming en 2 personen zijn vertrouwd met het grondwettelijk en administratief recht. Deze samenstelling waarborgt dat alle dossiers vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden en dat een gefundeerd oordeel uitgesproken wordt.

De zetel van de Commissie is gevestigd te Brussel - Hendrik Consciencegebouw - Koning Albert-II laan 15, lokaal 4M02 - 1210 Brussel.

2.3. Bevoegdheden

De Commissie inzake leerlingenrechten oordeelt over klachten bij een niet-gerealiseerde inschrijving en adviseert inzake het recht op inschrijving.

Daarnaast toetst de Commissie inzake leerlingenrechten ook voorstellen van aanmeldingsprocedures aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures van de codex secundair onderwijs.

Voor meer informatie, raadpleeg omzendbrief SO/2012/01 – Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

2.4. Werking van de commissie

De zitting van de commissie is rechtsgeldig wanneer de voorzitter aanwezig is en van de drie categorieën leden telkens één lid vertegenwoordigd is.

Voor meer informatie over de procedure bij klachten tegen een niet-gerealiseerde inschrijving, raadpleeg punt 10.2 van de omzendbrief SO/2012/01 – Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

Zodra de commissie moet optreden, stelt de voorzitter de betrokkenen bij aangetekend schrijven in kennis van de datum van behandeling en van de lijst van effectieve en plaatsvervangende leden. Het schoolbestuur wordt tevens uitgenodigd om, ten laatste op de zitting, een schriftelijke rechtvaardiging voor de niet-gerealiseerde inschrijving of doorverwijzing te bezorgen.

De bedoelde kennisgeving gebeurt via e-mail of fax, zonder dat de termijn voor behandeling in het gedrang komt.

De betrokkenen kunnen één of meerdere leden uit de commissie laten verwijderen (“wraken”) vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De plaatsvervanger neemt de plaats in van het gewraakte lid.

Indien zowel de voorzitter als de plaatsvervangende voorzitter worden gewraakt, duidt de minister een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

De redenen van wraking zijn deze voorzien in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het lid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

Het schoolbestuur en de ouders worden op hun verzoek gehoord. Zij kunnen zich laten bijstaan door een raadsman.

De commissie kan op verzoek of ambtshalve getuigen horen.

Zij kan alle nodige documenten opvragen bij het betrokken schoolbestuur. Zij kan een beroep doen op de onderwijsinspectie en de verificatiediensten van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, Scholen Secundair Onderwijs en DKO.

(…)

3. Het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs

De huidige driejarige GOK-cyclus die loopt van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2017 wordt, uitzonderlijk, verlengd tot en met 31 augustus 2018. Het gedurende drie schooljaren toegekend aantal uren blijft tijdens het vierde schooljaar behouden, ongeacht het resultaat van GOK-inspectie.

Het gelijke onderwijskansenbeleid van de Vlaamse overheid kent al een hele voorgeschiedenis. Het kansarmoedebeleid binnen onderwijs heeft sinds de jaren '90 een belangrijke waarde gekregen. Van toen reeds werd er heel wat tijd en energie gestopt in het uitdokteren van een welomlijnd en haalbaar onderwijsbeleid naar de Vlaamse scholen toe.

Binnen het secundair onderwijs zijn er in die tijd twee pistes uitgewerkt om dit kansarmoedebeleid gestalte te geven, nl. het onderwijsvoorrangsbeleid en het project bijzondere noden.

Sinds 1991 werd er enerzijds een onderwijsvoorrangsbeleid in de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs gevoerd om de onderwijsachterstand van kansarme migrantenkinderen weg te werken en hun integratie te bevorderen.

Anderzijds liep sinds 2000 het project bijzondere noden om de scholen in tweede en derde graad te ondersteunen die geconfronteerd werden met een moeilijk leerlingenpubliek onder meer ten gevolge van schoolse achterstand, schoolshopping of kansarmoedeproblemen.

In beide projecten kregen de scholen met een bepaald percentage “doelgroepleerlingen” extra uren-leraar of extra betrekkingen van het ondersteunend personeel.

Via het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I is er werk gemaakt van:

- het bundelen van de inspanningen,

- een éénduidige visie en

- het samenbrengen van de huidige versnipperde projecten en middelen.

Concreet betekende dit dat vanaf 1 september 2002 de tijdelijke projecten onderwijsvoorrang en bijzondere noden plaats maken voor één geïntegreerd ondersteuningsaanbod. Daarbij werd uitgegaan van evenwaardige ontplooiingskansen en ontwikkelingskansen voor kansarme kinderen waarbij de diversiteit binnen de leerlingengroep centraal staat.

Om een integratie van de projecten te kunnen realiseren, moest gesleuteld worden aan de indicatoren en aan de normen voor de toekenning van de middelen. Tegelijkertijd werden de knelpunten van de tijdelijke projecten weggewerkt.

Vanaf het schooljaar 2008-2009 worden de indicatoren van de eerste graad ook gebruikt in de tweede en derde graad om het GOK-beleid in de diverse graden beter op elkaar af te stemmen.

3.1. Doelstelling

Het gelijke onderwijskansendecreet-I levert blijvende inspanningen om de onderwijsachterstand van kansarme autochtone en allochtone leerlingen weg te werken en de integratie te bevorderen. Deze leerlingen hebben immers de minste ontwikkelingskansen en de meeste nood aan ondersteuning.

Scholen met deze doelgroep kunnen beroep doen op extra uren-leraar, begeleiding en ondersteuning. Het is de bedoeling een onderwijspraktijk uit te bouwen die rekening houdt met de taalachtergrond en de diversiteit van iedere leerling. Door een meer efficiënte aanpak kunnen de leerlingen beter worden ondersteund in hun ontwikkeling zodat de resultaten zichtbaar verbeteren.

3.2. Doelgroep

Het gelijke onderwijskansenbeleid richt zich naar autochtone en allochtone kansarme jongeren in de eerste, tweede en derde graad en in het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers van het gewoon secundair onderwijs die omwille van hun sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandspositie te raken.

Deze doelgroep wordt geïdentificeerd aan de hand van vijf gelijke kansenindicatoren (zie verder onder punt 3.3.1.1.)

Deze indicatoren zijn dezelfde als voor het basisonderwijs. Hierdoor sluit het gelijke onderwijskansenbeleid van het secundair onderwijs aan op het gelijke onderwijskansenbeleid in het basisonderwijs.

3.3. Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor extra uren-leraar in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid moet een school:

- voor de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers minstens 10% leerlingen tellen in de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren.;

- voor de tweede en de derde graad, minstens 25% leerlingen tellen in de tweede en derde graad die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren;

- een schooleigen visie uitschrijven rond gelijke onderwijskansen;

- Voor scholen die reeds extra uren-leraar GOK ontvingen, een positief inspectieverslag hebben voor de werking van de voorbije periode van drie schooljaren.

3.3.1. De school telt het vereiste aantal leerlingen dat voldoet aan de gelijke kansenindicatoren

Instapdrempel en teldag

Om in aanmerking te komen voor extra uren-leraar telt de school op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de driejaarlijkse periode minstens 10% regelmatige leerlingen van de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren en/of minstens 25% regelmatige leerlingen van de tweede en derde graad die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren.

De gelijke kansenindicatoren

In de eerste, tweede en derde graad en in het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers wordt uitgegaan van socio-economische en culturele indicatoren om de scholen met de meeste risicoleerlingen te detecteren. Deze indicatoren hebben een sterk voorspellende waarde voor achterstand en achterstelling. Om de scholen in staat te stellen deze vaststellingen omtrent het behoren tot de doelgroep van het gelijke onderwijskansenbeleid te doen, dienden zij leerlingengegevens op te vragen aan al hun leerlingen van de eerste graad, tweede en derde graad en van het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers. (Cfr. NO/2012/01 van 7 maart 2012 over het registreren van leerlingenkenmerken in DISCIMUS – punt 4)

Het is aan te raden om deze gegevens op te vragen voor leerlingen waarvoor er in DISCIMUS geen gegevens beschikbaar zijn.

De gelijke kansenindicatoren zijn de volgende:

- de ouders behoren tot de trekkende bevolking: d.w.z. dat de ouders binnenschippers, kermis- of circusexploitanten of

- artiesten, of woonwagenbewoners zijn.

Woonwagenbewoners zijn personen met een nomadische cultuur die zich legaal in België bevinden en die traditioneel in een woonwagen wonen of gewoond hebben, in het bijzonder de autochtone voyageurs en de zigeuners, en degenen die met deze personen samenleven of er in de eerste graad van afstammen;

- de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

- de leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een persoon, een gezin, een voorziening of een sociale dienst in het kader van bijzondere jeugdbijstand; (deze indicator is niet van toepassing op kinderen van gescheiden gezinnen);

- het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelage: d.w.z. dat het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelagen van de Dienst Studietoelagen zoals bedoeld in artikel 5, punt 34° van het decreet betreffende studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

- de taal die de leerling in het gezinspreekt is niet het Nederlands: d.w.z. indien de leerling slechts één gezinslid heeft en noch met moeder, vader, broers of zussen Nederlands spreekt. Of indien de leerling meer dan één gezinslid heeft en met geen of met maximum één van de volgende gezinsleden Nederlands spreekt: moeder, vader, broers of zussen. Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd.

Opmerking: een leerling die enkel en alleen voldoet aan de indicator “thuistaal”, komt niet in aanmerking voor het bereiken van de 10%/25% grens noch voor aanvullende ondersteuning; een leerling die aan deze indicator voldoet in combinatie met minstens één van de vier andere indicatoren, komt daarvoor wel in aanmerking en krijgt hierdoor een extra gewicht!

Bewijs

De vaststellingen omtrent het beantwoorden aan de indicatoren “taal” en “diploma moeder” gebeuren op grond van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft.

Voor de indicator “de leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen, is een verklaring nodig van de persoon, de voorziening of de sociale dienst waar de minderjarige is opgenomen.

Voor de indicator “ schooltoelage” , wordt door het Departement Onderwijs vóór 15 juni voorafgaand aan driejaarlijkse periode vastgesteld hoeveel leerlingen van een bepaalde school een schooltoelagen ontvangen zoals bedoeld in artikel 5, punt 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse gemeenschap.

Voor de indicator “trekkende bevolking”, is afhankelijk van de gezinssituatie één van de volgende mogelijke attesten nodig:

1° Binnenschipper:

- Een attest van gezinssamenstelling waaruit blijkt dat beide ouders binnenschipper zijn.

- Een kopie van het aanvraagformulier tot vermindering van het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben.

2° Kermis- en circusexploitanten en -artiesten:

- Een attest van gezinssamenstelling waaruit blijkt dat beide ouders kermis- of circusexploitanten of -artiesten zijn.

- Een kopie uit het handelsregister.

- Een lidkaart van foorreiziger/kermisexploitant.

- Een kopie van het aanvraagformulier tot vermindering van het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben.

3° Roma-zigeuners/ manoesj-zigeuners/voyageurs en andere personen met een nomadische cultuur:

- Een verklaring van de burgemeester dat het bedoelde adres een terrein is dat specifiek bedoeld is voor trekkende bevolking (Roma, Voyageur en/of Manoesj).

- Een attest van woonwagenbewoner ingevuld en ondertekend door een vzw die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is of door een specifieke dienst/cel binnen

een stad of gemeente.

4° Roma-zigeuners:

- Een document opgesteld door een officiële instantie van het land van herkomst waaruit onomstotelijk blijkt dat voornoemde persoon behoort tot de groep van de woonwagenbewoners. Bij documenten opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Frans, Engels of Duits kan een Nederlandse vertaling gevraagd worden, opgesteld door een Belgisch beëdigd vertaler.

- Een document bij de asielaanvraag waarin verklaard wordt dat de aanvrager Roma is.

- Een verklaring van een asielcentrum dat voornoemde persoon bekend stond als Roma-zigeuner.

- Een attest van woonwagenbewoner ingevuld en ondertekend door een vzw die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is of door een specifieke dienst/cel binnen een stad of gemeente.

Wanneer de school voor één of meer leerlingen niet beschikt over een verklaring op eer of desgevallend een attest dan kunnen deze leerlingen niet worden meegeteld voor de berekening van de extra uren-leraar.

3.3.2. De school werkt een schooleigen visie uit rond gelijke onderwijskansen

3.3.2.1. Eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers

De school schrijft een schoolspecifieke visie met een aantal concreet geformuleerde en realiseerbare doelstellingen uit.

Een school die extra uren-leraar krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijke kansenbeleid uit op maat van de school.

Het decreet bepaalt dat de uitbouw van een gelijk onderwijskansenbeleid betrekking heeft op zes thema's:

a) preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden;

b) taalvaardigheidsonderwijs;

c) intercultureel onderwijs;

d) doorstroming en oriëntering;

e) socio-emotionele ontwikkeling;

f) leerlingen- en ouderparticipatie.

De school kiest op basis van een analyse van haar beginsituatie haar doelstellingen

Van scholen wordt verwacht dat zij een gelijk onderwijskansenbeleid uitwerken op basis van een kwaliteitsvolle beginanalyse van de eigen situatie voor de zes hoger genoemde thema's.

Elke school legt op basis van deze beginanalyse voor zichzelf vast:

1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden en van de school wil bereiken;

2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken en

3° op welke manier zij zich in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

Voor de keuze en concretisering van de doelstellingen die ze wil bereiken kan de school op twee manieren tewerk gaan:

- ofwel gaat ze akkoord met een cluster van bij Besluit vooraf vastgelegde gelijke kanseninstrumenten (zie bijlage 6)

- ofwel opteert ze ervoor om zelf een samenhangend geheel van doelstellingen te formuleren, op maat van de school. Ze kan hierbij beroep doen op de doelenlijsten die ter informatie bij deze omzendbrief worden gevoegd (zie bijlage 7).

Concreet betekent dit:

Ofwel:

Kiest de school minstens één cluster van vooraf vastgelegde gelijke kanseninstrumenten uit de volgende drie clusters:

Cluster 1. Ontwikkelings- en leerachterstanden remediëren en leerwinst realiseren

Cluster 2. De taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen

Cluster 3. Een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren

Ofwel:

Formuleert de school zelf concrete en samenhangende doelstellingen die ze wil bereiken bij de leerlingen, bij de leerkrachten en in de school als organisatie voor minstens twee van de zes hoger genoemde thema's. De doelstellingen inzake het verhogen van de handelingsbekwaamheid van de leerkrachten en de doelstellingen inzake het versterken van de schoolwerking vormen een coherent geheel met de doelstellingen die men beoogt bij de leerlingen:

1. de motivatie voor ontwikkeling en leren bij de leerlingen verhogen en de ontwikkeling en/of leerwinst bij elke leerling maximaliseren (preventie en remediëring);

2. de taalvaardigheid (luisteren en spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten) bij leerlingen bevorderen (taalvaardigheidsonderwijs);

3. leerlingen in staat stellen om hun sociale en culturele vaardigheden in diverse contexten positief aan te wenden (intercultureel onderwijs);

4. een optimale studiekeuze waarborgen door studiekeuze- en schoolloopbaanbegeleiding (doorstroming en oriëntering);

5. een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren (socio-emotionele ontwikkeling);

6. leerlingen en ouders actief betrekken op het klas- en schoolleven en de kwaliteit van deze betrokkenheid verhogen (leerlingen- en ouderparticipatie).

De extra-uren leraar kunnen enkel worden aangewend om de gekozen doelstellingen op het vlak van de leerlingen, van de personeelsleden en van de school te realiseren.

De school betrekt in het ontwikkelen en realiseren van haar doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij wordt begeleid en de voorziene pedagogische begeleidingsdiensten.

In de toekomst blijft de ondersteuning vanwege het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen mogelijk.

In de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar voert elke school een zelfevaluatie uit

Dit betekent:

- de school gaat na of de gegevens verzameld en geanalyseerd werden met betrekking tot de vooropgestelde doelstellingen;

- de zelfevaluatie resulteert in voorstellen voor verbetering van de eigen werking en in eventuele bijsturingen;

- de zelfevaluatie wordt ter kennisgeving voorgelegd aan de participatieraad of de schoolraad.

Algemeen wordt aangenomen dat de kwaliteit van de zelfevaluatie verhoogt wanneer het zelfevaluatieproces gedragen wordt door het schoolteam.

3.3.2.2. Tweede en derde graad

De school schrijft een schoolspecifieke visie met een aantal concreet geformuleerde en realiseerbare doelstellingen uit.

Een school die extra-uren leraar krijgt, werkt een gelijkekansenbeleid uit op maat van de school. Het decreet bepaalt dat de uitbouw van een gelijk onderwijskansenbeleid in de tweede en derde graad betrekking heeft op vijf thema's:

a) preventie en remediëring van studie- en gedragsproblemen;

b) taalvaardigheidsonderwijs;

c) intercultureel onderwijs;

d) oriëntering bij instroom en uitstroom;

e) leerlingen- en ouderparticipatie.

De school kiest op basis van een analyse van haar beginsituatie haar doelstellingen

Van scholen wordt verwacht dat zij een gelijk onderwijskansenbeleid uitwerken op basis van een kwaliteitsvolle beginanalyse van de eigen situatie voor de vijf hoger genoemde thema's.

Elke school legt op basis van deze beginanalyse voor zichzelf vast:

1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden en van de school wil bereiken;

2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken en

3° op welke manier zij zich in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

Voor de keuze en concretisering van de doelstellingen die ze wil bereiken kan de school op twee manieren te werk gaan:

- ofwel gaat ze akkoord met een cluster van bij Besluit vooraf vastgelegde gelijke kanseninstrumenten (zie bijlage 8)

- ofwel opteert ze ervoor om zelf een samenhangend geheel van doelstellingen te formuleren, op maat van de school. Ze kan hierbij beroep doen op de doelenlijsten die ter informatie bij deze omzendbrief worden gevoegd (zie bijlage 9).

Concreet betekent dit:

Ofwel:

Kiest de school minstens één cluster van vooraf vastgelegde gelijke kanseninstrumenten uit de volgende drie clusters:

Cluster 1: Studie- en gedragsproblemen remediëren

Cluster 2. De taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen

Cluster 3. Een optimale studiekeuze waarborgen en het realiseren van een efficiënte studiekeuze-, stage- en schoolloopbaanbegeleiding

Ofwel:

Formuleert de school zelf concrete en samenhangende doelstellingen die zij wil bereiken bij de leerlingen, bij de leerkrachten en in de school als organisatie voor minstens twee van de vijf hoger genoemde thema's. De doelstellingen inzake het verhogen van de handelingsbekwaamheid van de leerkrachten en de doelstellingen inzake het versterken van de schoolwerking vormen een coherent geheel met de doelstellingen die men beoogt bij de leerlingen:

1. de motivatie voor ontwikkeling en leren bij de leerlingen verhogen en de ontwikkeling en/of leerwinst bij elke leerling maximaliseren (preventie en remediëring van studie- en gedragsproblemen);

2. de taalvaardigheid (luisteren en spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten) bij leerlingen bevorderen (taalvaardigheidsonderwijs);

3. leerlingen in staat stellen om hun sociale en culturele vaardigheden in diverse contexten positief aan te wenden (intercultureel onderwijs);

4. een optimale studiekeuze waarborgen door studiekeuze- en schoolloopbaanbegeleiding (oriëntering bij instroom en uitstroom);

5. leerlingen en ouders actief betrekken op het klas- en schoolleven en de kwaliteit van deze betrokkenheid verhogen (leerlingen- en ouderparticipatie).

De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om de gekozen doelstellingen op het vlak van de leerlingen, de personeelsleden en van de school te realiseren.

De school betrekt in het ontwikkelen en realiseren van haar doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij wordt begeleid en de voorziene pedagogische begeleidingsdiensten.

In de toekomst blijft de ondersteuning vanwege het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen mogelijk.

In de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar voert elke school een zelfevaluatie uit

Dit betekent:

- de school gaat na of de gegevens verzameld en geanalyseerd werden met betrekking tot de vooropgestelde doelstellingen;

- de zelfevaluatie resulteert in voorstellen voor verbetering van de eigen werking en in eventuele bijsturingen;

- de zelfevaluatie wordt ter kennisgeving voorgelegd aan de participatieraad of de schoolraad.

Algemeen wordt aangenomen dat de kwaliteit van de zelfevaluatie verhoogt wanneer het zelfevaluatieproces gedragen wordt door het schoolteam.

3.3.3. De school heeft een positief inspectieverslag voor de werking van de voorbije periode van drie schooljaren

De onderwijsinspectie gaat bij de controle op de aanwending van extra uren-leraar in de loop van het derde schooljaar na of, en in welke mate de gelijkekanseninstrumenten werden uitgebouwd, rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Daarnaast controleert de inspectie de uitvoering van de gekozen doelstellingen en de zelfevaluatie.

Deze controle impliceert tegelijk dat wordt nagegaan of en in welke mate

- de analyse van de beginsituatie voldoende kwaliteitsvol en volledig werd uitgevoerd

- de keuze van de doelstellingen en van de gelijkekanseninstrumenten voldoende verantwoord zijn in functie van deze analyse;

- de gelijkekanseninstrumenten werden uitgebouwd;

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra-uren leraar krijgen indien aan alle voorwaarden inzake de toekenning van de middelen voldaan is.

Een school die een negatieve beoordeling krijgt van de onderwijsinspectie verliest haar recht op extra-uren leraar in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid voor de volgende periode van drie schooljaren.

Daarenboven kan dit aanleiding geven tot terugvorderingen en sancties. (zie verder onder punt 3.7.)

Een school die een negatieve beoordeling krijgt kan echter op extra uren-leraar voor de volgende periode van drie schooljaren blijven rekenen op voorwaarde dat de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgen scholen de helft van het aantal extra uren-leraar waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zouden hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan volgende voorwaarden voldoen:

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria:

a) Het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school.

b) De geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de gekozen GOK-doelstellingen.

c) De doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn.

d) Het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd.

e) De doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie zal de school vanaf het tweede schooljaar terug een beroep kunnen doen op het volledige aantal extra uren leraar. Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op extra uren-leraar voor de volgende twee schooljaren.

Beroepsprocedure

Het schoolbestuur kan beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. Het beroep wordt behandeld door een college van inspecteurs, bijeengeroepen door de minister. Het college is paritair samengesteld voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs, voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs. Deze leden mogen geen deel hebben uitgemaakt van het team dat de negatieve beoordeling heeft uitgebracht. De voorziene beroepsprocedure wordt volledig beschreven in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs.

3.3.4. Samenvattend

De school ontvangt extra uren-leraar voor een periode van drie jaren. Hierdoor krijgt de school de kans om continuïteit in te bouwen in haar werking. Tijdens het eerste trimester van het eerste jaar tekent de school haar beleid uit voor de volgende drie jaren: wat willen we bereiken en welke acties zullen we daarvoor ondernemen? Tussentijds, dit wil zeggen in het midden van het tweede schooljaar gaat de school via een zelfevaluatie na of de gevaren koers kan worden aangehouden. In de loop van het derde jaar legt de school verantwoording af over haar werking naar aanleiding van de controle door de inspectie.

3.4. Berekening en toekenning van de extra uren-leraar

3.4.1. Gewichten

Voor alle regelmatige leerlingen van de eerste, tweede en derde graad en van het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers worden extra uren-leraar toegekend indien ze op één of meer gelijke kansenindicatoren scoren. Het beschikbare onderwijsbudget is een open budget, wat betekent dat het fluctueert in functie van het aantal leerlingen dat scoort en in functie van de mate waarin die leerlingen scoren. Aan elk van de indicatoren wordt immers een bepaald gewicht toegekend vanuit het principe dat de zwaarst belastende indicatoren de hoogste wegingscoëfficiënt krijgen. Welke indicatoren minder of meer belastend zijn, is wetenschappelijk vastgesteld. Aldus wordt aan de respectieve gelijke kansenindicatoren de volgende weging, uitgedrukt in punten, toegekend:

a) indicator schooltoelage voor een leerling die enkel scoort op de indicator schooltoelage, eventueel in combinatie met indicator thuistaal: 0,4 punten;

b) indicator schooltoelage voor een leerling die niet onder a) valt: 0,18 punten;

c) indicator tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen: 0,8 punten;

d) indicator scholingsgraad van de moeder: 0,6 punten;

e) indicator trekkende bevolking: 0,8 punten;

f) indicator thuistaal, enkel mogelijk in combinatie met één van de vier andere indicatoren: 0,2 punten.

Aandacht: correctiemechanismen:

1° leerlingenreductie: het aantal leerlingen dat onder a) valt, wordt vermenigvuldigd met 0,4417;

2° gewichtenplafond: voor een leerling die aan verschillende indicatoren voldoet, kunnen de gewichten gecumuleerd worden tot een maximum van 1,2 punten.

3.4.2. Aantal uren-leraar per punt

Het werken met punten is een berekeningsmodaliteit, doch het eindresultaat voor scholen moet een aantal uren-leraar genereren. Aldus is bepaald dat:

a) voor de eerste graad en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers één punt = 0,2916 uren-leraar;

b) voor de tweede en derde graad één punt = 0,1225 uren-leraar.

3.4.3. Berekening per school

Er vindt een afzonderlijke berekening plaats voor de eerste graad en het onthaalonderwijs enerzijds en de tweede en derde graad anderzijds, zoals hierna beschreven. Indien het resultaat van de berekening – voor alle graden samen - minder dan 6 extra uren-leraar bedraagt, dan krijgt de school geen extra uren-leraar.

a) voor wat betreft de eerste graad en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers:

- het gewicht wordt berekend van elke leerling op basis van punt 3.4.1.;

- de gewichten van alle leerlingen worden samengeteld;

- volgend correctiemechanisme wordt toegepast: voor een school die, toegepast op de eerste graad en het onthaalonderwijs, een concentratiegraad bereikt van minstens 55% of gelegen is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wordt het totaal aantal punten vermenigvuldigd met 1,5 (indien een school aan beide criteria voldoet, wordt de vermenigvuldiging tweemaal toegepast !);

- het resultaat van voorgaande bewerkingen wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma hoger is dan 4, in het andere geval wordt afgerond naar de lagere eenheid;

- het totaal aantal bekomen punten wordt vermenigvuldigd met 0,2916 uren-leraar. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma hoger is dan 4, in het andere geval wordt afgerond naar de lagere eenheid.

b) voor wat betreft de tweede en derde graad:

- het gewicht wordt berekend van elke leerling op basis van punt 3.4.1.;

- de gewichten van alle leerlingen worden samengeteld;

- volgend correctiemechanisme wordt toegepast: voor een school die, toegepast op de tweede en derde graad, een concentratiegraad bereikt van minstens 55% of gelegen is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wordt het totaal aantal punten vermenigvuldigd met 1,5 (indien een school aan beide criteria voldoet, wordt de vermenigvuldiging tweemaal toegepast !);

- het resultaat van voorgaande bewerkingen wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma hoger is dan 4, in het andere geval wordt afgerond naar de lagere eenheid;

- het totaal aantal bekomen punten wordt vermenigvuldigd met 0,1225 uren-leraar. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma hoger is dan 4, in het andere geval wordt afgerond naar de lagere eenheid.

Aandacht: de extra uren-leraar blijven gedurende drie schooljaren (= GOK-periode) jaarlijks gehandhaafd, ongeacht stijging of daling van leerlingen en eventuele herstructureringen.

3.5. Aanwending van de extra uren-leraar - personeelsconsequenties

De extra uren-leraar worden toegekend voor:

- de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers;

- de tweede en derde graad.

Deze extra uren-leraar kunnen vrij aangewend worden over de verschillende graden.

De extra uren-leraar die worden toegekend voor de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers kunnen dus voortaan ook worden aangewend voor de tweede en derde graad.

Uiteraard moeten deze uren-leraar aangewend worden voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid en moet de aanwending in de schooleigen visie duidelijk gemotiveerd worden.

De extra uren-leraar in het gewoon secundair onderwijs kunnen overgedragen worden naar een andere school van het gewoon secundair onderwijs, rekening houdend met de voorwaarden vermeld in rubriek 4.4 van de omzendbrief SO 55 met betrekking tot het pakket uren-leraar in het voltijds secundair onderwijs. Uiteraard kunnen deze uren-leraar in de begunstigde school slechts worden aangewend voor de uitvoering van een gelijk onderwijskansenbeleid in deze school.

3.5.1. Eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers

3.5.1.1. Aanwending van de extra uren-leraar

De extra uren-leraar zijn bedoeld voor de eerste graad secundair onderwijs en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers ter uitvoering van het gelijke onderwijskansenbeleid dat u in uw school hebt vastgelegd.

Met deze uren-leraar kan u één of meer betrekkingen in het ambt van leraar of godsdienstleraar organiseren. U kan de uren-leraar toekennen aan verschillende personeelsleden.

Voorbeeld: Een school heeft recht op 11 extra uren-leraar voor de eerste graad secundair onderwijs. Zij beslist om met deze uren een betrekking in het ambt van leraar te organiseren en daar twee personeelsleden in aan te stellen.

- één personeelslid met een opdracht van 5/22

- één personeelslid met een opdracht van 6/22

3.5.1.2. Administratieve toestand van het personeelslid

De betrekkingen van leraar of godsdienstleraar die u met de extra uren-leraar organiseert, zijn volledig onderworpen aan de bepalingen van de decreten rechtspositie.

Dit houdt in dat deze betrekkingen in aanmerking komen voor tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Ze kunnen tevens worden vacant verklaard met het oog op vaste benoeming.

Vastbenoemde personeelsleden kan u, weliswaar steeds rekening houdend met de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, dadelijk als titularis aanstellen in de betrekking(en) ingericht met de extra uren-leraar.

Deze betrekkingen zijn ook onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.

3.5.1.3. Geldelijke toestand van het personeelslid

Als u in de betrekking een tijdelijk personeelslid aanwerft, zal dit personeelslid worden bezoldigd volgens de geldende reglementering die van toepassing is op het ambt waarin betrokkene wordt aangesteld (met inbegrip van eventuele uitgestelde bezoldiging tijdens de zomermaanden).

Als u een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO in de betrekking aanstelt, gelden de bezoldigingsprincipes van de reglementering betreffende het verlof TAO.

Meer informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn” (referentie 13AC/GDH/SH/js van 19-06-1998).

3.5.1.4. Mededelen van de uren-leraar aan het werkstation

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in het ambt van leraar stuurt u een RL-01 in met lesuren GOK en een gelijkstelling met een vak/specialiteit in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in het ambt van godsdienstleraar stuurt u een RL-01 in met lesuren GOK en een gelijkstelling met de godsdienst in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

3.5.2. Tweede en derde graad

3.5.2.1. Aanwending van de uren-leraar en/of punten

Naast extra uren-leraar voor de eerste graad secundair onderwijs, hebt u eventueel ook recht op extra uren-leraar in de tweede en derde graad secundair onderwijs.

In tegenstelling tot de uren-leraar voor de eerste graad kan het schoolbestuur kiezen om deze extra uren-leraar geheel of gedeeltelijk om te zetten in betrekkingen voor ondersteunend personeel.

Als het schoolbestuur kiest voor uren-leraar kan u hiermee één of meer betrekkingen in het ambt van leraar of van godsdienstleraar organiseren. De uren-leraar kunnen worden toegekend aan verschillende personeelsleden.

Als het schoolbestuur beslist om deze uren-leraar geheel of gedeeltelijk om te zetten in betrekkingen van het ondersteunend personeel, kan u betrekkingen in het ambt van opvoeder organiseren.

U moet evenwel steeds een halftijdse of voltijdse betrekking van opvoeder organiseren.

U zet de uren-leraar als volgt om:

- als het personeelslid wordt aangesteld als opvoeder, moet u 11 uren-leraar omzetten naar een halftijdse betrekking en 22 uren-leraar naar een voltijdse betrekking.

Het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid heeft geen invloed op de omzetting.

Voorbeeld 1

Een school heeft recht op 21 extra uren-leraar in de tweede en derde graad secundair onderwijs.

Het schoolbestuur beslist om met deze uren-leraar een halftijdse betrekking van opvoeder te organiseren en een deeltijdse betrekking in het ambt van leraar.

De 21 uren-leraar worden als volgt gebruikt:

- 11 uren-leraar worden gebruikt om een halftijdse betrekking in het ambt van opvoeder te organiseren.

- 10 uren-leraar worden gebruikt om een deeltijdse betrekking in het ambt van leraar te organiseren. In deze betrekking wordt een personeelslid aangesteld met een opdracht van 10/21.

Voorbeeld 2

Een school heeft recht op 16 extra uren-leraar in de tweede en derde graad secundair onderwijs.

De inrichtende macht beslist om met deze uren-leraar een halftijdse betrekking van opvoeder te organiseren en een deeltijdse betrekking in het ambt van leraar.

De 16 uren-leraar worden als volgt gebruikt:

- 11 uren-leraar worden gebruikt om een halftijdse betrekking in het ambt van opvoeder te organiseren.

- 5 uren-leraar worden gebruikt om een deeltijdse betrekking in het ambt van leraar te organiseren. In deze betrekking wordt een personeelslid aangesteld met een opdracht van 5/21.

3.5.2.2. Administratieve toestand van het personeelslid

De betrekkingen van leraar, godsdienstleraar of opvoeder die u met de extra uren-leraar en/of punten organiseert, zijn volledig onderworpen aan de bepalingen van de decreten rechtspositie.

Dit houdt in dat deze betrekkingen in aanmerking komen voor tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Ze kunnen tevens worden vacant verklaard met het oog op vaste benoeming.

Vastbenoemde personeelsleden kan u, weliswaar steeds rekening houdend met de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, dadelijk als titularis aanstellen in de betrekking(en) ingericht met de extra uren-leraar.

Deze betrekkingen zijn ook onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.

3.5.2.3. Geldelijke toestand van het personeelslid

Als u in de betrekking een tijdelijk personeelslid aanwerft, zal dit personeelslid worden bezoldigd volgens de geldende reglementering die van toepassing is op het ambt waarin betrokkene wordt aangesteld (met inbegrip van eventuele uitgestelde bezoldiging tijdens de zomermaanden).

Als u een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO in de betrekking aanstelt, gelden de bezoldigingsprincipes van de reglementering betreffende het verlof TAO.

Meer informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn” (referentie 13AC/GDH/SH/js van 19-06-1998).

3.5.2.4. Meedelen van de uren-leraar aan het werkstation

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in het ambt van leraar stuurt u een RL-01 in met lesuren GOK en een gelijkstelling met een vak in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in het ambt van godsdienstleraar stuurt u een RL-01 in met lesuren GOK scholengemeenschap en een gelijkstelling met de godsdienst in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in het ambt van opvoeder stuurt u een RL-01 in met “opvoeder GOK”. Deze opdracht stuurt u naar werkstation 32.

(...)

3.6. Stopzetting, terugvordering en sancties

De financiering of subsidiëring van de extra uren-leraar wordt onmiddellijk stopgezet wanneer de doorgestuurde gegevens onjuistheden bevatten. Hetzelfde gebeurt wanneer vastgesteld wordt dat het plan, gebaseerd op de analyse van de beginsituatie, niet nageleefd wordt en/of de zelfevaluatie niet uitgevoerd wordt. Naast de stopzetting van de extra uren-leraar kan het departement de kostprijs van de extra uren-leraar terugvorderen. De minister kan bovendien nog een sanctie opleggen aan de school. Die sanctie kan bestaan uit het terugvorderen van een gedeelte van het werkingsbudget.

3.7. Het adres voor verduidelijkingen en bijkomende informatie

Ministerie van Onderwijs en Vorming

Koning Albert II-laan 15

1210 BRUSSEL

Voor verdere inlichtingen kan u best contact opnemen met:

- Voor inhoudelijke verduidelijkingen:

CHAMA RHELLAM lokaal 6C23

tel. 02/553.97.98

e-mail: chama.rhellam@ond.vlaanderen.be

Peter Bex lokaal 2A25

tel. 02/553.88.75

e-mail: peter.bex@ond.vlaanderen.be

of met uw eigen schoolbeheerteam.

- Voor personeelsgebonden verduidelijkingen:

Marc LEUNIS lokaal 6C13

tel. 02/553.97.80

e-mail: marc.leunis@ond.vlaanderen.be

of met uw werkstation.

4. Ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs

Vanaf 1 september 2009 wordt het vroegere onderwijsvoorrangsbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs vervangen door een ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen.

De nieuwe omzendbrief SO/2009/05(BuSO) over het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs behandelt exclusief het luik ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs.

5. Tijdelijke projecten kunstinitiatie

5.1. Toelichting

Het achtste hoofdstuk van het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I geeft aan basis- en secundaire scholen de mogelijkheid om tijdelijke projecten kunstinitiatie op te starten in samenwerking met academies voor deeltijds kunstonderwijs, erkende professionele culturele organisaties en buurtgerichte organisaties. De algemene doelstellingen zijn het zelfbeeld bevorderen bij leerlingen met een risico op schoolse achterstand, de cultuurcompetentie bij deze doelgroep verhogen en de betrokkenheid van de buurt en de ouders bij de school te vergroten. Binnen de krijtlijnen van een gesloten budget verleent de minister van Onderwijs jaarlijks aan de tijdelijke projecten een puntenenveloppe die kan worden aangewend om betrekkingen op te richten of omgezet in een werkingsbudget.

De projecten werden opgestart in een context waarin veel leerlingen aan de gelijkekansenindicatoren beantwoorden (bv. multiculturele school, kansarme buurt).

De gelijkekansenindicatoren dienen in het tijdelijk project kunstinitiatie veeleer als richtingaanwijzers voor de bepaling van de doelgroep. Anders dan voor het geïntegreerd ondersteuningsaanbod is de toekenning van extra lestijden, uren-leraar en/of middelen niet louter evenredig met het aantal leerlingen dat aan de indicatoren beantwoordt. De beoordelingscommissie, die de minister zal adviseren over de toekenning van extra lestijden, uren-leraar en/of middelen, zal ook rekening houden met andere factoren (afstemming van het project op de doelstellingen, de mate waarin het project past in het geheel van het schoolwerkplan of het pedagogisch project van de deelnemende scholen, de mate waarin elke partner een fundamentele bijdrage levert aan het bereiken van de doelstellingen, de verhouding tussen de gevraagde ondersteuning enerzijds en het aantal lesactiviteiten en het aantal deelnemende leerlingen anderzijds).

Het globale project kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen liep oorspronkelijk drie opeenvolgende schooljaren vanaf het schooljaar 2005-2006. Na het schooljaar 2007-2008 volgde een eindevaluatie door de onderwijsinspectie. Na voorlegging van de eindresultaten De eindresultaten en het eindadvies door de Vlaamse regering aan het Vlaams parlement werden de projecten verlengd tot 31 augustus 2013, in afwachting van een fundamentele hervorming van het deeltijds kunstonderwijs.

5.2. Strategieën

Het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I vermeldt 3 mogelijke strategieën om de algemene doelstelling van het tijdelijk project te realiseren:

- een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars;

- de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving,

- de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.

5.3. Initiatiefnemers

Zowel basis- als secundaire scholen kunnen een projectaanvraag indienen. De aanvragende school moet een samenwerkingsovereenkomst afsluiten met minstens een school voor deeltijds kunstonderwijs, een erkende professionele culturele organisatie en een buurtgerichte organisatie.

Uiteraard is samenwerking met organisaties die al ervaring hebben met artistieke projecten voor kansarme en/of allochtone jongeren aanbevelenswaard.

(…)

5.4. Subsidiëring

Op advies van een beoordelingscommissie kent de minister jaarlijks een puntenenveloppe toe aan de aanvragende basis- of secundaire school. De school kan de punten aanwenden om betrekkingen op te richten of omzetten in een werkingsbudget. In het geval van lestijden of uren-leraar is het belangrijk dat de aanstelling van de leerkracht op tijdelijke basis gebeurt. Vastbenoemden kunnen zich vrij maken op basis van het stelsel “tijdelijk andere opdracht” om les te geven in een project kunstinitiatie. Een leerkracht kan nooit vast benoemd worden in de extra lestijden of uren-leraar. De aanstelling gebeurt op basis van een vak of ambt waarvoor het personeelslid een bekwaamheidsbewijs heeft in het specifieke onderwijsniveau.

Het personeelslid dat in de extra lestijden of uren-leraar wordt aangesteld kan, mits zijn instemming, voor de vervulling van zijn opdracht in het kader van het tijdelijk project kunstinitiatie worden ingezet voor en in de scholen of instellingen die de in punt 5.3. bedoelde samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten.

Het uitkeren van extra middelen zal gebeuren op basis van een overeenkomst (contract) tussen de Vlaamse overheid en de penvoerende instantie. De extra middelen kunnen worden besteed aan bv. lonen of honoraria voor niet-leerkrachten, werkingsmiddelen en/of uitrustingskosten.

5.5. Opvolging en evaluatie

De onderwijsinspectie volgt de projecten op. Zij maakt daarvoor ondermeer gebruik van een zelfevaluatie die de initiatiefnemer jaarlijks opmaakt. De zelfevaluatie maakt duidelijk hoe de methodes van het project aansluiten bij de strategieën en doelstellingen van het project.

De onderwijsinspectie kan de minister adviseren om projecten vroegtijdig stop te zetten.

5.6. Voor verduidelijkingen en bijkomende informatie

Voor verdere inlichtingen over de tijdelijke projecten kunstinitiatie kan u best contact opnemen met:

Ingrid Leys of Jos Thys

lokaal 4A09

tel. 02/553.92.43

e-mail: ingrid.leys@ond.vlaanderen.be

6. Bijlagen