OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen

  • goedkeuringsdatum
    08 JULI 2005
  • publicatiedatum
    B.S.09/09/2005
  • datum laatste wijziging
    03/10/2008

COORDINATIE

B.Vl.R. 16-2-2007 - B.S. 29-3-2007

opgeheven door Decr. 10-7-2008 - B.S. 3-10-2008

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd bij het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie, de normering en de financiering van de erkende vorming in het kader van deeltijdse leerplicht, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende samenstelling van de commissie voor advies inzake erkenning van vormingsprogramma's voor de vervulling van deeltijdse leerplicht;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 4 mei 2005;

Gelet op het advies 38.466/1 van de Raad van State, gegeven op 16 juni 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de door verenigingen zonder winstoogmerk georganiseerde vormingsprogramma's die door de Vlaamse Regering worden erkend voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht, vermeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. [Dit besluit is niet van toepassing op de leertijd die als vormingsprogramma van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming-Syntra Vlaanderen is erkend als vorming die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komt.]

B.Vl.R. 16-2-2007

Art. 2.

Een vormingsprogramma omvat een samenhangend en op levenslang leren gericht geheel van activiteiten rond persoonlijke, maatschappelijke en arbeidsgerichte vorming.

In afwijking hiervan kan een vormingsprogramma zich evenwel beperken tot persoonlijke en maatschappelijke vorming om te beantwoorden aan de bepalingen in artikel 67, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II.

Art. 3.

Een vormingsprogramma is alleen toegankelijk voor deeltijds leerplichtigen. Als leerlingen eenmaal ingeschreven zijn, kunnen ze een vormingsprogramma niettemin verder volgen tot en met het einde van het schooljaar dat valt in het kalenderjaar waarin ze de leeftijd van twintig jaar bereiken. Een vormingsprogramma kan door een jongere nooit worden aangevat nadat hij zijn leerplicht heeft voltooid.

HOOFDSTUK II. - Erkenning en opvolging

Art. 4.

Om erkend te kunnen worden moet een vormingsprogramma als vermeld in artikel 2, eerste lid, rekening houdend met het aantal jaaruren, vermeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, voor ten minste één derde uit persoonlijke en maatschappelijke vorming en voor ten minste een derde uit arbeidsgerichte vorming bestaan.

Art. 5.

Om erkend te kunnen worden moet :

1° de organisatie van het vormingsprogramma volledig in overeenstemming zijn met de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder;

2° de organisator van een vormingsprogramma zich aan de door het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap ingestelde controle en inspectie onderwerpen. Die inspectie heeft inzonderheid betrekking op het totale aantal effectief georganiseerde uren, de afwerking van het programma, de kwaliteit van de vorming en de toepassing van de taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes;

3° de organisator van het vormingsprogramma beschikken over didactisch materiaal en uitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten;

4° de organisator van het vormingsprogramma personeel inzetten waarvan de gezondheidstoestand die van de deelnemers niet in gevaar brengt;

5° de organisator van het vormingsprogramma een beleidscontract sluiten met een centrum voor leerlingenbegeleiding;

6° het vormingsprogramma georganiseerd worden in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen.

Art. 6.

De aanvraag voor de erkenning van een vormingsprogramma kan worden ingediend door een vereniging zonder winstoogmerk die actief is in het vormingswerk en het jeugdwerk.

De vereniging in kwestie draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het vormingsprogramma.

Art. 7.

Een aanvraag tot erkenning vermeldt minstens :

1° de identificatie van de verantwoordelijke vereniging met inbegrip van haar statuten;

2° de vestigingsplaatsen waar het programma wordt verstrekt;

3° de doelgroep;

4° het traject tot realisatie van het programma;

5° de inhoud van het programma, met inbegrip van het aantal lesuren, uitgedrukt in vijftig minuten, per schooljaar die hierna "jaaruren" worden genoemd;

6° de arbeidsgerichte programmaonderdelen die eventueel worden georganiseerd in samenwerking met een of meer centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of met andere deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;

7° de resultaten van een behoefteonderzoek bij de vooropgestelde doelgroep naar inhoud en geografische spreiding;

8° het kwalificatie- en competentieprofiel van de lesgevers.

Art. 8.

Een aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de bevoegde administratie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voor 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin het desbetreffende programma wordt opgestart.

Voormelde administratie legt het geheel van de ontvangen aanvragen binnen een maand ter advies voor aan de erkennings- en opvolgingscommissie, vermeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, en hierna "de commissie" genoemd. De adviezen worden binnen een maand na ontvangst uitgebracht en bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Art. 9.

De commissie kan, al dan niet op basis van een verslaggeving door de bevoegde inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, een eensluidend advies uitbrengen over de opheffing van de erkenning van een vormingsprogramma dat niet meer voldoet aan de bepalingen van artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht en aan de bepalingen van dit besluit.

De organisator van het vormingsprogramma wordt van het advies onmiddellijk op de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld om binnen een door de commissie vooropgestelde redelijke termijn een gemotiveerd bezwaar in te dienen bij de commissie, met verzoek het advies te heroverwegen. Indien het advies over de opheffing van de erkenning behouden blijft, dan wordt het bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Indien de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, het advies overneemt, dan kan de beslissing tot opheffing door de Vlaamse Regering op zijn vroegst op 1 september daaropvolgend uitwerking hebben. De beslissing moet daarenboven waarborgen dat het door de jongere gekozen vormingsprogramma, binnen een normaal tijdsbestek, volledig kan worden doorlopen.

Art. 10.

Tenzij toepassing wordt gemaakt van de bepalingen in artikel 9, blijven de vormingsprogramma's die zijn erkend bij de inwerkingtreding van dit besluit, hun erkenning behouden.

Het behoud van de erkenning mag gepaard gaan met een wijziging van het aantal jaaruren van het vormingsprogramma door middel van afronding, naar boven of onder, naar het dichtstbijgelegen veelvoud van vijftig, zonder aan de inhoud van het programma in kwestie te raken.

Art. 11.

Behoudens adviesverstrekking over de erkenning van vormingsprogramma's, is de commissie belast met de opvolging van het implementatieproces van de erkende vormingen. Daartoe maakt de commissie intern afspraken die de gelijkgerichtheid en objectiviteit in haar werking moeten waarborgen.

Bij de opvolging zal inzonderheid aandacht worden besteed aan de verhouding tussen de kwalificaties en competenties van de lesgevers en de realisatie van de vormingsprogramma's.

HOOFDSTUK III. - De erkennings- en opvolgingscommissie

Art. 12.

De commissie is samengesteld uit :

1° vier leden die de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, vertegenwoordigen;

2° vier leden die de Vlaamse ministers, bevoegd voor respectievelijk de culturele aangelegenheden, het economisch beleid, het beleid inzake maatschappelijk welzijn en het tewerkstellingsbeleid, vertegenwoordigen.

Art. 13.

Voor elk mandaat wordt één effectief lid en één plaatsvervangend lid benoemd. Een plaatsvervangend lid kan enkel zitting hebben ter vervanging van een effectief lid dat door dezelfde Vlaamse minister werd voorgedragen.

Het mandaat van de leden duurt vijf jaar en kan worden hernieuwd. De leden blijven in functie tot hun opvolgers zijn aangesteld.

Er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van elk lid van wie het mandaat een einde heeft genomen voor het normaal is verstreken. In dat geval voltooit het nieuwe lid het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 14.

De commissie kiest haar voorzitter onder de effectieve leden die de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, vertegenwoordigen.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst onder de ambtenaren van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een secretaris aan.

Art. 15.

Bij de uitoefening van haar erkenningsopdracht kan de commissie alleen geldig beraadslagen als een gewone meerderheid van de leden aanwezig is. Als bij de daaropvolgende vergaderingen die meerderheid niet wordt bereikt, kan de commissie over dezelfde agendapunten geldig beraadslagen met de aanwezige leden.

Art. 16.

Voor de uitoefening van haar opvolgingsopdracht moet de commissie ten minste eenmaal per jaar samenkomen. De commissie moet op eenvoudig verzoek van een lid door de voorzitter samengeroepen worden.

Art. 17.

Een lid van de inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap kan niet bij de inspectie van vormingsprogramma's, zoals vermeld in artikel 5, 2°, worden betrokken als dat lid tezelfdertijd deel uitmaakt van de commissie.

HOOFDSTUK IV. - Organisatie

Art. 18.

Een vormingsprogramma wordt georganiseerd op basis van het principe van de gelijkmatige spreiding en in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 2, 3, § 2, artikelen 6, 7, 8, 10 en 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, kan voor uitzonderlijke gevallen en op verzoek van de verantwoordelijke van het vormingsprogramma afwijking verlenen van de gelijkmatige spreiding van een vormingsprogramma als het de vermindering van het normale aantal lesweken per schooljaar betreft.

Art. 19.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 3, moet een deelnemer uiterlijk op 31 januari van het lopende schooljaar in het gekozen vormingsprogramma zijn ingeschreven.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde kan voor uitzonderlijke gevallen afwijking verlenen van die uiterste inschrijvingsdatum.

Art. 20.

De bepalingen van artikel 14bis tot en met 14octies met betrekking tot gewettigde afwezigheden van leerlingen, opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs, zijn, als ze van toepassing zijn op het deeltijds beroepssecundair onderwijs, eveneens van toepassing op de erkende vormingsprogramma's.

Art. 21.

Een attest van verworven bekwaamheden wordt, al dan niet op het einde van het schooljaar, uitgereikt aan de deelnemer die het vormingsprogramma beëindigt. Het attest vermeldt de stappen van het vormingsprogramma die met vrucht werden doorlopen.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de vaststelling van het model van het attest van verworven bekwaamheden.

HOOFDSTUK V. - Financiering

Art. 22.

De financiering van de erkende vormingsprogramma's is bedoeld voor de dekking van zowel de werkings- als de personeelskosten.

Art. 23.

§ 1. Voor de berekening van de financiering worden de in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit ingeschreven deelnemers op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna als 1 februari een lesvrije dag is, in aanmerking genomen.

Voor het eerste schooljaar waarin een vormingsprogramma wordt erkend, wordt voormelde datum evenwel vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar in kwestie of op de eerstvolgende lesdag erna als 1 oktober een lesvrije dag is, als de organisator tijdens het voorafgaande schooljaar nog geen erkende vormingsprogramma's heeft georganiseerd.

§ 2. De op een in § 1 vermelde datum ingeschreven deelnemer die het vormingsprogramma in het schooljaar in kwestie slechts tijdelijk volgt in combinatie met maatregelen, opgelegd in het kader van de bijzondere jeugdzorg of de jeugdbescherming, blijft, met behoud van de toepassing van de bepalingen in § 1, financierbaar of subsidieerbaar op de gebruikelijke tellingsdatum in de instelling voor secundair onderwijs waar hij is ingeschreven.

§ 3. Aan elke deelnemer wordt een aantal punten toegekend, naar rata van 1,20 punten per schijf van vijftig jaaruren die het door de deelnemer gevolgde vormingsprogramma omvat. Dit aantal wordt herleid tot 1 punt per schijf van vijftig jaaruren indien het door de deelnemer gevolgde vormingsprogramma onder toepassing valt van artikel 2, tweede lid.

De waarde van een punt wordt bepaald door het beschikbare begrotingskrediet te delen door het aantal punten dat in totaal verkregen is voor alle deelnemers en vormingsprogramma's samen.

De vastgestelde puntwaarde, vermenigvuldigd met het aantal punten dat de betrokken deelnemer genereert, geeft het financieringsbedrag voor die deelnemer.

Art. 24.

De financiering wordt uitbetaald door middel van een voorschot in de loop van de maand februari en een saldo in de loop van de maand juni van hetzelfde begrotingsjaar.

Het voorschot bedraagt minimaal 50 procent en maximaal 60 procent van de totale financiering. Het saldo wordt uitbetaald na voorafgaande verificatie en aanvaarding van de schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot de reële uitgaven van het voorbije boekjaar.

Art. 25.

In de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde vormingsprogramma's kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.

HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 26.

[...]

B.Vl.R. 16-2-2007

Art. 27.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2005.

Art. 28.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.